Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6273

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
07/11348
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ5123
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6273
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Levenslange gevangenisstraf. Cumulatie. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat in een geval als i.c., waarin de verdachte voor een eerder gepleegd feit is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en die straf o.g.v. gratieverlening nog niet is beëindigd of “op jaren is gesteld”, hem voor een nieuw gepleegd feit geen vrijheidsbenemende straf, laat staan voor de 2e maal een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd. Die opvatting is echter onjuist omdat zij, behoudens in het geval bij de nieuwe berechting art. 63 Sr van toepassing is, geen steun vindt in de wettelijke regeling van de oplegging van vrijheidsstraffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 559
NJ 2008, 429
RvdW 2008, 772
NJB 2008, 1649
VA 2009/30 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11348

Mr Machielse

Zitting 4 maart 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 22 december 2006 vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "moord", 2. subsidiair "medeplegen van een ander door enige feitelijkheid en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen" en 4. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft Mr T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, cassatie ingesteld. Mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Ten laste van verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 28 november 2002 in de gemeente Groningen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels op [slachtoffer 1] afgevuurd, waarbij [slachtoffer 1] meermalen in het lichaam is getroffen, tengevolge waarvan hij is overleden"

3.3. Als bewijsmiddel 1 heeft het hof de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 19 april 2006, gebruikt. Deze verklaring houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:

"Vier dagen voor de moord op [slachtoffer 1], op 24 november 2002, ben ik bij zijn woning geweest en heb toen contact met hem gehad. Ik heb hem een papiertje gegeven met een telefoonnummer. Dat was de opdracht die ik had. Ik ben in opdracht met [getuige 1] naar Groningen gereden. Ik heb gevolg gegeven aan die opdracht, omdat dat mijn werk was.

Dat was de positie waarin ik verkeerde. Dat betekent gewoon dat je doet wat je wordt opgedragen.

(...)"

Als bewijsmiddel 5 heeft het hof gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte over dat eerder bezoek aan het slachtoffer op 24 november 2002. Die houdt het volgende in:

"Op 24 november 2002 hadden [betrokkene 1] en ik instructies om naar een zeker adres te gaan.

Wij moesten een auto volgen met daarin vier mannen met een donkere huidskleur. Deze mannen hadden we in Amsterdam ontmoet. We wisten dat [betrokkene 2] veel contact had met haar broer. We dachten dat de ouders van [betrokkene 2] op dat adres woonden.

We moesten hen onder druk zetten door machtsvertoon.

De achtergrond was dat [betrokkene 2] ervan werd verdacht dat zij samen met haar vriendin [betrokkene 3] van de organisatie 2000 kg hasj had gestolen. (..) Ik kon zien dat [slachtoffer 1] onder de indruk was van onze manier van optreden. Hij had in de gaten dat het serieus was. Ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd dat er iemand terug zou kunnen komen.

De organisatie kan het zich niet veroorloven welke diefstal dan ook onbestraft te laten. (..)".

3.4. Voor het overige is de betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

"2. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Groningen op 23 juni 2005 - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Ik ben op 24 november 2002 naar de woning van [slachtoffer 1] in Groningen gegaan om een telefoonnummer af te geven. Er waren ook vier donkere mannen bij aanwezig. [Getuige 1] trad toen op als chauffeur van de zwarte Kangoo. Ik realiseer mij dat dit bezoek op 24 november 2002 bedreigend overkwam op [slachtoffer 1].

In Frankrijk ben ik benaderd om in een woning in Breda te komen wonen. Ik kreeg een woning in Breda, waar bezoekers kwamen die pakjes afleverden, die even later door andere bezoekers werden opgehaald. Soms moest ik een telefoonnummer bellen of ik werd zelf gebeld en dan werd er een ontmoeting geregeld voor de overdracht van pakjes.

Op een gegeven moment kwam [getuige 1] erbij om als chauffeur op te treden.

Ik had [getuige 1] een keer ontmoet, toen hij de kwaliteit van heroïne moest testen.

Wanneer de bezoekers kwamen, kreeg ik een kleine hoeveelheid mee. Ik bracht toen een kleine hoeveelheid naar [getuige 1] om door hem te laten testen. De pakjes kwamen soms een keer per week en soms een keer per tien dagen. Ik nam de pakjes in ontvangst en ik leverde de pakjes af op diverse plaatsen. [Getuige 1] trad dan op als chauffeur van de zwarte Kangoo (het hof begrijpt: een kleine bestelwagen van het merk Renault).

Wanneer er verklaringen over de organisatie waarvoor ik werk, worden afgelegd, zijn er problemen. Bepaalde mensen van de organisatie hebben dan de autoriteit om je veel pijn toe te brengen. Zoiets is niet ongebruikelijk in de criminele wereld waarin ik leef.

(..)

7. De verklaring van getuige [getuige 1], afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 23 juni 2005 - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Op 24 november 2002 heb ik [verdachte] naar Groningen gereden. Ik moest in Nederland als chauffeur optreden. Ik reed in de ene auto en in een andere auto zaten vier mensen. Ik volgde die auto. Ik werkte voor een organisatie. Ik kreeg mijn opdrachten van of via [verdachte]. Ik kreeg zelf ook wel eens telefoontjes. Op 28 november 2002 kreeg [verdachte] een telefoontje en daarna vroeg hij mij om hem naar Groningen te rijden. Ik ben met hem naar Groningen gereden. [Verdachte] vertelde me waar ik de auto moest parkeren en hij vroeg mij in de auto te wachten. Hij was enige tijd weg. Toen hij terugkwam, zei hij: "Go, go, go" en toen ben ik weggereden, eerst zonder de verlichting van de auto te ontsteken. Verderop in de straat heb ik die ontstoken.

Ik zag dat [verdachte] een pistool op zijn schoot had en ik vroeg hem wat er aan de hand was. Hij zei: "I've just killed somebody. Drive".

Ik ken [verdachte] als [verdachte]. Ik kreeg geld voor de ritjes die ik voor hem uitvoerde. Wanneer er sprake was van meer pakjes, kreeg ik meer betaald.

Ik ben ook nog een derde keer met [verdachte] naar Groningen gereden. Dat was nadat er een telefoontje gekomen was. [Verdachte] zei mij naar Groningen te rijden en hij heeft daar kranten gekocht.

Ik heb voor [verdachte] wel eens een Nederlandse tekst op envelop geschreven. Ik weet dat mijn vingerafdruk op de envelop staat.

Toen ik op 28 november 2002 uit Groningen wegreed, wist ik dat er een moord was gepleegd. [Verdachte] had mij toen verteld dat hij iemand had vermoord.

In de organisatie waarvoor ik werk is het gebruikelijk om mensen zwaar te mishandelen wanneer er drugs van de organisatie worden vermist.

Soms gaan dergelijke waarschuwingen verder, tot de dood er op volgt. Ik heb van de politie gehoord dat er een prijs op mijn hoofd staat. Dat komt doordat ik verklaringen heb afgelegd met betrekking tot de moord op [slachtoffer 1]. Zoiets mag niet in de organisatie en dat is ook zo gezegd in de organisatie.

