Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5975

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
00485/06 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5975
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. De HR verenigt zich met de conclusie AG en de gronden waarop deze berust, kortgezegd inhoudend dat er sprake is van een omstandigheid die het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, ware hij daarmee bekend gewest, aanvrager zou hebben vrijgesproken. Aanvraag gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 306
RvdW 2008, 472

Conclusie

Nr. 00485/06 H

Mr. Knigge

Zitting: 19 februari 2008

Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. De aanvrager tot herziening is bij uitspraak van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 20 april 2004 bij verstek wegens "poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Daar de dagvaarding voor de terechtzitting in persoon was uitgereikt, en tegen deze uitspraak niet binnen veertien dagen na het wijzen ervan een rechtsmiddel is ingesteld, is zij onherroepelijk geworden.

2. Namens de aanvrager heeft mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, advocaat te Amsterdam, een herzieningsverzoek ingediend dat op 17 maart 2006 ter griffie van de Hoge Raad is ontvangen. Voorts is op 27 maart 2006 een aanvulling op dit herzieningsverzoek ter griffie ontvangen.

3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv, er in gelegen dat het de Politierechter niet bekend kan zijn geweest dat een andere persoon zich na door de politie te zijn aangehouden heeft bediend van de personalia van de aanvrager, en zich aldus voor hem heeft uitgegeven.

4. Het vonnis van de Politierechter is niet uitgewerkt. De stukken van het dossier houden in dat op donderdag 13 november 2003 omstreeks 2.20 uur door politieambtenaren een autoalarm is gehoord en gezien is dat een man de deur van de desbetreffende auto dichtgooide en wegrende. De auto waarin deze man stapte en die hij bestuurde is vervolgens tot stilstand gebracht en daarbij zijn twee personen aangehouden die opgaven te zijn: [aanvrager] (bestuurder van de auto), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [a-straat 1], [postcode] [woonplaats] en [betrokkene 1] (passagier in de auto), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [a-straat 1], [postcode] [woonplaats]. In hun auto, die volgens het proces-verbaal van bevindingen "later" bleek eigendom te zijn van [betrokkene 1],(1) werd een ruitentikker aangetroffen. De auto waarvan het alarm was afgegaan bleek een kapotgeslagen ruit te hebben. Degene die opgaf te zijn [betrokkene 1] is op donderdag13 november 2003 om 14.20 heengezonden.(2) Degene die opgaf te zijn [aanvrager] heeft in zijn verhoor door de politie, onder meer het volgende verklaard:

"Ik woon in [woonplaats] op de [a-straat 1]. Ik woon daar samen met mijn ouders, mijn zusje en mijn broer. Ik ben getrouwd sinds 2,5 jaar en ik heb een dochtertje van 1,5 jaar. Zij wonen in [plaats A]. Ik weet het adres niet. Ik heb werk. Ik werk daar als heftruckchauffeur in [bedrijf A]. Dit is een bedrijf dat handelt in kantoorartikelen. Ik werk daar sinds 7 maanden. Nu heb ik een week verlof. Ik verdien daar ongeveer 1700 Euro per maand als ik voltijd werk. Ik werk daar nu nog als uitzendkracht.(...)

Ongeveer een maand geleden heb ik ruzie gehad op het station in Zaandam met 4 jongens uit Amsterdam. Ze hebben mijn tand er toen uitgeslagen. Ik wist dat ze een Mercedes hadden. (...) Vanaf die dag heb ik de auto gezocht. Gisteren zag ik de auto staan. Ik heb mijn auto geparkeerd en ik heb het rechtervoorruit (passagierskant) ingeslagen met een ramentikker. Deze ramentikker heb ik altijd in de auto. Ik heb de ruit van de Mercedes ingeslagen onder het mom van: Mijn tand dus jouw raam. (...) Mijn broer ([betrokkene 1]) heeft er niets mee te maken. Hij weet waarschijnlijk niet eens dat ik het gedaan heb. Hij bleef namelijk in de auto zitten en ik heb donkere ramen. Dan kan je dus moeilijk naar buiten kijken."

Aan degene die opgaf te zijn [aanvrager] is voordat hij op 13 november 2003 om 14.25 uur werd heengezonden om 14.23 uur in persoon de dagvaarding uitgereikt die tot voormelde veroordeling heeft geleid.(3)

5. Aanvrager stelt zich in de herzieningsaanvrage op het standpunt dat hij de hem verweten gedragen niet heeft begaan en dat sprake is van een persoonsverwisseling doordat een ander gebruik heeft gemaakt van zijn personalia. Hij voert daartoe in de aanvrage aan dat:

(i) hij ten tijde van het feit thuis lag te slapen, ter ondersteuning waarvan hij een verklaring van zijn echtgenote heeft overgelegd.

