Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6794

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
00365/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6794
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer-exces. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AW3569 en HR LJN BC4459. 1. Huisrecht. 2. Door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Ad 1. Vzv. in het 1e middel wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel dat onder 'goed' a.b.i. art. 41 Sr het huisrecht niet kan worden begrepen, faalt het, omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR NJ 1998, 662). Ad 2. Blijkens ’s Hofs overwegingen heeft het Hof onderzocht of t.t.v. de confrontatie onderaan de trap (de 2e fase) sprake was van een door de eerdere aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft daarbij niet miskend dat aan een geslaagd beroep op noodweerexces niet in de weg behoeft te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Het Hof heeft echter niet aannemelijk geacht dat het handelen van verdachte in de 2e fase het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanige hevige angst of woede, veroorzaakt door de eerdere aanranding, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging a.b.i. art. 41.2 Sr. Het Hof heeft een zekere rationaliteit en doelgerichtheid - waarmee het Hof kennelijk het oog erop had dat verdachte met een bepaalde mate van berekening het slachtoffer (definitief) wilde uitschakelen – en dus niet een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging doorslaggevend geacht in het handelen van verdachte. Het Hof is mede o.g.v. door verdachte afgelegde verklaringen tot dat oordeel gekomen. Het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende oordeel van het Hof is, gelet op de door het Hof vastgestelde feiten, niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 405
NJ 2008, 510 met annotatie van M.J. Borgers
RvdW 2008, 580
NJB 2008, 1282
VA 2009/22 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00365/07

Mr. Vellinga

Zitting: 11 maart 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 12 juni 2006 wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. P.W. van der Kruijs, advocaat te 's-Hertogenbosch, vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

hij in de nacht van 26 op 27 september 2004 te Vlijmen, gemeente Heusden, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

5. Deze bewezenverklaring berust op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

1. Het delictproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord nr. 24-051124 d.d. 14 oktober 2004, pagina 5, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], inspecteur, en [verbalisant 2], brigadier, en op ambtsbelofte door [verbalisant 3], brigadier, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

als relaas van de verbalisanten voornoemd:

Op 27 september 2004 omstreeks 1.55 uur werd door de medewerkers van het politieteam Heusden in een plantsoen aan de Spaaklaan te Vlijmen, in de gemeente Heusden, ter hoogte van perceel 17 het stoffelijk overschot aangetroffen van het slachtoffer [slachtoffer]. Het slachtoffer is geboren op [geboortedatum] 1960.

2. Een copie conform proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Noord/Boxtel nr. PL2110/04-245809 d.d. 29 september 2004 (doorgenummerde pagina's 134-140), deel uitmakend van het delictproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord nr. 24-051124 d.d. 14 oktober 2004, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 4], brigadier, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

als de op 29 september 2004 tegenover verbalisant [verbalisant 4] voornoemd afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben ambulancechauffeur. Ik had dienst met verpleegkundige [betrokkene 2] in de nacht van 26 op 27 september 2004. We kregen de melding dat we naar Vlijmen moesten gaan. We zijn de Spaaklaan ingereden. Ter hoogte van perceel 17 of 13 zag ik een persoon half in het gras en half op de stoep liggen. Het bleek dat er geen hartritme was. Verder is naar zijn ademhaling geluisterd en zijn zijn pupillen gecontroleerd. Op dat moment begrepen we dat de man overleden was.

3. Een copie conform proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Noord/Boxtel nr. PL2110/04-245809 d.d. 27 september 2004 (doorgenummerde pagina's 161-168), deel uitmakend van het delictproces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord nr. 24-051124 d.d. 14 oktober 2004, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier, en [verbalisant 5], agent, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

als de op 27 september 2004 tegenover de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 5] voornoemd afgelegde verklaring van [verdachte]:

