Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
00134/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 285a (oud) Sr, betekenis bestanddeel “opzettelijk”. Art. 285a (oud) Sr strekt i.h.b. ertoe de vrijheid van personen te beschermen om onbelemmerd t.o.v. een rechter of een ambtenaar een verklaring te kunnen afleggen. Gelet op de plaats van het bestanddeel “opzettelijk” in de delictsomschrijving moet ervan worden uitgegaan dat voor strafbaarheid o.g.v. die bepaling is vereist dat het opzet van de verdachte mede gericht is op de in die bepaling genoemde beïnvloeding, welk opzet ook uit de gedraging en de omstandigheden waaronder die gedraging is verricht kan worden afgeleid. Het Hof heeft vastgesteld dat verdachte en diens medeverdachte degene die tegen hen aangifte van poging tot diefstal had gedaan en die als getuige t.t.z. zou worden gehoord, tot kort voor die tz. meermalen hebben benaderd, zowel bij hem op zijn werk, als bij hem thuis en telefonisch, om te praten over de door hem bij de politie afgelegde verklaring, hoewel de getuige te verstaan had gegeven tot een zodanig gesprek niet bereid te zijn. Hiervan uitgaande heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van art. 285a (oud) Sr en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het opzet van verdachte was gericht op de beïnvloeding van de getuige a.b.i. art. 285a (oud) Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 212
JOL 2008, 394
NJ 2008, 302
RvdW 2008, 542
NJB 2008, 1233
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00134/07

Mr Machielse

Zitting 12 februari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 5 december 2006 voor het "opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter af te leggen" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft Mr J. Steenbrink, advocate te Nijmegen, cassatie ingesteld. Mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof een verweer strekkende tot vrijspraak ten onrechte heeft verworpen en dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"hij omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 27 oktober 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens een persoon (te weten [slachtoffer]) heeft geuit, kennelijk, om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beinvloeden, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader die [slachtoffer] een aantal malen telefonisch en/of persoonlijk hebben/heeft benaderd waarbij die [slachtoffer] werd aangesproken over zijn verklaring, die hij met betrekking tot een inbraak tegenover (een) opsporingsambtena(a)r(en) had afgelegd en/of waarbij te kennen werd gegeven, dat er gesproken diende te worden over de verklaring, die die [slachtoffer] op de terechtzitting (van 03 november 2004) zou afleggen en/of waarbij die [slachtoffer] (telkens) mondeling en/of telefonisch al dan niet via een of meer andere personen werd toegevoegd:

"We willen over jouw verklaring praten"

en:

"Je vriendin is zojuist thuis gekomen, dus ik kom een andere keer wel terug" en:

"Ik wil je spreken, zeker voor de terechtzitting, anders kom ik langs op de bowlingbaan"

en (tegen vriendin van [slachtoffer]):

'Ik weet wel zéker, dat we hier iets mee bereiken",

althans woorden van gelijke bedreigende en/of intimiderende aard en/of strekking, terwijl verdachte en verdachtes mededader wisten althans ernstige reden hadden te vermoeden, dat die verklaring zou worden afgelegd."

3.3. Aan deze bewezenverklaring zijn de volgende bewijsmiddelen ten grondslag gelegd:

"