De moord op [slachtoffer 1] past ook in dat beeld. Bij de hoeveelheid drugs die van de organisatie is verdwenen, is zo'n moord een passende reactie en is het niet verbazingwekkend dat zoiets gebeurt.

8. Een proces-verbaal, nr. PLO14A/02-690940, d.d. 28 januari 2004, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van Regiopolitie Groningen, District Groningen / Haren (paragraaf F 45) - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 1]:

Ik heb samen met [verdachte], enige tijd na de dag dat [verdachte] en ik de tweede keer in Groningen waren geweest, een ontmoeting gehad in Amsterdam met twee zwarte mannen.

Ik hoorde dat [verdachte] tegen de zwarte man, genaamd [betrokkene 4], zei: "It was easy, I knocked on the door and I shot the guy". Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand een gebaar maakte alsof hij een pistool vasthield en daarmee enkele schoten afvuurde. Ik hoorde dat er door hen werd gesproken over de moord in Groningen (het hof begrijpt uit de samenhang van verklaringen van de getuige: de moord op [slachtoffer 1] die plaatsvond op 28 november 2002).

U toont mij de foto's van [betrokkene 5] (foto 27) en van [betrokkene 4] (foto's 30/30a). Een van hen wordt '[betrokkene 4]' genoemd. Dit zijn de twee mannen met wie in Amsterdam contact is geweest. Met [betrokkene 4] is door [verdachte] over het gebeuren in Groningen gesproken.

9. Schriftelijk stukken, zijnde foto's, genummerd 30/30a, en een schriftelijk stuk, zijnde een index van fotomap A, allen opgenomen in fotomap A RBT0204, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Foto's nr. 30/30a betreffen [betrokkene 4].

10. De verklaring van getuige [getuige 2], afgelegd ter terechtzitting van het hof op 19 april 2006 - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Ik zei tegen [betrokkene 4]: "Als ik zeg dat jij hebt gehoord dat verdachte jou vertelde: "I knocked on the door, it was an easy job and I shot the guy down", lieg ik dan? Ik hoorde dat hij toen zei: "Nee."

11. De verklaring van getuige [getuige 3], afgelegd ter terechtzitting van het hof op 19 april 2006 - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Wij hebben aan [betrokkene 4] gevraagd: Als wij nu zeggen dat het zo gebeurd is, zoal [getuige 1] heeft verklaard, liegen wij dan?" Toen zei [betrokkene 4]: "Nee". "It was easy, I knocked on the door and I shot the guy" is de passage die wij hem hebben voorgehouden. Toen we hem vroegen of het was gelogen, zei hij nee.

(..)

15. Een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenrapport van H.G.M. Michels van het Nederlands Forensisch Instituut van 4 april 2003, opgemaakt op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige (paragraaf H 9), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als relatering van de deskundige:

Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Groningen op 28 november 2002.

Onderzoeksmateriaal

Nummer 6 - een kogel, aangetroffen in hal;

Nummer 34 - 7 kogels, afkomstig uit het lichaam van het slachtoffer.

Kogels (6 en 34)

De kogels zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber 7,65 mm Browning.

16. Een proces-verbaal, nr. PL014A/02-690940, d.d. 18 november 2003, op ambtseed opgemaakt door [getuige 3], inspecteur van Regiopolitie Groningen, District Groningen / Haren (paragraaf E 137) - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als relatering van de verbalisant:

Tijdens een zoeking in de woning van [verdachte] op 26 juli 2003 werd een vuurwapen van het kaliber 9 mm aangetroffen. In een boekje waarin [verdachte] de boekhouding bijhield, werden aantekeningen gevonden betrekking hebbende op munitie.

17. Een proces-verbaal, nr. PL014A/02-690940, d.d. 2 december 2003, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier van Regiopolitie Groningen, District Groningen / Haren (paragraaf E 143) - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als relatering van de verbalisanten:

Bij [verdachte] werd een notitieboek in beslag genomen.

in combinatie met een schriftelijk stuk, bijgevoegd als bijlage bij de hierboven bedoelde paragraaf E 143, met als inhoud:

10 x 7.65

5 x 9 mm

7.65 x 500 rounds

9 mm x 300 rounds

18. Een proces-verbaal, nr. PLO14A/02-690940, d.d. 13 december 2002, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen / Haren, en [verbalisant 6], brigadier van Regiopolitie Groningen, District Midden / Oost (paragraaf G 6) - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als relatering van de verbalisanten:

Op dinsdag 10 december 2002 heeft [betrokkene 6], vakgroepmedewerker van de vakgroep Algemene Recherche, verbonden aan het ICR te Zutphen, op ons verzoek gehoord [getuige 4]. Dit verhoor vond plaats volgens de methodiek Verhoor Geleide Herinnering. Het verhoor van de getuige is op cassettebanden opgenomen, waarvan een cassetteband door verbalisant [verbalisant 5] is beluisterd. Hieronder volgt een samenvatting:

Op 28 november 2002, omstreeks 19.10 uur, stond [getuige 4] op de Venuslaan te Groningen. Ze hoort dan knallen. Uit de Uranusstraat ziet ze vervolgens een kleine, zwarte bestelauto komen rijden met gedoofde lichten. Op het moment dat de auto haar voorbij is gereden, ontsteekt de auto de lichten.

19. Een proces-verbaal, nr. PLO14A/02-690940, d.d. 30 november 2002, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 7], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen / Haren (paragraaf G 10) - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als verklaring van getuige [getuige 5]:

Op 28 november 2002 liep ik ter hoogte van de Uranusstraat 1 (het hof begrijpt: te Groningen). Na enkele minuten lopen richting Zonnelaan, hoorde ik achter mij een auto.

De auto maakte behoorlijk veel lawaai vanwege de hoge snelheid. De auto was donker van kleur, type bestelauto. Mijn eerste ingeving was dat de auto zwart van kleur was."

3.5. Het hof heeft een ter zake gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er ter zake van het onder 1 ten laste gelegde levensdelict, indien het al zou kunnen worden bewezen, niet gehandeld is met voorbedachte raad.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Vanaf het moment dat verdachte besloot, in opdracht van de criminele organisatie waarvoor hij werkzaamheden verrichtte en waarvan hij deel uitmaakte, vanuit Amsterdam met een vuurwapen naar de woning van [slachtoffer 1] in Groningen te gaan, heeft hij voldoende tijd gehad zich te beraden op het te nemen respectievelijk genomen besluit [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven. Op grond hiervan staat naar het oordeel van het hof vast dat de gelegenheid heeft bestaan dat verdachte over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Het hof verwerpt het verweer. "

3.6. Voor bewezenverklaring van de voorbedachte raad zoals nodig is voor moord is vereist dat de verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit om een ander te doden, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.(1) Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten. Verdachte heeft verklaard dat hij slechts deed wat hem werd opgedragen. Hij heeft op 24 november 2002 het slachtoffer onder druk gezet met de bedoeling dat de organisatie op het spoor zou kunnen komen van de zus van het slachtoffer die ervan werd verdacht een partij drugs te hebben achterovergedrukt. Verdachte heeft het slachtoffer bij die gelegenheid toegevoegd dat er iemand terug zou kunnen komen. Verdachte heeft tevens verklaard dat de organisatie diefstal van partijen drugs niet onbestraft kon laten en dat bepaalde mensen van de organisatie de autoriteit hebben om een ander veel pijn toe te brengen. Dat is niet ongebruikelijk in de criminele wereld waarin hij verkeert. Ook [getuige 1] heeft verklaard over de uiterst gewelddadige wijze waarop de organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte, pleegt te reageren op diefstal van drugs.

