Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8446

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
08/00305HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8446
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Voorlopige machtiging; horen betrokkene (art. 8 Wet Bopz); geneeskundige verklaring; gevaarscriterium, motivering (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/21
JOL 2008, 263
RvdW 2008, 395
JWB 2008/158

Conclusie

08/00305HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 12 februari 2008

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

tegen

Officier van Justitie te 's-Gravenhage

Het cassatiemiddel in deze Bopz-zaak heeft achtereenvolgens betrekking op het horen van de patiënt, de bruikbaarheid van de geneeskundige verklaring en de motivering van het gevaar.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft op 26 juli 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

1.2. Nadat op enkele eerder geplande data de behandeling geen doorgang had gevonden, heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld op 18 oktober 2007. De rechtbank heeft toen de advocaat van betrokkene gehoord, alsmede de arts [de arts], de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [de verpleegkundige] en (telefonisch) de ex-echtgenoot van betrokkene, op wiens verklaring de advocaat heeft kunnen reageren. Betrokkene zelf was niet aanwezig. De bestreden beschikking vermeldt dat betrokkene aanvankelijk niet bereid bleek zich te doen horen. Zij heeft aan haar advocaat kenbaar gemaakt dat zij niet thuis zou zijn op het tijdstip van het huisbezoek, omdat zij de rechter niet wilde ontvangen. De rechter heeft geconstateerd dat betrokkene daadwerkelijk niet thuis was op het tijdstip van het huisbezoek. Op initiatief van betrokkene zelf is zij op 19 oktober 2007 telefonisch alsnog door de rechter gehoord.

1.3. Bij beschikking van 19 oktober 2007 heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend.

1.4. Namens betrokkene is - tijdig(1) - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I klaagt in de eerste plaats dat niet is voldaan aan de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Bopz omdat betrokkene pas is gehoord (telefonisch) nadat de beslissing al genomen was.

2.2. Het juridische uitgangspunt van deze klacht is juist: art. 8 lid 1 Wet Bopz schrijft voor dat de rechter de betrokkene hoort alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beschikken. De klacht mist evenwel feitelijke grondslag: uit de beschikking zelf blijkt dat betrokkene is gehoord voordat de beschikking ter openbare terechtzitting is uitgesproken. Ter toelichting op de klacht is in het cassatieverzoekschrift vermeld dat de rechtbank op 19 oktober 2007 aan de advocaat van betrokkene verslag heeft uitgebracht van de telefonisch bij de ex-echtgenoot en (nader) bij de behandelend arts ingewonnen inlichtingen. Bij die gelegenheid zou de rechtbank aan de advocaat hebben laten weten "het verzoek te zullen toewijzen", hetgeen voor betrokkene aanleiding was om zelf contact met de rechtbank te nemen. Wat daarvan zij, uit de gestelde gang van zaken volgt hoogstens de aankondiging van een nog te nemen beslissing. Uit de gestelde gang van zaken volgt niet dat de bestreden beschikking is uitgesproken voordat betrokkene is gehoord.

2.3. Onderdeel I klaagt in de tweede plaats dat betrokkene ten onrechte door de rechtbank is opgeroepen om bij haar thuis te worden gehoord, hoewel haar advocaat al op 30 juli 2007 had aangegeven dat zij niet in haar woning gehoord wil worden. Ter toelichting is aangevoerd dat betrokkene aanvankelijk is opgeroepen om bij haar thuis te worden gehoord, dat betrokkene na de brief van 30 juli 2007 is opgeroepen om (op 19 september 2007) in het gebouw van de rechtbank te verschijnen en dat de rechtbank, zonder dit te motiveren, nadien toch weer ervoor heeft gekozen om betrokkene thuis te horen. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 oktober 2007 heeft de advocaat namens betrokkene verklaard:

"De betrokkene wil de rechter niet thuis ontvangen. Ze geeft aan dat ze lichamelijke gebreken heeft en dat het huis daarom niet is zoals het behoort te zijn".

2.4. Art. 8 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat indien de betrokkene in Nederland verblijft, maar buiten staat is zich naar de rechtbank te begeven, de rechter vergezeld door de griffier de betrokkene te zijner verblijfplaats zal horen(2). In Bopz-zaken wordt al snel aangenomen dat de betrokkene buiten staat is zich naar de rechtbank te begeven(3). Blijkens de overgelegde stukken heeft de griffier betrokkene aanvankelijk opgeroepen om bij haar thuis te worden gehoord, later opgeroepen om te worden gehoord in de rechtbank en uiteindelijk weer bij haar thuis. Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, is het niet nodig dat de cassatierechter een beslissing neemt over de vraag of deze wijze van oproepen juist is geweest. Aan het voorschrift van art. 8 lid 1, dát betrokkene wordt gehoord, is in deze zaak immers voldaan. Om die reden kan een klacht over de plaats van verhoor niet tot cassatie van de beschikking leiden. Om dezelfde reden heeft betrokkene geen belang bij de klacht dat een fax van Parnassia van 6 september 2007, betrekking hebbend op de plaats van verhoor, niet aan betrokkene en haar advocaat is overgelegd.

