Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8133

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
10-06-2008
Zaaknummer
07/13198 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8133
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Toelaatbaarheid tul van naar NL recht niet strafbare veroordeelde. Door de Belgische autoriteiten wordt tul in NL gevraagd van een Belgische rechterlijke beslissing, waarbij is vastgesteld dat veroordeelde de strafbare feiten heeft gepleegd en waarbij hij terzake is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende interneringsmaatregel voor onbep. duur. De Rb heeft de tul van deze beslissing toelaatbaar verklaard, daartoe verlof verleend en heeft tbs met dwangverpleging opgelegd. De opvatting dat tul van een buitenlandse rechterlijke beslissing waarbij de betrokkene is veroordeeld t.z.v. een feit dat naar NL recht eveneens strafbaar is en waarbij aan deze een vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd, niet toelaatbaar is ingeval de veroordeelde naar NL recht niet strafbaar zou zijn o.g.v. art. 39 Sr, is onjuist. In art. 3.1.d WOTS is, naar mede volgt uit de wetsgeschiedenis en strookt met doel en systeem van de WOTS, erin voorzien dat tul van een door de buitenlandse rechter aan de veroordeelde opgelegde sanctie die bestaat uit een gedwongen opname in een inrichting voor psychiatrische verpleging, toelaatbaar kan worden verklaard, indien naar NL recht zodanige sanctie aan de veroordeelde eveneens kan worden opgelegd. Het oordeel van de Rb dat de tul van de door de Belgische rechter aan veroordeelde opgelegde interneringsmaatregel toelaatbaar is, dat het feit naar NL recht veroordeelde wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend en daarom naar NL recht ovar zou zijn gevolgd en dat aan veroordeelde de in art. 37a Sr voorziene maatregel van tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd, is dus noch onjuist, noch onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 489
NJ 2008, 345
RvdW 2008, 636
NJB 2008, 1401
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/13198 W

Mr Machielse

Zitting 25 maart 2008

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft op 18 oktober 2007 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een door de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne (België) aan veroordeelde op 15 december 2003 opgelegde interneringsmaatregel en de veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot dwangverpleging opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft Mr J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr G.P. Hamer en Mr B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.

3. Het middel richt zich primair tegen het oordeel van de rechtbank om de tenuitvoerlegging toelaatbaar te verklaren, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker een naar Nederlands recht niet strafbare dader zou zijn geweest, ten gevolge waarvan de rechtbank een toelaatbaarverklaring van de tenuitvoerlegging op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) had moeten uitsluiten, en de tenuitvoerlegging conform artikel 30, eerste lid WOTS ontoelaatbaar had moeten verklaren. Subsidiair stelt het middel dat de uitspraak van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig is op het hier aan de orde zijnde punt, althans de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft het hier aan de orde zijnde onderwerp in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

4.1. De Belgische rechtbank heeft bewezenverklaard dat verzoeker op 12 oktober 2003 aanranding van de eerbaarheid en verkrachting van een minderjarige onder de 14 jaar heeft gepleegd en heeft zijn internering voor onbepaalde duur gelast, op grond van de omstandigheid dat verzoeker ten tijde van het plegen van het feit in een ernstige staat van geestesstoornis verkeerde. Deze rechterlijke beslissing is onherroepelijk geworden en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

4.2. De uitspraak van de Nederlandse rechtbank bevat ten aanzien van de strafbaarheid van de dader de volgende overweging:

"3.2.

De rechtbank is op grond van voornoemde rapportages van oordeel dat veroordeelde bij veroordeling voor voornoemd feit in Nederland niet strafbaar zou worden verklaard en dat ontslag van alle rechtsvervolging zou volgen. Hierbij neemt de rechtbank, evenals Van Giessen en Onkenhout, de rapportage van psychiater Hellebuyck als uitgangspunt. Hellebuyck concludeert dat veroordeelde ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch was en daardoor niet in staat was zijn daden te controleren. De rechtbank overweegt hierbij dat Hellebuyck veroordeelde reeds 2 weken na het ten laste gelegde feit heeft onderzocht en wel kennis heeft genomen van de Belgische processtukken.

(...)

Voorts wordt in deze uitspraak in de strafmotivering het navolgende overwogen ten aanzien van de strafbaarheid van de dader:

"4. (...)

Op grond van hetgeen hiervoor reeds onder 3.2. is overwogen acht de rechtbank veroordeelde niet strafbaar nu hij als ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. Veroordeelde dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. (...)"

4.3. Voorts bevat de uitspraak de navolgende motivering van de strafoplegging:

" (...)