Gisteren (26 september 2004; hof) ben ik met [betrokkene 3] naar het huis van [betrokkene 3] in [plaats] gegaan. We gingen naar bed en gingen slapen. Ineens kreeg ik een knal op mijn gezicht van [slachtoffer] ([slachtoffer]; hof). We zijn aan het slaan gegaan. Hij viel van de trap. Ik ben erachter aan gegaan en heb hem bewerkt. Ik heb zijn gebit uit zijn mond getrapt. Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niets kon doen (het hof begrijpt: om zeker te weten dat hij mij niets kon doen). Ik heb hem geslagen en geschopt. Ik heb hem met mijn linker- en rechtervuist op zijn kop geraakt. Ik heb op zijn ribben staan schuppen. Ik heb dit met allebei mijn voeten gedaan. Ik heb hem geschopt alles wat ik kon, omdat ik niet wilde dat hij mij zou overmeesteren. Ik zag dat [slachtoffer] een flink pak slaag van mij gehad had. Alles lag vol bloed. Toen heb ik hem naar buiten gesleept naar een grasveldje voor het huis.

4. Het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Hertogenbosch op 29 september 2004, parketnummer 01/045280-04, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Op een gegeven moment viel [slachtoffer] van de trap af naar beneden. Ik ben ook zo vlug mogelijk van de trap naar beneden gerend. Ik heb met mijn vuisten geslagen en met mijn voeten geschopt waar ik hem maar raken kon. Ik heb dat ook gedaan, terwijl [slachtoffer] op de grond lag.

(...)

6. Alle middelen richten zich tegen de verwerping van het Hof van het beroep op noodweer(exces).

7. Het arrest houdt aangaande dit beroep het volgende in:

"Strafbaarheid van de verdachte

Op de zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake zou zijn van noodweerexces.

Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat niet alleen het fysieke aanvallen van de verdachte door [slachtoffer] de tenlastegelegde handelingen van de verdachte rechtvaardigden in de zin van noodweer, maar ook het wederrechtelijk binnendringen door [slachtoffer] in de woning van [betrokkene 3]. Zo al de fysieke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] was beëindigd, nadat deze van de trap was gevallen, noodzaakte de inbreuk door [slachtoffer] op het huisrecht de verdachte nog immer tot verdediging. Bij die noodzakelijke verdediging is de verdachte verder gegaan dan geboden was. Die overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging was evenwel het onmiddellijke gevolg van de hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Dit verweer miskent dat 'goed' in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object betekent en dat huisvrede hier niet onder valt. Huisvredebreuk, waarbij geen sprake is van vernieling of beschadiging van de woning zoals in het onderhavige geval, is derhalve geen aanranding van enig 'goed', waartegen noodweer gerechtvaardigd is. Nu er voor de verdachte in deze zin geen sprake was van een noodweersituatie, verwerpt het hof in zoverre het beroep op noodweerexces.

Voorts heeft de raadsman gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging op grond van (extensief) noodweerexces.

Daartoe is aangevoerd dat de verdachte zich - ook afgezien van het voorgaande - onder aan de trap diende te verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer]. Voorzover hij daarin te ver is gegaan, is dit gebeurd onder invloed van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt ofwel door die aanval van [slachtoffer] onder aan de trap (noodweerexces) dan wel door de daaraan voorafgaande aanval van [slachtoffer] in de slaapkamer en op de overloop (extensief noodweerexces).

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Het hof gaat uit van de volgende feitelijke gang van zaken:

a) sinds kort (ongeveer één week voor de nacht waarin het ten laste gelegde zich heeft afgespeeld) verbleef de verdachte in de woning van [betrokkene 3] met wie hij een relatie was begonnen (verklaring verdachte p. 193, verklaring [betrokkene 3] p. 198);

b) [betrokkene 3] had juist haar relatie met [slachtoffer] beëindigd. In deze relatie was [betrokkene 3] veelvuldig mishandeld door [slachtoffer] en ook na het verbreken van de relatie viel [slachtoffer] [betrokkene 3] lastig. De verdachte was van een en ander op de hoogte (verklaring verdachte p. 161, verklaring [betrokkene 3] p. 198);

c) in de nacht van 26 op 27 september 2004 sliep de verdachte bij [betrokkene 3] in de slaapkamer op de eerste verdieping (verklaring verdachte p. 165);

