Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6007

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
07/11020
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3999
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6007
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Afwijzing getuigenverzoek. De maatstaf voor het eerst ttz.van 3-3-06 gedane verzoek tot het horen van de getuige, is ex art. 418.3 Sv of de noodzaak daarvan is gebleken (HR LJN AZ1702). Die maatstaf geldt eveneens wanneer na toewijzing van een dergelijk verzoek ttz. en verwijzing naar de RC, na vergeefse oproeping voor een verhoor bij de RC, op een volgende ttz. opnieuw wordt verzocht de betreffende getuige te horen. Het Hof heeft op 8 en 15-9-06 geoordeeld dat van oproeping van de getuige kan worden afgezien nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad waarin als ’s hofs oordeel ligt besloten dat de noodzaak tot het horen van deze getuige niet (meer) was gebleken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarbij heeft de HR in aanmerking genomen dat de raadsman van verdachte, die na de terugwijzing op de ttz. van 3-3-06 in de gelegenheid is geweest bij de RC een groot aantal getuigen te ondervragen, zich ook nadien t.a.v. deze getuige telkens slechts bij het verzoek van de verdediging van een medeverdachte heeft aangesloten, zonder daarbij aan te geven waarom deze getuige in de zaak van verdachte gehoord zou moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 210
JOL 2008, 246
RvdW 2008, 403
NJB 2008, 877

Conclusie

Nr. 07/11020

Mr Machielse

Zitting 12 februari 2008

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 5 december 2006 ter zake van 1 primair "medeplegen van moord", 2. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", 3. "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot dertien jaren gevangenisstraf.

2. Namens verdachte heeft Mr R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, cassatie ingesteld. Mr R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek om [getuige 1] als getuige op te roepen ten onrechte heeft afgewezen.

3.2. Ten laste van verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

"hij op 29 januari 2005 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een pistool geschoten in de hartstreek van [slachtoffer] en met een mes gestoken in de buik van [slachtoffer] tengevolge waarvan de voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2006 luidt voor zover hier relevant als volgt

"De voorzitter stelt mr. A.C. Bosch, de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1], in de gelegenheid zijn getuigenverzoeken, zoals reeds uiteengezet in zijn faxbericht d.d. 16 februari 2006, nader toe te lichten.

(..)

De raadsman van de verdachte geeft aan zich aan te willen sluiten bij de getuigenverzoeken van mr. A.C. Bosch, indien het hof deze (deels) zal toewijzen.

Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman van de verdachte mede dat hij het verzoek aan de advocaat-generaal, vermeld in zijn faxbericht d.d. 19 oktober 2005, tot oproeping van de personen die de rechtbank voor het bewijs heeft gebezigd als getuigen, niet handhaaft.

(..)

Het hof acht het - anders dan de advocaat-generaal - van belang om een preciezer inzicht te krijgen omtrent hetgeen zich op de twee in tijd te onderscheiden momenten, te weten wat zich binnen en wat zich buiten het café [A], heeft voorgedaan en wat ieders aandeel daarin was. Gelet op de wijziging tenlastelegging, welke in een vrij laat stadium ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2005 is gedaan en toegewezen, gaat het hof hierbij ruimer om met het noodzakelijkheidscriterium.

Op de getuigenverzoeken heeft het hof als volgt beslist:

- de verzoeken tot het horen van de getuigen (..) [getuige 1] (..) wijst het hof toe."

3.4. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris d.d. 7 september 2006 dat voor zover hier relevant als volgt luidt:

"Getuige [getuige 1] is op 8 juni 2006 op zijn GBA-adres ([a-straat 1]) opgeroepen te verschijnen op donderdag 13 juli 2006. Nadat getuige [getuige 1] begin juli 2006 contact had opgenomen met het kabinet met de mededeling dat de datum 13 juli 2006 in zijn vakantie viel, is op 6 juli 2006 aan hem een oproeping verstuurd om op donderdag 7 september 2006 te verschijnen. Getuige is op die laatste datum niet verschenen."

3.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2006 luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

"De voorzitter stelt aan de orde dat een groot aantal getuigen zijn gehoord door de rechter-commissaris, maar dat blijkens een schriftelijke opmerking van de rechter-commissaris d.d. 7 september 2006 de getuigen [getuige 1] (..) na oproeping niet zijn verschenen voor verhoor.

(..)

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep alleen verzocht de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te horen en heeft zich verder aangesloten bij de getuigen die mr. A.C. Bosch aan het hof had verzocht (..)

Het hof is ten aanzien van het verzoek van mr. A.C. Bosch tot het horen van een groot aantal getuigen in de zaak van zijn cliënt [medeverdachte 1], gelet op de wijziging tenlastelegging in die zaak, ruimer omgegaan met het noodzakelijkheidscriterium. Dit gaat niet op in het geval van de verdachte.

(..)

De raadsman (..) verzoekt het hof de behandeling van de zaak aan te houden en de zaak terug te verwijzen naar de rechter-commissaris voor het horen van de niet gehoorde getuigen.

De advocaat-generaal deelt daarop mede - zakelijk weergegeven -:

Ik kan daarmee instemmen. (..)

Na beraad en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof op de verzoeken van de raadsman het navolgende mede:

- het verzoek tot het horen van de getuigen (..) en [getuige 1] wordt eveneens afgewezen, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad."

3.6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2006 luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

"De raadsman sluit zich aan bij het verzoek van mr. A.C. Bosch de vier nog niet door de rechter-commissaris gehoorde getuigen [getuige 1] (..) alsnog te doen horen.

De advocaat-generaal verzet zich tegen het horen van de getuigen [getuige 1] (..) omdat daartoe de noodzaak niet bestaat (..)

Na beraad en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat:

(..)

Het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] (..) wordt afgewezen omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuigen de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad."