Het hof heeft kennelijk aangenomen dat het doden van [slachtoffer 1] past in de werkwijze van de organisatie wanneer een partij drugs is verdwenen en dat verdachte de opdracht heeft uitgevoerd die hem door de organisatie is verstrekt. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof mijns inziens kunnen afleiden dat verdachte de opdracht heeft aangenomen om het slachtoffer om het leven te brengen en de tijd heeft gehad zich op dat voornemen te beraden. De door de verdediging aangedragen mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer een niet voorzien gevolg is geweest van een uit de hand gelopen bedreiging vindt geen steun in de verklaringen van verdachte of van [getuige 1], terwijl het scenario dat aan het hof voor ogen heeft gestaan en dat is uitgemond in de bewezenverklaring van moord juist wel aansluit bij de inhoud van de voor het bewijs gebezigde verklaringen. De nadere bewijsoverwegingen geven in samenhang met de voornoemde bewijsmiddelen mijns inziens geen blijk van een ontoereikende motivering van de voorbedachte raad.(2)

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte de door de verdachte betwiste verklaringen van de getuige [getuige 1] heeft gebruikt voor het bewijs ondanks dat de getuige ter terechtzitting het ondervragingsrecht feitelijk onmogelijk maakte door te weigeren op vragen te antwoorden.

4.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 19 april 2006 houdt - voor zover hier relevant - het volgende in:

"De voorzitter houdt op grond van de verklaringen van [getuige 1] afgelegd bij de politie, rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg op 23 juni 2005 het volgende voor:

In de kern heeft [getuige 1] gezegd dat hij op 24 november 2002 en op 28 november 2002 met verdachte in Groningen is geweest. Hij heeft verklaard dat verdachte op 28 november 2002 het voertuig heeft verlaten ter hoogte van het huis van het slachtoffer, dat verdachte terugkwam in het bezit van een pistool en dat verdachte heeft gezegd: 'Go, go, go'. [Getuige 1] kreeg de opdracht om snel met de auto weg te rijden.

Vervolgens worden twee momenten van het op video opgenomen verhoor van [getuige 1] getoond. Het eerste moment dat wordt vertoond betreft een gedeelte uit het verhoor dat op 11 december 2003 omstreeks 10:53 uur werd afgenomen (F32).

De voorzitter deelt hierop - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

Op dit fragment is te horen dat [getuige 1] op de vraag van de verbalisanten waarom hij nu pas over het pistool komt te spreken heeft geantwoord dat hij bang is voor anderen. Verder verklaart hij dat hij, toen hij en verdachte weer op de weg reden, aan verdachte heeft gevraagd: 'Wat is er verdomme aan de hand, wat gebeurt er?' Hij hoorde dat verdachte zei: 'Er is mij opgedragen dat ik iemand moest doden, wat ik heb gedaan en dat is alles wat je moet weten'. [Getuige 1] verklaart dat hij in paniek raakte, maar dat hij zich op de weg heeft geconcentreerd om zodoende niet in de greppel te belanden.

De voorzitter merkt - zakelijk weergegeven - op:

[Getuige 1] heeft niet rechtstreeks verklaard dat hij gezien heeft dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten, maar hij hoort wel knallen rond hetzelfde tijdstip dat [slachtoffer 1] is vermoord. Verdachte komt dan de auto in met een pistool en zou volgens [getuige 1] gezegd hebben: 'I've been told to kill somebody, which I have, and that is all you need to know'.

In een andere verklaring vertelt [getuige 1] over een ontmoeting in Amsterdam. Volgens de politie verklaart [getuige 1] dit in een verhoor bij een restaurant. Op de band is te horen dat het verhoor in een restaurant heeft plaatsgevonden. [Getuige 1] heeft in dat verhoor verklaard over een ontmoeting in Amsterdam, waar hij op een afstand van 2 1/2 meter stond van verdachte en [betrokkene 4]. Verdachte zou met de zwarte man, genaamd [betrokkene 4], gesproken hebben en gezegd hebben: 'It was easy, I knocked on the door and I shot the guy'. [Getuige 1] verklaart te hebben gezien dat verdachte met zijn rechterhand een gebaar maakte alsof hij een pistool vasthield en daarmee enkele schoten afvuurde.

[Betrokkene 4] is geconfronteerd met deze informatie. Hij heeft het niet rechtstreeks bevestigd. Er is een gesprek met hem vastgelegd in een niet-officiële verhoorsituatie. Er zou ook een informeel gesprek zijn gevoerd met de verdachte, waarin verdachte zou hebben gezegd dat hij niet kon bekennen, omdat dat gevolgen zou hebben.

Hierna wordt het tweede moment op de videoband vertoond. Dit moment heeft betrekking op voornoemd gesprek van verdachte met [betrokkene 4], waarbij [getuige 1] aanwezig zou zijn geweest. Het gaat om een gedeelte uit het verhoor dat op 28 januari 2004 omstreeks 11:06 uur werd afgenomen (F45).

(..)

Na een korte onderbreking doet de voorzitter de getuige [getuige 1] voor het hof verschijnen.

De voorzitter houdt - zakelijk weergegeven - het volgende voor:

De getuige [getuige 1] is veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] en heeft daarvoor 8 jaren gevangenisstraf opgelegd gekregen. [Getuige 1] is hiervan niet in hoger beroep gegaan. [Getuige 1] kan niet meer als verdachte worden beschouwd en heeft derhalve niet het recht om te zwijgen en te weigeren te antwoorden op de vragen die hem gesteld worden. Als getuige dient de waarheid en niets dan de waarheid te worden gezegd.

De getuige [getuige 1] verklaart hierop - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik ga vandaag niets zeggen. Ik blijf bij mijn eerste verklaring, dat is alles wat ik zeg.

De voorzitter houdt voornoemde getuige kort voor wat hij in eerdere verklaringen bij de politie, bij de rechter-commissaris en bij de rechter in eerste aanleg heeft verklaard.

De videoband met het verhoor van de getuige [getuige 1] dat op 11 december 2003 omstreeks 10:53 uur werd afgenomen wordt wederom getoond (F32).

De getuige [getuige 1] verklaart hierop - herhaaldelijk - het volgende:

Ik blijf bij mijn eerste verklaring, dat is alles wat ik bereid ben om te zeggen.