d) de verdachte is wakker geworden van een klap op zijn hoofd en hoorde [betrokkene 3] zeggen: "Daar heb je hem". De verdachte begreep dat het [slachtoffer] was die de woning was binnengedrongen en hem op zijn gezicht had geslagen, waarna in de slaapkamer tussen beiden een gevecht is ontstaan, dat zich verplaatste naar de overloop (verklaring verdachte p. 165/166);

e) om een onduidelijke reden is [slachtoffer] van de trap af gevallen (verklaring verdachte p. 166);

f) de verdachte is de trap afgegaan en heeft [slachtoffer] die overeind probeerde te komen tegen het hoofd en het lichaam geslagen en geschopt, ook toen [slachtoffer] op de grond lag (verklaring verdachte bij de rechter-commissaris op 29 september 2004, verklaring verdachte p. 166: "Ik heb flink op hem in staan hengsten, omdat ik zeker wist dat hij mij niks kon doen", verklaring verdachte p. 187: "Toen heb ik geslagen en geschopt, maar dit was gewoon met de bedoeling dat hij bleef liggen, zodat hij niets meer kon doen tegen mij en [betrokkene 3]".) Hierbij heeft de verdachte ook nog aan [slachtoffer] gevraagd wat hij met de computer en de telefoon gedaan had (verklaring verdachte p. 166).

g) op enig moment is de verdachte opgehouden met slaan en schoppen en na enige tijd heeft hij [slachtoffer] naar buiten gesleept en op een grasveldje voor de woning van [betrokkene 3] neergelegd (verklaring verdachte p. 167);

h) naar aanleiding van een melding door een buurtbewoner is een ambulance ter plaatse gekomen, waarna het ambulancepersoneel vaststelde dat [slachtoffer] was overleden (proces-verbaal van bevindingen p. 108).

Het hof onderscheidt in de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken twee fasen, waarbij de eerste fase heeft bestaan uit het gevecht tussen de verdachte en [slachtoffer] in de slaapkamer en op de overloop en de tweede fase heeft behelst hetgeen zich heeft afgespeeld toen [slachtoffer] onder aan de trap lag.

Het hof is van oordeel dat de verdachte ten tijde van de eerste fase zich op grond van het gestelde onder d) in een noodweersituatie kan hebben bevonden. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer], waartegen de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. De verdachte is hierbij naar het oordeel van het hof niet verder gegaan dan geboden was.

Nu echter het letsel dat tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid - zoals het hof hiervoor heeft overwogen - door de verdachte niet in deze fase is toegebracht, disculpeert dit de verdachte niet ten aanzien van de door het hof bewezen verklaarde doodslag.

Met betrekking tot de tweede fase heeft de verdachte ter zitting van de rechtbank verklaard dat [slachtoffer] onder aan de trap steeds op hem af bleef komen, maar het hof acht dat niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft deze stelling eerst ter zitting van de rechtbank ingenomen. Daarvóór heeft hij bij de politie verklaard dat [slachtoffer] overeind wilde komen en dat hij (verdachte) het verhaal toen efkes af moest maken (p. 177), dat [slachtoffer] probeerde op te staan, toen gebukt stond, bezig was op te staan en toen al vrij rechtstond en dat hij (verdachte) toen hij beneden kwam gelijk weer volop aan de gang is gegaan (p. 187). Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 29 september 2004 verklaard dat hij [slachtoffer] ook heeft geschopt en geslagen toen hij op de grond lag, omdat hij wilde dat [slachtoffer] op de grond bleef liggen en niet op zou staan.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het slaan en schoppen van [slachtoffer] door de verdachte in de tweede fase, tengevolge waarvan [slachtoffer] de dood heeft gevonden, was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een direct dreigend gevaar daarvoor. Nu verdachte zich toen derhalve niet in een noodweersituatie bevond, kan er in die zin geen sprake zijn van noodweerexces. Het hof verwerpt in zoverre het verweer.

Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan evenwel ook sprake zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedragingen de noodweersituatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar deze gedragingen het onmiddellijke gevolg zijn van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de voorafgaande, reeds beëindigde, aanranding. Het hof begrijpt dat de raadsman hierop ziet met het beroep op extensief noodweerexces.