De ondertekende verklaring van de echtgenote van aanvrager van 10 maart 2006 houdt in dat aanvrager op de avond van woensdag 12 november 2003 omstreeks 22.00 uur thuis naar bed is gegaan en de volgende ochtend, donderdag 13 november 2004 (bedoeld is kennelijk: 2003) tussen 6.30 en 6.45 uur is vertrokken om op 7.30 op zijn werk in [plaats B] te zijn.

(ii) hij de ochtend van donderdag 13 november 2003, toen de aangehouden verdachte nog vast zat (zie boven: heenzending op donderdag 13 november 2003 te 14.25 uur) op zijn werk is geweest. Ter ondersteuning van deze stelling is bij de aanvrage een ondertekende brief van [betrokkene 2], magazijnchef bij [B] B.V. te [plaats B] van 13 september 2004 overgelegd. Deze brief houdt in dat aanvrager de gehele week 46 van 2003 heeft gewerkt. Bij de brief bevindt zich een kopie van een kaart betreffende "[aanvrager], 2003, week 46" waarop kennelijk de aankomst- en vertrektijd is afgestempeld althans ingetekend, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat aanvrager in die week vijf dagen heeft gewerkt telkens vanaf ongeveer 7.15 uur. De vierde kolom (naar ik aanneem betrekking hebbend op donderdag) vermeldt als aankomsttijd 7.14 uur en als vertrektijd 16.51. Voorts bevindt zich bij deze brief een "uren en kostenregistratie" betreffende "2003, weeknr. 46, naam [aanvrager]", waaruit kan worden afgeleid dat hij van maandag tot en met vrijdag heeft gewerkt. Als op donderdag gewerkte uren vermeldt deze kaart 9 (waaronder 0.75 overuren, hetgeen correspondeert met de vertrektijd die later was dan normaal). Beide aan de brief gehechte stukken zijn voorzien van een paraaf en een stempel van [B] BV.

(iii) de door de aangehouden verdachte afgelegde verklaring omtrent zijn adresgegevens en persoonlijke omstandigheden op diverse punten - in meer of mindere mate aantoonbaar - niet overeenstemt met de adresgegevens en persoonlijke omstandigheden van aanvrager.

(iv) de handtekening van de aangehouden verdachte onder de door hem afgelegde verklaring niet overeenstemt met de handtekening van aanvrager, ter ondersteuning waarvan een bij de aanvrage gevoegd afschrift van zijn huwelijksakte kan dienen.

(v) aanvragers broer [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, in het verleden na aanhouding door de politie, gebruik heeft gemaakt van aanvragers personalia, ter ondersteuning waarvan in de aanvrage is aangevoerd dat dit door deze broer ook zou zijn toegegeven tegenover de politie Zaanstad. Hiervan is volgens de aanvrage proces-verbaal opgemaakt onder nummer PL 1150-01-014799 (nr 01-044140). Dit proces-verbaal bevindt zich niet bij de aanvrage.

In de aanvulling op de aanvrage wordt nog aangevoerd dat:

(vi) de aangehouden verdachte heeft verklaard de autoruit te hebben ingeslagen bij wijze van vergelding omdat hem bij een ruzie ongeveer een maand eerder een tand uit de mond is geslagen, zulks terwijl bij deze aanvulling een verklaring van de tandarts van aanvrager van 7 oktober 2004 is overgelegd, waarin deze verklaart aanvrager op 3 september 2003 voor het eerst te hebben gezien en tot aan aanvragers laatste bezoek op 6 oktober 2004 niet te hebben kunnen constateren dat aanvrager is behandeld als gevolg van trauma.

6. Naar aanleiding van de aanvrage is dezerzijds aan het College van Procureurs-Generaal verzocht het mogelijke onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dat nader onderzoek ontving ik eind februari 2007.

7. Tot de resultaten van dit nader onderzoek behoren twee processen-verbaal betreffende de confrontatie op 7 december 2006 van de aanvrager met de destijds dienstdoende hoofdagenten van politie [verbalisant 1] en [verbalisant 2].Bij de confrontatie was de advocaat van de "verdachte" aanwezig. Het door [verbalisant 1] opgemaakte proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, in:

"Ik, verbalisant, herkende de verdachte als zijnde de verdachte welke ik op 13-11-2003 te 10:20 uur heb verhoord ter zake inbraak in een motorvoertuig. Ik zag dat de verdachte zijn haar had geknipt en een verzorgd uiterlijk had. Ik weet dat de verdachte in 2003 lang haar had tot op de schouders".

