Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8590

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
07/12873 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8590
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan VS. i.v.m. zedenmisdrijven. CAG over het vermoeden van schuld, de compleetheid van het strafdossier en de daarmee gepaard gaande afwijzing van het aanhoudingsverzoek, het specialiteitsbeginsel, het gebruik in de VS van een leugendetector en het beroep op humanitaire redenen. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 07/12873 U

Zitting: 19 februari 2008

Mr. Vellinga

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Breda heeft op 25 oktober 2007 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika ter vervolging toelaatbaar verklaard.

2. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, vier middelen van cassatie voorgesteld. Hij heeft de middelen mondeling toegelicht ter zitting van 5 februari 2008.

3. De Rechtbank heeft de toelaatbaarheid van de uitlevering als volgt gemotiveerd:

3 De beoordeling.

De raadsman heeft om aanhouding van de zaak verzocht om alsnog het dossier aan te laten vullen, zoals is aangegeven in de tussenbeslissing van de rechtbank d.d. 21 mei 2007.

De rechtbank overweegt het volgende. Naar aanleiding van de tussenbeslissing d.d. 21 mei 2007 hebben de Amerikaanse autoriteiten het dossier aangevuld. Daarbij zijn onder andere verhoren van verdachte, verhoren van [getuige] (de toenmalige partner van verdachte) en verslagen van gesprekken tussen de personen voornoemd, verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat het huidige dossier, anders dan het vorige dossier, voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 18 van de Uitleveringswet en aan de nadere eisen gesteld in het Verdrag. Tevens kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van het huidige dossier getoetst worden of sprake is van een 'probable cause', zoals de raadsman heeft aangevoerd ter zitting d.d. 7 mei 2007 en is opheldering verkregen inzake de bevoegdheidsvraag omtrent de 'clerk' en de 'deputy clerk'. Overigens valt, zoals blijkt uit de mededelingen van de officier van justitie ter terechtzitting, niet te verwachten dat de Amerikaanse autoriteiten nog meer stukken zullen verstrekken. De rechtbank verwerpt om deze redenen het verzoek van de raadsman tot aanhouding.

De rechtbank stelt vast dat het verzoek om uitlevering steunt op het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 24 juni 1980 (Trb 190, 111), hierna te noemen het Verdrag, en dat hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 2 van de Uitleveringswet.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon ter terechtzitting onderzocht. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij de in het uitleveringsverzoek bedoelde persoon is. Voorts is gebleken dat de Nederlandse nationaliteit de enige nationaliteit van de opgeëiste persoon is.

De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht de feiten te hebben gepleegd die zijn omschreven in de hiervoor genoemde bijlage inhoudende een uiteenzetting van de feiten. Tegen [de opgeëiste persoon] is in verband met die verdenking het hiervoor genoemde bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd. Op dit bevel tot aanhouding bij verstek is dit verzoek tot uitlevering gebaseerd.

De feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, worden in het verzoek als volgt omschreven:

1. Ernstige aanranding, Virginia Wetboek Paragraaf 18.2-67.3;

2. Seksuele penetratie van een levend object, Virginia Wetboek Paragraaf 18.2-67.2;

3. Gedwongen sodomie, Virginia Wetboek Paragraaf 18,2-67.1 en

4. Onzedelijk contact met een kind, Virginia Wetboek Paragraaf 18.2-3.70.1 (A).

De feiten zijn in de staat Virginia strafbaar gesteld bij de artikelen c.q. paragrafen voornoemd. Naar Nederlands recht zijn dergelijke feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 242, 244, 246 en/of 247 van het Wetboek van Strafrecht. Zowel naar het recht van de staat Virginia als naar Nederlands recht zijn de feiten strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van ten minste een jaar. Derhalve is voldaan aan de eis gesteld in artikel 2 van het Verdrag.

De raadsman heeft terzake van de uiteenzetting van de feiten aangevoerd dat na aanvulling van het dossier blijkt dat er in de Staat Virginia sprake is van een strafrechtelijke vervolging op basis van nog eens elf extra - dus in totaal vijftien - beschuldigingen en dat de Nederlandse rechter feitelijk wordt misleid. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu het verzoek tot uitlevering slechts ziet op de vier feiten zoals dié hiervoor genoemd zijn.