In dit kader heeft de verdachte aangevoerd dat hij ten tijde van het slaan en schoppen van [slachtoffer] toen deze onder aan de trap lag, ten prooi was aan angst en woede. De angst kwam volgens de verdachte voort uit de oorspronkelijke aanranding door [slachtoffer] (de hiervoor bedoelde eerste fase). De daarbij ontstane angst duurde nog voort op het moment dat [slachtoffer] van de trap was gevallen en onder aan de trap op de grond lag.

Naar het oordeel van het hof getuigen de gedragingen van de verdachte en zijn beweegredenen daarvoor, zoals weergegeven onder f), veeleer van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid bij de verdachte dan van hevige angst. Het hof acht dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige angst, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer.

Voor zover de verdachte heeft willen betogen dat woede hem tot zijn handelen onder aan de trap heeft gebracht, acht het hof het invoelbaar dat die emotie bij de verdachte is ontstaan als gevolg van [slachtoffer]s onverhoedse aanval op de slapende verdachte. Ook is niet onaannemelijk dat die woede werd gevoed door de wetenschap bij de verdachte dat [slachtoffer] zich eerder ook al gewelddadig had getoond in de richting van [betrokkene 3] en haar na het verbreken van de relatie was blijven lastig vallen. Het hof acht evenwel - gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen aangaande de zekere rationaliteit en doelgerichtheid van verdachtes handelen - niet aannemelijk geworden dat verdachtes handelen het onmiddellijke gevolg is geweest van een dusdanig hevige woede, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Ook in zoverre verwerpt het hof dan ook het verweer.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde."

8. Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. De onderhavige zaak wordt hierdoor gekenmerkt dat de verdachte door het (latere) slachtoffer is aangevallen, terwijl hij en zijn vriendin 's nachts lagen te slapen in de slaapkamer van haar woning waar het (latere) slachtoffer was binnengedrongen en voorts hierdoor dat het (latere) slachtoffer nadat hij de verdachte had geslagen niet meteen is gevlucht en/of zich niet meteen door de verdachte heeft laten verjagen maar er een vechtpartij is ontstaan tussen de verdachte en het (latere) slachtoffer. Deze nachtelijke aanval op een plaats waar men zich bij uitstek veilig mag wanen, is naar de ervaring leert uit zijn aard zo overrompelend, beangstigend en bedreigend dat het voor de hand ligt dat iemand die de indringer en aanvaller aanvat om de aanval af te weren en daarbij te ver gaat, in noodweerexces handelt. Van wie kan in zo'n situatie immers nog worden verwacht dat hij het hoofd koel houdt en de aanvaller niet meer dan ter verdediging noodzakelijk is slaat, schopt of wat dan ook. Dit betekent dat in de verwerping van een beroep op noodweerexces tot uitdrukking moet komen waarom dit verweer desondanks wordt verworpen. Aan de verwerping van het beroep op noodweerexces moeten in een dergelijk geval dus hoge eisen worden gesteld.(1)

Kenmerkend voor de onderhavige zaak is voorts dat de bewezenverklaarde doodslag de verdachte op grond van - kort gezegd - gebrekkige agressiehuishouding naar het oordeel van het Hof niet geheel kan worden toegerekend. Dat bergt het gevaar in zich dat het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging eerder wordt geweten aan die gebrekkige agressiehuishouding dan aan de door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, ook al zou bij een geheel toerekeningsvatbare verdachte de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging wel aan die gemoedsbeweging worden toegeschreven. Dat zou in mijn ogen niet juist zijn. Pas wanneer niet aannemelijk is dat de gemiddelde burger - daaronder valt niet alleen de koelbloedige maar ook de niet buitengewoon angstige of buitengewoon snel geprikkelde burger - door de aanval tot een hevige gemoedsbeweging is gebracht, is er plaats voor de vraag of bedoelde gemoedsbeweging valt toe te schrijven aan verdachtes gebrekkige geestvermogens. Zou het anders zijn dan zou een beroep op noodweerexces gedaan door iemand met een gebrekkige agressieregulatie eerder worden afgewezen dan een degelijke beroep van iemand van wie een dergelijke beperking der geestvermogens niet is vastgesteld. Dat zou zich moeilijk laten rijmen met de aan de art. 37 e.v. Sr ten grondslag liggende gedachte dat een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der geestvermogens tot vermindering of uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden. Ik kom hier onder nr. 34 op terug.