2.5. Aan het slot wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank het verzoek heeft toegewezen zonder dat betrokkene, zoals voorzien in de wet, op de rechtbank in aanwezigheid van haar advocaat haar mening over het verzoek heeft kunnen geven. Ook deze klacht faalt. Betrokkene is bij brief van de griffier van 8 oktober 2007 uitgenodigd en door de rechtbank in staat gesteld zich in het bijzijn van haar advocaat uit te spreken over het verzoek van de officier van justitie. Om haar moverende redenen was betrokkene niet bereid van die gelegenheid gebruik te maken. Haar advocaat heeft namens haar het woord gevoerd. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk op welke grond de rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat aan de eisen van art. 8 lid 1 Wet Bopz is voldaan. Toen betrokkene nadien telefonisch contact met de rechter opnam, is zij alsnog door de rechter gehoord.

2.6. Onderdeel II klaagt dat de machtiging is verleend zonder dat bij het verzoek een verklaring is overgelegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht (art. 5 lid 1 Wet Bopz). Weliswaar heeft de officier van justitie de geneeskundige verklaring van 25 juli 2007 overgelegd, maar uit die verklaring volgt dat de rapporterende psychiater betrokkene zelf niet heeft kunnen onderzoeken. De gegevens waarop het oordeel van de psychiater is gebaseerd zijn verkregen van de arts [de arts], die volgens het middelonderdeel betrokkene in juni 2007 slechts éénmaal heeft gezien.

2.7. In de geneeskundige verklaring (blz. 8) is vermeld dat de rapporterende psychiater in de maand juli 2007 betrokkene driemaal heeft bezocht, zowel aangekondigd als onaangekondigd. Geen enkele keer werd op aanbellen, kloppen, roepen door de brievenbus, tikken tegen het raam of opbellen gereageerd. Het oordeel van de rapporterende psychiater over de stoornis van de geestvermogens (schizofrenie) en de gevaren die de stoornis betrokkene doet veroorzaken is dan ook niet gebaseerd op feiten die door de psychiater zelf zijn waargenomen, maar op informatie van de behandelend psychiater [de arts], (op een onderdeel:) van de huisarts en verder uit het medisch dossier(4).

2.8. In art. 5 lid 1 Wet Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van de weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen voorlopige machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of, ondanks de aan de verklaring klevende beperking, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet(5).

2.9. Het middelonderdeel behelst niet de klacht dat aan deze jurisprudentiële eisen niet zou zijn voldaan. Voor zover het middelonderdeel berust op de opvatting dat van een onderzoek als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz geen sprake kan zijn wanneer de rapporterende psychiater de betrokkene niet zelf heeft gesproken, stuit het af op de aangehaalde rechtspraak. Voor zover de klacht bedoelt dat de geneeskundige verklaring het oordeel niet kan dragen, omdat deze verklaring is gebouwd op ontoereikend psychiatrisch onderzoek, faalt de klacht. Het mag zijn dat de behandelende arts slechts één keer in de woning is toegelaten, dit neemt niet weg dat zij een beeld heeft kunnen geven van de toestand waarin betrokkene verkeert. Zeer kort samengevat heeft de behandelende arts melding gemaakt van een door haar waargenomen onhygiënische, op (zelf-)verwaarlozing duidende toestand in de woning van betrokkene. In de verklaring zijn enkele details genoemd waarvan m.i. niet onbegrijpelijk is dat de rapporterende psychiater deze in verband heeft gebracht met de diagnose "schizofrenie". Het beperkt zich niet tot een moment-opname: de onhygiënische toestand in de woning is bevestigd door de ex-echtgenoot, die naar zijn zeggen elke week langskomt. Tot op zekere hoogte zijn bevindingen uit het onderzoek ook bevestigd door betrokkene zelf, die hulpverleners en anderen niet in haar woning toelaat. Daarbij komt, dat de rechtbank haar oordeel niet slechts heeft gebaseerd op de geneeskundige verklaring, maar mede op de verklaringen van de gehoorde personen. De inhoud van de verkregen informatie is zodanig dat geen nadere motivering behoeft waarom de rechtbank - ondanks de aan het psychiatrisch onderzoek klevende beperkingen - tot haar oordeel is gekomen. Het onderdeel behoeft derhalve niet tot cassatie te leiden.