De elf tenlasteleggingen die op een later moment zijn overgelegd vallen dan ook buiten het toetsingskader van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de onderhavige uitlevering.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het gebruik van de leugendetectortest door de Amerikaanse autoriteiten in deze zaak, maakt dat de artikelen 3, 6 en 8 van het EVRM zijn geschonden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bij toepassing van artikel 9 lid 3 sub b van het Verdrag, geldt als maatstaf of, indien de opgeëiste persoon voor de Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogstonwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten (NJ 1994, 266). Tevens behoort het, gelet op het vertrouwensbeginsel, tot de taak van de rechterlijke instantie van de verzoekende Staat, in dit geval de Staat Virginia, om zelfstandig en in volle omvang de betrouwbaarheid en de redengevendheid van het bewijsmateriaal te beoordelen en vast te stellen of dit een veroordeling rechtvaardigt (HR 19 april 2005, LJN: AT4110). Het al dan niet toelaatbaar zijn van het gebruiken van de uitslagen van een leugendetectortest is daarmee niet aan de beoordeling van de (Nederlandse) rechtbank. Het feit dat in Nederland de leugendetectortest niet wordt gebruikt en zelfs onbetrouwbaar wordt geacht, doet hier niet aan af. Van een flagrante schending van de in genoemde artikelen van het EVRM erkende rechten door het gebruik van de leugendetectortest is immers niet gebleken.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat er in het dossier geen terugkeergarantie zit. De rechtbank wijst de verdediging op artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet waarin een dergelijke garantie uitdrukkelijk is geregeld. Overigens schrijft de procureur in het uitleveringsverzoek dat wanneer [de opgeëiste persoon] uitgeleverd, veroordeeld en gevonnist wordt en als hij op de correcte wijze aanvraagt om zijn vonnis in Nederland uit te zitten, een overplaatsing van [de opgeëiste persoon] voor dat doel niet door de procureur zal worden tegengegaan. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor uitlevering is voldaan en niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan, zodat zij als volgt zal beslissen."

4. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank niet gemotiveerd heeft waarom zij is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat het vermoeden van schuld ontbreekt.

5. Het middel heeft het oog op hetgeen als volgt bij pleidooi ter zitting van 18 april 2007 naar voren is gebracht:

Het uitleveringsverzoek (opgesteld door [verbalisant 1], met arrestatiebevelnummers CR02- 341,342,343,344 d.d. 19 oktober 2006) :

"Op 10 oktober 2002 verstrekte de kamer van beschuldigingstelling van de staat Virginia een strafrechtelijke aanklacht waarin [de opgeëiste persoon] beschuldigd wordt van vier (4) ernstige misdrijven

Ernstige aanranding (18.2-67.3) [zaaknr. CR02-341]

Sexuele penetratie van een levend object (18.2-67.2) [zaaknr. CR02-342]

Gedwongen sodomie (18.2-67.1) [zaaknr. CR02-343]

Onzedelijk contact met een kind (18.2-3.70.1 (A). [zaaknr. CR02-344]

4.1. Allereerst dient te worden vastgesteld dat "gedwongen sodomie" (CR02-343) als zodanig niet strafbaar is gesteld naar Nederlands recht en mitsdien, gelet op enerzijds art. 2 lid 1 sub a en sub b NL-VS, in samenhang met art. 2 lid 5 en de toepasselijke "lijstfeiten", nr. 6 en 36, niet kan leiden tot uitlevering van cliënt, en mitsdien dient voor count CR02-343 a fortiori een ontoelaatbaarheid te volgen.