1. een proces-verbaal, voorzien van het mutatienummer PL081B/04-140612 (als bijlage pagina 25 t/m 28 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer PL081B/04-003310A), in de wettelijke vorm op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], opsporingsambtenaar van politie regio Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, gesloten en ondertekend op 27 oktober 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Op 5 mei 2004 heb ik aangifte gedaan van een poging tot diefstal. Ik heb de politie toen twee verdachte mannen aangewezen, die op heterdaad zijn aangehouden. Eén van deze twee mannen kende ik als een vaste klant van het bowlingcentrum waar ik werk als bedrijfsleider. Hij heet [verdachte]. Ik word sinds juni 2004 stelselmatig bedreigd en lastiggevallen door deze [verdachte] en zijn vriend [medeverdachte]. In september 2004 begonnen [medeverdachte] en [verdachte] regelmatig in het bowlingcentrum te komen. Ze vroegen dan of ik er was. Als ik voorbij kwam lopen, spraken ze mij ook aan. Dan spraken ze over de rechtszaak en mijn verklaring waar zij twijfels bij hadden. Ze hebben mij zelfs mijn verklaring, die ik op 5 mei 2004 bij de politie had afgelegd, gebracht. Ik heb deze toen gelezen en later heb ik telefonisch contact met [verdachte] gehad. Ik vertelde hem dat ik niets in die verklaring had gezien wat niet waar was en dat ik deze verklaring niet zou wijzigen. [Medeverdachte] belde mij toen terug en die wilde weer met mij praten. Ik vertelde hen dat ik al vaker met hen had gesproken en dat het mooi was geweest. Op 20 oktober 2004 kreeg ik een telefoontje op mijn mobiel. Ik hoorde [medeverdachte] tegen mij zeggen dat hij zojuist mijn vriendin thuis had zien komen en dat hij een volgende keer terug zou komen. Ik schrok hier toen heel erg van. Ik vreesde voor mijn gezin. Ik was en ben bang dat ze mijn kind of vriendin iets aandoen. Op 25 oktober 2004 stonden [medeverdachte] en [verdachte] bij [getuige] aan de deur. Ze vroegen weer waar ik was. [Getuige] en ik zijn hier heel angstig door geworden. We zijn ook bang dat het niet ophoudt na 3 november 2004. Ik kan u zeggen dat wij er serieus over gesproken hebben om mijn verklaring in te trekken, omdat ik het gevoel heb dat het dit allemaal niet waard is.

2. een proces-verbaal, voorzien van het mutatienummer PL081B/04-140612 (als bijlage pagina 38 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer PL081B/04-003310A), in de wettelijke vorm op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], opsporingsambtenaar van politie regio Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, gesloten en ondertekend op 2 november 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 2 november 2004 sprak ik, verbalisant, telefonisch met aangever [slachtoffer]. Hij vertelde mij dat hij op 30 oktober 2004 was gebeld door [medeverdachte]. [medeverdachte] wilde weer met hem praten. Aangever [slachtoffer] antwoordde hem dat er met hem niet te praten viel en dat hij hem niet eerder zou spreken dan woensdag 3 november aanstaande (terechtzitting te Arnhem). Hierop antwoordde [medeverdachte]: "dat moet toch, en zeker voor woensdag, anders kom ik bij je langs in de bowlingbaan".

3. het proces-verbaal terechtzitting van de politierechter te Arnhem van 28 april 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer]:

Het begon allemaal met de aangifte die ik heb gedaan in mei 2004, betrekking hebbende op de inbraak. Ik was samen met een aantal personeelsleden en ik sloot rond 03.00 uur de zaak af. Toen trof ik de twee mannen aan. Eén van de twee mannen heb ik herkend. [Verdachte] is een vaste klant van ons. Later wilden zij weten wat ik had verklaard. [Verdachte] en [medeverdachte] hebben contact met mij opgenomen. Zij zijn regelmatig voor mij in de zaak gekomen. Ze vroegen aan mij wat ik had verklaard over de inbraak. Ik ben meerdere malen bezocht door [verdachte] en [medeverdachte] en ze hebben mij ook telefonisch benaderd. In een korte tijd gebeurden er een heleboel dingen. Ik werd opgebeld door [medeverdachte], die mij mede deelde dat ze later bij mij thuis terug zouden komen, want ze zagen mijn vrouw net thuiskomen. [Medeverdachte] en [verdachte] zijn twee keer bij mij thuis geweest. Dat heeft veel impact op mijn leven gehad.

4. een proces-verbaal, voorzien van het mutatienummer PL081B/04-058435 (als bijlage pagina 31 t/m 33 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer PL081B/04-003310A), in de wettelijke vorm op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], opsporingsambtenaar van politie regio Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, gesloten en ondertekend op 27 oktober 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige]:

Ik woon samen met [slachtoffer]. Op 25 oktober 2004 zag ik uit het raam van onze woning twee mannen. Omdat [slachtoffer] zijn bedreigers had beschreven, meende ik hen te herkennen. Ik hoorde de voordeurbel. Ik riep boven uit het raam. Ze vroegen of [slachtoffer] thuis was. Ik opende de voordeur en heb hen gesproken op het tuinpad. Ik vroeg hen wat ze hier nou mee dachten te bereiken. Toen zei de langere man, terwijl hij mij recht in de ogen keek: "ik weet wel zeker dat we hier iets mee bereiken".