Op de vraag van de oudste raadsheer of de getuige blijft bij zijn eerste verklaring of bij zijn eerste verklaringen verklaart de getuige dat hij bij zijn eerste verklaringen blijft.

Op de vraag van de advocaat-generaal of de getuige in vrijheid kan verklaren of dat hij bedreigd wordt, verklaart de getuige dat hij bij zijn oorspronkelijke verklaringen blijft.

Op de vraag van de raadsman, mr. T. van der Goot, of de getuige bij al zijn afgelegde verklaringen de waarheid heeft verteld, antwoordt de getuige dat hij bij zijn oorspronkelijke verklaringen blijft.

De verdachte verklaart hierop - zakelijk weergegeven - het volgende:

Hij kan waarschijnlijk niets zeggen, omdat hij zich niet herinnert wat hij heeft gezegd in zijn eerste verklaringen. Hij heeft niet de waarheid verteld. Je moet een goed geheugen hebben om leugens te kunnen vertellen.

De getuige [getuige 1] verklaart hierop dat hij bij zijn eerste verklaringen blijft.

De raadsman, mr. T. van der Goot, verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende:

Wat is de juridische status van de getuige? De verdediging acht de visie van de president dat hij formeel geen verschoningsrecht heeft op grond van de wet juist.

Er is een pressiemiddel, te weten gijzeling. Wij denken echter dat dat niet volledig zal werken bij iemand die al gedetineerd is. In het achterhoofd houdende dat het een kansloze missie zal zijn, zijn wij genoodzaakt om in te stemmen met afstand. Het zegt wel iets over de waarde van deze getuige, waarop in het pleidooi zal worden teruggekomen.

(..)

De raadsman, mr. T. van der Goot, voegt aan het op schrift gestelde pleidooi - zakelijk weergegeven - nog het volgende toe:

De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir gezegd dat [getuige 1] wisselend verklaart, omdat hij naarmate de tijd vordert een afweging maakt van wat hij wel en niet kan zeggen. Is het gevaarlijk of is het niet gevaarlijk? Die afweging speelt hier helemaal niet. [getuige 1] is geconfronteerd met het feit dat hij zijn verklaringen steeds met nieuwe informatie aanvult. Volgens de advocaat-generaal zou [getuige 1] bang zijn geweest om het eerder te vertellen. Waarom vertelt hij het nu dan wel? Op het moment dat hij wel een verklaring aflegt, heeft hij kennelijk geen angst voor represailles. Hij heeft geen angst voor represailles om te zeggen dat verdachte het gedaan heeft. Is dat niet gek? Verdachte belasten, levert geen problemen op. Als dat zo is, dan is het eerder ontlastend voor verdachte. [Getuige 1] zou wel angst moeten hebben op het moment dat verdachte in opdracht van de organisatie iemand om het leven zou hebben gebracht en [getuige 1] wijst hem aan als degene die het heeft gedaan.

Hoewel de wet de mogelijkheid niet biedt, heeft [getuige 1] zich gisteren beroepen op zijn zwijgrecht. Eigenlijk zegt dat alles over de man, want waarom doet hij dat? Het zou theoretisch gezien kunnen dat [getuige 1] zich bedreigd voelt, zoals de advocaat-generaal naar voren brengt. Maar die bedreigende situatie, de prijs op zijn hoofd, was er ook al bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank. Toen was het allemaal nog vers. We zijn intussen een aantal jaren verder. Er is geen enkele aanwijzing voor bedreiging, intimidatie of wat dan ook. Er zijn objectief gezien geen redenen om aan te nemen dat dat de reden is voor zijn zwijgen. Wat is dan de reden? Het was gisteren de allereerste keer dat hij als niet verdachte een verklaring aflegde. Hij is onherroepelijk veroordeeld. Hij is afgestraft en kan zich niet meer beroepen op een verschoningsrecht. Tot dusver had hij een dubbele status. Hij was getuige in de zaak van verdachte, maar hij was verdachte in zijn eigen zaak. Hij had belang om te zeggen dat het verdachte was geweest en niet hij en dat is ook door de rechtbank gehonoreerd.

Het zou heel goed mogelijk kunnen zijn dat [getuige 1] de moord heeft gepleegd. Gisteren stond [getuige 1] onder ede en was het de eerste keer dat hij zich niet kon verschuilen achter een verschoningsrecht.

Als de verdachte het zou zijn geweest en je hebt dat al talloze malen verteld bij de politie, de rechter-commissaris en de rechtbank, wat voor goede reden zou er te bedenken zijn, als [getuige 1] de waarheid zou spreken, om de eerste keer dat je niet meer de status van verdachte hebt en verplicht bent om te antwoorden onder ede, alleen maar te zeggen dat je bij je eerste verklaringen blijft. Dat is een zwaktebod, dat zet de positie van [getuige 1] neer zoals hij is. Als verdachte degene is geweest die het op zijn geweten heeft, dan had [getuige 1] dat hier ronduit kunnen en moeten zeggen. De verklaring dat hij bij zijn eerste verklaringen blijft, betekent niet dat hij bij de verklaringen blijft waarin hij verdachte benadeelt. Hij heeft zoveel verschillende verklaringen afgelegd. Zijn verklaring van gisteren zegt eigenlijk niets, maar eigenlijk zegt het alles over de betrouwbaarheid van [getuige 1]. Is dit dan de man, wiens verklaring dragend zou moeten zijn voor de beslissing die verdachte voor de rest van zijn leven achter slot en grendel kan zetten? Is dit dan de man die zo belangrijk is in de bewijsvoering? Op ons maakte hij een ongeïnteresseerde en bijna verveelde indruk. Zo van: 'Schiet nou maar op, want ik zeg toch niets'. Hij maakte op ons geen angstige indruk. Het hof zou niet te snel de conclusie moeten trekken dat hij bedreigd wordt en dat hij niets durft te zeggen uit angst voor represailles. De conclusie van de verdediging is dat de verklaringen van [getuige 1] niet mogen worden gebruikt voor het bewijs.

(..)

Na schorsing voor beraad deelt de voorzitter - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

Er is door de verdediging gevraagd om de rapportage die is opgemaakt over [getuige 1] in zijn eigen zaak toe te voegen aan het dossier. De rapportage is opgemaakt met een ander doel en in een professionele vertrouwensrelatie. Er zijn beroepsethische grenzen die het hof niet wil overschrijden. Zowel [getuige 1] als de rapporteurs zouden met het verzoek moeten instemmen. Het hof verzoekt de advocaat-generaal om na te gaan of zij bezwaren hebben tegen het toevoegen van de rapportage in het dossier van verdachte. Als die bezwaren niet bestaan, dan verzoekt het hof om het rapport aan het dossier toe te voegen.