Het door [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van belang, in:

"Ik, verbalisant, kan mij de verdachte herinneren als een turkse man met lang zwart haar. Ik heb de persoon waarmee ik geconfronteerd ben niet met zekerheid herkend."

8. Een bij voormelde processen-verbaal gevoegde brief van de Hoofdofficier van Justitie te Amsterdam houdt voor zover hier van belang in:

"Geen van beide verdachten is destijds in verzekering gesteld, zodat geen dactyloscopisch signalement van de aangehouden verdachten is gemaakt, noch zijn er politiefoto's gemaakt".

9. Voormelde stukken voeg ik bij het dossier. Een kopie daarvan is op 20 februari 2007 aan de raadsman van aanvrager gezonden, teneinde deze op de voet van art. 462, derde lid, Sv in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt door middel van een op 14 april 2007 ontvangen schrijven van mr. Hoppenbrouwers.

10. In dat schrijven stelt mr. Hoppenbrouwers dat aanvrager betwist dat hij omstreeks 13 november 2003 lang zwart haar had en dat aanvrager stelt dat zijn broer destijds wel aan die omschrijving voldeed. Bewijsstukken die een en ander kunnen ondersteunen, zijn evenwel niet bijgevoegd. Dat neemt niet weg dat het gestelde de vraag oproept hoeveel waarde kan worden toegekend aan de herkenning door verbalisant [verbalisant 1].

11. Ik merk in dit verband het volgende op. De confrontatie met aanvrager vond meer dan drie jaar na dato plaats. Het mag knap heten dat de verbalisant aanvrager ondanks diens veranderde - of beter: andere - uiterlijk herkende als de verdachte die hij destijds had verhoord, maar de vraag is natuurlijk op welke uiterlijke kenmerken die herkenning dan wél is gebaseerd als het verzorgde uiterlijk en de haardracht afwijkend waren. Daar komt bij dat als ervan uitgegaan wordt dat één van de destijds aangehouden verdachten aanvragers broer [betrokkene 1] was, het niet ondenkbaar is dat de herkenning voortkomt uit de (familie)gelijkenis die aanvrager mogelijk met zijn broer heeft. Veel betekenis kan derhalve naar mijn oordeel niet aan de herkenning worden toegekend, waarbij ik er nog op wijs dat verbalisant [verbalisant 2] de aanvrager niet met zekerheid herkende.

12. Mij heeft dit aanleiding gegeven om het College van Procureurs-Generaal om het verrichten van aanvullend onderzoek te doen vragen. Hoewel dit aanvullende verzoek reeds op 17 april 2007 uitging, mocht ik de resultaten van het gevraagde onderzoek, ondanks herhaald aandringen tot meer spoed, eerst op 5 februari 2008 ontvangen.

13. Tot die resultaten behoort een proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2008, opgemaakt door [verbalisant 3], inspecteur van de regiopolitie Amsterdam Amstelland. Dit proces-verbaal houdt in dat de verbalisant erin is geslaagd [betrokkene 2] te traceren. [Betrokkene 2] was destijds magazijnchef bij [B] B.V. te [plaats B] en is de persoon die schriftelijk zou hebben verklaard dat aanvrager de gehele week van 13 november 2003 bij genoemd bedrijf heeft gewerkt (zie hiervoor, punt 5 onder (ii)). Als telefonisch tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2] houdt het proces-verbaal onder meer het volgende in:

"Ik kan mij herinneren dat [aanvrager] 2 of 3 maal bij mij is geweest met het verzoek om een brief voor hem te schrijven. Hij vroeg dan om in de brief te schrijven dat hij op een bepaalde dag tussen bepaalde tijden had gewerkt en ook aanwezig was geweest. [Aanvrager] heeft mij toen verteld dat er iemand, ik meen een familielid, gebruik maakte van zijn identiteit en dat hij, [aanvrager], daardoor bekeuringen kreeg voor feiten die hij niet had gepleegd.

Ik ben in dat soort dingen heel secuur en heb voordat ik de brieven schreef voor [aanvrager] eerst op de dienstlijsten gekeken of hij die dagen wel dienst had. Ook heb ik de gegevens van de prikklok nog bekeken en ik heb daarbij gezien dat [aanvrager] zich op de tijden dat hij diende te werken keurig had ingemeld en uit had gemeld. Na dit te hebben gecontroleerd heb ik ook daadwerkelijk de brieven geschreven voor [aanvrager]."