3.7. Het middel klaagt dat de afwijzing van het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het belang bij het horen van die getuige sinds de eerdere toewijzing van het betreffende verzoek niet is veranderd. De toepasselijke maatstaf voor de beoordeling van het verzoek is het noodzaakcriterium, omdat uit de stukken volgt dat de raadsman van verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep zich heeft aangesloten bij het verzoek van de raadsman van de medeverdachte om [getuige 1] als getuige op te roepen. Door het verzoek uiteindelijk te toetsen aan de maatstaf of de verdachte door afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad, heeft het hof een maatstaf gebezigd die in abstracto voor de verdachte gunstiger is.(1)

3.8. De artt. 415 Sv jo. art. 288 lid 1 onder a Sv in verbinding met art. 287 lid 3 sub b Sv staan er niet aan in de weg dat het hof van hernieuwde oproeping afziet indien een getuige na een eerdere oproeping niet is verschenen en redelijkerwijs valt aan te nemen dat door de daarop volgende afwijzing de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. Zou het hof het verzoek om hernieuwde oproeping hebben afgewezen op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, dan was hier een nadere motivering op haar plaats geweest.(2) Het hof heeft zich echter niet gebaseerd op de kennelijk onvindbaarheid van de getuige. Kennelijk heeft het hof met zijn uiteindelijke oordeel bedoeld duidelijk te maken dat oproeping hoe dan ook niet noodzakelijk is omdat de verdediging - na gelegenheid te hebben gehad meerdere getuigen bij de Rechter-Commissaris te ondervragen - zelfs geen voldoende belang meer heeft bij hernieuwde oproeping van de eenvoudig traceerbare [getuige 1]. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, mede gelet op het ontbreken van enige onderbouwing door of namens verdachte in hoger beroep of in cassatie van het belang om die getuige ook in de zaak tegen de verdachte te horen.(3)

3.9. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof gebruik heeft gemaakt van de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] in zijn eigen zaak heeft afgelegd zonder dat die verklaring deel uitmaakt van de processtukken in de zaak tegen verdachte.

4.2. Het hof heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van de volgende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 4):

"De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], afgelegd in zijn zaak met parketnummer 09-920082-05 ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2005, welke verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2006 in het dossier van de verdachte is gevoegd. Deze verklaring houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:

Ik wist al bijna drie weken van de problemen van mijn vader met [slachtoffer]. Vader zei dat [slachtoffer] had gezegd dat hij de kinderen zou vermoorden. Die middag hebben we een mes en een knuppel gekocht en zijn naar [B] gegaan.

Ik dacht dat [slachtoffer] naar het café daar tegenover zou komen.

Ik was in [B] met [betrokkene 1], mijn broertje [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en later [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Ik had een rugzak meegenomen met een mes, een knuppel, een pistool en vijf kogels. Ik heb het wapen laten zien.

[Slachtoffer] kwam niet en we zijn naar huis gegaan. Mijn vader belde. Hij had een adres van [slachtoffer] gekregen. Ik heb het pistool gepakt en bij de kogels in mijn jaszak gestopt. Iedereen stond op. [Betrokkene 2] pakte twee of drie messen en de gummiknuppel. Die zijn in de rugtas gegaan, evenals de rest van de messen. In de auto werden die doorgegeven. Beneden werd ik gebeld door mijn vader en hij vroeg het pistool mee te nemen. Ik zei dat ik dat al bij me had.

In de bus zaten [medeverdachte 1], mijn vader en [betrokkene 7].

Ik gaf het pistool in de bus aan [medeverdachte 1]. De bus werd aan de overkant geparkeerd. De mannen (het hof begrijpt: [betrokkene 7], [betrokkene 8] en verdachte) gingen naar het café.

In de bus had ik een mes gepakt en in mijn mouw gestoken. [Betrokkene 2] had een knuppel en later een mes. Voor het café gaf mijn vader [slachtoffer] een klap. [Slachtoffer] stond tegenover mij. De anderen stonden daar ook bij.

Hij stond met zijn rug tegen het raam of de muur en wij stonden voor en naast hem. Ik heb mijn mes gepakt. [Betrokkene 2] zwaaide ook met een mes. [Betrokkene 9] trok zijn pistool en richtte op [slachtoffer] en zei "hou op, ik ga schieten". [Slachtoffer] ging het café in. [Betrokkene 2], ik en de rest van de groep gingen het café in. Er werd gegooid met krukken en bierflessen. Ik hoorde een klap van het pistool. Ik zag dat [slachtoffer] op de grond lag. Ik probeerde hem te steken. Toen we weer buiten waren, belde mijn vader mij en zei dat ik het pistool niet mee moest brengen. Ik heb het pistool aan [betrokkene 4] gegeven en ik heb hem gezegd het in de kelder te verstoppen. De volgende dag gingen we naar het huis van [betrokkene 9]. Er waren daar een heleboel mensen. Er werd over het gebeurde gesproken. Ik moest me opofferen en moest verklaren zoals we dat hadden afgesproken. Ze zeiden: "jullie gaan je melden". Volgens hen had [betrokkene 2] een toekomst en ik niet. Ik had het recht niet om er iets van te zeggen. [Betrokkene 9] zei dat hij op [slachtoffer] had geschoten. Ze wisten dat hij (het hof begrijpt: [betrokkene 2]) had gestoken.

[Betrokkene 2] vroeg in de winkel of ik voor hem ook een mes wilde kopen. Ik was toen samen met [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Ineens ging [slachtoffer] het café in. [Betrokkene 7] heb ik in het café niet gezien. Het laatste wat ik zag was [betrokkene 2] met die man. Ik stak hem en voelde dat niets erin ging, omdat het mes was gebroken. Mijn vader schreeuwde "wegwezen". Al voordat mijn vader [slachtoffer] de klap gaf, gingen [betrokkene 2] en ik lopen. Eénmaal binnen, was iedereen achter ons."

