Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC8127

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
07/10518
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC8127
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geweld “in vereniging”. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte, zoals is bewezenverklaard, het geweld “in vereniging” heeft gepleegd. De bewezenverklaring van dit feit is dus ontoereikend gemotiveerd. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld komt in dat opzicht aan de enkele omstandigheid dat een ander dan verdachte “voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging” onherroepelijk is veroordeeld, geen redengevende kracht toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 409
RvdW 2008, 582
NJB 2008, 1279
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10518

Mr Machielse

Zitting 25 maart 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - op 8 mei 2007 voor 1. "poging tot doodslag", 3. en 4. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met verlenging van de proeftijd van een voorwaardelijk niet ten uitvoergelegde jeugddetentie met een termijn van één jaar. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte betalingsverplichtingen opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft Mr. J.L.W. Nillesen, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. N.H. Fridsma, advocaat te Haarlem, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het onder 3. bewezenverklaarde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het geweld in vereniging is gepleegd.

3.2. Het hof heeft ten laste van verdachte onder 3. bewezenverklaard dat:

"hij op 28 augustus 2005 te Zandvoort met een ander op de openbare weg, de Haltestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het met kracht meermalen

- op en/of tegen het lichaam van [slachtoffer] slaan en schoppen en

- een knietje geven tegen het (boven)lichaam van [slachtoffer]"

3.3. Hiertoe zijn door het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

7. Een proces-verbaal met nummer PL1243/05-105212 (doorgenummerde pagina's 240 tot en met 243) van 29 augustus 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van de politie regio Kennermerland.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verklaring van aangifte van [slachtoffer]:

Op 28 augustus 2005 omstreeks 4.25 uur liep ik alleen over de Haltestraat in de richting van de Zeestraat te Zandvoort. Ik hoorde opeens stemmen achter me. Ik zag drie mannen staan. Eén van de mannen kwam op me aflopen. Opeens voelde ik op verschillende plaatsen op mijn lichaam pijn. Aan hetgeen ik nu voel ben ik geraakt op mijn rug, linkerzijde en op mijn linkeroog. Ik heb om me te verweren mijn armen voor mijn hoofd gehouden en op een zeker moment ben ik zelfs op een auto terecht gekomen. Ik herinner me dat de klappen heel snel gegeven werden en toen ik op de auto lag pakte hij mijn hoofd beet en gaf me hoog op mijn lichaam enkel stoten met zijn knie.

8. Een proces-verbaal met nummer PL1243/05-105191 (doorgenummerde pagina's 250 tot en met 251) van 29 augustus 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], hoofdagent van de politie regio Kennermerland.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover verbalisant voornoemd op voormelde datum afgelegde verkiaring van [getuige 1]:

Ik woon in de [a-straat 1] te [plaats] en werd op zondagochtend 28 augustus 2005 - ik denk rond 5 uur - wakker van geschreeuw op straat. Ik keek naar buiten en hoorde een man om hulp roepen. Ik zag op dat moment een man van ongeveer 25 à 30 jaar staan tussen de auto's. Deze jongen kreeg klappen van een andere grotere jongen. Op het moment dat ik dit zag, zag ik ook twee andere jongens lopen op de straat. Ik zag dat deze jongens aan de overkant liepen, verder de Haltestraat in. Ik hoorde die twee roepen: kom nou mee. De jongen die de klappen uitdeelde trok een kort sprintje en voegde zich bij die twee. Alle drie de jongens liepen vervolgens met elkaar verder door de Haltestraat in de richting van het spoor.