9. Het eerste middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op noodweer(exces) op de grond dat het huisrecht niet kan worden begrepen onder "goed" in de zin van art. 41 Sr.

10. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof, aansluiting zoekende bij HR 14 april 1998, NJ 1998, 662 m.nt. 't Hart,(2) er aan is voorbijgegaan dat de huisvredebreuk gepleegd door het (latere) slachtoffer gepaard ging met fysiek geweld door de indringer.

11. Voor wat betreft de verwerping van het beroep op noodweer gaat het middel er aldus aan voorbij dat HR 14 april 1998, NJ 1998, 662 m.nt. 't Hart meebrengt dat de basis van het beroep op noodweer niet kan worden gezocht in de schending van het huisrecht, ook al gaat deze gepaard met fysiek geweld. Het fysiek geweld zal in en dergelijke situatie tot handelen in noodweer kunnen leiden, schending van het huisrecht niet. Dat laatste heeft het Hof niet miskend. Het Hof heeft het beroep op noodweer, gebaseerd op het door het (latere) slachtoffer jegens de verdachte op de bovenverdieping uitgeoefende geweld, immers aanvaard. Voor wat betreft het beroep op noodweerexces geldt hetgeen ik hierna uiteenzet ten aanzien van de tweede klacht.

12. Ten tweede klaagt het middel dat het Hof bij de verwerping van het beroep op noodweerexces niet heeft meegewogen dat de aanval van het (latere) slachtoffer op verdachte in zijn slaapkamer ook daarom zo'n overweldigende indruk op de verdachte heeft gemaakt omdat deze aanval gepaard ging met schending van het huisrecht.

13. Verdachtes raadsman heeft in zijn pleitnota (p. 10,11), waar hij spreekt van een zo overweldigende inbreuk dat wij ons er geen voorstelling van kunnen maken, omstandig uiteengezet dat het binnendringen in de woning een rol van betekenis heeft gespeeld bij het ontstaan van het door de aanval op verdachte, die op bed lag te slapen, veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

14. Nu het Hof de eerste fase van het gebeuren louter beschrijft als de aanval van het (latere) slachtoffer op de verdachte en daarbij met voorbijgaan van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd niet rept van de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, in het bijzonder niet dat de aanval op de verdachte plaats vond in een woning terwijl de verdachte lag te slapen, heeft het Hof de verwerping van het beroep op noodweerexces in het licht van de hoge eisen die daaraan in een geval als het onderhavige moeten worden gesteld onvoldoende gemotiveerd. Het Hof spreekt bij de beantwoording van de vraag of verdachtes angst kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr immers in het geheel niet van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd als hiervoor aangehaald, bij de beoordeling van die vraag ten aanzien van verdachtes woede louter van een "onverhoedse aanval".

15. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt voorgesteld het huisrecht onder "goed" als bedoeld in art. 41 Sr te begrijpen, merk ik op dat de Hoge Raad onder verwijzing naar art. 3:2 BW heeft geoordeeld dat onder "goed" voor menselijke beheersing vatbare objecten moeten worden verstaan (HR 14 april 1998, NJ 1998, 662), de wetgeving sindsdien niet is veranderd en er derhalve voor de in de toelichting op het middel voorgestane opvatting in de wet geen aanknopingspunt is te vinden.

16. Het middel slaagt ten dele.

17. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof het beroep op noodweer(exces) heeft verworpen op gronden die dit niet kunnen dragen, nu het Hof het feitelijke gebeuren in twee afzonderlijk te beoordelen fasen heeft opgesplitst.