4.2. Uitleg wetstekst Staat Virginia: CR02-341 (junkto 18.2-67.3) "het betasten van de geslachtsdelen met de bedoeling om zich seksueel te bevredigen" en 18.2-67.10: "met de bedoeling een persoon te molesteren, seksueel op te winden of te bevredigen, wanneer: a. de beschuldigde de privé delen van de klagende getuige of het materiaal dat deze direct bedekt, opzettelijk betast" CR02-342 (junkto 18.2-67.2): "dat de beschuldigde de grote schaamlip of de anus van een kind jonger dan 13 jaar penetreert" en: "wanneer therapie voltooid is" CR02-343: "wanneer fellatio op hem wordt uitgevoerd door een kind jonger dan 13 jaar" en: "wanneer therapie voltooid is" CR02-344: "een beschuldigde die een volwassene is in een toezichthoudende relatie met een kind, de geslachtsdelen van een kind betast" en : "(..) met geile intenties, bewust en opzettelijk: A. een voorstel doet dat dit kind de geslachtsdelen van zo een persoon betast of liefkoost of zo een persoon de geslachtsdelen van een kind betast (..):

"Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat cliënt de seksuele intentie, de juridische "opzet" en/of "geile intenties" gemotiveerd heeft betwist, evenals de beweerdelijke "penetratie" en er voorts ook geen begin van neutrale bewijsmiddelen hiervoor voorhanden zijn. Dit klemt temeer als desondanks in de toepasselijk geachte wetsbepalingen toch al wel naar "therapie" wordt verwezen. Betekent dit voorts ook dat er een geheel voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden van therapie kan volgen, mede gelet op de bewoordingen van de verhorende rechercheurs?; zo bezien zou het alleen al uit oogpunt van een goede rechtsbedeling veel zinvoller zijn om op deze grond de uitlevering niet toe te staan maar de Amerikaanse autoriteiten te verzoeken of ze bereidt en in staat zijn tot - en als alternatief voor de uitlevering - overdracht van de strafvervolging aan Nederland. Onder deze gegeven omstandigheden is het niet opportuun om cliënt voor deze feitencomplexen desondanks uit te leveren naar de Verenigde Staten van Amerika."

6. Voorts wordt in de toelichting op het middel verwezen naar hetgeen de opgeëiste persoon ter zitting van 18 april 2007 naar voren heeft gebracht:

Ik kan mijn onschuld op dit moment niet aantonen. De ten laste gelegde periode beslaat de tijd dat er drie andere kinderen en mijn partner in huis woonden. Het is alleen daarom al onwaarschijnlijk dat de ten laste gelegde feiten in deze periode plaats zouden hebben gevonden. Ik denk niet dat ik een eerlijk proces krijg in de Verenigde Staten. Ik heb daar een leugendetectortest ondergaan. Ik wist toen niet waar het om ging. De procedure van de leugendetectortest was mij niet duidelijk."

7. Voor zover het middel is gebaseerd op het bepaalde in art. 26 lid 2 jo. 28 lid 4 Uw miskent het dat de opgeëiste persoon heeft verklaard niet onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn en het geval van art. 26 lid 3 Uw zich hier dus niet voordoet.(1)

8. Bij toepassing van art. 9 lid 3 aanhef en onder b van het Uitleveringsverdrag tussen de Verenigde Staten en Nederland (hierna: het Verdrag) heeft als maatstaf te gelden of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogstonwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten (HR 1 februari 1994, NJ 1994, 266, HR 20 september 2005, NJ 2006, 407, m. nt. A.H. Klip(2)). De Rechtbank heeft dus de juiste maatstaf toegepast. Genoemde verweren noopten de Rechtbank niet haar oordeel nader te motiveren. Het mag zo zijn dat uit "de uiteenzetting van de feiten blijkt dat cliënt de seksuele intentie, de juridische "opzet" en/of "geile intenties" gemotiveerd heeft betwist, evenals de beweerdelijke "penetratie" en er voorts ook geen begin van neutrale bewijsmiddelen hiervoor voorhanden zijn en dat de ten laste gelegde periode de tijd beslaat dat er drie andere kinderen en de partner van de opgeëiste persoon in huis woonden en het alleen daarom al onwaarschijnlijk zou zijn dat de ten laste gelegde feiten in deze periode plaats zouden hebben gevonden, daarmee is gelet op de in het "affidavit in support of request for extradition" genoemde feiten nog niet gezegd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter van de verzoekende staat, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel bevat twee klachten met betrekking tot het oordeel van de Rechtbank dat is voldaan aan de eisen van art. 9 lid 3 onder b van het verdrag.

11. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de Rechtbank ter zitting van 25 oktober 2007 het verzoek tot aanhouding ter completering van het strafdossier op onjuiste gronden en met hantering van een onjuiste maatstaf heeft verworpen.