9. Een proces-verbaal van getuigenverhoor, rhc-nummer 8/06, van 15 januari 2007, opgemaakt door mr. M.J.L. Mastboom, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover rechter-commissaris voornoemd op vermelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

[Betrokkene 2], [verdachte], [betrokkene 3] en ik gingen de bewuste avond weg uit Shooters rond drie à vier uur 's nachts. [Verdachte] kreeg ruzie met een man die alleen op straat liep. Die man van wie ik later hoorde dat hij [slachtoffer] heette, deed niets. [Verdachte] had inderdaad gezegd zoals ik had verklaard: "Wil je even lachen". Ik zei iets van: "Doe even normaal". Ik zag dat [verdachte] de eerste klap of duw aan [slachtoffer] gaf.

10. Een proces-verbaal van getuigenverhoor, rhc-nummer 8/06, van 1 februari 2007, opgemaakt door mr M.J.L. Mastboom, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof te Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als tegenover rechter-commissaris voornoemd op vermelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

Op de avond van 27 augustus 2005 kwamen [betrokkene 2] en [verdachte] in de woonwagen. [Verdachte] en [betrokkene 2] zijn naar Shooters gegaan. Tegen drie uur 's nachts ben ik [betrokkene 2] gaan zoeken. Ik vond hem in Shooters. Wij zijn daar een tijdje gebleven en toen ben ik met [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weggegaan. Onderweg naar de woonwagen kwamen wij een man tegen die net afscheid nam van twee andere mensen. [Verdachte] zei toen: "Willen jullie even lachen?". [Verdachte] liep op die man af en begon op hem in te slaan. [Verdachte] deed dat zonder enige aanleiding. Ik dacht toen: "Dit is foute boel, ik moet hier weg". Ik ging weg en was eerder dan de andere drie terug in de woonwagen.

3.4. Voorts heeft het hof ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte de volgende nadere bewijsoverweging in zijn arrest opgenomen:

"[Betrokkene 2] is voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging reeds onherroepelijk veroordeeld. Het hof gaat er, met name gelet op de verschillende elkaar op essentiële punten bevestigende verklaringen afgelegd door de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ten overstaan van de politie en de raadsheer-commissaris, vanuit dat ook de verdachte een aandeel heeft gehad in het jegens [slachtoffer] toegepaste geweld."

3.5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In een arrest van 20 juni 2006, NJ 2006, 381, dat eveneens betrekking heeft op het misdrijf van art. 141 Sr, overweegt de Hoge Raad:

"Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173), waarbij art. 141 Sr werd gewijzigd (wetsvoorstel 26 519), is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt (vgl. HR 11 november 2003, LJN AL6209, rov. 3.8)."(1)

3.6. In de onderhavige zaak heeft het hof bewezenverklaard dat verdachte het geweld samen met een ander heeft gepleegd, waarbij het hof gelet op de bewijsoverweging met die 'ander' kennelijk [betrokkene 2] bedoelt. Ten aanzien van verdachte kan uit de gebezigde bewijsmiddelen voldoende duidelijk worden afgeleid dat hij jegens het slachtoffer geweld heeft gepleegd. Immers, de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] houdt onder meer in dat verdachte 'de eerste klap of duw aan [slachtoffer] gaf' en de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 3] houdt onder meer in dat verdachte op het slachtoffer begon in te slaan. Ten aanzien van [betrokkene 2] houdt 's hofs bewijsoverweging in dat hij voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging reeds onherroepelijk is veroordeeld. De gebezigde bewijsmiddelen houden omtrent [betrokkene 2] in dat - toen verdachte het slachtoffer klappen gaf - hij aan de overkant, verder de straat in liep samen met [betrokkene 1] en dat zij tegen verdachte riepen: 'kom nou mee', waarna verdachte een kort sprintje trok, zich bij hen voegde en zij gedrieën weg liepen.

3.7. Het hof heeft aldus in de omstandigheid dat [betrokkene 2] voor zijn aandeel in de openlijke geweldpleging onherroepelijk is veroordeeld in samenhang met de in de gebezigde bewijsmiddelen vervatte omstandigheden, grond gezien te oordelen dat hier sprake is geweest van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Dat oordeel acht ik echter onvoldoende gemotiveerd.