18. Uit de bewijsmiddelen en de bespreking van het beroep op noodweer blijkt dat zich een vechtpartij heeft voorgedaan in de slaapkamer en op de gang op de bovenverdieping, en dat op een gegeven moment het (latere) slachtoffer van de trap is gevallen. Verdachte is vervolgens ook naar beneden gegaan en heeft daar het (latere) slachtoffer geslagen en geschopt. Het Hof heeft hierin twee te onderscheiden fasen in de gebeurtenissen gezien, de ene fase bestaande in hetgeen zich boven heeft afgespeeld, de tweede fase bestaande in de gebeurtenissen beneden, welke fasen voor wat betreft het beroep op noodweer(exces) volgens het Hof afzonderlijk beschouwd dienen te worden.

19. In aanmerking genomen dat in de door het Hof vastgestelde feiten ligt opgesloten dat de vechtpartij tussen de verdachte en het slachtoffer op de bovenverdieping eindigde doordat het (latere) slachtoffer van de trap viel en de verdachte het (latere) slachtoffer pas kon slaan en schoppen toen hij ook naar beneden was gegaan, geeft dat oordeel voor wat betreft de verwerping van het beroep op noodweer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet met betrekking tot het bepaalde in art. 41 Sr, en is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor het beroep op noodweerexces ligt dat anders. Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces hierin bestaande dat de verdachte onder aan de trap te ver is gegaan door een hevige gemoedsbeweging door de eerdere aanval van het (latere) slachtoffer op de verdachte in verdachtes slaapkamer en op de bovenverdieping van de woning veroorzaakt, heeft het Hof echter niet geabstraheerd van hetgeen in de eerste fase van het gebeuren is geschied en heeft het Hof aan de splitsing in twee fasen geen gevolgen verbonden. Voor zover het middel op een andere lezing van de overwegingen van het Hof berust, mist het feitelijke grondslag.

20. Het middel faalt.

21. Het derde middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces voor zover hierin bestaande dat de verdachte onder aan de trap te ver is gegaan door een hevige gemoedsbeweging door de eerdere aanval van het (latere) slachtoffer op de verdachte in verdachtes slaapkamer en op de bovenverdieping van de woning veroorzaakt.

22. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat het Hof bij zijn verwerping van dit verweer de schending van verdachtes huisrecht geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Deze kwestie is reeds bij de bespreking van het eerste middel aan de orde geweest Daarom volsta ik er mee te verwijzen naar hetgeen ik hiervoor onder nr. 14 heb opgemerkt.

23. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de verdachte moeilijk kan worden tegengeworpen dat sprake was van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid.

24. Uit de omstandigheid dat de verdachte ondanks zijn angst en/of woede in staat was met een zekere rationaliteit en doelgerichtheid te handelen als tot uitdrukking komend in punt f van de feitelijke vaststelling door het Hof, heeft het Hof opgemaakt dat verdachtes handelen onder aan de trap niet het onmiddellijk gevolg is geweest van een dusdanig hevige angst, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr. Op dezelfde grond komt het Hof tot hetzelfde oordeel ten aanzien van verdachtes woede.

25. In HR 13 juni 2006, LJN AW3569, NJ 2006, 343 werd overwogen dat uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. Dat de verdachte heeft gehandeld met een zekere rationaliteit en doelgerichtheid voor zover daaruit spreekt van agressieve gevoelens jegens het (latere) slachtoffer los van die welke door de aanval zijn opgewekt, hoeft dus niet aan het aannemen van noodweerexces in de weg te staan. Dat zal pas het geval zijn wanneer die reeds bestaande agressieve gevoelens en niet de aanval door het slachtoffer op de verdachte een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging.

26. Naar het oordeel van het Hof getuigen de gedragingen van de verdachte, hierin bestaande (a) dat hij flink op het (latere) slachtoffer in is gaan hengsten omdat hij deze wist dat deze hem niets kon doen, (b) dat hij heeft geslagen met de bedoeling dat het (latere) slachtoffer gewoon bleef liggen opdat het (latere) slachtoffer [betrokkene 3] en hem niets meer kon doen en (c) de verdachte ook nog heeft gevraagd wat hij met de computer en de telefoon gedaan had van een zodanige mate van doelgericht en rationeel handelen dat niet aannemelijk is dat verdachtes angst c.q. woede zo hevig was dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr. Het Hof ziet dus kennelijk niet de aanval door het (latere) slachtoffer op verdachte in de slaapkamer als doorslaggevende factor voor de aanwezigheid ten tijde van de vechtpartij onderaan de trap van de door het Hof op zich wel aannemelijk geachte gevoelens van door die aanval veroorzaakte angst en woede bij de verdachte, maar kennelijk andere factoren.

