Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
11-03-2008
Zaaknummer
01346/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6294
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. O.g.v. de door de A-G in diens conclusie verstrekte informatie moet worden aangenomen dat het dossier i.c. bij de HR is ingekomen, maar daarna in het ongerede is geraakt en niet meer beschikbaar zal komen. Dat brengt mee dat de bestreden beschikking in cassatie niet kan worden getoetst en daarom niet in stand kan blijven. Zie de CAG voor een handreiking voor de partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 184
RvdW 2008, 331

Conclusie

Mr. Vellinga

Nr. 01346/06 B

Zitting: 15 januari 2008

Conclusie inzake:

[klager]

1. Volgens de schriftuur heeft de Rechtbank te Breda bij beschikking van 20 februari 2006 het klaagschrift, strekkende tot teruggave van een auto, ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. L.M.L. van Berkel, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve merk ik het volgende op. Uit een zich in het dossier bevindende memo van de unit-coordinator van de strafadministrâtie van de Hoge Raad van 28 maart 2007 volgt dat het dossier van klager op 15 mei 2006 bij de Hoge Raad is ingekomen en sindsdien spoorloos is. Er is gezocht in dozen en bij zaken die op dezelfde dag zijn ingekomen, maar zonder resultaat. Voorts wordt in het memo opgemerkt dat de Rechtbank geen kopie heeft van de processtukken. Het enige zich in het dossier bevindende processtuk van feitelijke aanleg is een niet ondertekend en niet gewaarmerkt afschrift van de beschikking van de Rechtbank. Navraag namens mij op 6 december 2007 bij voornoemde unit-coordinator leerde dat de raadsman van klager dit processtuk uit eigen beweging aan de Hoge Raad heeft doen toekomen tegelijkertijd met diens stelbrief en voorts dat het dossier ook toen nog niet was gevonden. Voorts bleek uit navraag namens mij bij het hoofd van de strafgriffie van de Rechtbank dat daar geen exemplaar van de beschikking is achtergebleven en ook dat geen stukken meer zijn te vinden in de zaak van de in de door de raadsman overgelegde kopie van een beschikking genoemde [betrokkene].

4. Als gevolg van de onvolledigheid van de stukken kan niet worden nagegaan op welke gronden de bestreden beslissing is genomen, wat ter gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift is geschied en is verklaard, en dus ook niet of het middel al dan niet gegrond is.

5. Nu het in het onderhavige geval gaat om een fout die voor rekening van de staat komt, dient zo te worden beslist dat wordt voorkomen dat klager daarvan nadeel ondervindt. In aanmerking genomen dat er geen twijfel over behoeft te bestaan dat op klagers klaagschrift is beslist als in de schriftuur vermeld, betekent dit in de eerste plaats dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.(1)

6. Vervolgens kan niet zonder meer tot teruggave van het beslagene worden besloten al was het maar omdat daarmee, zoals uit de schriftuur blijkt, ook belangen van anderen zijn gemoeid. Evenmin kan worden volstaan met louter vernietiging van de bestreden beschikking omdat ervan moet worden uitgegaan dat er een klaagschrift is ingediend en enkele vernietiging van de beschikking van de Rechtbank zou betekenen dat nog steeds niet op het klaagschrift is beslist.

7. De zaak moet dus worden verwezen naar een Hof. Dan kan op basis van de stukken die de Officier van Justitie en de raadsman nog kunnen produceren, op het klaagschrift worden beslist. Is het oorspronkelijke klaagschrift niet meer te vinden, dan kan recht worden gedaan op een alsnog door de raadsman bij het Hof in te dienen klaagschrift. Daarbij dient te gelden dat ervan moet worden uitgegaan dat de termijn voor het indienen van een klaagschrift (art. 552a lid 3 Sv) in acht is genomen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Gerechtshof ten einde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 vgl. HR 19 december 1995, DD 96.149 en HR 30 november 1993, DD 94.138.