Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6545

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
08/00439HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6545
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; machtiging tot voortgezet verblijf; weigeren van contra-expertise, motiveringseisen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/23 met annotatie van Red
JOL 2008, 321
RvdW 2008, 452
NJB 2008, 1031
JWB 2008/194

Conclusie

08/00439HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 7 maart 2008

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

tegen

Officier van Justitie te Haarlem

In deze zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend. In cassatie wordt geklaagd over het passeren van een verzoek om contra-expertise, de ondertekening van de geneeskundige verklaring en de duur van de machtiging in verband met de expiratiedatum van de voorafgaande machtiging.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft op 22 november 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in het psychiatrisch ziekenhuis GGZ Dijk en Duin te Purmerend. Bij het verzoek waren gevoegd een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur d.d. 21 november 2007, die niet bij de behandeling was betrokken en betrokkene heeft onderzocht, een afschrift van het behandelingsplan en een bericht over de stand van uitvoering daarvan.

1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 13 december 2007. Na betrokkene en haar advocaat en de behandelaar te hebben gehoord, heeft de rechtbank op dezelfde datum een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van een jaar.

1.3. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het verzoek van betrokkene om een contra-expertise is gepasseerd zonder enige motivering voor die beslissing te geven. Het onderdeel wijst op HR 29 april 2005 (NJ 2007, 153 m.nt. J. Legemaate; BJ 2005, 14 m.nt. W. Dijkers). Volgens het middelonderdeel kan het tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene gedane verzoek niet anders worden begrepen dan als een verzoek om een contra-expertise.

2.2. In de geneeskundige verklaring (rubriek 3.c) is de diagnose gesteld: "schizofrenie paranoïde type. DD waanstoornis. Oordeels en kritiekstoornissen". Als toelichting op het gevaar is in rubriek 4.d vermeld: "Er is sprake van een zeer chronische stoornis (eerste opnames in de 70-er jaren). Zij blijft haar ziekte ontkennen en zou willen ophouden de medicatie te gebruiken die zij in haar ogen nog steeds niet nodig heeft. Dan dreigt weer decompensatie en huis uitzetting. Ze is niet tevreden over haar hulpverleners". Aan het slot van de geneeskundige verklaring is vermeld dat betrokkene het niet eens is met de diagnose.

2.3. Blijkens het (handgeschreven) proces-verbaal is bij de mondelinge behandeling namens betrokkene onder meer het volgende naar voren gebracht:

"Is die diagnose nog actueel? Van standpunten die tegen over elkaar staan.

Zij wil graag een onafhankelijk psychiater.

(...)

Voor betrokkene is de diagnose niet waarneembaar.

Ze wil dat de vordering wordt afgewezen.

Er zijn veel oude gegevens.

(...)

Verzoek afwijzen. En door een onafhankelijk psychiater naar laten kijken."

Mijns inziens wordt het herhaalde verzoek om een onafhankelijke psychiater ernaar te laten kijken in het cassatieverzoekschrift terecht aangemerkt als een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige (contra-expertise), gedaan voor het geval dat het verzoek van de officier van justitie niet terstond wordt afgewezen.

2.4. Uit de aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 29 april 2005 volgt dat de algemene regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. De Hoge Raad overwoog:

"De rechter is derhalve overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten."

2.5. In het onderhavige geval ontbreekt iedere motivering van de beslissing van de rechtbank om geen gevolg te geven aan het verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige. Het middel slaagt. Om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven en behoeven de overige klachten geen bespreking. Voor het geval de Hoge Raad hierover anders oordeelt, volgt een korte bespreking van de overige klachten.

2.6. Onderdeel 2 behelst de klacht dat de overgelegde geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet omdat deze niet door de geneesheer-directeur persoonlijk is ondertekend.

2.7. Art. 16, in verbinding met art. 5, Wet Bopz houdt in dat bij het verzoekschrift een verklaring wordt overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft. Deze verklaring moet met redenen zijn omkleed en zijn ondertekend. In de rechtspraak wordt de eis gesteld dat de verklaring door de geneesheer-directeur persoonlijk is ondertekend respectievelijk mede-ondertekend ten blijke van zijn instemming met en aanvaarding van verantwoordelijkheid voor de inhoud van de geneeskundige verklaring(1). Wanneer deze ondertekening is nagelaten, behoeft het verzuim overigens niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn verzoek te leiden: de rechter onderzoekt in dat geval of het verzoek na overlegging van de vereiste geneeskundige verklaring alsnog kan worden toegewezen. De aard van de in de Wet Bopz aan de geneesheer-directeur toegekende bevoegdheid tot en verantwoordelijkheid voor het verstrekken van geneeskundige verklaringen verzet zich tegen het door de geneesheer-directeur verlenen van mandaat aan anderen tot het in zijn naam ondertekenen van zodanige geneeskundige verklaringen(2).

2.8. In eerste aanleg is, voor zover uit de beschikking, de gedingstukken en het proces-verbaal blijkt, niet geklaagd over een ondeugdelijke ondertekening van de geneeskundige verklaring. In dit geval is op het laatste blad voorgedrukt: "handtekening geneesheer-directeur persoonlijk". Het woord "persoonlijk" is doorgestreept en vervangen door het woord "gemandateerd", waarbij een handtekening is geplaatst. Hoewel aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat dit een sterke aanwijzing vormt dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet, zou een onderzoek naar de steller van de handtekening nodig zijn om hierover zekerheid te verkrijgen. Voor een onderzoek naar de feiten is in cassatie geen plaats(3). De klacht leidt daarom niet tot cassatie.