27. Voor zover het Hof uit verdachtes uitlating dat hij heeft geslagen met de bedoeling dat het (latere) slachtoffer gewoon bleef liggen opdat het (latere) slachtoffer [betrokkene 3] en hem niets meer kon doen, opmaakt dat de daaruit sprekende rationaliteit en doelgerichtheid meebrengt dat verdachtes angst en woede ten tijde van het slaan en schoppen van het (latere) slachtoffer onder aan de trap niet in overwegende mate zijn voortgekomen uit de aanval in de slaapkamer acht ik het oordeel van het Hof niet begrijpelijk. Angst en woede zijn typisch verdedigingsmechanismen waarmee de mens (en niet de mens alleen) is uitgerust om (dreigend) gevaar te bezweren.(3) Wordt in angst en/of woede niet rationeel en/of doelgericht gehandeld dan doen die verdedigingsmechanismen hun werk niet goed. Rationeel en/of doelgericht handelen lijkt mij dan ook allesbehalve in tegenspraak met de aannemelijkheid van een zodanig hevige angst en/of woede, dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr.

28. De uitlating van de verdachte dat hij flink op het (latere) slachtoffer in is gaan hengsten omdat hij wist dat dit hem niets kon doen vat het Hof, zoals in bewijsmiddel 3 staat vermeld aldus op dat de verdachte flink op het (latere) slachtoffer heeft staan hengsten om zeker te weten dat het (latere) slachtoffer hem niets meer kon doen. Daarmee komt deze uitlating op hetzelfde neer als de hiervoor onder nr. 27 besproken uitlating en geldt daarvoor dus hetzelfde als voor die uitlating.

29. Voor het geval deze uitlating in weerwil van hetgeen onder de bewijsmiddelen is vermeld aldus zou moeten worden begrepen dat de verdachte zijn kans schoon zag om het (latere) slachtoffer in elkaar te slaan, en daarom niet aannemelijk is dat de door de aanval in de slaapkamer opgeroepen angst en/of woede van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, geldt het volgende. Bij gebreke van enige nadere motivering geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting hierin bestaande dat het Hof er aan is voorbijgegaan dat aan het aannemen van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging niet in de weg staat dat niet geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging dan wel is het oordeel van het Hof in het licht van die regel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. De omstandigheid dat reeds bestaande animositeit tussen de verdachte en het (latere) slachtoffer bij de heftigheid van verdachtes reactie op de aanval enige rol heeft gespeeld staat er niet zonder meer aan in de weg dat de door die aanval veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor verdachtes gedragingen. Mede gelet op de hoge eisen die in een geval als het onderhavige aan de verwerping van een beroep op noodweer(exces) moeten worden gesteld (zie nr. 8) heeft het Hof in zijn motivering onvoldoende tot uitdrukking gebracht hoe het tot zijn oordeel heeft kunnen komen ondanks het feit dat het hier gaat om een uitgesproken onverhoedse aanval op de verdachte in een woning, dus op een plaats waar hij zich bij uitstek veilig mocht wanen, en dat nog wel in de nachtelijke uren terwijl de verdachte lag te slapen. Daar komt nog bij dat het (latere) slachtoffer met de verdachte in gevecht is geraakt, dus zich kennelijk niet onmiddellijk heeft laten verjagen.

30. De rationaliteit en doelgerichtheid die spreekt uit het vragen naar de computer en de telefoon heeft het Hof mogelijk hierin gezien dat de verdachte nu ook de kans schoon zag om opheldering te krijgen over wat de verdachte met de computer en de telefoon had gedaan. Aldus verstaan geldt hetgeen ik hiervoor onder nr. 29 heb opgemerkt met betrekking tot het gebruik maken van de mogelijkheid het (latere) slachtoffer in elkaar te slaan ook voor deze uitlating. Mogelijk heeft het Hof de uit die vragen sprekende rationaliteit en doelgerichtheid aldus opgevat dat de verdachte er tot op zekere hoogte zijn verstand nog bij had. Dan zou het Hof hebben geoordeeld dat dit in de weg staat aan de aannemelijkheid van zodanige angst en/of woede dat deze kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr. Dat oordeel zou bij gebreke van nadere motivering mijns inziens eveneens getuigen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zou het oordeel van het Hof onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd zijn. Iemand hoeft immers niet blind van angst en/of woede te zijn om te kunnen spreken van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41 lid 2 Sr.

