Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC7407

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
C06/334HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC7407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Beroepsaansprakelijkheid advocaat wegens beroepsfout door te verzuimen tijdig het juiste rechtsmiddel in te stellen, maatstaf; arbeidsgeschil over een aanvulling op WAO-uitkering, uitleg van algemeen verbindend verklaarde CAO, maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/147
NJ 2008, 245
JOL 2008, 327
RvdW 2008, 449
JAR 2008, 147
NJB 2008, 1026
SR 2008, 41
JWB 2008/196

Conclusie

Rolnr. C06/334HR

mr. L. Timmerman

Zitting15 februari 2008

Conclusie inzake:

[Eiseres]

(hierna: [eiseres])

Eiseres tot cassatie

tegen

[Verweerder]

(hierna: [verweerder])

Verweerder in cassatie

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verweerder] heeft [eiseres] ingevolge een overeenkomst van opdracht als raadsman bijgestaan in haar geschil met haar voormalige werkgever ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank). Dit geschil is ten nadele van [eiseres] beslecht. [Eiseres] heeft in de onderhavige procedure [verweerder] aansprakelijk gesteld voor een door hem begane beroepsfout tijdens de behandeling van haar zaak.

1.2 Het geschil tussen [eiseres] en de bank betrof het (betwiste) recht van [eiseres], op grond van art. 13, par. 4 sub 2 van de CAO voor het bankbedrijf, op aanvulling van haar WAO-uitkering door de bank. [Eiseres] was van 1 augustus 1984 tot en met 1 juli 1996 in dienst bij de bank.(2) In maart 1988 is haar een auto-ongeluk overkomen waarna zij (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geraakt. [Eiseres] ontvangt sinds augustus 1990 een gedeeltelijke WAO uitkering (welke in mei 1996 gebaseerd was op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%) die gedurende het dienstverband werd aangevuld door de bank tot het volledige salaris van [eiseres]. Na beëindiging van het dienstverband op 1 juli 1996, heeft [verweerder] namens [eiseres] de bank op 26 september 1996 gedagvaard bij de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd dat de bank aan [eiseres] een aanvulling op de WAO-uitkering diende te voldoen tot 21% x 70% van het laatstgenoten inkomen. De grondslag van deze vordering werd gevormd door 'de toepasselijke arbeidsvoorwaarden' en art. 13, par. 4 sub 2 van de CAO voor het bankbedrijf. Dit artikel bepaalt onder meer als volgt:

"De werkgever zal ten behoeve van de werknemers een collectieve voorziening treffen die voorziet in een aanvulling op de WAO-uitkering tot 70% van het laatstgenoten jaarinkomen voor zover dit jaarinkomen de maximum WAO-uitkeringsgrondslag niet overstijgt."

1.3 Bij vonnis van 24 december 1998 heeft de kantonrechter te Amsterdam zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil tussen [eiseres] en de bank omdat het geschil betrekking heeft op de toepassing van de CAO voor het bankbedrijf en het Scheidsgerecht voor het Bankbedrijf exclusief bevoegd is kennis te nemen van dit soort geschillen. [Eiseres] heeft bij verzoek van 5 maart 2001 het Scheidsgerecht voor het Bankbedrijf onder meer verzocht te bepalen dat haar op grond van art. 13 par. 4 sub 4 van de CAO aanvulling toekomt op haar WAO uitkering na einde dienstverband. Bij uitspraak van 12 september 2001 is [eiseres] door het Scheidsgerecht niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek wegens overschrijding van de termijn. Bij vonnis van 19 februari 2003 heeft de rechtbank te Amsterdam de vordering van [eiseres] tot vernietiging van de uitspraak van het Scheidsgerecht afgewezen.