4.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 maart 2006 luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

"Via mijn cliënt heb ik gehoord dat tijdens de verhoren van [medeverdachte 2] door de politie veel druk is uitgeoefend om hem te laten verklaren dat zijn vader heeft geschoten. Ik zou [medeverdachte 2] willen vragen of het zo is dat zijn vader hem heeft opgebeld om hem te vragen het pistool mee te nemen. Ik hoor de voorzitter zeggen dat [medeverdachte 2] in zijn eigen strafzaak ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2005 heeft verklaard dat zijn vader hem vroeg het pistool mee te nemen. Ik verzoek u het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg met betrekking tot [medeverdachte 2] toe te voegen aan het dossier van mijn client.

De voorzitter verzoekt de gerechtsbode genoemd proces-verbaal te kopiëren en stelt de raadsman vervolgens in de gelegenheid dit stuk door te lezen.

(..)

Na hervatting van het onderzoek verzoekt de raadsman het hof hem in de gelegenheid te stellen het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 september 2005 in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 2] te bespreken met zijn cliënt.

De voorzitter deelt mee dat het hof dit verzoek toewijst en onderbreekt daarop het onderzoek."

4.4. Het middel klaagt dat het hof de verklaring niet tot het bewijs heeft mogen bezigen, omdat uit de stukken niet kan volgen dat het proces-verbaal aan het dossier in de strafzaak tegen verdachte is toegevoegd. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Ofschoon het proces-verbaal niet de vermelding inhoudt dat het hof het verzoek om toevoeging heeft toegewezen kan uit het verhandelde ter terechtzitting genoegzaam worden afgeleid dat het proces-verbaal na het verzoek daartoe en dus met de klaarblijkelijke instemming van de verdediging aan het dossier is toegevoegd. Ik wijs er in dit verband op dat blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 21 november 2006 de advocaat van verdachte, desgevraagd door de voorzitter, heeft verklaard dat het hof alle verzoeken van verdachte heeft behandeld en op alle verzoeken heeft beslist. Daaraan voegde de advocaat toe geen opmerkingen ten aanzien van de door het hof opgemaakte processen-verbaal van de behandeling van de zaak in hoger beroep te hebben.

4.5. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het gevoerde verweer dat het geven van een klap niet kan worden aangemerkt als geweld zoals bedoeld in art. 141 Sr.

5.2. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 29 januari 2005 te 's-Gravenhage met anderen op de openbare weg en in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op of aan de [b-straat] en in café [A], gelegen aan de [b-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het - door hun overwicht in aantal doen ontstaan van een bedreigende situatie voor [slachtoffer] en

-met meerdere personen (dicht) om [slachtoffer] heen gaan staan en

-tonen van messen en een wapenstok en een pistool aan [slachtoffer] en

-slaan in het gezicht van [slachtoffer] en

-richten van een pistool op [slachtoffer] en

-zwaaien en steekbewegingen maken met die messen naar [slachtoffer] en

-steken met messen in de hand(en) en het lichaam van [slachtoffer] en

-gooien met flessen en glazen en barkrukken en stoelen in de richting van en of tegen [slachtoffer]."

5.3. Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman - voor zover hier relevant - als volgt verweer gevoerd:

"Gezamenlijke open geweldpleging: [verdachte] heeft [slachtoffer] met de vlakke hand een tik in het gezicht gegeven. Diverse getuigen verklaren dat het eerder een harde klap was dan een tik. Het kan ook zo zijn dat [slachtoffer] bij een poging de tik te ontwijken met zijn hoofd of zijn lichaam tegen het raam van het café is terechtgekomen. [Slachtoffer] stond immers pal naast het raam. Indien iemand tegen het raam bonst kan dat in dit geval worden opgevat als het ontvangen van een harde klap. [Slachtoffer] stond overigens niet heel stabiel omdat hij alcohol gedronken had. Deze tik van [verdachte] was niet zozeer bedoeld om hem pijn te bezorgen maar was meer bedoeld als een denigrerend gebaar. [Verdachte] deed dit nadat [slachtoffer] de zoveelste belediging had geuit richting [verdachte].

[Slachtoffer] haalt vervolgens een mes te voorschijn, waarop meerdere mensen te hulp schieten en zich ermee gaan bemoeien. Er is inderdaad sprake van geweld, maar heeft [verdachte] zich hieraan ook schuldig gemaakt? [Verdachte] heeft [slachtoffer] een tik in het gezicht gegeven, geen harde vuistslag. Een tik in het gezicht zonder dat daar enig letsel van ontstaat valt niet onder de definitie van geweld (geweld: er moet een zodanige kracht worden aangewend dat het rechtsgoed daardoor in gevaar wordt gebracht. Het beschermde rechtsgoed is de openbare orde)."

5.4. Het middel klaagt dat het hof op dit verweer niet heeft gerespondeerd. Als de strekking van het verweer is geweest dat er wel sprake was van openlijke geweldpleging, maar dat verdachte daaraan niet schuldig is omdat hij geen geweld heeft aangewend zoals bedoeld in art. 141 Sr heeft de raadsman reeds miskend dat voor het in vereniging plegen van geweld als bedoeld in art. 141 Sr slechts vereist is dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zonder dat deze bijdrage zelf van een gewelddadige aard behoeft te zijn.(4) Ook de steller van het middel heeft dat dan miskend. Als de strekking van het verweer is geweest dat een klap in het gezicht geen geweld oplevert in de zin van art. 141 Sr en als de strekking van het cassatiemiddel is dat het hof op het verweer had moeten reageren op basis van art. 359 lid 2, tweede volzin Sv verwijs ik de steller van het middel naar HR 28 augustus 2007, LJN BA 5639. Hetgeen is aangevoerd in de onderhavige zaak levert op het punt geen onderbouwd standpunt op. Als de steller van het middel heeft bedoeld dat in feitelijke aanleg een zgn. dakdekkerverweer is gevoerd dat bij niet aanvaarding gemotiveerd moet worden verworpen hoeft dit verzuim van het hof niet tot cassatie te leiden omdat dit verweer slechts had kunnen worden verworpen.(5)

