Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6907

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-06-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
07/10333 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6907
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsklacht. Gelet op het door het Hof vastgestelde moment waarop het vuurwerk door verdachte op het balkon is gegooid (in een periode van 70 tot 30 min. voorafgaand aan de ontdekking van de brand) en voorts gelet op het gevoerde verweer dat ook anderen die avond in die buurt vuurwerk hebben afgestoken, had het Hof zijn oordeel, erop neerkomend dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het enige tijd geduurd heeft voordat de brand zich heeft ontwikkeld tot de omvang die deze bij ontdekking door de bewoner had nader moeten motiveren. De tot het bewijs gebezigde technische informatie houdt immers niet meer in dan dat “niet uitgesloten (kan) worden dat de brand is veroorzaakt door het naar binnen gooien van een stuk [vuurwerk] zoals voor het onderzoek is aangeboden”, terwijl de gebezigde bewijsmiddelen over de wijze waarop de brand door dat vuurwerk in de slaapkamer is ontstaan en omtrent het (mogelijke) verloop daarvan, geen nadere precisering behelzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 436
NJ 2008, 343
RvdW 2008, 634
NJB 2008, 1343
VA 2009/25 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10333 J

Mr. Knigge

Zitting: 11 maart 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 20006 vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en voor subsidiair. "aan zijn schuld te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat" veroordeeld tot het verrichten van honderd uren werkstraf, subsidiair vijftig dagen jeugddetentie.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Beide middelen richten zich tegen de nadere bewijsoverweging van het Hof in het verkort arrest. Deze zou onbegrijpelijk zijn.

5. De bewijsoverweging houdt het volgende in:

"Nadere bewijsoverweging

Het hof acht bewezen dat de brand op 30 december 2004 in de woning gelegen aan [a-straat 1] te Amsterdam is veroorzaakt door het door de verdachte gegooide stuk vuurwerk en overweegt daaromtrent het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in een periode tussen zeventig en dertig minuten vóór de ontdekking van de brand een stuk vuurwerk, een 'flashlight', heeft gegooid op het balkon van voormelde woning, terwijl de slaapkamerdeur die uitkwam op dat balkon wijd openstond. Een flashlight draait en tolt niet, geeft geen vlammen, maar lichtflitsen en wordt zeer heet. De temperatuur in de kern kan oplopen tot ongeveer 1000 °C. De bevindingen van de brandmeester en de recherche wijzen erop dat de brand is ontstaan in de buurt van de balkondeur van de woning. Voldoende aannemelijk is dat de flashlight is terechtgekomen in de slaapkamer, in de buurt van de balkondeur. Voorts is aannemelijk dat het enige tijd heeft geduurd voor de brand zich heeft ontwikkeld tot de omvang die deze bij ontdekking door de bewoner kort voor 20.00 uur had.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat, zoals de verdediging heeft aangevoerd, de brand is ontstaan als gevolg van door anderen in die slaapkamer gegooid vuurwerk. Hetgeen de raadsman daartoe heeft aangevoerd is te weinig concreet om daaraan stafrechtelijk relevante conclusies te kunnen verbinden en doorbreekt de hiervoor vastgestelde causaliteitsketen niet."

6. Het Hof heeft de volgende stukken als bewijsmiddel gebezigd:

"1. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004216681, doorgenummerde bladzijde 31 en volgende, opgemaakt op 4 januari 2005 door [verbalisant 1], brigadier van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte (ten tijde van het bewezenverklaarde wonende aan de [c-straat 1] in Amsterdam), zakelijk weergegeven:

Ik ben op 30 december 2005 (het hof begrijpt: 2004) na het eten naar mijn kamer gegaan. Rond 18.45 uur werd er aangebeld. Ik hoorde mijn vader praten met degene die bij de voordeur stond, hij vertelde dat ik er niet was. Ik kreeg hierover ruzie met mijn vader, omdat ik wel thuis was. Ik ben naar buiten gegaan en zag [betrokkene 1] en [betrokkene 2] lopen. We zijn even in de speeltuin gebleven. We zijn vervolgens weggelopen, langs de woning die later is uitgebrand. De deur van het balkon van die woning stond open. Wij stopten bij deze woning. [Betrokkene 1] gaf een flashlight aan mij. De heb de flashlight aangestoken en op het balkon gegooid.

