Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC7239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
08/00664HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC7239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verlening nieuwe voorwaardelijke machtiging met voorbijgaan aan bezwaren die betrokkene heeft aangevoerd tegen de in het behandelingsplan opgenomen behandeling; vereiste dat betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden uit art. 14a lid 8 BOPZ; onderzoek in volle omvang na verwijzing.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 14a, geldigheid: 2008-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/26 met annotatie van W. Dijkers
JOL 2008, 353
RvdW 2008, 490
NJB 2008, 1136
JWB 2008/211

Conclusie

08/00664HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 14 maart 2008

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

In deze zaak is een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend. Het cassatiemiddel heeft betrekking op de vereiste bereidverklaring.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 30 augustus 2007, aan de rechtbank aldaar verzocht een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen met betrekking tot verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene). Bij het verzoekschrift waren een geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en een bericht over de staat van uitvoering daarvan gevoegd.

1.2. De rechtbank heeft het verzoekschrift op 18 december 2007 mondeling behandeld, waarbij betrokkene en zijn raadsvrouwe en de behandelend arts aanwezig waren. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van een jaar.

1.3. Naar de vaststelling van de rechtbank heeft betrokkene ter zitting verklaard: dat hij niet instemt met het gebruik van depotmedicatie omdat hij deze niet nodig heeft; dat hij van de depotmedicatie alleen maar moe en depressief wordt; dat hij de depotmedicatie de afgelopen jaren tegen zijn zin heeft ingenomen, omdat hij anders gedwongen opgenomen zou worden in een psychiatrisch ziekenhuis en dat hij, ook in het geval dat een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt verleend, het gebruik van depotmedicatie zal weigeren. Namens betrokkene is aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen omdat betrokkene niet instemt met het gebruik van depotmedicatie en derhalve niet kan worden gesteld dat hij instemt met de voorwaarden als opgenomen in het behandelingsplan.

1.4. De rechtbank heeft - in zoverre in cassatie onbestreden - vastgesteld dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat de stoornis, te weten schizofrenie van het paranoïde type, ook na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het gevaar een nieuwe voorwaardelijke machtiging vereist(1).

1.5. Met betrekking tot de vraag of betrokkene bereid is tot naleving van de voorwaarden, in het bijzonder een behandeling overeenkomstig het behandelingsplan, overwoog de rechtbank:

"Het overgelegde behandelingsplan is met gedeeltelijke instemming van betrokkene opgesteld door de behandelaar. Betrokkene heeft tijdens de bespreking van het behandelingsplan aangegeven dat hij niet instemt met het toedienen van depotmedicatie. Tijdens de behandeling van het verzoek ter zitting heeft betrokkene dit ook verklaard. Betrokkene heeft ter zitting echter ook verklaard dat hij de afgelopen jaren steeds depotmedicatie heeft geaccepteerd omdat hij inziet dat hij anders gedwongen opgenomen zou worden in een psychiatrisch ziekenhuis, hetgeen hij kennelijk niet wil ook al heeft hij thans aangegeven dat op de koop toe te nemen. Uit de huidige stand van de jurisprudentie blijkt dat voldoende sprake is van bereidheid tot naleving van de voorwaarden overeenkomstig een behandelingsplan als een betrokkene het volgende stelt: "Ik wil beslist geen voorwaardelijke machtiging. Als jullie echter vinden dat ik mij aan voorwaarden moet houden, dan zal ik dat doen.'' Aangezien betrokkene de afgelopen jaren het gebruik van depotmedicatie steeds heeft geaccepteerd onder de paraplu van een voorwaardelijke machtiging, gaat de rechtbank er vanuit dat betrokkene ook het komende jaar het gebruik van depotmedicatie in dat kader zal accepteren. Daarbij komt dat betrokkene ter zitting blijk heeft gegeven van de nadelen van het weigeren van de depotmedicatie, namelijk het mogelijk verliezen van zijn verblijfplaats en onvrijwillige opname. De behandelend arts heeft ter zitting verklaard dat het gebruik van depotmedicatie noodzakelijk is om te voorkomen dat betrokkene gevaar zal veroorzaken. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat in het geval van betrokkene gesteld kan worden dat sprake is van voldoende instemming met de voorwaarden van het behandelingsplan (...)".