Het gaat om een ernstig feit en de behandeling van de zaak vergt een uiterste zorgvuldigheid. Het openbaar ministerie heeft een uitzonderlijk hoge eis geformuleerd. Er staan grote belangen op het spel. Het openbaar ministerie heeft grote betekenis gehecht aan de verklaringen van [getuige 1]. De verhoren van [getuige 1] bij de politie zijn integraal op band beschikbaar. Die banden dienen naar het oordeel van het hof te worden onderzocht door een deskundige, waarbij gekeken moet worden naar de betrouwbaarheid en de consistentie van de verklaringen, de opbouw van de verklaringen, de opbouw van de vraagstelling van de kant van de politie en de professionaliteit daarvan. De uitkomsten van het onderzoek dienen te worden vastgelegd in een rapport.

Voor de aanwijzing van een deskundige en voor de begeleiding van het verdere traject zal een van de leden van het hof als raadsheer-commissaris worden aangewezen.

Het hof wijst mr. M. Koers-van der Linden aan als raadsheer-commissaris.

4.3. Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2006 zijn twee getuige-deskundigen prof. dr. P.J. van Koppen en dr. R. Horselenberg gehoord over de betrouwbaarheid van getuige [getuige 1] naar aanleiding van een daaromtrent door hen opgemaakt rapport. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt als slotsom van het ter zitting verrichte onderzoek naar de genoemde betrouwbaarheid het volgende in:

"De voorzitter heeft nadat de getuige-deskundigen hun verklaring hebben afgelegd aan de raadsheren en de advocaat-generaal de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen aan de getuige-deskundigen en aan de verdachte en de raadslieden de gelegenheid om die getuige-deskundigen te ondervragen en naar aanleiding daarvan tegen de verklaring van die getuige-deskundigen in te brengen wat verdachtes verdediging kan dienen.

Er wordt met toestemming van de advocaat-generaal, de verdachte en diens raadslieden afstand gedaan van de getuige-deskundigen.

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - nog het volgende:

[Getuige 1] liegt. Ik snap niet waarom we hier bij elkaar zijn.

De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

De getuige-deskundigen hebben onderscheid gemaakt tussen de validiteit, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van (de door [getuige 1] afgelegde) verklaringen. Het door de deskundigen verrichte onderzoek naar de validiteit en betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] heeft, zo hebben de deskundigen uiteengezet, geen betrekking op de geloofwaardigheid van de getuige [getuige 1]. Daarover zal het hof beslissen en daarbij zal het hof betrekken dat de verdachte de verklaringen van [getuige 1] betwist."

4.4. Het hof heeft ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van [getuige 1] het volgende overwogen:

"Bruikbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1]

De raadsman van verdachte, mr. T. van der Goot, heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het bewijs van de aan verdachte ten laste gelegde moord niet mede mag worden gebaseerd op de verklaringen van de getuige [getuige 1]. Verdachte ontkent dit feit en betwist dus de juistheid van de getuigenis van [getuige 1], hierop neerkomende dat hij, verdachte, deze moord wel degelijk heeft gepleegd.

Het hof heeft de verklaring van [getuige 1], mede in het licht van deze betwisting, met behoedzaamheid gehanteerd. In dit verband is het onderzoek ter terechtzitting op 19 april 2006 geschorst om de - op videobanden en in processen-verbaal vastgelegde - verhoren van deze getuige te doen onderzoeken door een of meer deskundigen. Voor de aanwijzing van die deskundige(n) en voor de begeleiding van het verdere traject is mr. M. Koers-van der Linden als raadsheer-commissaris aangewezen. De raadsheer-commissaris heeft hierop - in overleg met de advocaat-generaal en de raadslieden - de volgende onderzoeksopdracht geformuleerd:

"Geeft de deskundige opdracht een onderzoek in te stellen naar en te rapporteren over de betrouwbaarheid en consistentie van de verklaringen van [getuige 1], die als getuige is gehoord in opgemelde zaak. Het gaat daarbij om de politieverhoren van de getuige, zoals deze zijn opgenomen op videobanden.

Verzoekt de deskundige met name aandacht te besteden aan de verhoorsituatie, de wijze van vraagstelling, de duur van de verhoren en voorts te onderzoeken al datgene, wat de deskundige van belang acht voor de beoordeling van de kwaliteit van de verhoren en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen".

De raadsheer-commissaris heeft prof. dr. P.J. van Koppen en dr. R. Horselenberg op 16 juni 2006 als deskundigen benoemd. Zij zijn op 19 juni 2006 respectievelijk 21 juni 2006 als (getuige-) deskundige beëdigd.

Het hof heeft zich - onder meer door kennis te nemen van hun curricula vitae met de daarbij gevoegde lijst van publicaties op de relevante vakgebieden - ervan vergewist dat zij over voldoende kwalificaties beschikken om het gevraagde onderzoek naar, kort gezegd, de betrouwbaarheid en validiteit van de verklaringen van [getuige 1] te kunnen verrichten.

Die kwalificaties zijn overigens niet bestreden, noch door de verdediging, noch door de advocaat-generaal.

Op 29 november 2006 hebben de deskundigen hun bevindingen in een rapport vastgelegd. Zij constateren dat de verhoren van de getuige [getuige 1] over het algemeen correct zijn verlopen. Er zijn geen of onvoldoende klemmende aanwijzingen gevonden dat [getuige 1] onder druk is gezet of te hard of anderszins onrechtmatig is verhoord. De deskundigen hebben erop gewezen dat [getuige 1] niet altijd in gelijke zin heeft verklaard. Ter terechtzitting hebben zij echter ter toelichting op hun rapportage naar voren gebracht, dat niet kan worden aangetoond dat de voor verdachte belastende verklaringen op leugens berusten of dat deze zijn verkregen door sturing van de zijde van de politie, hierin bestaande dat hem gegevens zijn voorgehouden die bij de politie al bekend waren. Zij hebben, al het materiaal dat op de verhoren van [getuige 1] betrekking heeft overziende, hieraan toegevoegd dat 'het alternatieve scenario' dat de getuige op het hoofdpunt van verdachtes betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer 1] een verklaring heeft afgelegd die niet op eigen oorspronkelijke wetenschap steunde, niet zo sterk aanwezig moet worden geacht, dat aan die verklaring geen geloof zou kunnen en mogen worden gehecht. De geloofwaardigheid van de getuige is uiteindelijk een zaak van het hof, aldus de deskundigen, enerzijds omdat bij die beoordeling niet alleen gelet moet worden op de betrouwbaarheid en de validiteit van de verklaringen zelf, maar ook op al het overige materiaal dat zich in het dossier bevindt, waarover de deskundigen zich geen oordeel hebben gevormd, en anderzijds omdat dit nu eenmaal de opdracht van de rechter is te beslissen of hij aan de verklaring van een getuige geloof kan en wil hechten. Het hof maakt deze bevindingen en oordelen van de deskundigen tot de zijne en stelt vast dat het door hen verrichte onderzoek onvoldoende aanknopingspunten biedt om de verklaringen van [getuige 1], voor zover deze voor verdachte belastend zijn, niet valide of niet betrouwbaar te achten. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen of moeten leiden.