U toont mij een flashlight, deze is gelijk aan degene die ik op het balkon heb gegooid. (Noot verbalisant: De flashlight die de verdachte is getoond, is voor nader onderzoek verkregen bij vuurwerkhandelaar [A] aan de [b-straat] te Amsterdam.)

2. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb die flashlight met mijn rechterhand over mijn linker schouder gegooid op het balkon van de woning van [slachtoffer 1], [a-straat 1] te Amsterdam.

Een flashlight geeft veel licht, maar hij draait en tolt niet. Het is een soort discolicht, met wisselende intensiteit en korte felle flitsen. Ik weet (en wist dat toen ook al) dat je vuurwerk nooit in je handen moet houden omdat het hartstikke heet wordt. Ik wist dat vuurwerk gevaarlijk was. Ik realiseerde me ook wel dat ik iets had gedaan dat niet mocht. Mijn ouders hadden me ook gewaarschuwd voor vuurwerk.

3. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681, doorgenummerde bladzijde 34, opgemaakt op 4 januari 2005 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadier respectievelijk hoofdagent van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 3 januari 2005 hebben wij contact gezocht met de eigenaar van de firma [A] aan de [b-straat] te Amsterdam. De eigenaar verklaarde vuurwerk te hebben verkocht dat aan de door de verdachte gegeven omschrijving met betrekking tot het gebruikte vuurwerk voldoet. De verdachte had verklaard dat de flashlights vermoedelijk waren gekocht bij de firma [A]. Op 4 januari 2005 hebben wij twee stuks van dit vuurwerk van voornoemde firma overhandigd gekregen. Het vuurwerk is aan de verdachte getoond. Hij verklaarde "Dat is het". Het vuurwerk is overgedragen aan de technische recherche voor onderzoek.

4. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681, doorgenummerde bladzijde 50 en volgende, opgemaakt op 6 januari 2005 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], brigadier respectievelijk hoofdagent van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Ik woon op het adres [a-straat 1] te Amsterdam. Op 30 december 2004 is onze woning door brand verwoest. Omstreeks 19.40 uur kwam mijn man, [slachtoffer 1], thuis van zijn werk. Nadat hij thuis is gekomen is hij naar beneden gegaan. Op het moment dat hij beneden kwam, rook hij een brandlucht en ging hij weer naar boven. Hij heeft de deur van onze slaapkamer geopend en zag toen dat het matras in onze slaapkamer in brand stond.

Onze woning is op de verdieping van de slaapkamer geheel uitgebrand. Op de benedenverdieping is alles beschadigd door roet en hitte. Ook de woningen boven ons hebben behoorlijke schade, zij zijn momenteel ook niet bewoonbaar. Ten tijde van de brand waren zes buren thuis.

5. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681-15, opgemaakt op 2 januari 2006 door [verbalisant 7], aspirant inspecteur van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als de op die datum tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Ik woon op het adres [a-straat 1] te Amsterdam. Op 30 december 2004, omstreeks 20.00 uur kwam ik thuis, mijn vrouw zat op dat moment in de huiskamer. Ik zag dat in de slaapkamer op de eerste verdieping het lange gordijn dat naast de balkondeur hangt in brand stond. Ik zag tevens dat het matras aan de kant van de balkondeur in brand stond. De afstand tussen de balkondeur en de matras is minder dan een meter. De balkondeur stond open.

6. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681-1, doorgenummerde bladzijde 2 en volgende, opgemaakt op 30 december 2004 door [verbalisant 3], inspecteur van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 30 december 2004 omstreeks 20.00 uur begaf ik mij naar het adres [a-straat 1], waar ik omstreeks 20.05 uur arriveerde. Ik zag dat er brand was in die woning en dat de brandweer inmiddels bezig was de brand te blussen. Ik zag dat schuin voor de woning een man zat die gewond was. Het bleek de bewoner, [slachtoffer 1] te zijn.