Nog daargelaten dat het hof niet specificeert waarin dat 'aandeel' van [betrokkene 2] dan heeft moeten bestaan(2), staat de vaststelling dat [betrokkene 2] ook aan de geweldpleging meedeed bovendien bijna haaks op hetgeen de gebezigde bewijsmiddelen omtrent het aandeel van [betrokkene 2] inhouden; minstgenomen kan niet gezegd worden dat die vaststelling enige duidelijke bevestiging in de bewijsmiddelen vindt. De bewijsmiddelen houden zelfs het tegenovergestelde in van enige aanmoediging door [betrokkene 2] van verdachte in welke vorm dan ook,(3) terwijl [betrokkene 2] tijdens de handelingen van verdachte op een afstand is blijven staan. [Betrokkene 2] is wel na het gebeuren samen met verdachte verder gelopen maar dat acht ik in casu niet voldoende om te kunnen spreken van het in vereniging plegen van geweld. Met name gelet op de omstandigheid dat onvoldoende duidelijk is waarin de rol van [betrokkene 2] heeft bestaan(4), is het middel terecht voorgesteld.

Ten overvloede merk ik op dat het hof, als het de veroordeling van [betrokkene 2] voldoende heeft geoordeeld om in de zaak van verdachte het openlijk in vereniging geweld plegen bewezen te kunnen verklaren, zijn eigen taak als strafrechter in de zaak van verdachte tekort heeft gedaan. Evenmin als een vrijspraak in diens strafzaak van degene met wie men het openlijk geweld zou hebben gepleegd noopt tot vrijspraak in de strafzaak tegen de andere medeverdachte geldt het omgekeerde; het enkele feit dat de medeverdachte in zijn zaak is veroordeeld voor openlijke geweldpleging is onvoldoende om het "in vereniging" aan te nemen in de zaak van de andere medeverdachte. Zowel de strafrechter aan wie de ene zaak wordt voorgelegd als de strafrechter aan wie de andere zaak wordt voorgelegd is gehouden om zelfstandig op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de feiten vast te stellen en het hem voorgelegde materiaal zelf te beoordelen.(5)

4. Het middel slaagt. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. NLR, aant. 4 op art. 141 Sr, suppl. 138 (mei 2007): het leveren van een 'significante of wezenlijke bijdrage' aan de groep is dus essentieel. Er wordt derhalve geen collectieve aansprakelijkheid geintroduceerd. Dit impliceert dat de enkele aanwezigheid van iemand bij geweldpleging onvoldoende is voor zijn veroordeling. 'Je was erbij, dus je bent erbij' is mitsdien niet, ook niet na deze wetswijziging (Wet van 25 april 2000, Stb. 173; AM) tot strafrechtelijke norm verheven. Degene die enkel meeloopt in een groep personen die gewelddadig opdringt in de richting van een rivaliserende groep met de bedoeling om de confrontatie aan te gaan maar vervolgens (a) blijft staan of (b) vlucht bij het zien van een tegenstander, zoals het geval was in HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687, is dus ook onder het nieuwe art. 141 niet strafbaar.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2006 houdt onder meer in dat de advocaat-generaal het vonnis in de zaak van [betrokkene 2] overlegt. Dit vonnis bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het vonnis in eerste aanleg bevat in de bijlage met bewijsmiddelen nog wel een procesverbaal (2.2.2) waarin als verklaring van [betrokkene 1] onder meer is te lezen dat verdachte en [betrokkene 2] ruzie kregen met een man, dat ze tegen elkaar schreeuwden en dat er van weerskanten geduwd werd.

3 Vgl. Kamerstukken 1998/99, 26519, nr. 3, p. 4: Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan het verband dat het openlijk geweld pleegt, tellen mee.

4 Vgl. HR 2 juni 1998, NJ 1998, 770.

5 HR 6 december 2005, LJN AU5444.