De conclusie moet zijn dat, voor zover [getuige 1] verdachte aanvankelijk niet of niet rechtstreeks heeft belast, dit aan de betrouwbaarheid en validiteit van de belastende verklaringen niet afdoet. Voor de bruikbaarheid van die verklaringen en in het bijzonder voor de geloofwaardigheid ervan is nog het volgende van belang. Het hof heeft [getuige 1] ter terechtzitting gehoord. Bij die gelegenheid gaf hij er blijk van dat hij wilde volstaan bij zijn eerder afgelegde verklaringen, zonder daarbij precies aan te geven welke verklaringen hij bedoelde.

Hij heeft echter ook geen afstand genomen van de verklaringen die belastend voor verdachte zijn. De verklaring van [getuige 1] over zijn eigen rol en de rol van verdachte bij de moord op [slachtoffer 1] wordt voorts op essentiële onderdelen bevestigd door andere bewijsmiddelen. Zo wordt de aanwezigheid van de door hem bestuurde auto in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 1] op het moment van de moord ondersteund door verklaringen van getuigen. Verdachte zelf bevestigt de verklaringen van [getuige 1] over het gebeuren op 24 november 2002, toen [slachtoffer 1] door onder anderen verdachte werd geïntimideerd en over het kopen van krant, omdat, zo begrijpt het hof, tegenover de organisatie waarvan verdachte lid was, bewijs van deze misdaad moest worden geleverd. Het hof acht de desbetreffende verklaringen van [getuige 1] per saldo bruikbaar voor het bewijs, omdat er, al het voorgaande in aanmerking genomen, onvoldoende redenen zijn om aan hun betrouwbaarheid, validiteit en geloofwaardigheid te twijfelen. De Pro Justitia rapportage over de geestvermogens van [getuige 1], die met diens toestemming en die van de desbetreffende psychiater op verzoek van de verdediging aan het dossier is toegevoegd, bevat geen gegevens die, op zichzelf beschouwd of in samenhang met het overige materiaal, redelijkerwijs tot een andere slotsom zouden moeten leiden. Het hof gaat dus voorbij aan de betwisting van de verklaringen van [getuige 1] van de zijde van de verdediging."

4.5. In de toelichting op het middel wordt erover geklaagd dat het hof heeft overwogen dat de getuige ter terechtzitting in hoger beroep "ook geen afstand (heeft) genomen van de verklaringen die belastend voor verdachte zijn." Volgens de steller van het middel heeft de getuige dat juist wel gedaan door uitdrukkelijk bij zijn 'eerste' verklaring(en) te blijven, terwijl pas de latere verklaringen die hij heeft afgelegd belastend voor verdachte waren. Uit de overwegingen van het hof wordt duidelijk dat het hof in wezen een onderscheid heeft gemaakt tussen de verklaringen van [getuige 1] die verdachte wel belasten en de verklaringen die dat niet doen. Het hof heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd door deskundigen laten onderzoeken, uit welk onderzoek het hof geen aanwijzingen heeft gekregen dat deze verklaringen onbetrouwbaar zouden zijn. De overweging van het hof die betrekking heeft op zijn oordeel dat [getuige 1] geen afstand heeft genomen van de verklaringen die belastend voor verdachte zijn dient naar mijn mening aldus worden verstaan dat [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep niet met zoveel woorden is teruggekomen op de eerder afgelegde belastende verklaringen. Op basis van de reeks antwoorden die de getuige heeft gegeven, zoals hierboven geciteerd, acht ik het oordeel van het hof dat de getuige ter terechtzitting in hoger beroep niet eenduidig afstand heeft genomen van verklaringen die voor verdachte belastend zijn, niet onbegrijpelijk. Maar ook al zou [getuige 1] geacht moeten worden in zijn verwijzing naar de eerste verklaringen die hij heeft afgelegd er blijk van te hebben willen geven dat hij afstand neemt van de latere, belastende verklaringen, dan heeft het hof zijn keuze om uit de beschikbare verklaringen die te selecteren die voor het bewijs zijn gebruikt toereikend gemotiveerd. Blijft over dat het middel erover klaagt dat de verklaringen van getuige [getuige 1] voor het bewijs zijn gebruikt, terwijl zij zijn betwist en in hoger beroep niet daadwerkelijk gelegenheid heeft bestaan de getuige te ondervragen.

4.6. Uitgangspunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is dat de verdediging op enig moment in de strafprocedure de gelegenheid moet krijgen om getuigen á charge te ondervragen. Vaste rechtspraak van het EHRM is dat een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate mag worden gebaseerd op verklaringen van getuigen die de verdediging ondanks het verzoek daartoe niet heeft kunnen ondervragen. De vervolgende autoriteiten moeten zich in een dergelijk geval dus inspannen om die gelegenheid te bieden.(3) Het EHRM overwoog in de zaak Monika Haas tegen Duitsland(4) dat indien blijkt van die inspanningen, maar zij vergeefs zijn, als uitgangspunt geldt dat de betreffende verklaring met uiterste behoedzaamheid tot het bewijs kan worden gebezigd en dat de veroordeling niet uitsluitend daarop mag zijn gebaseerd.

4.7. In HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332 heeft de Hoge Raad ten aanzien van ambtsedige processen-verbaal inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde belastende verklaring in lijn met eerdere rechtspraak overwogen dat die zonder schending van het recht op een eerlijk proces voor het bewijs kunnen worden gebruikt indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht. In de betreffende zaak maakte het hof gebruik van een door die getuige bij de politie afgelegde verklaring en beriep de getuige zich in overwegende mate op zijn verschoningsrecht. De Hoge Raad overwoog als volgt. In aanmerking genomen dat de getuige was opgeroepen en was gehoord ter terechtzitting van het hof en dat de verdediging gelegenheid had gehad om over die getuige, diens eerder afgelegde verklaringen en over hetgeen hij ter terechtzitting heeft verklaard naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde, kon het hof voor het bewijs gebruik maken van de verklaring van die getuige, zoals tegenover de politie afgelegd. Dat het hof verder had overwogen dat die verklaring voldoende steun vond in andere bewijsmiddelen, moest volgens de Hoge Raad worden gezien als een overweging ten overvloede, waarmee het hof kennelijk tevens heeft willen uitdrukken dat en waarom het de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de getuige voldoende betrouwbaar achtte.

4.8. Gelet op het voorgaande stuit onderhavige klacht - voor zover zij het gebruik betreft van de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring (bewijsmiddel 7) - reeds af op de omstandigheid dat voor het bewijs niet gebruik is gemaakt van een verklaring zoals neergelegd in een ambtsedig proces-verbaal van de politie maar zoals afgelegd ter terechtzitting, waar ook de verdediging de gelegenheid heeft gehad en genomen om de getuige te ondervragen. Voor zover het betreft het gebruik voor het bewijs van de in een ambtsedig proces-verbaal van de politie opgenomen verklaring van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 8), geldt dat de verdediging de getuige voldoende heeft kunnen ondervragen bij gelegenheid van de verhoren bij de RC en in eerste aanleg. Was van dat laatste geen sprake geweest, dan had de zwijgzaamheid van de getuige nog niet zonder meer aan het gebruik voor het bewijs van zijn bij de politie afgelegde verklaring in de weg gestaan, gelet op het feit dat de getuige is opgeroepen en is gehoord ter terechtzitting van het hof en de verdediging gelegenheid heeft gehad om over de getuige, diens eerder afgelegde verklaringen en over hetgeen hij ter terechtzitting heeft verklaard naar voren te brengen wat zij noodzakelijk oordeelde. Dat meerdere zie ik hier ook niet, mede in aanmerking genomen dat het hof de verklaringen van getuige [getuige 1] met uitzonderlijke behoedzaamheid voor het bewijs heeft gebruikt, in welk verband de verdediging ook aan de ter zitting gehoorde getuige-deskundigen vragen heeft kunnen stellen.