De aanwezige brandweer stond onder leiding van brandmeester [de brandmeester]. Deze gaf, nadat de brand was geblust, aan dat de brand was ontstaan in de slaapkamer van genoemd perceel, welke gelegen is aan de straatzijde.

7. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681-14, opgemaakt op 23 februari 2005 door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inspecteur respectievelijk ambtenaar van politie, dienstdoende bij de Dienst Centrale recherche, voor zover inhoudende als relaas van bevindingen, zakelijk weergegeven:

Op 31 december 2004 stelden wij een onderzoek in in perceel [a-straat 1] te Amsterdam. Wij zagen dat het balkon van dit appartement en alle balkons van de daarboven gelegen appartementen sterk bevuild waren met roet. De ouderslaapkamer was gesitueerd aan de straatzijde. Wij zagen dat deze geheel was uitgebrand. Wij zagen dat het vuur het hevigst was geweest ter hoogte van de balkondeur.

Ten behoeve van het technisch onderzoek ontvingen wij van Bureau Opsporing op 4 januari 2005 twee stuks vuurwerk. Het betrof vuurwerk vermoedelijk van het merk Flashing Demon. Door ons werd op 5 januari 2005 contact opgenomen met [betrokkene 3] van het onderzoeksinstituut TNO te Rijswijk. Hij vertelde ons dat een dergelijk stuk vuurwerk een brandtijd heeft van 15 tot 18 seconden en dat de temperatuur in de kern van het vuurwerk kan oplopen tot ongeveer duizend graden Celsius.

Conclusie: Uit het ingestelde onderzoek kan worden geconcludeerd dat een technisch verklaarbare oorzaak voor het ontstaan van de brand niet is aangetroffen. Gezien het aangetroffen 'lage' brandbeeld in de ouderslaapkamer, is de brand in deze ruimte ontstaan, met name op of onder het bed. Gezien de telefonische verklaring van [betrokkene 3], kan niet uitgesloten worden dat dat de brand is veroorzaakt door het naar binnen gooien van een stuk zoals voor het onderzoek is aangeboden.

8. Een geschrift, zijnde een kopie van een geneeskundige verklaring van [betrokkene 7], artsassistent aan het VU medisch centrum, aan [betrokkene 8], huisarts, van 19 januari 2005, betreffende [slachtoffer 1], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 30 december 2004 werd patient gezien in verband met een inhalatietrauma en 1e en 2e graads brandwonden aan beide handen en de linker voet. In verband met het inhalatietrauma werd patient twee dagen geïntubeerd, op 1 januari 2005 werd hij gedetubeerd met goede respiratoire functies. Functie beide handen en digiti linker voet intact.

9. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2004316681-1, doorgenummerde bladzijde 7 en volgende, opgemaakt op 30 december 2004 door [verbalisant 6], brigadier van regiopolitie Amsterdam-Amstelland, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 30 december 2004 sprak ik met de in dit proces-verbaal genoemde personen, direct omwonenden van [a-straat 1] (het hof begrijpt [a-straat 1]), te Amsterdam.

Betrokkene [betrokkene 4], wonende [a-straat 1a]. Ik woon direct boven de woning die in brand stond. Ik zag dat de woning onder mij in brand stond en ben gevlucht.

Betrokkene [betrokkene 5], wonende [a-straat 2]. Ik hoorde ineens een knal, vervolgens zag ik veel rook en ben ik naar buiten gerend.

Betrokkene [betrokkene 6], wonende [a-straat 1c]. Ik was in de woning aanwezig toen ik een knal hoorde, al snel volgde er veel rook. De rook was zo dik dat ik niet met mijn zoontje, die aan astma lijdt, door het trapportaal durfde. Ik ben toen met mijn zoontje op het balkon gaan staan, heb de brandweer gebeld en heb daar op hun komst gewacht. Ik ben toen door de brandweer gered. Zij hebben mij en mijn zoon door het plaatsen van een masker met lucht naar buiten geleid."