De rechtbank is voorts van oordeel dat het opleggen van de door de officier van justitie gevorderde TBS-maatregel passend en geboden is. De rechtbank heeft hierbij, zoals eveneens onder 3.2 overwogen, de conclusies van de deskundigen omtrent het ziektebeeld en de noodzakelijk geachte lange duur van de behandeling van veroordeelde als uitgangspunt genomen en voorts in belangrijke mate rekening gehouden met de documentatie van veroordeelde, het hoge tot zeer hoge recidiverisico en de mate van langdurige beveiliging in psychiatrische ziekenhuizen."

4.4. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in Nederland slechts worden tenuitvoergelegd voor zover is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, zoals verankerd in artikel 3, eerste lid onder c en d van de WOTS. Hierin wordt gesteld dat een in een vreemde staat opgelegde sanctie in Nederland slechts ten uitvoer kan worden gelegd voor zover 'de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar Nederlands recht eveneens strafbaar is' (c); en 'in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest' (d). Naar Nederlands recht is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, niet strafbaar (artikel 39 Sr), zodat ontslag van rechtsvervolging volgt. In geval van ontslag van rechtsvervolging heeft de rechter wel de mogelijkheid te gelasten dat de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst (art. 37 Sr) of dat hij ter beschikking wordt gesteld (art. 37a Sr). Blijkens de Memorie van Toelichting op het ontwerp van de WOTS voorziet artikel 3, eerste lid onder d van de WOTS dat ook degene die een strafbaar feit heeft gepleegd maar niet tot vrijheidsstraf is veroordeeld, maar wier gedwongen opname in een inrichting voor psychiatrische verpleging is gelast, naar zijn of haar eigen land wordt overgebracht om aldaar verdere psychiatrische behandeling te ondergaan.(1) Deze regeling wordt in de Memorie van Toelichting nader toegelicht als volgt:

"Dit is op zichzelf een toe te juichen mogelijkheid omdat vaak juist voor deze personen alleen van een behandeling in eigen land bevredigende resultaten mogen worden verwacht. De buitenlandse dwangverpleging kan worden overgenomen als ook naar Nederlands inzicht de betrokkene aan een dergelijke behandeling dient te worden onderworpen."(2)

Derhalve is het uitgangspunt dat de tenuitvoerlegging in Nederland niet kan worden geweigerd in de gevallen waarin volgens Nederlands recht een straf of maatregel kan worden opgelegd, hetgeen tot uiting komt in artikel 3, eerste lid, onder d van de WOTS in de zinsnede "in geval van veroordeling". (3)

4.5. In onderhavige zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat veroordeelde niet strafbaar is nu hij als ontoerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt, tengevolge waarvan veroordeelde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarbij heeft de rechtbank de door de Belgische rechter opgelegde interneringsmaatregel vervangen door de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot dwangverpleging. Derhalve is er sprake van een veroordeling in de zin van artikel 3, eerste lid, onder d van de WOTS, zodat voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid en kan verlof worden verleend aan de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Belgische rechter.

4.6. Volledigheidshalve merk ik op dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van het Belgische vonnis had moeten weigeren indien de veroordeelde zich met vrucht op een grond, die naar Nederlands recht wel, doch naar het Belgische recht niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, had kunnen beroepen, en indien de exequaturrechter had bevonden dat verzoeker geen gedwongen psychiatrische verpleging zou behoeven.(4) Deze uitzondering komt tot uitdrukking in artikel 30, eerste lid, onder b. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake, nu verzoeker zich weliswaar met vrucht heeft beroepen op een schulduitsluitingsgrond, maar de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot dwangverpleging heeft opgelegd. Het primaire middel slaagt derhalve niet.

5. Het subsidiaire middel stelt dat de bestreden uitspraak tegenstrijdig is op het punt van het vereiste van dubbele strafbaarheid, zoals omschreven in het eerste middel, tengevolge waarvan de uitspraak onvoldoende (begrijpelijk) zou zijn gemotiveerd. Zoals uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middel, heeft de rechtbank het vonnis van de Belgische rechter toelaatbaar kunnen verklaren, ongeacht het feit dat de rechtbank veroordeelde heeft ontslagen van rechtsvervolging, nu immers de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot dwangverpleging is opgelegd, en er mitsdien sprake is van een veroordeling in de zin van artikel 3, eerste lid onder d van de WOTS. Mijns inziens is er dan ook geenszins sprake van tegenstrijdigheid. Het subsidiaire middel slaagt derhalve evenmin.

6. Het voorgestelde middel faalt en kan, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bijl. Hand. II 83/84, 18 129, nr. 3, p. 29-30.

2 Ibid.

3 D.J.M.W. Paridaens, 'De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, een onderzoek naar de voorwaarden naar Nederlands recht', (dissertatie Universiteit Utrecht,1994), p. 318.

4 Paridaens, p. 319. Vgl. Bijl. Hand. II 83/84, 18 129, nr. 3, p. 29-30 en Bijl. Hand. II 84/85, 19 129, nr. 6, p. 8.