Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8414

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
07/11307HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8414
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen gewezen echtelieden over kinderalimentatie; TREMA-normen; bij de vaststelling van de behoefte in aanmerking te nemen factoren (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 378
RvdW 2008, 522
JWB 2008/217
Verrijkte uitspraak

Conclusie

07/11307HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 28 maart 2008

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

[De vader]

In dit alimentatiegeschil gaat het om de vraag, op welke grondslag de behoefte wordt bepaald aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en gerekestreerde in cassatie (hierna: de vader) hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2002 een zoon geboren, genaamd [de zoon]. De vader heeft hem als zijn kind erkend.

1.2. Op 30 januari 2006 heeft de moeder de rechtbank te Haarlem verzocht te bepalen dat de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon een bedrag van € 150,- per maand zal voldoen over de periode van 1 augustus 2004 tot de datum van indiening van het verzoekschrift en een bedrag van van € 260,- per maand over de periode na de indiening van het verzoekschrift.

1.3. De vader heeft de door de moeder gestelde behoefte aan de verzochte onderhoudsbijdrage bestreden. Ook heeft hij als verweer aangevoerd dat zijn draagkracht de verzochte bijdrage niet toelaat. De vader heeft een zelfstandig verzoek ingediend tot uitbreiding van de overeengekomen omgangsregeling.

1.4. Partijen hebben gestreden over de vraag hoe de behoefte van de zoon aan een bijdrage moet worden bepaald. Volgens de moeder moet deze worden bepaald aan de hand van de optelling van de netto-inkomens van beide ouders. Volgens de vader moet bij het bepalen van de behoefte van de zoon worden uitgegaan van het netto-gezinsinkomen van (alleen) de moeder.

1.5. Bij beschikking van 4 juli 2006 heeft de rechtbank bepaald dat de vader met ingang van 1 februari 2006 een bijdrage van € 230,- per maand verschuldigd is. De rechtbank is voor de berekening van de behoefte uitgegaan van de gezamenlijke inkomens van partijen, overeenkomstig het standpunt van de moeder. Voorts heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld, die in cassatie geen rol meer speelt en daarom onbesproken kan blijven.

1.6. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij beschikking van 7 juni 2007 heeft het hof de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de verzochte kinderalimentatie vernietigd. Het hof liet in het midden of de affectieve relatie van partijen na de geboorte van de zoon nog bestond. Volgens het hof is in ieder geval niet komen vaststaan dat de behoefte van de zoon op enig moment is bepaald op basis van het gemeenschappelijk inkomen van partijen. Het hof overwoog verder:

"Bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] dient in gelijke mate rekening gehouden te worden met de feitelijke situatie van elk van beide partijen, nu beide ouders onderhoudsplichtig zijn. Het hof zal derhalve rekening houden met de situatie dat de behoefte van [de zoon] geheel zou worden bepaald op grond van het inkomen van de moeder en met de situatie dat de behoefte van [de zoon] geheel zou worden bepaald op grond van het inkomen van de vader. Het resultaat van beide situaties wordt gemiddeld. Op grond van het voorgaande is de door de vader gestelde totale behoefte van [de zoon] van € 142,50 per maand niet in strijd met de wettelijke maatstaven." (rov. 4.1).

Vervolgens heeft het hof de - inmiddels gewijzigde - draagkracht van de vader besproken. Het hof heeft bepaald dat diens draagkracht slechts een bijdrage van € 70,- per maand toelaat. Opnieuw rechtdoende, heeft het hof de door de vader verschuldigde bijdrage met ingang van 1 februari 2006 vastgesteld op € 70,- per maand (met dien verstande dat, voor zover de vader over de periode vanaf die datum feitelijk meer heeft betaald, de alimentatie op het betaalde bedrag wordt bepaald).