5.5. Het middel faalt.

6.1. Het vierde, vijfde en zesde middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking, mede omdat zij gezamenlijk zijn toegelicht. Het vierde middel klaagt dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen, het vijfde middel klaagt dat de bewezenverklaarde voorbedachte raad niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en het zesde middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

6.2. Ten aanzien van de onder 1 primair bewezenverklaarde moord heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:

"Op zaterdagavond 29 januari 2005 heeft in café [A] aan de [b-straat] te Den Haag een schiet- en steekpartij plaatsgevonden, als gevolg waarvan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) zwaargewond is geraakt en diezelfde avond nog is overleden aan zijn verwondingen.

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 25 februari 2005 betreffende het slachtoffer blijkt dat hij is overleden als gevolg van bloedverlies en functionele schade aan de hartspier door gecombineerd schot/steekletsel. De kogel heeft de linkerkamer van het hart doorschoten en het steekletsel in de bovenbuik heeft de lever geperforeerd.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is de volgende gang van zaken vóór, tijdens en na het incident in café [A] aannemelijk geworden.

[Slachtoffer] had reeds enige tijd een meningsverschil met de verdachte - zijn voormalig werkgever - over loon dat de verdachte hem nog schuldig zou zijn. De spanning tussen hen hierover is in de loop der tijden opgelopen, waarbij ook bedreigingen zouden zijn geuit.

De verdachte heeft zijn zonen [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] en [betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8]) daarna deelgenoot gemaakt van zijn problemen met [slachtoffer].

Naar aanleiding van de oplopende spanningen tussen de verdachte en [slachtoffer] is [medeverdachte 2] op 29 januari 2005 met zijn broer [betrokkene 2] en hun vrienden [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 3] en [betrokkene 4]) een mes en een wapenstok gaan kopen. Nadat [medeverdachte 2] later die dag telefonisch van zijn vader had vernomen dat [slachtoffer] om 18.00 uur naar koffiehuis [C] te Den Haag zou komen, heeft hij het pistool en de kogels van zijn vader gepakt en is samen met [betrokkene 2] van huis gegaan.

[Medeverdachte 2] heeft vervolgens [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gebeld en is samen met hen en met [betrokkene 2] in het tegenover [C] gelegen café [B] gaan zitten. [Betrokkene 2] en [medeverdachte 2] hadden een rugzak met een mes en een wapenstok meegenomen en [medeverdachte 2] heeft in [B] het pistool en drie kogels getoond. [Medeverdachte 2] heeft ook [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5]) gebeld over de op handen zijnde ontmoeting met [slachtoffer]. Op verzoek van [medeverdachte 2] is [betrokkene 5] vervolgens met [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6]) - die samen met [betrokkene 5] in de trein zat - ook naar café [B] gekomen. Aldaar is gesproken over de problemen tussen de verdachte en [slachtoffer] en over een op handen zijnd gevecht met [slachtoffer]. [Betrokkene 6] en [betrokkene 5] zijn toen ook op de hoogte gebracht van de aanwezigheid van wapens. [Slachtoffer] kwam echter niet opdagen en de jongens zijn daarop naar de ouderlijke woning van [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] gegaan.

Na telefonisch met [slachtoffer] een nieuwe afspraak te hebben gemaakt, heeft de verdachte aan [betrokkene 8] gevraagd om hem met de Volkswagenbus op te komen halen. Ook heeft hij [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7]) gevraagd om mee te gaan om met iemand te praten, waarbij hij de [b-straat] heeft genoemd. Nadat [betrokkene 8] is voorgereden, zijn de verdachte en [betrokkene 7] bij hem in het busje gestapt.

De verdachte heeft ondertussen ook [medeverdachte 2] gebeld en hem verteld over een volgende ontmoeting met [slachtoffer]. Hij vraagt [medeverdachte 2] naar het postkantoor te komen. [Medeverdachte 2] vertelt aan de anderen dat hij met zijn vader naar een ontmoeting met [slachtoffer] zal gaan en de anderen besluiten mee te gaan. [Medeverdachte 2] heeft het pistool en de kogels gepakt (hetgeen hem later door zijn vader ook nog eens telefonisch wordt gevraagd) en voorts worden messen en een wapenstok meegenomen. [Betrokkene 4] en [betrokkene 3] krijgen een mes van [betrokkene 2]. Onderweg naar het busje wordt door [medeverdachte 2] het pistool geladen. [Medeverdachte 2], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6] stappen in bij de verdachte, [betrokkene 8] en [betrokkene 7].

In het busje wordt het pistool, zichtbaar voor de anderen, door [medeverdachte 2] naar voren doorgegeven aan zijn vader die het aan [betrokkene 8] geeft. In het busje zijn messen doorgegeven. Terwijl zij naar de [b-straat] rijden, heeft de verdachte op luide en boze toon telefonisch contact met [slachtoffer] en zegt hem uit het café te komen. Alle inzittenden, met uitzondering van [betrokkene 7], zijn inmiddels op de hoogte van een op handen zijnde confrontatie met [slachtoffer] en weten dat zwaar wapentuig is meegenomen. [Betrokkene 7] heeft alleen het pistool gezien en op zijn vraag waarom een pistool wordt meegenomen, krijgt hij geen antwoord.

Aangekomen in de [b-straat] zijn alle negen inzittenden uitgestapt. [betrokkene 8] heeft het pistool bij zich. Ook de messen en de wapenstok worden meegenomen uit het busje.