1.4 [Eiseres] heeft hierop bij dagvaarding van 2 oktober 2003 [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het niet tijdig aanhangig maken van een arbitrale procedure bij het Scheidsgerecht voor het Bankbedrijf door [verweerder]. De rechtbank Zutphen heeft bij tussenvonnis van 21 april 2004 geoordeeld dat, door niet tijdig een verzoek bij het Scheidsgerecht in te dienen, [verweerder] niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld en is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (rov. 5.7). De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of door het handelen van [verweerder] schade is geleden door [eiseres]. De rechtbank overwoog dat ter beantwoording van deze vraag beoordeeld moet worden of er redelijkerwijs een kans bestaat dat het Scheidsgerecht het verzoek van [eiseres], bij tijdige indiening daarvan, had gehonoreerd (rov. 5.8). De rechtbank heeft in dit kader [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich bij nadere conclusie gemotiveerd uit te laten over de grootheid van de verloren kans op een voor haar gunstig resultaat in de scheidsgerechtprocedure en [verweerder] in de gelegenheid gesteld hierop te reageren bij antwoordconclusie. Bij vonnis van 8 december 2004 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Scheidsgerecht uit de bewoordingen van art. 13 par. 4 sub 2, in het licht van het gehele art. 13 van de CAO, redelijkerwijs zou concluderen dat de daarin geregelde aanspraken slechts gelden voor volledig arbeidongeschikten (rov. 2.12). Naar het oordeel van de rechtbank moet de verloren kans op een voor [eiseres] gunstig resultaat op nihil worden gesteld en wordt [eiseres] dan ook geacht geen schade te hebben geleden als gevolg van de beroepsfout van [verweerder] (rov. 2.16).

1.5 [Eiseres] is bij appél dagvaarding van 4 maart 2005 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 21 april 2004 en 8 december 2004. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] vijftien grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht. Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, alsnog haar vorderingen zal toewijzen. Bij memorie van antwoord heeft [verweerder] de grieven van [eiseres] bestreden. Tevens heeft hij bij deze memorie voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld tegen de bestreden vonnissen en daartegen vijf grieven aangevoerd en toegelicht. Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft [eiseres] de grieven van [verweerder] bestreden. Ter zitting van 21 juni 2006 hebben partijen hun zaak doen bepleiten.

1.6 Het hof heeft bij arrest van 22 augustus 2006 geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat het Scheidsgerecht op basis van de tekst van de CAO tot een voor [eiseres] gunstige uitspraak zou zijn gekomen (rov. 4.14). Naar het oordeel van het hof zou een procedure bij het Scheidsgerecht voor [eiseres] niet succesvol zijn afgelopen en betekent dit dat er geen grond is om aan te nemen dat [eiseres] door de handelwijze van [verweerder] schade heeft geleden (rov. 4.15).

1.7 [Eiseres] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld van het arrest van 22 augustus 2006.(3)

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel richt zich met een rechtsklacht tegen de overweging van het hof (uiteengezet in de rov. 4.6 t/m 4.15) dat art. 13 par. 4 van de CAO slechts recht op een aanvullende uitkering boven de WAO uitkering geeft aan de (voormalige) bankmedewerker die volledig arbeidsongeschikt is.

2.2 Het cassatiemiddel betoogt dat toepassing van de regels die gelden voor de uitleg van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst (de zogenaamde CAO norm) mee brengt dat onder arbeidsongeschiktheid in de zin van art. 13 par. 4 sub 4 mede begrepen is, althans mede begrepen kan zijn en in dit geval mede begrepen is, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het middel betoogt dat in dat kader de volgende omstandigheden van belang zijn:

- Zoals het hof in rov. 4.9 van het bestreden arrest heeft overwogen, maakt art. 13 par. 4 sub 4 geen onderscheid tussen gehele en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het middel betoogt dat er geen goede reden is gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van dat begrip uit te sluiten. Betoogd wordt dat ook de WAO, waaraan in de paragraaf gerefereerd wordt, de begrippen gehele en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet hanteerde.

- In rov. 4.11 van het bestreden arrest wordt vermeld dat ingevolge art. 14 par. 4 lid 2 en 3 het zogeheten WAO-gat voor bankmedewerkers moet worden gedekt. Het middel betoogt dat dit ook geldt voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en dat het niet consistent en passend is binnen het systeem van de CAO dat de dekking voor het excedent (slechts) gevallen van "volledige" arbeidsongeschiktheid zou betreffen.

- Het middel betoogt dat de omstandigheden die het hof heeft genoemd in de rov. 4.12, 4.13 en 4.14 van het bestreden arrest niet van dien aard zijn dat er op grond daarvan aanleiding is art. 13 par. 4 lid 4 zo beperkt uit te leggen als het hof in dit geval heeft gedaan. Betoogd wordt dat een redelijke uitleg mee brengt dat bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gemiste excedent naar evenredigheid wordt vergoed, maar niet, zoals het hof in rov. 4.13 doet, de bepaling zo te lezen dat alleen bij volledige arbeidsongeschiktheid een aanspraak voor (70 %) van het excedent wordt toegekend.