1.7. Namens de moeder is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. In de zgn. Trema-normen worden aanbevelingen gedaan voor de berekening van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kosten van kinderen). De bedragen die ouders plegen uit te geven aan de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen plegen verband te houden met het netto-inkomen van de ouders en met het aantal kinderen in het gezin. Aan de hand van deze ervaringsregel is een tabel vervaardigd. In de tabel, behorend bij het rapport "Kosten van kinderen", is met "inkomen" bedoeld: het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk of de buitenechtelijke relatie, dan wel (na de scheiding) het netto-inkomen van de ouders afzonderlijk, ingeval dit het vroegere gezamenlijke gezinsinkomen te boven gaat. Deze omschrijving gaat uit van de gedachte dat kinderen in beginsel niet slechter af moeten zijn als gevolg van de scheiding van hun ouders: hun behoefte wordt door de scheiding niet minder. De behoefte van een kind dat nooit in een gezinsverband met de beide ouders heeft geleefd, wordt volgens de Trema-normen mede bepaald door het inkomen van de ouder bij wie het kind niet woont en wel aldus: die ouder moet in beginsel bijdragen in de kosten van dit kind met het bedrag dat hij aan het kind zou besteden als het wel in zijn gezin zou opgroeien. Kosten die in deze (fictieve) situatie wel zouden worden gemaakt, maar in de feitelijke gezinssituatie waarin het kind verkeert niet worden gemaakt, dienen niet te worden meegeteld. Indien het om een eerste vaststelling gaat, kan worden volstaan met een globale schatting(1).

2.2. Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof dat niet is komen vaststaan dat de behoefte van de zoon op enig moment werd bepaald op basis van het gemeenschappelijk inkomen van partijen. De klacht houdt in dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, in het licht van de door het hof vastgestelde omstandigheid dat de moeder tot 2004 de beschikking had over de bankpas van de vader. Daarnaast wijst de moeder op het feit dat haar eigen inkomen ten tijde van de bestreden beschikking niet van een zodanige omvang was dat dit het voor verzorging en opvoeding van de zoon aan te wenden draagkrachtloos inkomen overtrof. Dit laatste impliceert volgens het middelonderdeel dat de (door de moeder geïncasseerde) bijdrage van de vader deel moet hebben uitgemaakt van de ten behoeve van de zoon gedane uitgaven.

2.3. Deze motiveringsklacht faalt. Het hof heeft de omstandigheid dat de moeder kon beschikken over de bankpas van de vader om iets voor de zoon te kopen niet voldoende geacht voor de gevolgtrekking dat het inkomen van de vader mede bepalend was voor de behoefte. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Kennelijk heeft het hof niet voldoende aannemelijk geacht dat het feitelijke uitgavenpatroon met behulp van die bankpas van dien aard was dat de verzorging en opvoeding werden bekostigd alsof partijen een gezamenlijke huishouding vormden. Het hof heeft bij de bepaling van de behoefte van het kind de financiële middelen van de vader mede in aanmerking genomen. Het hof is hiermee niet zo ver gegaan dat de behoefte is bepaald op basis van een situatie die er nooit is geweest, te weten: een gezamenlijke huishouding waarvan de zoon deel uitmaakt, bekostigd uit de inkomens van beide partners.

2.4. Onderdeel 2 keert zich tegen de in alinea 1.6 reeds geciteerde overweging. Door zonder meer te oordelen dat de behoefte wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde, berekend op basis van het inkomen van alleen de moeder en dat van alleen de vader, gaat het hof volgens de klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de beslissing onvoldoende gemotiveerd. In de toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. SFMW en HR 13 april 2007, NJ 2007, 394 m.nt. SFMW. Volgens de klacht laat de rechtspraak van de Hoge Raad de mogelijkheid onverlet dat onder bepaalde omstandigheden van een fictief gezinsinkomen moet worden uitgegaan. In een situatie als de onderhavige, waarin de moeder slechts een laag inkomen heeft en de beschikking heeft over een bankpas van de andere ouder ten behoeve van uitgaven voor het kind, behoort volgens het onderdeel een verondersteld gezinsinkomen (inkomen van beide partners gezamenlijk) als uitgangspunt voor de berekening van de behoefte te gelden.

2.5. In HR 13 april 2007, rov. 3.3, werd onder meer overwogen:

"In een geval waarin een kind niet in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd bestaat er in het algemeen geen goede grond om voor de bepaling van de behoefte van dat kind zonder meer aansluiting te zoeken bij de welstand die past bij de financiële armslag van een fictief gezin waarvan het gezinsinkomen bestaat uit de som van de netto-inkomens van de ouders. Indien de rechter daarbij toch aansluiting zoekt, zal hij moeten verdisconteren dat de huisvestings- en andere vaste lasten van twee afzonderlijke huishoudens relatief hoger liggen dan die van een gecombineerd huishouden."