De verdachte, [betrokkene 8] en [betrokkene 7] zijn vervolgens naar [slachtoffer] - die voor het café staat - toegelopen. Kort daarop voegen ook [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] zich bij hen. Na een korte woordenwisseling geeft de verdachte [slachtoffer] een klap in zijn gezicht, waarop ook de andere jongeren de straat oversteken en erbij komen staan. [Slachtoffer] stond met zijn rug tegen het raam van het café, was helemaal omsingeld en kon geen kant op, aldus getuige [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris d.d. 24 augustus 2005. Hierop heeft [slachtoffer] een mes getrokken.

[Betrokkene 2] heeft zijn wapenstok met [betrokkene 3] geruild voor een mes het mes waarmee later de steken zijn toegebracht en waarvan één steek heeft bijgedragen tot de dood van [slachtoffer] - en ook [medeverdachte 2] trekt een mes. Er wordt over en weer met messen gezwaaid en er worden stekende bewegingen gemaakt. [Betrokkene 8] pakt het pistool uit zijn broeksband en richt dat dreigend op [slachtoffer], waarbij hij volgens de verklaring van getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris op 26 juli 2005 roept dat hij hem zal afmaken. [Betrokkene 8] wordt gemaand het pistool weg te stoppen, hetgeen hij ook doet. [slachtoffer] ziet vervolgens kans om het café in te vluchten.

[Betrokkene 2], [medeverdachte 2], de verdachte, [betrokkene 8], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 5] zijn achter [slachtoffer] aan het café in gerend. [Betrokkene 5] is in de caféruimte blijven staan, net voorbij het voorportaaltje; de andere voornoemde personen stonden voor hem verder het café in en [betrokkene 6] stond achter hem.

Het hof acht aannemelijk dat [betrokkene 7] buiten het café voor het raam is blijven staan.

Binnen in het inmiddels drukke café is met barkrukken, flessen, glazen en stoelen gegooid. Het is chaotisch. [Betrokkene 3] en [betrokkene 5] hebben ook gegooid. [Slachtoffer] staat in de buurt van de bar en wordt geschopt en geslagen. Op enig moment is [slachtoffer] in zijn buik en rechter bovenbeen gestoken en door [betrokkene 8] in de hartstreek geschoten. [Medeverdachte 2] is vervolgens boven op hem gaan zitten en heeft hem vier stoten op zijn hoofd gegeven. Toen hij [slachtoffer] naar eigen zeggen wilde steken, bleek zijn mes te zijn gebroken.

De politie heeft later ook een afgebroken mes aangetroffen in het café.

[Betrokkene 2] heeft naar het oordeel van het hof de steken in de buik en het been toegebracht en het hof gaat ervan uit dat [betrokkene 8] degene is geweest die [slachtoffer] in de borst heeft geschoten. Het hof hecht derhalve geen waarde aan de latere verklaringen van [betrokkene 8] waarin hij heeft gezegd dat de verdachte het wapen van hem heeft afgepakt en de verdachte degene is geweest die het schot heeft gelost.

De spiegelconfrontatie waarbij getuige [getuige 3] [betrokkene 8] heeft herkend is hierbij mede in aanmerking genomen, alsmede de de auditu verklaringen van [getuige 4] d.d. 19 februari 2005, [betrokkene 7] d.d. 22 februari 2005 en [getuige 5] d.d. 26 februari 2005, tegen welke personen [betrokkene 8] kort na het gebeuren in café [A] - dus op een moment dat de verklaringen van de verschillende verdachten vermoedelijk nog niet op elkaar konden zijn afgestemd - heeft gezegd dat hij degene is geweest die heeft geschoten.

Nadat het schot is afgegaan heeft de verdachte geroepen dat iedereen weg moest gaan, waarna de verdachte en zijn mededaders zijn weg gerend. [Betrokkene 2] heeft vervolgens twee messen in een put gegooid en [betrokkene 8] heeft het wapen waarmee is geschoten aan [betrokkene 2] gegeven die het daarna weer door heeft gegeven aan [medeverdachte 2].

De verdachte is samen met [betrokkene 8] en [betrokkene 7] weg gereden. De jongeren zijn weg gerend en hebben de tram genomen. Onderweg heeft de verdachte nog met [medeverdachte 2] gebeld om te zeggen dat hij het pistool niet mee naar huis mocht nemen. [Medeverdachte 2] heeft het pistool daarop meegegeven aan [betrokkene 4].

Nadat is vernomen dat [slachtoffer] is overleden, heeft er op 30 januari 2005 in de woning van [betrokkene 8] een beraad plaatsgevonden, waarbij een afspraak is gemaakt wat iedereen zou gaan verklaren. Ook is bepaald dat [betrokkene 8] en [medeverdachte 2] zich zouden gaan melden bij de politie. De dag na de aanhouding van de verdachte zijn [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 5], nadat de verdachte [betrokkene 2] eerder al had gezegd het pistool weg te gooien, naar [betrokkene 4] - die het pistool in zijn kelder had verborgen - gegaan.

Na het schoonmaken van het wapen door [betrokkene 3] zijn zij met zijn vieren naar Leidschendam gegaan waar zij het wapen, het magazijn en de kogels op verschillende plaatsen in het water hebben gegooid.

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit aangevoerd dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet, omdat de verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden door het gebruik van (een) mes(sen) en een vuurwapen door anderen dan verdachte, welke anderen zich op verschillende momenten in de nabijheid van de verdachte hebben gevoegd. Voorts voert de raadsman aan dat er geen sprake is geweest van voorbedachte raad, omdat er geen kalm beraad en rustig overleg tussen de verdachten is geweest; er heeft volgens de raadsman bij de verdachte nimmer een voornemen bestaan om het slachtoffer geweld aan te doen. De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit.

Het hof overweegt ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de overige bewijsvragen het volgende.

