Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC6000

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
03420/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC6000
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aanwezigheidsrecht. Namens de Voorzitter van het Hof is aan de raadsman toegezegd dat het aanhoudingsverzoek door het Hof zou worden gehonoreerd en dat de zaak voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden. Dit bregnt mee dat verdachte ervan mocht uitgaan dat de zaak niet inhoudelijk zou worden behandeld die dag. Hieruit volgt dat niet kan worden aangenomen dat verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht om bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Gelet op art. 6.1 EVRM dient verdachte de mogelijkheid te hebben om haar zaak alsnog in h.b. in haar tegenwoordigheid te doen behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 280
RvdW 2008, 441
NJB 2008, 980

Conclusie

Nr. 03420/06

Mr Machielse

Zitting 12 februari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage, enkelvoudige kamer, heeft bij arrest van 11 juli 2006 verdachte voor "Als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" bij verstek veroordeeld tot het betalen van een geldboete van EUR 480,-, subsidiair negen dagen hechtenis. Voorts is haar de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen ontzegd voor de duur van vier maanden.

2. Mr. L.P.H. de Milliano, advocaat te Katwijk, heeft tijdig cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Om aan de bespreking van het middel toe te kunnen komen, dient eerst de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep bevestigend te worden beantwoord. In dit kader merk ik het volgende op.

3.2. Blijkens de akte van uitreiking heeft verdachte de dagvaarding in hoger beroep op 5 mei 2006 in persoon betekend gekregen. Dat brengt met zich dat het op de dag van de zitting uitgesproken arrest veertien dagen na 11 juli 2006 onherroepelijk is geworden. Tegen het arrest is echter eerst op 26 oktober 2006 beroep in cassatie ingesteld.

Nu de termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel van openbare orde zijn, betekent overschrijding van die termijn in de regel dat verdachte niet in het beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan voor het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit.(1)

3.3. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juli 2006 staat, voor zover hier van belang, het volgende aangetekend:

"De verdachte, gedagvaard als:

(...)

is niet ter terechtzitting verschenen.

Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte en beveelt dat de behandeling buiten haar aanwezigheid wordt voortgezet.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De voorzitter deelt mede de korte inhoud van:

-een faxbericht van de raadsman mr. L.P.H. de Miliano (AM: Milliano) aan de advocaat-generaal;

ingekomen d.d. 30 mei 2006 met het verzoek tot intrekking van de onderhavige dagvaarding;

-een brief van de raadsman mr. L.P.H. de Miliano (AM: Milliano);

ingekomen d.d. 6 juli 2006 met het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak en tevens gelijktijdige behandeling met parketnummer 09-712162-05;

-een schriftelijk stuk betreffende correspondentie tussen ressortsparket en de voorzitter met daarop kennelijk de aantekeningen van de voorzitter:

a: d.d. 2/6 aanhouding onbep. tijd toegezegd;

b: bellen en vragen of er geen kantoorgenoot is die de zaak (enkelvoudige kantonzaak) zou kunnen overnemen;

c: als dat echt niet kan mag je aanhouding toezeggen: de dagvaarding wordt niet ingetrokken, maar de zaak wordt op de zitting aangehouden;

(...)

De advocaat-generaal voert hierna het woord en leest zijn schriftelijke vordering voor.

(...)

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het hof terstond uitspraak."

3.4. De in het proces-verbaal van de terechtzitting bedoelde stukken bevinden zich in het dossier.

Gelet op de mededelingen namens de voorzitter gedaan, is de verdediging op het verkeerde been gezet. Zij heeft erop mogen vertrouwen dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep zou worden aangehouden en dat een oproeping voor een nadere zitting aan haar zou worden toegezonden.(2) Het te laat aanwenden van het rechtsmiddel in deze zaak is daarmee verontschuldigbaar.(3)

4.1. Ik kom toe aan bespreking van het middel, dat natuurlijk verband houdt met de hierboven weergegeven gang van zaken.

4.2. Het middel houdt als eerste klacht in dat er tegen verdachte geen verstek had mogen worden verleend.

De stelling dat geen verstek mag worden verleend in het geval dat op voorhand om aanhouding is gevraagd en deze is toegezegd vindt geen steun in het recht. Immers, na de verstekverlening kan het onderzoek nog steeds worden geschorst om verdachte de gelegenheid te bieden ter terechtzitting aanwezig te zijn. In vergelijkbare gevallen casseert Uw Raad niet omdat ten onrechte verstek was verleend, maar omdat bij het daarna inhoudelijk behandelen en afdoen van de zaak, gelet op de toezeggingen, sprake is van een motiveringsgebrek.(4) Voor zover het middel klaagt over het ten onrechte verlenen van verstek, moet het falen: de dagvaarding is niet nietig en er was kennelijk geen behoefte aan een bevel tot medebrenging van de verdachte.