12. Deze klacht stoelt op de opvatting dat het bepaalde in art. 9 lid 3 aanhef en onder b meebrengt dat het hele strafdossier moet worden overgelegd wil aan de eisen van die bepaling zijn voldaan. Die opvatting is niet juist. Onder omstandigheden kan worden volstaan met het verslag van het verloop en het resultaat van het in de zaak verrichte onderzoek.(3)

13. In het onderhavige geval is bij het uitleveringsverzoek gevoegd een affidavit in support of request for extradition. Dit houdt voor zover hier van belang in:

"4. An investigation by the King George County Sheriff's Office revealed that the subject of this extradition request, [de opgeëiste persoon], repeatedly sexually assaulted [slachtoffer], whose date of birth is [geboortedatum], 1994, during the month of June 2002.

The primary investigating officer in these matters was Detective [verbalisant 2] of the King George County Sheriff's Office. On July 3, 2002, Special Agent [verbalisant 3] of the Naval Criminal Investigative Service in King Bay, Georgia reported to Detective [verbalisant 2] that 7-year-old [slachtoffer] had been sexually assaulted while visiting her grandmother, [getuige], during the early summer of 2002.

Detective [verbalisant 2] requested that Special Agent [verbalisant 3] conduct a video interview of the victim, and also have the victim undergo a medical physical examination for evidence of sexual abuse.

Special Agent [verbalisant 3] also provided Detective [verbalisant 2] with an incident report taken by Carol Miller Lester, a therapist with Family Services of the United States Navy. The report indicated that the victim's mother, [betrokkene 1], had concerns that the victim may have been sexually abused while visiting her grandmother, [getuige], in King George, Virginia.

According to the report, the therapist also spoke to the victim's grandmother, [getuige], on June 25, 2002. [Getuige] told the therapist that the victim had told her that her boyfriend, [de opgeëiste persoon], had walked around the home naked, had the victim touch his penis, ejaculated on the victim, and had the victim get into bed with him while he was naked.

Based on the report, Detective [verbalisant 2] interviewed [getuige], on July 8, 2002. [Getuige] told Detective [verbalisant 2] that she had lived with [de opgeëiste persoon] for three-and-a-half years, and that they moved to King George County in January 2002.

[Getuige] further told Detective [verbalisant 2] that the victim, [slachtoffer], arrived for a summer visit with her in late May 2002. At that time, [de opgeëiste persoon] was working in Mexico, but returned shortly after the victim's arrival. [Getuige] noticed that at that time, the victim began acting differently.

[Getuige] went on to tell Detective [verbalisant 2] that the victim told her that [de opgeëiste persoon] had taken her clothes off, and had her lay naked with him. The victim also told her grandmother that [de opgeëiste persoon] made her kiss his penis, put his penis between her legs, and put his finger inside of her private parts.

On July 12, 2002, Detective [verbalisant 2] received a copy of a forensic examination that was conducted on the victim. The report was a Southeast Georgia Forensic Nursing, Inc. Child Documentation Report. It was signed by L. Harper, a registered nurse. The Examiner's Diagnostic Impression was a "Normal Examination, Consistent with the types of sexual acts described." [Slachtoffer] also told Nurse Harper that [de opgeëiste persoon] had put his fingers in her private parts.

On July 22, 2002, Detective [verbalisant 2] reviewed a videotaped interview of the victim that had been conducted by Pam Woods of the Golden Isle Children Center in Brunswick, Georgia. In this interview, the victim told Ms. Woods on several occasions that [de opgeëiste persoon] touched her breasts, her vagina and her buttocks. The victim also described having to touch [de opgeëiste persoon]' penis, and his being naked and ejaculating. The victim indicated that these acts took place at her grandmother's house in King George.

On September 3, 2002, Detective [verbalisant 2] and Captain [verbalisant 5] of the King George County Sheriff's Office interviewed [de opgeëiste persoon]. [De opgeëiste persoon] admitted to seeing the victim naked on one occasion when she was behind a shower curtain at the house in King George.