De formulering ("in het algemeen") sluit inderdaad niet uit dat onder bepaalde, door de rechter aan te geven omstandigheden van de hoofdregel wordt afgeweken. Het hof had derhalve een mogelijkheid om van de hoofdregel af te wijken, niet een verplichting om daarvan af te wijken. Het hof heeft blijkbaar minder dan de moeder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de moeder (tot 2004) de beschikking heeft gehad over de bankpas van de vader om daarmee aankopen voor de zoon te doen. Dat oordeel is tezeer verweven met een waardering van de feiten om in cassatie op juistheid te kunnen worden getoetst. Het is toereikend gemotiveerd: wanneer de rechter zich aan de hoofdregel houdt kan in het algemeen met minder motivering worden volstaan dan wanneer de rechter van de hoofdregel afwijkt.

2.6. Het cassatierekest behelst in alinea 20 een subsidiaire klacht. Voor het geval dat niet van een fictief gezinsinkomen wordt uitgegaan, wijst het middel erop dat verschillende methoden bestaan om de behoefte van een kind te berekenen(2). Volgens de klacht kan de door het hof gebruikte methode in beginsel een redelijke benadering zijn wanneer de wederzijdse inkomens een substantiële bijdrage toelaten. Echter, indien één van beide inkomens onder die grens ligt, zoals in de onderhavige zaak, acht het middel die benadering onredelijk. Voorgesteld wordt, voor de bepaling van de behoefte uit te gaan van het bedrag dat de man aan de zoon zou besteden indien de zoon in zijn gezin zou opgroeien.

2.7. In de zaak die tot de beschikking van de Hoge Raad van 27 februari 2004 heeft geleid, had de feitenrechter voor de bepaling van de behoefte van het kind uitsluitend rekening gehouden met het netto-inkomen van de onderhoudsplichtige, op de grond dat het netto-inkomen van de moeder(3) zó gering was dat daaruit niet of nauwelijks enige draagkracht voortvloeide. In het cassatierekest in de huidige zaak acht de moeder haar situatie hiermee vergelijkbaar.

2.8. De door de moeder gemaakte vergelijking behoeft een relativering. Het hof is uitgegaan van een netto-inkomen van de moeder van circa € 910,- per maand. Het netto-inkomen van de vader is in de thans bestreden beschikking niet vermeld; wel diens bruto-inkomen, € 1.436,- per maand exclusief vakantiegeld. Hieruit maak ik op dat de inkomens van de ouders beduidend minder ver uit elkaar lopen dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 27 februari 2004(4). In zoverre is geen sprake van gelijke gevallen.

2.9. Geen rechtsregel, in het bijzonder niet de in HR 27 februari 2004 aanvaarde regel, noopte het hof om bij de vaststelling van de behoefte alleen rekening te houden met het netto-inkomen van de onderhoudsplichtige (de man) en het inkomen van de moeder buiten beschouwing te laten. Het hof heeft blijkbaar gezocht naar een methode om enerzijds rekening te houden met de feitelijke situatie, waarin de zoon in gezinsverband met de moeder leeft, en anderzijds de financiële middelen van de vader mede in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de behoefte. Het resultaat van deze afweging blijft binnen de beoordelingsmarge die de feitenrechter toekomt. De rechtsklacht in alinea 20 faalt om deze reden. De subsidiaire motiveringsklacht aan het slot van alinea 20 van het cassatierekest is niet nader uitgewerkt. Zij leidt evenmin tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 In gelijke zin, zij het in iets andere bewoordingen, is beslist in HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283 m.nt. SFMW, rov. 3.3.

2 Zie de noot van S.F.M. Wortmann onder HR 13 april 2007, NJ 2007, 394. Het hof heeft in de huidige zaak methode c gebruikt.

3 In die zaak: in totaal € 960,- per maand, exclusief vakantietoeslag.

4 In die zaak had het hof het inkomen van de man vastgesteld op € 67.428,- per jaar.