4.9. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. In andere gevallen dan waarin een getuige zich ter terechtzitting beroept op zijn verschoningsrecht is het uitgangspunt van de Hoge Raad nog steeds dat bij het ontbreken van de gelegenheid de betreffende getuige te ondervragen, de verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegde bewijsmiddelen.(5) Dat steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de belastende verklaring die worden betwist.(6) Zelfs al zou zich hier het geval hebben voorgedaan dat de gelegenheid heeft ontbroken de getuige wiens verklaring in belangrijke mate voor het bewijs is gebruikt te ondervragen, dan nog vindt de bewezenverklaring mijns inziens in voldoende mate steun in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Vast staat dat de bij de politie afgelegde verklaring van [getuige 1] niet het enige bewijsmiddel is waarop de veroordeling berust. Enige strijd met het in artikel 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht kan ik hier ook daarom niet bespeuren.

4.10. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de oplegging van de levenslange gevangenisstraf nu in 1978 aan verdachte in Engeland reeds een levenslange gevangenisstraf is opgelegd die nog niet tot een einde is gekomen.

5.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 19 april 2006 houdt - voor zover hier relevant - het volgende in:

"De voorzitter houdt de verdachte voor dat uit de stukken naar voren komt dat hij tijdens een proefverlof uit Engeland is weggegaan. Verdachte heeft een levenslange gevangenisstraf opgelegd gekregen, maar kennelijk zou hij na een bepaalde periode in vrijheid kunnen komen.

De verdachte verklaart hierop - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik heb bijna het dubbele aantal jaren in de gevangenis gezeten, dan ik uitgaande van de in Engeland geldende praktijk zou hebben moeten zitten. Mijn ontkenning stond in de weg aan het effectueren van de vervroegde invrijheidstelling.

(..)

Na een korte onderbreking deelt de advocaat-generaal - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

(...)

Ik heb het vonnis in de zaak met de Engelse veroordeling nog niet in mijn bezit gekregen. Ik heb wel zojuist een verklaring van de 'Lincoln Crown Court' ontvangen via de fax, waarin staat vermeld dat verdachte op 4 juli 1978 is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, welk stuk ik aan het hof en aan de verdediging overleg.

Het gebruik van het stuk in dit proces is toegestaan. Ik denk niet dat het volledige Engelse vonnis vandaag of morgen nog in mijn bezit zal komen. Er is een rechtshulpverzoek gedaan, maar daar is tot dusver nog geen antwoord op gekomen.

De voorzitter deelt hierop - zakelijk weergegeven - het volgende mede:

De verdachte heeft verklaard dat hij in Engeland ten onrechte is veroordeeld.

De vraag is of het door de advocaat-generaal overgelegde stuk, welk stuk aan het dossier wordt toegevoegd, en de verklaring van de Engelse rechter voldoende informatie verschaffen over de Engelse zaak waarin verdachte een levenslange gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen.

De verdachte antwoordt op de vragen van zijn raadsman, mr. W. Anker, - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik heb bij de levenslange gevangenisstraf in Engeland een 'tariff' gekregen. Ze hebben de aanbeveling gedaan dat ik 12 jaren zou moeten zitten.

De raadsman, mr. W. Anker, deelt - zakelijk weergegeven - nog mede:

Ik zie dit niet terug in hetgeen mij zojuist is overgelegd. Verdachte heeft twee maal de duur van de 'tariff' gezeten, om reden dat hij het feit altijd heeft ontkend. Na 12 jaren had de gevangenisstraf beëindigd kunnen worden, maar hij kwam daarvoor niet in aanmerking. Ons is het ook niet gelukt om meer informatie op tafel te krijgen.

We zullen het hier mee moeten doen.

De raadsman, mr. T. van der Goot, deelt - zakelijk weergegeven - nog mede:

De advocaat die verdachte destijds heeft bijgestaan is kennelijk niet meer als advocaat werkzaam. Ik ben uiteindelijk terechtgekomen bij een gedetineerdenorganisatie (PES). Die organisatie heeft mij enige weken geleden toegezegd actie te zullen ondernemen om het nodige op te sporen en eventueel toe te sturen, maar nadien is niet gebleken dat dat enig resultaat heeft opgeleverd."

5.3. Bij de stukken bevindt zich een fax met daarbij gevoegd een "certificate of conviction (trial)" van 19 april 2006 ondertekend door een "Officer of the Crown Court" van de Crown Court in Lincoln, Engeland. Dit document houdt in dat verdachte op 4 juli 1978 is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en dat hij geen verlof voor hoger beroep heeft gekregen. Blijkens het zich bij de stukken bevindende nadere requisitoir heeft de advocaat-generaal bij het hof ter terechtzitting in hoger beroep op 11 december 2006 ten aanzien van dit Engelse vonnis het volgende opgemerkt:

"Engelse vonnis.

In september van dit jaar is de laatste informatie binnen gekomen over het in 1978 in Engeland gewezen vonnis tegen [verdachte] inzake moord. Uit deze informatie blijkt dat het dossier betreffende deze Engelse strafzaak niet meer aanwezig is in de archieven.

De ter beschikking gestelde informatie betreft de aanklacht zoals die op 17 mei 1978 door bet openbaar ministerie is ingesteld tegen [verdachte], een aantekening mondeling vonnis d.d. 14 juli 1978, een afwijzende beschikking hoger beroep d.d. 25 maart 1980 en een uittreksel uit bet justitieel documentatie register d.d 19 april 2006.

De verkregen informatie wijst naar de mening van het openbaar ministerie uit dat [verdachte] in juli 1978 in Engeland ondermeer is veroordeeld terzake moord tot een levenslange gevangenisstraf.

Wat er ook zij van het Engelse executiesysteem bij dit soort veroordelingen, vast staat dat [verdachte] een dergelijke zware veroordeling op zijn naam heeft staan. Hij is voor zover mijn informatie uit Engeland reikt op 14 januari 2001 ontvlucht uit detentie.

Opgemerkt dient voorts te worden dat de Engelse justitiële documentatie van [verdachte] onder andere ook nog een tweetal diefstallen met geweld vermeldt. Als ik het goed heb begrepen één met een mes en één met een bijl.

Deze uit Engeland verkregen informatie is voldoende om te hanteren bij de bepaling van de strafmaat in de onderhavige zaak tegen [verdachte]."