Shortly after that interview, on September 5, 2002, [de opgeëiste persoon] submitted voluntarily to a polygraph examination conducted by Special Agent [verbalisant 4] of the Virginia State Police. The results of the examination showed that [de opgeëiste persoon] was being deceptive regarding responses to his contact with the victim, and he was interviewed again shortly after the polygraph.

During this second interview, [de opgeëiste persoon] stated that he was sorry for the things that happened with [slachtoffer]. [De opgeëiste persoon] admitted having been in his bed under the covers, masturbating on one occasion when the victim came in, fully clothed. [De opgeëiste persoon] said that somehow the victim's hand came in contact with his penis.

[De opgeëiste persoon] further admitted in the second interview that he had touched [slachtoffer haar] vagina, and he was sorry, but it was done when he offered to help her dry off after a shower.

Finally, in the second interview, [de opgeëiste persoon] admitted to another incident when the victim was getting ready for a bath and walked into his bedroom. [De opgeëiste persoon] claimed they walked backwards and fell onto his bed. [De opgeëiste persoon] said the victim's towel started to slip off and when he grabbed for it, he may have accidentally touched her vagina and buttocks."

14. Ingevolge de tussenbeslissing van de Rechtbank van 21 mei 2007 hebben de autoriteiten van de verzoekende staat onder meer de volgende stukken toegezonden: kopieën van arrestatiebevelen en van elf "counts" en van een bevel tot aanhouding van het Circuit Court te Fredericksburg, kopieën van onderzoeksnotities van de politie, kopieën van politieverhoren van [de opgeëiste persoon] en [getuige] en van verslagen van gesprekken tussen [de opgeëiste persoon] en [getuige], een kopie van een rapport van de leugendetectortest en een kopie van het kinddossier van de Naval Criminal Investigative Service.

15. Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de "affidavit", een ambtsedig verslag van verloop en resultaat van het in de onderhavige zaak verricht strafrechtelijke onderzoek, alsmede de inhoud van de door de autoriteiten van de verzoekende staat ingevolge de tussenbeslissing van de Rechtbank van 21 mei 2007 aan de Rechtbank gezonden, hiervoor opgesomde stukken, heeft de Rechtbank kunnen oordelen dat aan de eisen van genoemde bepaling is voldaan en het verzoek tot aanhouding derhalve kon worden afgewezen. De klacht gaat dus niet op.

16. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de Rechtbank er aan is voorbijgegaan dat uit de door de verzoekende staat op verzoek van de Rechtbank overgelegde stukken blijkt van verdenking jegens de opgeëiste persoon van soortgelijke feiten als waarvoor de uitlevering is verzocht, doch nu gepleegd in Fredericksburg, Virginia, USA.

17. Te dier zake heeft de Rechtbank overwogen:

"De raadsman heeft terzake van de uiteenzetting van de feiten aangevoerd dat na aanvulling van het dossier blijkt dat er in de Staat Virginia sprake is van een strafrechtelijke vervolging op basis van nog eens elf extra - dus in totaal vijftien - beschuldigingen en dat de Nederlandse rechter feitelijk wordt misleid. De rechtbank gaat hieraan voorbij nu het verzoek tot uitlevering slechts ziet op de vier feiten zoals die hiervoor genoemd zijn.

De elf tenlasteleggingen die op een later moment zijn overgelegd vallen dan ook buiten het toetsingskader van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de onderhavige uitlevering."

18. Gelet op het in art. 15 van het Verdrag verwoorde specialiteitsbeginsel kan deze motivering, anders dan het middel wil, de verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer dragen. Daaraan kan het bepaalde in art. 15 lid 2 onder a van het Verdrag niet afdoen, omdat daar wordt gesproken van hetzelfde samenstel van gedragingen en de strafbare feiten, die de opgeëiste persoon in Fredericksburg zou hebben gepleegd, naar de Rechtbank kennelijk heeft geoordeeld, daar niet onder vallen te begrijpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat die feiten in een andere periode (1 augustus 2000 tot 31 januari 2002) en op een andere plaats (Fredericksburg) zijn gepleegd dan de feiten waarop het verzoek betrekking heeft.

19. Het middel faalt.

20. Het derde middel is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank over het gebruik in de verzoekende staat van de leugendetector.