7. Het eerste middel klaagt erover dat, in tegenstelling tot hetgeen het Hof beweert, niet uit de bewijsmiddelen volgt dat tussen zeventig en dertig minuten vóór de ontdekking van de brand een stuk vuurwerk is gegooid. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof, door te spreken over "voldoende aannemelijk" en "aannemelijk" in deze nadere bewijsoverweging, een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, omdat het hof buiten gerede twijfel moet vaststellen dat de brand is ontstaan door het door verdachte op het balkon gegooide stuk vuurwerk.

8. Mij ontgaat een beetje welk belang de verdachte heeft bij de klacht van het eerste middel dat het tijdstip van dertig minuten vóór het uitbreken van de brand niet uit de bewijsmiddelen volgt. Door de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte het vuurwerk op zijn laatst om 19.05 uur op het balkon heeft gegooid, zodat er tenminste vijftig minuten zitten tussen het gooien van het vuurwerk en de melding van de brand. Het door de verdediging genoemde tijdstip valt binnen de ruime periode die het Hof noemt. Het Hof meent dat er na het gooien van het vuurwerk ten minste dertig minuten zijn verlopen, maar mogelijk ook veel meer. Het Hof is dus met de verdediging van oordeel dat het bewijsmateriaal geen steun biedt voor de mogelijkheid dat er minder tijd is verlopen tussen het handelen van verdachte en de constatering van de brand. Het is juist de lange periode die is verlopen die maakt dat de verdediging vraagtekens plaatste bij het causale verband.

9. Het tweede middel raakt wél de kern van de zaak. Die kern is dat het Hof het bewezenverklaarde alleen uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden als het gezien die bewijsmiddelen hoogst waarschijnlijk is dat het handelen van verdachte de brand heeft veroorzaakt. Als andere mogelijkheden gezien de bewijsmiddelen redelijkerwijs uitgesloten kunnen worden geacht, zou over het minder gelukkige woordgebruik van het Hof - "(voldoende) aannemelijk" - kunnen worden heengestapt. De vraag is echter óf de bewijsconstructie wel voldoende sluitend is.

10. Ik meen met enige aarzeling dat dit - mede in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging is aangevoerd - niet het geval is. Het Hof heeft geen moeite gedaan om het tijdstip van het handelen van verdachte te preciseren. Het Hof lijkt daardoor voor mogelijk te hebben gehouden dat er ongeveer zeventig minuten zijn verlopen tussen dat handelen en de ontdekking van de brand. Het technisch rapport (bewijsmiddel 7) biedt voorts bijzonder weinig houvast over de oorzaak van de brand (gooien van vuurwerk als oorzaak "kan niet uitgesloten worden"). Iedere concretisering met betrekking tot de vraag hoe de brand zich heeft ontwikkeld en hoe reëel in dat licht de mogelijkheid is dat het vijftig minuten (of meer) heeft geduurd voordat de brand manifest werd, ontbreekt. Het oordeel dat het "aannemelijk" is dat het "enige tijd" heeft geduurd, is mij dan te mager.

11. Ik heb bij dit alles niet uit het oog verloren dat het Hof de door de verdediging genoemde andere mogelijke oorzaken als niet aannemelijk en te weinig concreet terzijde heeft geschoven. Een dergelijke wijze van verwerpen is acceptabel indien de bewezenverklaarde oorzaak met een grote mate van waarschijnlijkheid uit de bewijsmiddelen voortvloeit. Het enkele feit dat andere oorzaken niet geheel zijn uit te sluiten, staat dan aan de redelijkheid van de toerekening niet in de weg.(1) Die situatie doet zich hier mijns inziens echter niet voor. Anders zou het hebben gelegen als het Hof op grond van wettige bewijsmiddelen tot het oordeel was gekomen dat andere oorzaken redelijkerwijs uitgesloten geacht kunnen worden. Die vaststelling draagt dan bij aan de waarschijnlijkheid van de bewezenverklaarde oorzaak. Dat echter is niet het geval. Nu lijkt het erop dat het Hof een mogelijke (maar misschien niet erg waarschijnlijke) oorzaak als dé oorzaak heeft aangemerkt enkel omdat andere mogelijke oorzaken onbekend zijn gebleven.

12. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48 m.nt. Buruma.