14. Ik stel voorop dat het politiedossier geen identificerende aanknopingspunten bevat die een grote mate van zekerheid geven omtrent de identiteit van de destijds aangehouden persoon. Vingerafdrukken zijn niet afgenomen, foto's niet gemaakt. Het bewijs tegen aanvrager berust geheel op de verklaring die de aangehouden persoon destijds heeft afgelegd. Uit niets blijkt dat de identiteit van die persoon op enige andere wijze dan door raadpleging van het GBA is geverifieerd. De zwakte van de bewijsvoering in deze zaak maakt dat nieuwe, de rechter onbekende gegevens relatief snel ernstige twijfel oproepen aan de juistheid van de veroordeling.

15. De belangrijkste steunpilaar waarop de aanvrage rust vormt naar mijn mening de werkgeversverklaring van [betrokkene 2] bezien in samenhang met de daarbij gevoegde bescheiden. Bestudering van die bescheiden leert mijns inziens dat zij geen andere conclusie toelaten dan dat de aanvrager niet de persoon kan zijn geweest die op 13 november 2003 om 2.20 uur is aangehouden en die eerst om 14.25 uur diezelfde dag is heengezonden. Dit is alleen anders als aangenomen zou moeten worden dat sprake is van een kunstige vervalsing. Mede gelet op de hiervoor weergegeven verklaring die [betrokkene 2] tegenover de verbalisant aflegde, is er evenwel geen enkele reden om te veronderstellen dat daarvan sprake is.

16. Dit brengt mij tot de slotsom dat de werkgeversverklaring van [betrokkene 2], bezien in samenhang met de daarbij gevoegde bescheiden en de later tegenover de verbalisant afgelegde verklaring, een omstandigheid oplevert die het ernstige vermoeden wekt dat de rechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken.

17. Gelet op deze slotsom kan een bespreking van de overige stellingen en bewijsstukken waarop de aanvrage is gegrond, achterwege blijven. Ik merk slechts op dat, hoewel de veronderstelling dat de broer van de aanvrager zich voor hem heeft uitgegeven zich op het eerste gezicht moeilijk laat rijmen met het feit dan één van de aangehouden verdachten zich van de personalia van die broer bediende, dit mijns inziens aan de gegrondheid van de aanvrage niet af kan doen. Diverse scenario's laten zich hier denken. Zo kan het zijn dat de broer van aanvrager met een onbekend gebleven persoon op stap was die zich, op instigatie van die broer, voor aanvrager heeft uitgegeven. Mogelijk is ook dat die onbekende ander zich van de personalia van de broer bediende en de broer zich van die van aanvrager. Niet uitgesloten is zelfs dat het om twee onbekende personen ging die zich voor de gebroeders Cankaya uitgaven.(4)

18. Ik concludeer dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie doorgenummerde p. 6. Enige bevestiging of onderbouwing hiervan heb ik in het dossier niet aangetroffen. De hierna geciteerde verklaring van degene die opgaf te zijn [aanvrager] wekt de indruk dat hij de eigenaar van de auto was.

2 Het proces-verbaal (p. 4) vermeldt "donderdag 14 november 2003". Aangezien 14 november 2003 een vrijdag was en de verdachten niet in verzekering zijn gesteld is hier sprake van een kennelijke vergissing. Ten overvloede wijs ik nog op de akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding, waarin als datum wél 13 november 2003 staat vermeld.

3 Ook hier spreekt het proces-verbaal (p. 4) telkens kennelijk bij vergissing van donderdag 14 november 2003. gesproken. De vergissing heeft ongelukkig genoeg doorgewerkt in het mijnerzijds gedane aanvullende verzoek om nader onderzoek (hierna, punt 12) en in het proces-verbaal dat daarvan het resultaat was (hierna, punt 13). Voor de beoordeling van de aanvrage is dit echter van geen enkel belang.

4 In het destijds opgemaakte proces-verbaal wordt vermeld dat de verdachten in de auto van [betrokkene 1] reden, maar waarop die vermelding is gebaseerd (alleen op de verklaringen van de verdachten?), blijkt niet. Het mijnerzijds gedane verzoek om nader onderzoek had mede op dit punt betrekking, maar werk lijkt daarvan niet te zijn gemaakt.