1.6. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Art. 14a Wet Bopz bepaalt dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene is opgesteld door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling (lid 5). Het verlenen van een voorwaardelijke machtiging geschiedt in ieder geval onder de voorwaarde dat de betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar, overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan (lid 6). Naast deze algemene voorwaarde kan de rechter (bijzondere) voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de betrokkene, voor zover dit gedrag het gevaar, voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt (lid 7). De rechter verleent slechts een voorwaardelijke machtiging indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden (lid 8).

2.2. Art. 14c lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de rechter op verzoek van de officier van justitie telkens een nieuwe voorwaardelijke machtiging kan verlenen, met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar. Het zevende lid bepaalt, onder meer, dat art. 14a Wet Bopz van overeenkomstige toepassing is op een verzoek tot verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging. Op een zodanig verzoek is het vereiste van een bereidverklaring derhalve van toepassing.

2.3. De vraag, wanneer gesproken kan worden van een bereidverklaring, is aan de orde gesteld in HR 29 april 2005, NJ 2006, 287.(2) In die zaak had de rechtbank overwogen dat de betrokken patiënt het behandelingsplan en de daarin opgenomen voorwaarden niet wilde ondertekenen. De rechtbank had op grond van haar eigen verwachting dat betrokkene na het verlenen van de voorwaardelijke machtiging wel overeenkomstig de voorwaarden zou handelen, besloten dat (toch) sprake was van de vereiste instemming met de voorwaarden. De Hoge Raad vernietigde die beslissing. In rov. 4.5 heeft de Hoge Raad een samenvatting gegeven van de parlementaire behandeling van het voorstel van wet tot invoering van de voorwaardelijke machtiging. Daartoe behoort de volgende passage uit de nota naar aanleiding van het verslag:

"Alhoewel de term "wilsbekwaamheid" niet is gebruikt in de memorie van toelichting, komt dit vraagstuk wel aan de orde. Onder de term "wilsbekwaam(heid)" wordt in dit verband verstaan het in staat zijn om de reikwijdte van de voorwaarden te overzien en de gevolgen daarvan te beseffen. Voor het verlenen van een voorwaardelijke machtiging is vereist dat de persoon instemt met de voorwaarden. De rechter zal zich in de procedure van de voorwaardelijke machtiging ervan vergewissen of de betrokkene instemt met de gestelde voorwaarden en of de betrokkene daadwerkelijk bereid is om zich aan die voorwaarden te houden. Het spreekt voor zich dat instemming en bereidheid alleen aan de orde zijn als de betrokkene in staat is de gevolgen van de voorwaarden te overzien."(3)

2.4. Ook is in herinnering gebracht dat de woorden "na overleg met" in het aanvankelijk voorgestelde art. 14a lid 5 bij nota van wijziging zijn vervangen door: "met instemming van", teneinde zeker te stellen dat het behandelingsplan in overeenstemming met de patiënt wordt opgesteld(4). In rov. 4.6 heeft de Hoge Raad vervolgens overwogen:

"Deze wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de wetgever zich de voorwaardelijke machtiging heeft voorgesteld als een keuzemogelijkheid voor een bepaalde groep patiënten, te weten degenen die ervan blijk geven in te zien dat behandeling noodzakelijk is en die in staat zijn te overzien dat alsnog een gedwongen opname volgt indien zij niet of niet meer bereid zijn de voorwaarden na te leven. In dit licht bezien geeft het oordeel van de rechtbank dat, ofschoon verzoekster heeft verklaard geen machtiging te willen en de medicatie te zullen staken, toch van de voor een voorwaardelijke machtiging vereiste instemming met het behandelingsplan en bereidverklaring tot naleving van de voorwaarden sprake is, nu te verwachten is dat zij zich evenals voorheen overeenkomstig de voorwaarden zal gedragen indien er een rechterlijke machtiging wordt opgelegd, blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 14a lid 5 en 8 Bopz."

De Hoge Raad verwierp de opvatting dat het erom gaat dat "de rechter er voldoende vertrouwen in heeft dat de betrokkene zich aan de voorwaarden zal houden" (rov. 4.7).