Voorwaardelijk opzet

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'opzettelijk' in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht dient (minimaal) vast te staan dat er sprake is van voorwaardelijk opzet, namelijk dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg van het gebruik van de messen en het pistool door personen in de groep waartoe de verdachte behoorde, zou kunnen komen te overlijden.

De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak op grond van het navolgende voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer [slachtoffer] aanwezig geweest. De verdachte is - zoals hiervoor is beschreven - met een overmacht van in totaal 9 personen met messen, een wapenstok en een geladen pistool naar [slachtoffer] toe gegaan.

Nadat eerst buiten het café de confrontatie is opgezocht (en tenminste één klap door de verdachte is uitgedeeld), zijn er messen getrokken, is het pistool aan [slachtoffer] getoond en op hem gericht. Ook zijn er doodsbedreigingen jegens [slachtoffer] geuit.

Vervolgens is de verdachte achter [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] - die messen in de handen hadden -, [betrokkene 8] die een geladen vuurwapen bij zich had en een groot deel van de groep achter [slachtoffer] aan het café in gerend. Voor alle leden van de groep moet op dat moment duidelijk zijn geweest dat het niet ging om "een gesprek" maar om een verdergaande gewelddadige confrontatie met gebruik van messen en een pistool. Vervolgens is door [betrokkene 8] met het pistool op [slachtoffer] geschoten en heeft [betrokkene 2] hem gestoken.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat de verdachte door aldus te handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door één van de messen en/of het vuurwapen zou worden getroffen en zou kunnen komen te overlijden.

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (zie HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, AE 1743).

Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief voorwaardelijk opzet (HR 18 oktober 1983, NJ 1984, 351).

De gebeurtenissen van 29 januari 2005 - zoals door het hof hierboven omschreven - tonen het beeld van een steeds duidelijker wordend plan dat tegen [slachtoffer] geweld zou worden gebruikt vanaf het moment dat 's middags wapens zijn gekocht, mensen zijn opgetrommeld, diverse telefoontjes zijn gepleegd, gewapend naar de [b-straat] is gegaan, tot het achter [slachtoffer] aan het café in rennen waarbij de kans dat daarbij messen en een vuurwapen daadwerkelijk zouden worden gebruikt steeds groter werd.

De verdachte is degene die een conflict heeft met [slachtoffer] en die anderen erbij betrekt. Hij gaat samen met [betrokkene 8] - die het busje bestuurt - en met [betrokkene 7] op weg naar [slachtoffer], waarbij onderweg nog 6 andere personen worden opgehaald. De verdachte heeft zijn zoon [medeverdachte 2] gevraagd een pistool - dat hij al enige tijd in huis heeft liggen - mee te nemen, welk pistool in het busje aan verdachte wordt overhandigd die het weer doorgeeft aan [betrokkene 8]. [Betrokkene 8] heeft dit pistool dreigend aan [slachtoffer] getoond voor café [A]. Tijdens de confrontatie voor het café hebben medeverdachten met messen gedreigd. Nadat het slachtoffer het café is ingevlucht, rennen [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] gewapend met een mes en [betrokkene 8] met een doorgeladen pistool achter het slachtoffer aan het café in, waarna het merendeel van de anderen - waaronder verdachte - volgt en waarop de dodelijke confrontatie plaats vindt.

De verdachte heeft gelet op het voorgaande voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de (mogelijke) gevolgen van zijn besluit om tezamen met zijn met een pistool bewapende medeverdachte de confrontatie met het slachtoffer te zoeken en met de met messen en een pistool bewapende medeverdachten achter het slachtoffer aan het café in te rennen.

Zodoende was bij de verdachte sprake van voorbedachte raad met betrekking tot het hiervoor bij verdachte aanwezig geoordeelde voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Medeplegen

Voor medeplegen moet er volgens de rechtspraak sprake zijn van bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor reeds is uiteengezet omtrent de rol van de verdachte is het hof van oordeel dat het aandeel van de verdachte in zowel de samenwerking als de uitvoering van het delict zodanig is geweest dat sprake is geweest van medeplegen.

Daarbij overweegt het hof nog dat de verdachte bij het café de toon heeft gezet door als eerste een klap aan [slachtoffer] uit te delen, waarna het geweld is geëscaleerd, hij was volgens de verklaringen van [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 24 augustus 2005 en 26 oktober 2006 de meest agressieve persoon van de groep en heeft geen poging ondernomen de "groep" buiten te houden, eerder heeft hij de mededaders meegetrokken in de confrontatie en is medeverantwoordelijk voor de gedurende de dag steeds grimmiger wordende sfeer ten opzichte van het slachtoffer.

Het hof is op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord, zoals omschreven in het onder 1 primair bewezen-verklaarde."

6.3. Ten eerste blijkt volgens de toelichting uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte wist dat er meer wapens aanwezig waren dan het vuurwapen of dat er een gewelddadige confrontatie zou komen. Voorts is de aanname van voorwaardelijk opzet volgens het middel in strijd met de als bewijsmiddel 5 gebruikte verklaring van [medeverdachte 2], voor zover ik die hieronder cursief heb weergegeven:

"Op een gegeven moment werd ik gebeld door mijn vader. Hij zei dat ze naar [slachtoffer] zouden gaan en dat ik naar het postkantoor in de stad moest komen. Ik heb toen tegen de anderen gezegd waar we naartoe gingen en dat het gevaarlijk zou worden. Iedereen wilde mee gaan. Ik heb vervolgens het pistool gepakt en een mes. [Betrokkene 6] had de rugzak met de wapenstok gepakt. Ik werd weer gebeld door mijn vader. Hij zei dat ik terug moest naar de woning om zijn pistool te halen. Ik zei tegen hem dat ik het pistool al bij mij had.

