Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6631

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
07/11704HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6631
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Procesrecht; schending hoor en wederhoor? (81 RO)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350, geldigheid: 2008-03-14
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 191
RvdW 2008, 316
JWB 2008/120

Conclusie

07/11704HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 1 februari 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

Deze zaak betreft een tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 20 september 2005 heeft de rechtbank te Almelo ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: de schuldenaar) de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met aanwijzing van een bewindvoerder en een rechter-commissaris. Voordien had de schuldenaar een transportbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Op 26 mei 2005 is de besloten vennootschap [A] B.V. opgericht met [betrokkene 1], de toenmalige partner van de schuldenaar, als directeur en grootaandeelhouder. De schuldenaar is in dienst getreden van deze vennootschap(1).

1.2. Op voordracht van de rechter-commissaris heeft de rechtbank bij vonnis van 5 juni 2007 besloten de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Aan deze beslissing heeft de rechtbank in het kort ten grondslag gelegd:

- dat de schuldenaar een of meer voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (art. 350 lid 3 onder c Fw(2)), door feitelijk leiding te geven aan genoemde besloten vennootschap en door zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel als gevolmachtigde van die vennootschap;

- dat de schuldenaar op en na de datum waarop hij werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling schulden van individuele schuldeisers heeft voldaan (art. 350 lid 3 onder a Fw);

- dat de schuldenaar in het tijdvak waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing was is veroordeeld tot boetes van in totaal € 9.800,- wegens diverse, bij de toelatingszitting niet door hem vermelde overtredingen van het Arbeidstijdenbesluit.

1.3. Op het hoger beroep van de schuldenaar heeft het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 17 september 2007 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overwoog onder meer:

- dat de schuldenaar op dezelfde voet als voorheen is doorgegaan met het feitelijk leidinggeven aan de onderneming, tegen een beloning die ligt op het niveau van een administratief medewerker;

- dat de schuldenaar niet bereid is geweest zijn verdiencapaciteiten ten volle te benutten ten behoeve van zijn schuldeisers door op zoek te gaan naar een functie in dienstbetrekking op zijn niveau tegen een marktconform loon;

- dat de schuldenaar de door de rechter-commissaris met ingang van 1 januari 2007 bepaalde afdracht aan de boedel niet heeft voldaan, waardoor inmiddels een forse boedelschuld is ontstaan;

- dat de schuldenaar bovendien betalingen aan het pandrecht van de SNS Bank heeft onttrokken door debiteuren te verzoeken hun betalingen te verrichten op een rekeningnummer van de ABN Amro bank.

1.4. Namens de schuldenaar is - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld. De advocaat van de schuldenaar heeft afgezien van de geboden gelegenheid om het cassatieberoep schriftelijk toe te lichten(4). De bewindvoerder heeft in cassatie verweer gevoerd en dit schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. In het eerste onderdeel wordt geklaagd dat het hof in strijd met art. 19 Rv het beginsel van hoor en wederhoor niet of onjuist heeft toegepast, omdat het hof beschikte over diverse stukken waarover de schuldenaar en zijn advocaat niet konden beschikken. Het middelonderdeel geeft geen enkele aanduiding om welke stukken het zou gaan. In het cassatieverzoekschrift is aangekondigd dat de schuldenaar zich in de schriftelijke toelichting hierover zal uitlaten.

2.2. Nu namens de schuldenaar is afgezien van een toelichting op de klacht, ontbreekt nog steeds iedere aanwijzing om welke stukken het gaat. De klacht voldoet niet aan de minimumeisen welke art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel stelt. Uit de beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heb ik niet kunnen afleiden op welke stukken de klacht doelt.

2.3. Het tweede middelonderdeel klaagt dat de beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op het verweer dat de rechter-commissaris op de hoogte was van de activa-overeenkomst. Ook deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen: het middel geeft niet aan, welke activa-overeenkomst is bedoeld en waarom dat verweer in de weg zou moeten staan aan de bestreden beslissing.

2.4. In het verweerschrift in cassatie wordt verondersteld dat de klacht betrekking heeft op de pleitnotities van de raadsman van de schuldenaar in hoger beroep, alinea 1(5). Van die veronderstelling uitgaande, faalt de klacht m.i. bij gebrek aan belang. De in hoger beroep bestreden beslissing van de rechtbank was immers niet gebaseerd op het verwijt dat de schuldenaar de activa van zijn eenmanszaak heeft overgedragen aan de besloten vennootschap waarvan [betrokkene 1] directeur-aandeelhouder was, noch op de hoogte van de tegenprestatie voor die overdracht. De stelling dat de rechter-commissaris en/of de bewindvoerder bekend waren met de activa-overeenkomst was daarom niet relevant. Voor zover met deze klacht de stelling is bedoeld dat de bewindvoerder aan de schuldenaar toestemming heeft gegeven om bij de besloten vennootschap in dienst te treden, verdient opmerking dat 's hofs beslissing niet berust op het oordeel dat de schuldenaar niet bij de besloten vennootschap in dienst had mogen treden, maar - mede - op het oordeel dat hij door het bij indiensttreding bedongen loon zijn verdiencapaciteit niet ten volle heeft aangewend om met zijn inkomsten uit arbeid de schuldeisers (gedeeltelijk) te voldoen. Overigens was dat niet de enige grond waarop de beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling berustte.

2.5. Het middel noopt niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie voor de verdere voorgeschiedenis: rov. 3.1 van het bestreden arrest.

2 Ingaande 1 januari 2008 is de Faillissementswet gewijzigd door de wet van 24 mei 2007, Stb. 192 (herziening schuldsaneringsregeling natuurlijke personen). In het bestreden arrest en deze conclusie wordt nog verwezen naar de tekst van de tot 1 januari 2008 geldende bepalingen.

3 Binnen acht dagen; zie art. 351 lid 2 in verbinding met art. 342 lid 3 Fw.

4 Zie diens brief van 13 december 2007 aan de Hoge Raad. In diezelfde brief is toestemming verleend om de zaak af te doen op basis van het procesdossier van de bewindvoerder.

5 De pleitnotities zijn gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting. De desbetreffende alinea luidt: "Op voordracht van de bewindvoerder heeft de rechter commissaris toestemming gegeven voor de overname van de activa van appellant door het bedrijf van [betrokkene 1]. Uit de activaovereenkomst blijkt duidelijk dat de bewindvoerder volledig op de hoogte was van dit feit. De bewindvoerder heeft aan [verzoeker] expliciet toestemming gegeven dat hij in dienst mocht bij dit bedrijf. In het verslag vermeldt de bewindvoerder tevens dat "door de verkoop van de activa in het kader van een doorstart van de onderneming een aanvaardbare verkoopwaarde is gerealiseerd". De motieven van de bewindvoerder voor beëindiging zijn daarom niet duidelijk."