- Het middel betoogt dat het hof ten onrechte in rov. 4.14 het beroep van [eiseres] op "strijd met het gelijkheidsbeginsel, goed werkgeverschap en het verbod van willekeur" buiten beschouwing heeft gelaten. Betoogd wordt dat voor zover de ingeroepen begrippen niet van belang zouden zijn voor de uitleg van de CAO bepaling in kwestie, ze van belang zijn voor de vraag hoe de bepaling in kwestie in de relatie tussen [eiseres] en haar werkgever moet worden toegepast.

Het cassatiemiddel betoogt dat op grond van de bovenstaande omstandigheden de conclusie van het hof, in rov. 4.15 van het bestreden arrest, "dat een procedure bij het Scheidsgerecht voor [eiseres] niet succesvol zou zijn afgelopen", onjuist is dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

2.3 Voorop moet worden gesteld dat de inschatting door het hof (in rov. 4.15), dat een procedure bij het Scheidsgerecht voor [eiseres] niet succesvol zou zijn afgelopen, een feitelijke beslissing is die in cassatie alleen met motiveringsklachten kan worden bestreden en slechts marginaal toetsbaar is. De rechtsklacht in het cassatiemiddel richt zich echter niet tegen het feitelijke oordeel van het hof in rov. 4.15 maar tegen de overweging van het hof in rov. 4.14 dat er geen grond is om aan te nemen dat het Scheidsgerecht op basis van de tekst van de CAO tot de conclusie zou zijn gekomen dat art. 13 par. 4 lid 4 van toepassing is op gedeeltelijk arbeidsongeschikten zoals [eiseres]. Het cassatiemiddel betoogt dat deze conclusie van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de regels die gelden voor de uitleg van bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst (de door de Hoge Raad gehanteerde CAO norm).

2.4 Bij de uitleg van een CAO gaat het niet om uitleg van individuele wilsverklaringen: de CAO is naar haar aard immers bestemd om de rechtspositie van derden te bepalen, zonder dat die derden invloed op inhoud of formulering kunnen uitoefenen. Daarom kan het Haviltex-criterium bij die uitleg slechts van beperkte betekenis kan zijn. Voor de uitleg van een CAO zijn naar vaste jurisprudentie de bewoordingen ervan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel beslissend.(4) De Hoge Raad neemt bij de uitleg van CAO bepalingen als uitgangspunt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Naar het oordeel van de Hoge Raad komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO voorzover deze niet uit de CAO bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.(5)

2.5 Naar mijn mening heeft het hof met de overweging (in rov. 4.14) dat er geen grond is om aan te nemen dat het Scheidsgerecht op basis van de tekst van de CAO tot een voor [eiseres] gunstige uitspraak zou zijn gekomen, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg van CAO bepalingen. In rov. 4.4 van het bestreden arrest heeft het hof vastgesteld dat de grieven van [eiseres] (in het principaal appél) zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat het Scheidsgerecht zou hebben beslist dat art. 13 par. 4 lid 4 van de CAO alleen recht geeft op een uitkering aan volledig arbeidsongeschikte werknemers en volledig arbeidsongeschikte voormalig werknemers. In rov. 4.6 overweegt het hof dat de grieven zich lenen voor een gezamenlijke behandeling en dat de kern van het betoog van [eiseres] er op neerkomt dat de regeling van art. 13 par. 4 lid 4 van de CAO ook aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten een aanspraak op uitkering geeft. Vervolgens heeft het hof zich gebogen over de wijze waarop CAO bepalingen dienen te worden uitgelegd. Het hof overwoog dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad(6) bij de uitleg van CAO bepalingen doorslaggevende betekenis toekomt aan de bewoordingen van de CAO bepalingen, gelezen in het licht van de tekst van de gehele overeenkomst. Ook overwoog het hof dat bij de uitleg verder geldt dat het niet aankomt op de bedoelingen van de CAO partijen, voor zover deze niet kenbaar zijn uit de tekst van de CAO, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de CAO, waarbij acht kan worden geslagen op elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden kunnen leiden. In rov. 4.7 heeft het hof overwogen dat van belang is dat partijen niet zijn opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.6 van het vonnis van 8 december 2004 dat het Scheidsgerecht bij de uitleg van de bepalingen van de CAO de jurisprudentie van de Hoge Raad tot uitgangspunt neemt. Het hof heeft vervolgens voorop gesteld (in rov. 4.9) dat in artikel 13 van de CAO nergens met zoveel woorden wordt gerefereerd aan gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en dat de vraag dan ook is of in de bepaling aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten, zoals [eiseres] indertijd was, rechten worden toegekend. In de rechtsoverwegingen 4.10 t/m 4.13 heeft het hof zich gebogen over de tekst van artikel 13 van de CAO en de vraag of gedeeltelijk arbeidsongeschikten, zoals [eiseres], een beroep toekomt op de uitkering zoals bedoeld in art. 13 par. 4 lid 4. Het hof heeft hierbij als uitgangspunt genomen dat het erom gaat of de in het geding zijnde CAO bepaling naar de objectieve betekenis van haar bewoordingen, eventueel tegen de achtergrond van elders in de CAO gebruikte formuleringen, een dergelijke aanspraak geeft. Het hof is in rov. 4.14 uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat er geen grond is om aan te nemen dat het Scheidsgerecht op basis van de tekst van de CAO tot een voor [eiseres] gunstige uitspraak zou zijn gekomen.

