Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
07/12553
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1423
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Cassatie, beroep ontvankelijk tegen tussenarrest bij sprongcassatie tegen eindvonnis dat op in tussenarrest bekrachtigd tussenvonnis voortbouwt (art. 398 onder 2 en 401a lid 2 Rv.).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 398, geldigheid: 2008-04-04
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2008/28 met annotatie van mr. W.H. van Hemel
NJ 2008, 204
JOL 2008, 272
RvdW 2008, 390
JWB 2008/165

Conclusie

Rolnr. 07/12553

Mr L. Strikwerda

Zt. 21 dec. 2007

Conclusie inzake

Vereniging BUMA

tegen

Chellomedia Progammering B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans eiseres tot cassatie, hierna: Buma, heeft, tezamen met de Stichting Stemra, hierna: Stemra, bij exploot van 11 april 2003 thans verweerster in cassatie, hierna: Chellomedia (voorheen genaamd: UPC Programming BV), gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en, na vermeerdering van eis, onder meer gevorderd - kort gezegd - dat de rechtbank Chellomedia zal verbieden om muziekwerken behorende tot het Buma-repertoire openbaar te (doen) maken.

2. Na verweer door Chellomedia heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 januari 2005 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Buma en Stemra, bepaald dat partijen tegen het vonnis hoger beroep kunnen instellen, en iedere verdere beslissing aangehouden.

3. Op het hoger beroep van Buma en Stemra heeft het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 29 juni 2006 het tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.

4. Nadat partijen de rechtbank hadden verzocht om ten aanzien van de vorderingen die zijn ingesteld door Buma eindvonnis te wijzen, heeft de rechtbank bij vonnis van 1 augustus 2007 ten aanzien van Buma de vorderingen afgewezen en ten aanzien van Stemra de zaak naar de rol verwezen voor voortprocedren.

5. Buma is tegen het tussenarrest van het hof van 29 juni 2006 en tegen het vonnis van de rechtbank van 1 augustus 2007 (tijdig) in cassatie gekomen met vier, telkens uit verscheidene onderdelen opgebouwde, middelen, stellende dat partijen zijn overeengekomen dat Buma sprongcassatie zal instellen van het vonnis van de rechtbank en van het daaraan ten grondslag liggende tussenarrest van het hof.

6. Chellomedia heeft bij conclusie van antwoord, tevens inhoudende een beroep op niet-ontvankelijkheid van een gedeelte van het cassatieberoep, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Buma in haar cassatieberoep voor zover ingesteld tegen het arrest van 29 juni 2006 van het hof, en overigens tot verwerping van het cassatieberoep.

7. Buma heeft bij "Reactie op beroep op niet-ontvankelijkheid" het door Chellomedia voorgedragen ontvankelijkheidsverweer bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid.

8. Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd voor arrest op het door Chellomedia voorgedragen ontvankelijkheidsverweer.

9. Chellomedia heeft aan haar ontvankelijkheidsverweer het volgende betoog ten grondslag gelegd. Partijen hebben afgesproken dat na het wijzen door de rechtbank van het eindvonnis sprongcassatie zou worden ingesteld. Tussen partijen bestaat geen overeenkomst inhoudende dat ook het tussenarrest van het hof de grondslag zal vormen van de in te stellen sprongcassatie. Sprongcassatie is derhalve op zich terecht ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 1 augustus 2007, weshalve de grondslag van het geding in cassatie wordt gevormd door de in die aanleg, de procedure bij de rechtbank, gegeven uitspraken (derhalve inclusief eventuele in die instantie gewezen tussenvonnissen). In dat stelsel past niet dat door middel van sprongcassatie tegen een in eerste aanleg gewezen eindvonnis tevens wordt betrokken het naar aanleiding van een tussenvonnis op een interimappel gewezen tussenarrest van het hof. In zoverre is het cassatieberoep dan ook niet-ontvankelijk.

10. Dit betoog faalt m.i. Als gesteld en erkend staat vast dat partijen - na de uitspraak van het tussenarrest van het hof - op de voet van art. 398 lid 2 Rv zijn overeengekomen het hoger beroep (verder) over te slaan. Het eindvonnis van de rechtbank heeft derhalve te gelden als de in deze zaak in hoogste ressort gewezen einduitspraak waarvan op grond van art. 398 lid 1 Rv cassatieberoep openstaat. Dit cassatieberoep staat ingevolge art. 401a lid 2 Rv niet alleen open van de in hoogste ressort gewezen einduitspraak maar - tegelijk daarmee - ook van de in hoogste ressort gewezen tussenuitspraken. Het tussenarrest van het hof is een in hoogste ressort gewezen tussenuitspraak, zodat van dit tussenarrest tegelijk met dat van het eindvonnis van de rechtbank cassatieberoep openstaat.

11. Het ontvankelijkheidsverweer is derhalve ongegrond.

12. Blijkens de rolkaart is in de hoofdzaak de dag waarop partijen schriftelijke toelichting geven alvast en zo nodig bepaald.

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad Buma ontvankelijk zal verklaren in haar cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2006 en in de hoofdzaak de zaak naar de rol zal verwijzen voor voortprocederen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,