5.4. Het hof heeft in de motivering van de levenslange gevangenisstraf de in Engeland reeds opgelegde gevangenisstraf als volgt in aanmerking genomen:

"(..) Verdachte heeft zich in Engeland onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde levenslange gevangenisstraf.

(..)

Verdachte heeft na de moord waarvoor hij in 1978 in Engeland tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld thans wederom een moord gepleegd. Een tijdelijke, zij het zeer lange, gevangenisstraf zou onvoldoende recht zou doen aan het gevaar dat verdachte zich wederom aan soortgelijke ernstige feiten zal schuldig maken.

(..)

Het hof neemt mede in aanmerking het reeds vermelde gegeven dat verdachte in 1978 in Engeland al is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf ter zake van een in 1977 gepleegde moord en dat, zoals uit de op verzoek van het hof uit Engeland ontvangen bescheiden blijkt, ten laste van hem ook nog andere ernstige misdrijven zijn bewezen verklaard, waarvoor hem nog afzonderlijke, ofschoon kennelijk gelijktijdig ten uitvoer te leggen, gevangenisstraffen zijn opgelegd (..)."

5.5. Het middel komt erop neer dat een levenslange gevangenisstraf niet kan worden tenuitvoergelegd indien aan de verdachte reeds een levenslange gevangenisstraf is opgelegd die nog niet is beëindigd. Een levenslange gevangenisstraf voor een tweede keer opleggen, zou dus niet kunnen. Dat die eerdere levenslange gevangenisstraf is opgelegd in het buitenland, in dit geval Engeland, zou daar volgens het middel niet aan af doen. Mijns inziens ligt het in ieder geval voor de hand dat een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd nadat een eerdere levenslange gevangenisstraf door middel van gratie is beëindigd. Indien die eerder opgelegde levenslange gevangenisstraf echter nog niet is beëindigd ontbeert een daarop volgende oplegging van een levenslange gevangenisstraf inderdaad elk nut, omdat een titel voor een levenslange vrijheidsbeneming reeds bestaat. Belangrijk te vermelden is dat dat nut niet alleen ontbreekt bij het opnieuw opleggen van een levenslange gevangenisstraf, maar bij het opleggen van enige vorm van vrijheidsbeneming. Om die reden brengt een redelijke toepassing van de wet mee dat in het geval nog een levenslange gevangenisstraf openstaat, niet nogmaals een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, dus ook geen levenslange.(7)

5.6. Het middel houdt in dat dit ook geldt indien die eerder opgelegde gevangenisstraf in het buitenland is opgelegd. Ook dan zou de Nederlandse rechter zich moeten onthouden van de oplegging van enige vrijheidsbenemende straf. Ook dan zou dus gelden dat zowel een levenslange gevangenisstraf als een tijdelijke gevangenisstraf elk nut ontbeert, omdat immers in Engeland reeds een titel bestaat voor een levenslange vrijheidsbeneming. Die stelling vindt geen steun in het recht. Op basis van art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Daaruit vloeit een eigen bevoegdheid van de Nederlandse Staat voort om verdachten van een strafbaar feit te vervolgen en te bestraffen naar nationaal recht en daarbij ook de tenuitvoerlegging in Nederland te doen plaatsvinden. Het internationale recht noch het nationale recht stelt de eis dat de nationale rechter bij het bepalen van een strafplafond rekening houdt met strafrechtelijke veroordelingen door buitenlandse rechters.(8) In 1990 besliste de Hoge Raad dat een strafoplegging ingevolge art. 31 WOTS niet een veroordeling oplevert als bedoeld in art. 63 Sr.(9) A fortiori geldt dan naar mijn mening dat een buitenlands strafvonnis niet voor toepassing van art. 63 Sr in aanmerking komt en dat dus ook art. 59 Sr in zo een geval buiten toepassing blijft. Indien in casu een gevangenisstraf onmogelijk zou zijn, zou dat overigens tot gevolg hebben dat er in Nederland geen enkele rechtmatige titel bestaat voor vrijheidsbeneming anders dan overleveringsdetentie. De onwenselijkheid hiervan blijkt reeds uit de mogelijkheid, zoals in onderhavige zaak het geval is, dat niets blijkt van een verzoek om overlevering.

5.7. Het middel faalt.

6. De voorgestelde middelen falen en kunnen, met uitzondering van het derde middel, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 4 april 2006, LJN AU9428. In HR 5 februari 2008, LJN BB4959 bezigt de HR een andere omschrijving, te weten dat het handelen van verdachte het gevolg moet zijn geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. In deze omschrijving keert niet terug de categorie waarin verdachte tevoren heeft nagedacht over een eventueel besluit, dat besluit heeft genomen en meteen ook heeft uitgevoerd. Ik neem niet aan dat de HR in het arrest van 5 februari 2008 een nieuwe en meer beperkte koers inzake de voorbedachte raad heeft willen inslaan. De voorbedachte raad kan ook worden aangenomen in combinatie met voorwaardelijk opzet (vgl. HR 17 september 2002, LJN AE6118 en HR 8 april 1997, NJ 1997, 443; vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 241).

2 Vgl. HR 4 april 2006, LJN AU9428.

3 Vgl. EHRM 26 oktober 2005, appl. Nr. 39481/98 en 40227/98 (Mild en Virtanen/Finland), r.o. 41-48; EHRM 10 november 2005, appl. Nr. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland). Zie tevens: EHRM 8 september 2006, appl. Nr. 60018/00 (Bonev/Bulgarije).

4 EHRM 17 november 2005, NJ 2007, 150, m.nt. Sch.

5 HR 14 april 1998, NJ 1999, 73; HR 29 september 1998, NJ 1999, 74; HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827; HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459; HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672; HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344 en HR 5 december 2006, LJN AZ0690; HR 10 april 2007, LJN AZ5714.

6 Zie ook HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827; HR 30 maart 2004, LJN AO2601, NJ 2004, 344; HR 4 september 2007, NJ 2007, 473; zie ook: r.o. 14 van de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga bij HR 6 juni 2006, NJ 2006, 332 (r.o. 14).

7 Vgl. art. 59 Sr en art. 63 Sr in geval van samenloop.

8 Dit vindt ook in bepaalde mate bevestiging in art. 36 lid 1 van de Overleveringswet. Dat bepaalt dat de beslissing over de overlevering aan een verzoekende Staat ter executie van een gevangenisstraf wordt aangehouden indien en zolang in Nederland een vervolging gaande is of een Nederland strafvonnis nog voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Zie voorts art. 24 lid 1 Kaderbesluit betreffende het Europees Aanhoudingsbevel van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ; PbEG L190/1) in samenhang met art. 1 lid 1 van dat Besluit; Zie hierover: Kamerstukken II 2002/03 29042, nr. 3, p. 27. Zie ook ten aanzien van de situatie die niet door de Overleveringswet wordt bestreken: art. 39 lid 2 Uitleveringswet en art. 19 van het Europees Uitleveringsverdrag.

9 HR 27 maart 1990, NJ 1990, 799. Zie ook NLR 1/63.