2.6 Naar mijn mening heeft het hof hiermee op correcte wijze de door de Hoge Raad gehanteerde CAO norm toegepast bij de uitleg van art. 13 par. 4 lid 4. De conclusie van het hof in rov. 4.14 is verder naar mijn mening voldoende begrijpelijk gemotiveerd door het hof in de rov. 4.9 t/m 4.13. Ook de klacht dat het hof in rov . 4.14 ten onrechte het beroep van [eiseres] op "strijd met het gelijkheidsbeginsel, goed werkgeverschap en het verbod van willekeur" ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten kan naar mijn mening niet slagen. Het hof heeft naar mijn mening terecht overwogen dat het beroep van [eiseres] op deze rechtsbeginselen niet relevant is in het onderhavige geding. Op grond van art. 16 par. 2 lid 1 zijn geschillen die ontstaan met betrekking tot de toepassing van de CAO (met uitsluiting van de gewone rechter) voorbehouden aan het Scheidsgerecht voor het Bankbedrijf. Het Scheidsgerecht had zich (bij een tijdige indiening van het verzoek door [verweerder]) dan ook alleen kunnen buigen over de vraag of [eiseres] op grond van de tekst van art. 13 par. 4 lid 4 van de CAO recht heeft op een pro rata uitkering naar aanleiding van haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Indien het Scheidsgerecht in haar uitspraak tot de conclusie zou zijn gekomen dat deze vraag negatief diende te worden beantwoord en de vordering van [eiseres] had afgewezen, dan had [eiseres] zich tot de burgerlijke rechter kunnen wenden met het verzoek om de uitspraak van het Scheidsgerecht te vernietigen op grond van de ingeroepen rechtsbeginselen. In het onderhavige geding spelen de ingeroepen rechtsbeginselen echter geen rol bij de uitleg van de CAO door het Scheidsgerecht. Naar mijn mening kunnen de klachten gericht tegen de overweging van het hof (in rov. 4.14) dat er geen grond is om aan te nemen dat het Scheidsgerecht op basis van de tekst van de CAO tot een voor [eiseres] gunstige uitspraak zou zijn gekomen dan ook niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals vastgesteld door de rechtbank Zutphen in de rov. 2.1 t/m 2.13 van het vonnis d.d. 21 april 2004.

2 De arbeidsovereenkomst is bij uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam ontbonden met ingang van 1 juli 1996 onder toekenning van een vergoeding aan [eiseres] van NLG. 365.000,-- bruto.

3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 10 november 2006.

4 Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 111.

5 Zie bijv. HR 25 juni 2004, NJ 2006, 213, HR 2 april 2004, NJ 2005, 495 en HR 11 april 2003, NJ 2003, 430.

6 Het hof verwees hierbij naar HR 17 september 1993, NJ 1994/173, HR 24 september 1993, NJ 1994/174 en HR 31 mei 2002, NJ 2003/110.