2.5. Na de beschikking van 29 april 2005 is een voorstel ingediend tot wijziging van art. 14a Wet Bopz(5). Volgens het voorstel komen de relevante gedeelten van art. 14a als volgt te luiden:

"5. De rechter verleent een voorwaardelijke machtiging slechts indien een behandelingsplan wordt overgelegd dat na overleg met de betrokkene door de psychiater die verantwoordelijk zal zijn voor de behandeling, verder te noemen de behandelaar, is opgesteld. Aan het behandelingsplan wordt een passage toegevoegd waaruit blijkt dat het overleg tot overeenstemming heeft geleid of, indien zulks niet het geval is, op welke grond de behandelaar tot het oordeel komt dat redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarde, bedoeld in het zesde lid, zal naleven.

(...)

8. De rechter geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven."(6) [cursiveringen toegevoegd, A-G].

2.6. In rov. 3.3 van zijn beschikking van 15 december 2006, NJ 2007, 7, heeft de Hoge Raad beslist dat de rechter niet op dit wetsvoorstel mag anticiperen(7). Inmiddels is de behandeling van het wetsvoorstel verder gevorderd: het is in de Tweede en de Eerste Kamer aangenomen.

2.7. De rechtbank overweegt in de thans bestreden beschikking dat uit de huidige stand van de jurisprudentie blijkt dat voldoende sprake is van bereidheid tot naleving van de voorwaarden overeenkomstig het behandelingsplan indien de betrokken patiënt het volgende verklaart: "Ik wil beslist geen voorwaardelijke machtiging. Als jullie echter vinden dat ik mij aan voorwaarden moet houden, dan zal ik dat doen." Aannemelijk is dat de rechtbank hiermee doelt op HR 15 december 2006, BJ 2007, 3 en de annotatie daarbij. In die zaak was de vraag aan de orde of het nodig is dat de betrokken patiënt instemt met de voorwaardelijke machtiging zelf. Art. 14a lid 5 vereist slechts dat het behandelingsplan met instemming van de betrokkene is opgesteld. Art. 14a lid 8 vereist een bereidverklaring van de betrokkene tot naleving van de door de rechter te stellen (algemene en/of bijzondere) voorwaarden. De wet stelt niet de eis dat de betrokkene instemt met het verlenen van de machtiging. De praktische betekenis van het onderscheid wordt duidelijk zodra een patiënt verklaart dat hij weliswaar bereid is tot naleving van de voorwaarden (inclusief de algemene voorwaarde van behandeling volgens het behandelingsplan) indien de rechter een voorwaardelijke machtiging verleent, maar de noodzaak van een voorwaardelijke machtiging bestrijdt en van mening is dat hij zich ook zonder voorwaardelijke machtiging staande kan houden. In zo'n situatie mag de rechter een voorwaardelijke machtiging verlenen, aangenomen dat aan de overige wettelijke vereisten is voldaan. In de BJ-annotatie wordt gesuggereerd dat de Hoge Raad op 15 december 2006 een ander criterium zou hebben aangelegd dan in zijn beschikking van 29 april 2005. Daarvoor zie ik geen grond. Een patiënt kan (primair) bezwaar maken tegen de verlening van een voorwaardelijke machtiging en tegelijkertijd, uitsluitend voor het geval dat de machtiging wordt verleend (dus: subsidiair), zich op voorhand bereid verklaren tot naleving van de door de rechter te stellen voorwaarden.

2.8. Het cassatiemiddel in deze zaak valt uiteen in drie stellingen. De eerste stelling(8) houdt in dat nergens uit blijkt dat betrokkene heeft gezegd: "Ik wil beslist geen voorwaardelijke machtiging. Als jullie echter vinden dat ik mij aan voorwaarden moet houden, dan zal ik dat doen". De veronderstelling van de rechtbank dat betrokkene ook in het komende jaar de depotmedicatie zal accepteren, omdat hij deze in de afgelopen jaren steeds heeft geaccepteerd, vindt volgens het middel geen grondslag in de stukken en de verklaringen ter zitting. Uit de uitlating van betrokkene blijkt volgens het middel geenszins dat hij in de toekomst depotmedicatie zal gaan gebruiken en akkoord gaat met het behandelingsplan waarin depotmedicatie is opgenomen.

2.9. De tweede stelling(9) houdt in dat, nu uit het behandelingsplan niet blijkt dat betrokkene het plan heeft ondertekend, van de inhoud van dit behandelingsplan niet kan worden uitgegaan.

2.10. De derde stelling(10) hangt samen met de eerste en houdt in dat ter zitting is aangegeven dat betrokkene het niet eens is met een belangrijk gedeelte van het in het plan beschreven behandeling, te weten de depotmedicatie. Namens betrokkene is aangevoerd dat om die reden het verzoek niet kan worden toegewezen.