31. Het middel slaagt.

32. Het vierde middel ten slotte klaagt erover dat het Hof bij de vraag of verdachte handelde in noodweerexces, de persoonlijkheid van verdachte buiten beschouwing heeft gelaten.

33. In het kader van het beroep op noodweerexces wordt in de pleitnota (p. 12) gewezen op de beperkte psychische draagkracht van de verdachte zoals deze blijkt uit het over verdachtes geestvermogens uitgebrachte rapport van de psycholoog Rempt. Mede op grond van dit rapport komt het Hof tot het oordeel dat de bewezenverklaarde doodslag de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Waarom het Hof in weerwil van de uitdrukkelijke verwijzing in de pleitnota naar de uit dat rapport blijkende beperkte geestvermogens van de verdachte aan die beperkte geestvermogens in het kader van verdachtes beroep op noodweerexces zonder meer voorbij is gegaan motiveert het Hof niet. In zoverre is het beroep op noodweerexces onvoldoende met redenen omkleed. Zonder motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien waarom de tot op zekere hoogte gebrekkige geestvermogens van de verdachte in het geheel niet betrokken zouden kunnen worden in het oordeel naar de aannemelijkheid van de in art. 41 lid 2 Sr bedoelde hevige gemoedsbeweging.

34. Daarmee wil ik overigens niet zeggen dat de gebrekkigheid van verdachtes geestvermogens een doorslaggevende rol zou moeten spelen bij de vraag naar de aannemelijkheid van de in art. 41 lid 2 Sr bedoelde hevige gemoedsbeweging, maar wel dat het een factor is die niet helemaal buiten beschouwing kan blijven.(4) Machielse ziet met name bij de oorspronkelijke drie affecten uit het ORO, angst (zoals in het onderhavige geval), vrees of radeloosheid, plaats voor persoonlijke gevoeligheden in de emotionele sfeer. "Alleen wanneer de emotie waarop verdachte zich beroept volstrekt oninvoelbaar is, en a.h.w. pathologische vormen aanneemt komt art. 41 lid 2 Sr voor toepassing niet in aanmerking. In dat geval is de hevige gemoedsbeweging niet "door de aanranding veroorzaakt", men stapt dan over op het gebied van art. 37."(5) Mogelijk heeft het Hof in die zin geoordeeld. Dat had het Hof dan echter gelet op het uitdrukkelijke beroep op verdachtes beperkte geestvermogens ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces en de wettelijke verplichting de verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond te motiveren (art. 358 lid 3 jo 359 lid 2 Sv) wel tot uitdrukking moeten brengen.

35. Het middel slaagt.

36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

37. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik stuitte nog op HR 27 mei 2003, NJ 2003, 512, ook een geval van doodslag op de indringer in een woning, dat voor de verdachte vele malen beter afliep dan het onderhavige geval omdat diens beroep op noodweer hoewel hij zich met het oog op een mogelijke aanval van een geladen vuurwapen had voorzien werd gehonoreerd. Anders dan in het onderhavige geval had de indringer daar een mes.

2 Met de term "goed" in art. 41 Sr worden voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten bedoeld.

3 Zie bijvoorbeeld George Mandler, "Aggression", in AccessScience@McGraw-Hill, http://www.accessscience.com, DOI 10.1036/1097-8542.014700.

4 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2006, derde druk, p. 312 acht een zekere redelijkheidstoetsing mogelijk of noodzakelijk bij mensen die extreem nerveus of schrikachtig zijn.

5 A.J.M. Machielse, Noodweer in het strafrecht, diss. Amsterdam 1986, p. 684.