4.3. Het middel beroept zich ook op schending van het aanwezigheidsrecht. Het hof had ervan uit dienen te gaan dat verdachte, althans haar raadsman, ter terechtzitting aanwezig had willen zijn gelet op het feit dat de raadsman om uitstel van de behandeling had gevraagd.(5)

4.4. Nadat verdachte op 5 mei 2006 de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen in persoon betekend heeft gekregen, heeft haar raadsman bij schrijven van 30 mei 2006 in verband met zijn vakantie verzocht een nieuwe datum te bepalen voor de behandeling van de zaak. Blijkens de aantekeningen op een formulier dat aan de voorzitter van de strafkamer is voorgelegd, mocht de medewerkster van de strafgriffie, als er geen kantoorgenoot van de raadsman kon optreden, namens de voorzitter de toezegging doen dat de zaak zal worden aangehouden. Op 2 juli 2006, toen de medewerkster kennelijk van de raadsman heeft begrepen dat er geen kantoorgenoot kon optreden op 11 juli 2006, is deze toezegging aan de raadsman gedaan. Ter terechtzitting van 11 juli 2006 is de zaak bij verstek behandeld en afgedaan. Klaarblijkelijk is op 11 juli 2006 de gedane toezegging (alsmede dat zich een raadsman had gesteld) geheel over het hoofd gezien.

4.5. Op grond van de onder 4.4 vermelde omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van haar recht om bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak in hoger beroep aanwezig te zijn. Bij deze stand van zaken is het oordeel van het hof, dat zonder de aanwezigheid van verdachte (en de raadsman) de zaak inhoudelijk kon worden behandelen en afgedaan zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Gelet op art. 6, eerste lid, EVRM dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om haar zaak alsnog in hoger beroep in haar tegenwoordigheid te doen behandelen.(6)

5. Het middel is terecht voorgesteld. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Bijv. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253; HR 21 juni 2005, LJN AT4371; HR 10 oktober 2006, LJN AX8680 en HR 23 januari 2007, LJN AZ3592.

2 Vgl. nog HR 4 mei 2004, LJN AO5706.

3 Dit ligt anders als de raadsman op zijn verzoek om aanhouding geen toezegging heeft gekregen. Immers, verzoeken om aanhouding worden ter terechtzitting gedaan en daarop wordt ter terechtzitting beslist, omdat een dergelijke beslissing niet buiten de terechtzitting kán worden genomen. Een raadsman doet er in dat geval goed aan zich toch naar de zitting te begeven, of tijdig, in geval met een eventueel lopende termijn, inlichtingen in te winnen wat er ter zitting is besloten. Wel kan, zoals in de onderhavige casus, bij wijze van service, op voorhand worden toegezegd dat ter terechtzitting het aanhoudingsverzoek aan de orde zal komen en zal worden gehonoreerd.

4 De door de steller van het middel aangehaalde HR 16 februari 1982, NJ 1982, 381 m.nt. Van Veen (toezegging PG bij het hof). Zie voorts HR 12 april 1988, NJ 1989, 414 (toezegging PG bij het hof is niet gebleken); het eerder aangehaalde HR 27 januari 2007, LJN AZ3592 (mededeling griffie dat aanhouding zou worden gehonoreerd).

5 Dat de zaak is afgedaan zonder dat van enig onderzoek naar de afwezige raadsman is gebleken, - hij heeft zich immers gesteld en op 1 juni 2006 stukken toegezonden gekregen - zou ook een voor de hand liggende klacht in cassatie zijn, maar zelfs welwillend lezend kan ik een dergelijke klacht niet in het middel terugvinden.

6 HR 30 mei 2006, LJN AV6094.