21. In de eerste plaats klaagt het middel dat de Rechtbank niet heeft gereageerd op het verweer dat het gebruik van een leugendetector jegens de opgeëiste persoon een "vernederende behandeling" in de zin van art. 3 EVRM oplevert. Dat is niet juist. De Rechtbank heeft overwogen dat van flagrante schending van de in het EVRM erkende rechten door gebruik van de leugendetector niet is gebleken. Daarin ligt besloten dat het gebruik van de leugendetector volgens de Rechtbank geen vernederende behandeling als bedoeld in art. 3 EVRM oplevert.

22. Van vernederende behandeling van iemand in de zin van art. 3 EVRM is sprake "if it grossly humiliates him before others or drives him to act against his will or conscience".(4) Daarbij moet de behandeling "a certain (objective) level of severity" bereiken. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk, dit temeer niet nu blijkens de overgelegde stukken de opgeëiste persoon schriftelijk heeft ingestemd met het ondergaan van een test met een leugendetector. Ter zijde merk ik nog op dat de opgeëiste persoon er blijkens bedoelde stukken uitdrukkelijk op is gewezen dat hij recht had een advocaat te spreken alvorens hem enige vraag zou worden gesteld en dat een advocaat hem gedurende de ondervraging mocht bijstaan.

23. Het middel klaagt niet over het oordeel van de Rechtbank dat van een flagrante schending van de in art. 6 en 8 EVRM erkende rechten door het gebruik van de leugendetectortest niet is gebleken.

24. Vervolgens klaagt het middel dat de Rechtbank voorbij is gegaan aan de rechtspraak betreffende reeds plaatsgevonden hebbende flagrante schendingen van art. 3, 6 en 8 EVRM. Deze klacht miskent dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat een flagrante schending van bedoelde artikelen niet heeft plaatsgevonden.

25. Het middel faalt.

26. Volgens het vierde middel heeft de Rechtbank verzuimd te beslissen op een gemotiveerd beroep op humanitaire redenen als bedoeld in art. 7 lid 2 van het Verdrag.

27. Het middel heeft het oog op hetgeen als volgt bij pleidooi ter zitting van 11 oktober 2007 is aangevoerd:

"Ontoelaatbaarheid wegens schending art. 3 junkto 6 junkto art. 8 EVRM, althans ontoelaatbaarheid ex art. 7 lid 2 van het Verdrag (Nl-VS) vanwege de hier aanwezige bijzondere persoonlijke omstandigheden die maken dat uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de VS in dit voorliggende geval onverenigbaar is vanuit humanitaire overwegingen: betrek hierbij de correspondentie van verdediging en Amerikaanse advocaat Michael J. George: strafverwachting van minimaal 114 jaren en grote problemen te verwachten met effectieve en spoedige teruglevering gecombineerd met feit dat hij niet in vrijheid proces zal kunnen afwachten maar aldoor in VS gedetineerd zal blijven en de kans op ""harm by other inmates" vooralsnog niet kan worden uitgesloten!!!" (p. 7 slot)

28. Art. 7 lid 2 van het Verdrag houdt in:

"2. De uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat kan in bijzondere situaties, met name gezien de leeftijd of gezondheid van de opgeëiste persoon, of andere persoonlijke omstandigheden, uitlevering weigeren, indien zij redenen heeft om van oordeel te zijn dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire overwegingen"

29. Volgens art. 7 lid 2 is het niet aan de rechter maar aan de uitvoerende autoriteit, dus de Minister van Justitie om uitlevering te weigeren op grond van redenen van humanitaire aard. Derhalve heeft de Rechtbank bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering zonder meer aan bedoeld verweer voorbij kunnen gaan.

30. Het middel faalt.

31. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ook het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv is niet van toepassing: zie art. 29 lid 1 Uw.

2 Zie voor kritiek op deze maatstaf de noot van Klip.

3 N. Keijzer, handboek strafzaken, 91.5.7 onder verwijzing naar HR 1 juli 1986, NJ 1987, 218 en HR 2 mei 1989, NJ 1989, 773. Zo ook HR 20 september 2005, NJ 2006, 407, m. nt. A.H. Klip.

4 P. van Dijk en G.J.H. van Hoof, Theory and Practice of the European Convention on human rights, Intersentia 2006, vierde druk, p. 409 en41 5.