2.10. Onderdeel III klaagt dat onbegrijpelijk is op welke gronden de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat in dit geval sprake is van een gevaar, voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, zodanig dat dit een vrijheidsbenemende maatregel rechtvaardigt. Volgens de klacht blijkt ook uit de gedingstukken niet van een zodanig gevaar.

2.11. De rechtbank heeft geconcludeerd "dat de stoornis van betrokkene heeft geleid tot disfunctioneren van betrokkene in haar thuissituatie en dat dit disfunctioneren zodanige vormen heeft aangenomen dat dit, gelet op de situatie in de woning en de gezondheid van betrokkene, heeft geleid tot het gevaar van zelfverwaarlozing van betrokkene". Daarmee heeft de rechtbank voldoende duidelijk aangegeven welk gevaar zij voor ogen had. Het gevaar dat de betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen is in art. 1 Wet Bopz genoemd als één van de vormen van gevaar.

2.12. Voor zover het middel ter discussie wil stellen of het door de rechtbank bedoelde gevaar voldoende ernstig is om een gedwongen opneming te rechtvaardigen, moet worden vooropgesteld dat het daarbij gaat om een vaststelling en waardering van de feiten, welke is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt. De juistheid van het feitelijke oordeel kan in cassatie niet worden onderzocht. Het oordeel dat het gevaar van zelfverwaarlozing in dit geval een gedwongen opneming kan rechtvaardigen is toereikend gemotiveerd: de rechtbank wijst op de situatie in de woning en op het belang van de gezondheid van betrokkene. Naar vaste rechtspraak kan worden volstaan met een motivering die naar de stukken verwijst, indien de daarin opgenomen feiten voldoende sprekend zijn. In de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is in rubriek 5.a vermeld dat betrokkene grote hoeveelheden papier in huis verzamelt en daarnaast regelmatig met losse electriciteitsdraden in de weer gaat: zo is recent al twee keer kortsluiting ontstaan. In de kamer liggen losse electriciteitsdraden langs een brandende kachel. Tezamen zorgt dit voor een toegenomen risico op brandgevaar. Daarnaast is vermeld dat de woning vol met voedselresten en niet afgewassen vaat staat, hetgeen ongedierte kan aantrekken. Betrokkene maakt, vanuit haar paranoïde houding, het de thuiszorg onmogelijk haar hulp te verlenen bij het schoonhouden. Betrokkene is diabetespatiënt, maar verwaarloost deze ziekte. Uit de genoemde stukken volgt dat de rechtbank het oog heeft op de mogelijke gevolgen van de onhygiënische en brandonveilige toestand in de woning en op het gevaar voor de gezondheid van betrokkene door het - als gevolg van haar geestelijke stoornis - verwaarlozen van de diabetes. In rubriek 5.c van de geneeskundige verklaring zijn over dit laatste nog enkele relevante gegevens opgenomen. De slotsom is dat de klacht faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Een kopie van het ondertekende cassatieverzoekschrift is op maandag 21 januari 2008 (art. 1 ATW) per faxbericht ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; het originele verzoekschrift volgde een dag later.

2 Vgl. art. 175 Rv voor het verhoor van getuigen.

3 Het begrip "buiten staat" heeft niet uitsluitend betrekking op een fysieke onmogelijkheid van verplaatsing; vgl. De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 2.7 op art. 8 (W. Dijkers). Achter deze praktijk steekt de gedachte dat het horen op lokatie voor de patiënt minder psychisch belastend is dan het horen in het gerechtsgebouw. Omdat de patiënt niet in een openbare zitting wordt gehoord, speelt het aspect van de toegankelijkheid voor het publiek geen rol.

4 Zie blz. 4 van de geneeskundige verklaring. Uit de stukken maak ik op dat betrokkene reeds ambulant in behandeling was bij Parnassia en steun van de thuiszorg had, maar dat een probleem is dat betrokkene geen hulpverleners in haar woning toelaat.

5 Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 (BJ 1998, 60 m.nt. WD); HR 3 november 2000, NJ 2000, 717 (BJ 2000, 59); HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45); HR 21 februari 2003, NJ 2003, 484 m.nt. JdB (BJ 2003, 20 m.nt. WD); HR 12 december 2003, BJ 2004, 2 m.nt. red; HR 17 juni 2005, BJ 2005, 24.