2.9. Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank, gelet op art. 17 Wet Bopz, ten onrechte een machtiging heeft verleend met een geldigheidsduur van een jaar, gerekend vanaf 14 december 2007. Volgens de klacht verbleef betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis krachtens een voorlopige machtiging d.d. 21 mei 2007 waarvan de geldigheidsduur verstreek op 21 november 2007(4). De officier van justitie heeft de machtiging tot voortgezet verblijf verzocht op 22 november 2007, daags nadat de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging was verstreken.

2.10. Art. 17 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat het verzoekschrift van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf moet worden ingediend tijdens de zesde of vijfde week voor het einde van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging. Tezamen met het voorschrift van art. 17 lid 2, dat de rechtbank binnen vier weken na het indienen van het verzoekschrift beslist, leidt deze regel ertoe dat tegen het einde van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging bekend kan zijn of het gedwongen verblijf in het ziekenhuis wordt voortgezet. De wet bevat geen sanctie voor het geval dat de termijn van art. 17 lid 1 door de officier van justitie wordt overschreden. Art. 48 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat - tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe - de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis verleent zodra zich één van de volgende omstandigheden voordoet:

a. (...)

b. de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging is verstreken, tenzij vóór het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging; in dat geval verleent de geneesheer-directeur ontslag:

- zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf;

- zodra de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken.

c en d. (...).

2.11. In de zaak van HR 19 januari 1996, NJ 1996, 604 m.nt. JdB, was na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorafgaande machtiging geen ontslag uit het ziekenhuis verleend. De Hoge Raad veronderstelde dat de betrokkene als vrijwillig patiënt in het ziekenhuis was gebleven. De Hoge Raad hield voor mogelijk dat in dat geval een machtiging tot voortgezet verblijf werd verleend:

"(...) Weliswaar moet het verblijf van verzoekster gedurende het tijdvak (...) worden beschouwd als een vrijwillig verblijf, nu hieraan niet een nog geldende machtiging ten grondslag lag, maar dit brengt niet mee dat de Officier niet meer een machtiging als bedoeld in art. 15 kon vorderen. Zoals blijkt uit art. 15 lid 3, kan ook na het verstrijken van de geldigheidsduur van een lopende machtiging een machtiging tot voortgezet verblijf worden gevorderd. (...)

Het ontbreken van een sanctie als niet-ontvankelijkheid van de officier, betekent evenwel niet dat het te laat instellen van een vordering tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf steeds zonder gevolgen dient te blijven. Met name indien de vordering, zoals in deze zaak, wordt ingesteld na het einde van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, staat het door de wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene eraan in de weg dat de machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend voor een langere periode dan ten hoogste een jaar na de dag waarop de lopende machtiging eindigde."(5)

2.12. Aangenomen dat juist is dat de geldigheidsduur van de voorafgaande voorlopige machtiging verstreek op 21 november 2007 zonder dat een verzoekschrift was ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, had de geneesheer-directeur op die datum aan betrokkene ontslag uit het ziekenhuis moeten verlenen tenzij voortzetting van het verblijf als vrijwillig opgenomen patiënt gewenst was en betrokkene blijk gaf van de nodige bereidheid daartoe. In de onderhavige zaak is niet gesteld of gebleken dat de geneesheer-directeur aan betrokkene ontslag uit het ziekenhuis heeft verleend. Op grond van de zo-even aangehaalde beschikking van de Hoge Raad was deze omstandigheid echter geen beletsel om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen, met dien verstande dat het door de wettelijke termijnen beschermde belang van betrokkene eraan in de weg staat dat de machtiging wordt verleend voor een langere periode dan ten hoogste een jaar na de dag waarop de lopende machtiging eindigde. Dit betekent dat de bestreden machtiging niet kon worden verleend voor een tijdvak langer dan tot en met 21 november 2008. Aangezien de bestreden machtiging is verleend voor een tijdvak van een jaar, gerekend vanaf 14 december 2007, is de klacht gegrond.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Haarlem.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie onder meer: HR 1 juli 1994, NJ 1994, 723; HR 17 november 2006, NJ 2007, 258 (BJ 2007, 1 m.nt. WD). De Wet Bopz (losbl.), W. Dijkers, art. 1, aant. 2.6; art. 5, aant. 3.3.3.

2 HR 21 januari 2000, NJ 2000, 191 (BJ 2000, 1 m.nt. WD).

3 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 133 en 137.

4 De beschikking van de rechtbank vermeldt dit niet, maar de datum valt af te leiden uit het behandelingsplan en het begeleidend schrijven van de medische administratie van het ziekenhuis.

5 De beslissing is herhaald in HR 6 oktober 2006, BJ 2006, 47 m.nt. W. Dijkers; HR 17 november 2006, BJ 2007, 1 m.nt. W. Dijkers (rov. 3.4.3). Zie n.a.v. deze jurisprudentie ook de noot van W. Dijkers onder Rb Utrecht 25 april 2007, BJ 2007, 38.