2.11. Deze drie stellingen culmineren in de klacht dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank uitgaat van voldoende instemming van betrokkene met (de voorwaarden van) het behandelingsplan en de verzochte nieuwe voorwaardelijke machtiging heeft verleend, althans dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zij meent dat er gronden zijn om van instemming uit te gaan, ondanks het feit dat betrokkene het behandelingsplan niet heeft ondertekend (en) zich niet kan verenigen met een belangrijk onderdeel van het behandelingsplan. Ik lees hierin slechts een motiveringsklacht.

2.12. De rechtbank vermeldt uitdrukkelijk dat betrokkene niet instemt met het toedienen van depotmedicatie en dat hij dit ook tijdens de behandeling van het verzoek ter zitting heeft verklaard. In de ogen van de rechtbank is dus geen sprake van een geval waarin de betrokken patiënt bezwaar heeft tegen verlening van een voorwaardelijke machtiging en tegelijkertijd (subsidiair) te kennen geeft dat hij, als de rechtbank anders zou beslissen, op voorhand instemt met een behandeling overeenkomstig het behandelingsplan. Het oordeel van de rechtbank berust op haar inschatting dat betrokkene, als de voorwaardelijke machtiging eenmaal is verleend, zich in de praktijk wel zal houden aan de voorwaarden, met inbegrip van het accepteren van depotmedicatie. De rechtbank overweegt in dit verband dat betrokkene in de afgelopen jaren het gebruik van depotmedicatie steeds heeft geaccepteerd onder de paraplu van een voorwaardelijke machtiging, waaruit zij opmaakt dat betrokkene ook het komende jaar het gebruik van depotmedicatie in dat kader zal accepteren.

2.13. Bij gebreke van een (concrete) rechtsklacht over het oordeel dat de rechtbank met een eigen inschatting van de bereidheid van betrokkene kan volstaan, blijft de vraag of het eindoordeel ("dat gesteld kan worden dat sprake is van voldoende instemming met de voorwaarden van het behandelingsplan") begrijpelijk is. Om de redenen, vermeld in de eerste en de derde stelling, meen ik dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Door en namens betrokkene was nu juist aangevoerd dat hij, anders dan voorheen, niet langer bereid was depotmedicatie te aanvaarden. Onder die omstandigheden kan de houding van betrokkene in het verleden niet dienen als verklaring voor de inschatting van de houding die betrokkene zal innemen ten opzichte van de in het behandelingsplan voorgeschreven depotmedicatie. Aangezien het hier om een essentieel vereiste voor een voorwaardelijke machtiging gaat, leidt een gegrondbevinding van de motiveringsklacht tot cassatie.

2.14. De tweede stelling in het middel behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. Overigens acht ik die stelling niet van belang voor de door de rechtbank te nemen beslissing. De wet stelt immers niet de eis dat het behandelingsplan door de betrokkene is ondertekend. Een ondertekening door de patiënt van het behandelingsplan kan worden gevraagd als bewijsmiddel van zijn instemming met een behandeling overeenkomstig het behandelingsplan. Het ontbreken van een handtekening staat niet in de weg aan het oordeel dat de betrokkene bereid is zich te laten behandelen overeenkomstig het behandelingsplan: de patiënt kan dit immers ter zitting verklaren.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Ik lees dit laatste als: dat dit gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis slechts door het stellen van voorwaarden kan worden afgewend.

2 BJ 2005, 15 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie naar aanleiding van deze beschikking: W.J.A.M. Dijkers, Voorwaardelijke Bopz-machtiging: wat ging er mis en hoe kan het anders? TvGR 2005, blz. 460 - 468.

3 NAV, Kamerstukken II 2000/01, 27 289, nr. 7, blz. 9 en 10.

4 NvW, Kamerstukken II 2000/01, 27 289, nr. 8, blz. 4.

5 MvT Kamerstukken II 2005/06, 30 492, nr. 3.

6 Voorstel van wet, Kamerstukken II 2005/06, 30 492, nr. 2, blz. 1 en 2.

7 Ook in: BJ 2007, 3 m.nt. redactie.

8 Blz. 2, tweede volle alinea, van het cassatierekest.

9 Blz. 2, laatste alinea, doorlopend op blz. 3 van het cassatierekest.

10 Blz. 3, eerste volle alinea, van het cassatierekest.