5. een proces-verbaal, voorzien van het mutatienummer PL081C/04-140612 (als bijlage pagina 45 t/m 48 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer PL081B/04-003310A), in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie regio Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, gesloten en ondertekend op 2 november 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [medeverdachte]:

In mei 2004 ben ik samen met [verdachte] aangehouden op verdenking van een poging diefstal bij de bowlingbaan. In het dossier stond dat [slachtoffer] aangifte had gedaan en dat hij ons voor honderd procent had herkend als de daders van de poging tot inbraak. [Verdachte] en ik zijn een paar keer naar de bowlingbaan gegaan. Ik heb [slachtoffer] gebeld en hij vertelde mij dat hij het niet meer over de zaak wilde hebben. [Verdachte] en ik hebben nog een aantal malen geprobeerd om met [slachtoffer] in contact te komen. Wij wilden hem over de zaak spreken. Mijn advocaat had [slachtoffer] opgeroepen als getuige in deze zaak. Wij hebben [slachtoffer] in totaal nog een keer of vier telefonisch gesproken. Het laatste telefoontje heb ik een paar dagen geleden gepleegd. Ik belde [slachtoffer] om te vragen of hij er toch nog eens over wilde praten. [Slachtoffer] gaf aan dat hij dat niet wilde en dat hij ons op woensdag 3 november 2004 in de rechtbank zou zien. Ongeveer een week geleden zijn [verdachte] en ik naar het huisadres van [slachtoffer] gegaan. Wij hebben daar aangebeld en de vriendin van [slachtoffer] opende de deur. Zij zei dat [slachtoffer] niet thuis was. De vriendin van [slachtoffer] zei tegen ons dat wij weg moesten gaan. Wij zijn al een keer eerder bij de woning van [slachtoffer] geweest. Wij zagen toen dat de vriendin van [slachtoffer] net thuis kwam. Ik heb toen naar [slachtoffer] gebeld. Ik heb toen tegen [slachtoffer] gezegd dat wij even langs wilden komen, maar dat wij zijn vrouw net thuis zagen komen. Op 25 oktober 2004 vroeg de vrouw van [slachtoffer] wat wij hiermee wilden bereiken. Ik heb haar uitgelegd dat wij [slachtoffer] over de zaak wilden spreken.

6. een proces-verbaal, voorzien van het mutatienummer PL081C/04-140612 (als bijlage pagina 52 t/m 55 gevoegd bij het proces-verbaal met dossiernummer PL081B/04-003310A), in de wettelijke vorm op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie regio Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, gesloten en ondertekend op 2 november 2004, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik ben een tijd geleden samen met [medeverdachte] aangehouden op verdenking van een poging inbraak bij het bowlingcentrum te [woonplaats]. Ik las in het dossier dat [slachtoffer] aangifte tegen mij en [medeverdachte] had gedaan. Ik ben toen samen met [medeverdachte] naar de bowlingbaan gegaan om met [slachtoffer] te praten. [Medeverdachte] en ik zijn met zijn tweeën naar [plaats A] gegaan om te kijken of [slachtoffer] thuis was. Dit bleek niet het geval en we hebben gesproken met de vrouw van [slachtoffer]. De vrouw van [slachtoffer] heeft aan ons gevraagd wat hiermee trachtten te bereiken. We hebben toen geantwoord dat we [slachtoffer] wilden spreken.

7. de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 21 november 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

We wilden met [slachtoffer] over zijn verklaring praten. De opmerkingen "ik wil je spreken, zeker voor de terechtzitting, anders kom ik langs op de bowlingbaan" en "ik weet wel zeker dat we hier iets mee bereiken", zijn wel geuit."