We zijn het busje, waarin mijn vader, [betrokkene 9] en [betrokkene 7] reeds zaten, binnengestapt. In de bus hoorde ik dat we naar de [b-straat] moesten gaan. We hebben de bus in de straat van het café geparkeerd. Mijn vader heeft vervolgens [slachtoffer] gebeld. Ik hoorde mijn vader zeggen dat hij niet naar binnen zou komen. Even later zag ik dat [slachtoffer] uit het café kwam lopen. [Betrokkene 9] had het pistool.

Wij liepen vervolgens vanaf de bus richting het café. Ik zag dat [verdachte], [betrokkene 9] en [betrokkene 7] richting [slachtoffer] liepen. Ik zag dat mijn vader tegenover [slachtoffer] stond. Ik hoorde dat mijn vader en [slachtoffer] harder begonnen te praten. Ik zag dat [betrokkene 2] richting [slachtoffer] en mijn vader liep. Op dat moment stonden [betrokkene 9] en [betrokkene 7] daar ook. Ik ben vervolgens achter [betrokkene 2] aangelopen. Toen we net bij mijn vader stonden, zag ik dat hij [slachtoffer] met zijn vlakke hand in zijn gezicht sloeg. Ik zag dat [slachtoffer] hierop een mes trok en daarmee begon te zwaaien. [Betrokkene 2] had een knuppel in zijn handen. Ik pakte mijn mes en begon ermee te zwaaien in de richting van [slachtoffer]. Ik zag dat [betrokkene 2] naar [betrokkene 5] liep en terug kwam lopen met een mes.

Kennelijk had [betrokkene 2] een mes van [betrokkene 5] gekregen. [Betrokkene 2] begon ook te zwaaien met het mes tegenover [slachtoffer]. Ik zag dat [betrokkene 9] nu met een pistool op [slachtoffer] richtte. Ik hoorde dat mijn vader tegen [betrokkene 9] zei dat hij het pistool weg moest doen. Ik zag dat [betrokkene 9] het pistool weg deed. Ik zag hierop dat [slachtoffer] weer met het mes begon te zwaaien. [Betrokkene 2] en ik begonnen toen ook weer te zwaaien met de messen. Ik zag dat [slachtoffer] vervolgens het café in rende. Ik zag [betrokkene 2] als eerste achter [slachtoffer] aan rennen. Vervolgens ging [betrokkene 9] achter [betrokkene 2] en [slachtoffer] het café in. Ik volgde [betrokkene 9]."

6.4. Ten tweede is er volgens het middel geen sprake van medeplegen. Met name zou uit de bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat de sfeer gedurende de dag steeds grimmiger is geworden en evenmin dat de verdachte geen poging zou hebben gedaan de groep buiten het café te houden. Voorts zou de klap in het gezicht van het slachtoffer nog niet betekenen dat verdachte als medepleger opzet op de dood heeft gehad. De steller van het middel vat één en ander samen door aan te voeren dat de vereiste nauwe en volledige samenwerking niet uit de bewijsmiddelen volgt. Ten derde kan volgens het middel de voorbedachte raad niet uit de bewijsmiddelen volgen. Uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat de verdachte wist van een steeds duidelijker plan om geweld te gebruiken. In dat verband wijst de steller van het middel op de omstandigheid dat het slachtoffer als eerste een wapen ter hand heeft genomen.

6.5. De drie middelen die opkomen tegen het voorwaardelijk opzet, de voorbedachten raad en het medeplegen hebben in belangrijke mate het karakter van verweren van feitelijke aard: het hof heeft bepaalde feiten en omstandigheden vastgesteld en in de middelen wordt zonder een duidelijke onderbouwing gesteld dat die feiten en omstandigheden niet uit de bewijsmiddelen zouden blijken. De beoordeling van die middelen heeft noodgedwongen nogal een welles-nietes karakter. Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet is de wetenschap van de aanwezigheid van een vuurwapen mijns inziens meer dan voldoende om in samenhang met de overige door het hof vastgestelde omstandigheden aan te nemen dat verdachte bewust heeft aanvaard dat het vuurwapen gebruikt zou kunnen worden en het slachtoffer zou kunnen worden gedood.(6) Het feit dat verdachte zijn geladen vuurwapen in handen van een ander gaf wijst er bepaald niet op dat verdachte zijn best heeft gedaan de geweldsexplosie te voorkomen of te beheersen. Gelet op het conflict tussen de verdachte en het slachtoffer zijn de omstandigheden waaronder verdachte met anderen gewapend en wel naar het slachtoffer is toegegaan alsmede zijn initiatief om het slachtoffer te slaan voldoende om aan te nemen dat hij wist dat er een gewelddadige confrontatie zou komen. Dat verdachte op enig moment heeft gezegd dat "hij niet naar binnen zou komen" en bij de eerste dreiging met een pistool heeft gemaand dat pistool weg te doen, doet niets af aan de vaststelling dat verdachte door het doen ontstaan van een dreigende situatie in aanwezigheid van dodelijke wapens de aanmerkelijke kans op noodlottige gevolgen heeft aanvaard.

6.6. Het hof heeft het medeplegen gemotiveerd met verwijzing naar hetgeen het heeft overwogen in zijn nadere bewijsoverwegingen, waaronder die ten aanzien van het voorwaardelijk opzet en de voorbedachte raad. Daaruit kan mijns inziens genoegzaam worden afgeleid dat verdachte een zodanig wezenlijk bijdrage aan de moord heeft geleverd dat er van een nauwe en volledige samenwerking en dus van medeplegen sprake is.(7) Het middel bestrijdt een overweging van het hof waarin het de aard van het medeplegen nog meer aanzet. Echter, zelfs al zou de sfeer niet gedurende de dag "steeds grimmiger" zijn geworden, dan nog doet dat niets af aan het medeplegen ten tijde van het delict zelf. Dat het hof overweegt dat verdachte geen poging heeft ondernomen de groep buiten te houden is niet onbegrijpelijk. Dat hij wellicht van tevoren voornemens was één en ander buiten af te handelen doet aan die begrijpelijkheid niets af. Het hof heeft bovendien aangenomen dat de verdachte mee het café in is gegaan.(8)

Mede gelet op hetgeen ik hiervoor heb overwogen, kan voorts in verband met de voorbedachte raad op zijn minst uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte (in ieder geval vanaf het moment dat hij het busje instapte(9)) wist van een voornemen het slachtoffer met zodanig veel geweld te benaderen, dat de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer daarbij om het leven zou komen. Voorts had hij de tijd zich te beraden op dat voornemen, zodat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Daarmee is de voorbedachte raad gegeven.(10)

6.7. Het vierde, vijfde en zesde middel falen alle.

7.1. Het zevende middel klaagt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gebruikt door in zijn nadere bewijsmotivering te overwegen dat hetgeen het daarin vaststelt en uiteenzet op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting "aannemelijk" is geworden.

7.2. Het hof heeft in de nadere bewijsoverweging ten aanzien van de bewezenverklaarde moord een reconstructie gegeven van hetgeen er volgens hem heeft plaatsgevonden op de dag van de moord. Het hof leidt die reconstructie als volgt in:

"Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is de volgende gang van zaken vóór, tijdens en na het incident in café [A] aannemelijk geworden."

7.3. Het middel komt op tegen het gebruik van de maatstaf dat de betreffende feiten aannemelijk zijn geworden. Die maatstaf is van toepassing bij het beoordelen van een beroep op een strafuitsluitingsgrond. De rechter oordeelt bijvoorbeeld dat er sprake is van noodweer indien hetgeen daartoe door de verdachte is aangevoerd noodweer oplevert en tevens aannemelijk is geworden. Hier gaat het echter om de positieve vaststelling van feiten die aan de bewezenverklaring ten grondslag liggen. Daarvoor geldt volgens het middel dat er redelijkerwijs niet mag worden getwijfeld aan de door het hof weergegeven gang van zaken. De stelling dat de rechter de motivering van de bewezenverklaring dient te toetsen aan de maatstaf of redelijkerwijs niet mag worden getwijfeld aan de weergegeven gang van zaken(11), vindt echter geen steun in het recht.

7.4. Voor een bewezenverklaring is vereist dat de rechter door middel van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Art. 338 Sv bepaalt namelijk dat het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. Feiten en omstandigheden die de rechter in een nadere bewijsoverweging bespreekt, moeten voorts duidelijk zijn aangegeven en tevens moet de rechter het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.(12) Kennelijk heeft het hof met zijn hier bestreden overweging bedoeld dat het uit de bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de gang van zaken op 29 februari 2005 is geweest zoals het hof dat in die overweging heeft weergegeven. Hoewel het meest zuiver is te overwegen dat het hof de feiten heeft vastgesteld, doet het mijns inziens dan verder niet ter zake of het hof deze overtuiging motiveert door inderdaad feiten vast te stellen ofwel door die feiten als uitgangspunt te nemen, aan te nemen of aannemelijk te achten.

7.5. Het middel faalt.

8. De voorgestelde middelen falen en kunnen met uitzondering van het eerste en het derde middel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 14 maart 2000, NJ 2000, 519 m.nt. Buruma; HR 19 juni 2006, NJ 2007, 636 m.nt. Mevis rov. 3.3.1.

2 Vgl. HR 4 november 1997, NJ 1998, 137; HR 23 november 1999, NJ 2000, 126; HR 25 januari 2005, LJN AR7190.

3 Vgl. HR 9 februari 1993, NJ 1993, 645; HR 12 maart 2002, LJN AD8903 (rov. 3 e.v.); HR 10 februari 2004, NJ 2004, 452, m.nt. Kn; HR 7 september 2004, LJN AP0191;Zie over rechtspraak van het EHRM aangaande de motivering van getuigenverzoeken: B. de Wilde, 'Terra Incognita, Straatsburgse eisen aan getuigenverzoeken in strafzaken', NJB 2007, nr. 23, p. 1399.

4 Zie bijvoorbeeld HR 20 juni 2006, NJ 2006, 381

5 Zie NLR 2/141.

6 Zie voor een tweetrapsredenering bij medeplichtigheid HR 2 oktober 2007, LJN BA7932.

7 In HR 26 oktober 2004, NJ 2004, 682, waarnaar de steller van het middel verwijst, had de verdachte blijkens de bewijsmiddelen zelf geen bijdrage geleverd aan het toegepaste geweld en was het voornemen ernstig geweld te gebruiken minder evident dan in onderhavige zaak, waarin immers meerdere personen samen met de verdachte zichtbaar voorzien van messen en vuurwapen verhaal gingen halen.

8 Zie daartoe de bewijsmiddelen 4 en 5 voor zover het betreft de verklaringen dat verdachte na het schot in het café iedereen maande weg te gaan. Zie ook bewijsmiddelen 6 en 7, 9, 15, 25.

9 Ik wijs echter ook op de als bewijsmiddel 5 gebezigde verklaring van [medeverdachte 2]: "Ik werd weer gebeld door mijn vader. Hij zei dat ik terug moest naar de woning om zijn pistool te halen." Zie ook bewijsmiddellen 16 en 20.

10 Vgl. HR 4 april 2006, LJN AU9428. De voorbedachte raad kan ook worden aangenomen in de vorm van voorwaardelijk opzet (vgl. HR 17 september 2002, LJN AE6118 en HR 8 april 1997, NJ 1997, 443). De verdachte aanvaardde hier bewust de aanmerkelijke kans op noodlottige gevolgen. Voor het aannemen van de voorbedachte raad is vervolgens doorslaggevend dat verdachte de gelegenheid heeft gehad zich op die aanmerkelijke kans te beraden (vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 241).

11 Vgl. Corstens 2005, p. 632.

12 HR 23 oktober 2007, LJN BA5858.