3.4. Het hof heeft een door de raadsvrouw gevoerd bewijsverweer als volgt verworpen:

"Het hof is van oordeel dat de door de raadsvrouw van verdachte bepleite vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof acht bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] opzettelijk heeft getracht te beïnvloeden, nu hij, tezamen met zijn medeverdachte, [slachtoffer] herhaaldelijk heeft aangesproken over de verklaring die hij op 3 november 2004 bij de rechtbank zou afleggen, ook nadat [slachtoffer] had aangegeven dat hij er niet meer met hen over wilde praten. De opmerkingen die verdachte en zijn medeverdachte daarbij hebben geuit, heeft [slachtoffer] als zeer bedreigend ervaren en naar het oordeel van het hof ook redelijkerwijs zo heeft kunnen ervaren. Het hof acht daarbij de verklaring van verdachte en zijn medeverdachte dat zij enkel de intentie hadden om met [slachtoffer] te praten teneinde te kunnen beoordelen of zij hem al dan niet als getuige zouden oproepen, niet aannemelijk, temeer daar uit het dossier blijkt dat de verdachten reeds wisten dat [slachtoffer] op 3 november 2004 als getuige een verklaring zou gaan afleggen bij de rechtbank."

3.5. Art. 285a Sr luidt als volgt:

"Hij die opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift of afbeelding zich jegens een persoon uit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beinvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de voerde categorie."

3.6. Volgens het middel is uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat verdachte het opzet heeft gehad op de in de bewezenverklaring bedoelde beinvloeding van [slachtoffer]. In dat verband is ook het oordeel dat de uitingen van verdachte en zijn medeverdachte als bedreigend konden worden ervaren volgens het middel ontoereikend gemotiveerd.

3.7. Het mag duidelijk zijn dat de verdachte en zijn medeverdachte de getuige niet behoorden te benaderen zoals zij dat hebben gedaan. De vraag is echter of de gedragingen zoals die uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken en de overwegingen die het hof daaraan wijdt grond bieden voor de opzettelijke beinvloeding zoals is bewezenverklaard. Het kan zich immers voordoen dat verdachten werkelijk de overtuiging hebben dat de getuige zich vergist en een ernstige drang voelen om daarover zonder kwade bedoelingen met de getuige te spreken. In dat geval is er ook sprake van een ongeoorloofd contact met getuigen in het kader van een strafproces, maar dan is de vraag of van het strafbare beinvloeden als bedoeld in art. 285a Sr sprake is. De klachten roepen kortom de vraag op wat de reikwijdte van de strafbepaling is.

3.8. Art. 285a Sr is in het Wetboek van Strafrecht terechtgekomen bij de wetswijziging betreffende de bedreigde getuige (Wet van 11 november 1993, Stb. 603). Bij die wijziging is geregeld onder welke voorwaarden verklaringen van getuigen die zich bedreigd voelen, in het strafproces kunnen worden verkregen en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De invoering van art. 285a Sr is in dat verband enigszins aan de aandacht van de Eerste en Tweede Kamer ontsnapt. De wetsgeschiedenis bevat nauwelijks informatie over de interpretatie van deze strafbepaling. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van deze bepaling houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Uit het reeds genoemde arrest X en Y tegen Nederland kan worden afgeleid dat het recht op eerbiediging van het privé-leven ook geldt in de verhouding tussen burgers onderling. Iedere burger, onder wie de verdachte, dient zich te onthouden van gedragingen, die nakoming van de verplichting van een andere burger om vrijelijk en in het openbaar in een strafzaak getuigenis af te leggen, kunnen verhinderen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de Staat om te zorgen voor een effectieve eerbiediging van het privéleven van de getuige in een dergelijke situatie."(1)

En:

"Het voorgestelde artikel 285a Sr kan betekenis hebben in die gevallen waarin uitlokking tot meineed niet aan de orde is, bij voorbeeld omdat het causale verband ontbreekt, of omdat het gebezigde middel niet voldoet aan de daarvoor in artikel 47 Sr gestelde eisen of omdat het gaat om een tegenover de politie afgelegde verklaring. Het rechtsgoed dat hier wordt beschermd is niet zo zeer de waarheid van de verklaring als wel de vrijheid - het onbelemmerd kunnen verklaren - van de betrokken persoon. Het kan nuttig zijn, dat bijvoorbeeld de politie een persoon die zich aan dergelijke uitingen te buiten wil gaan, onmiddellijk op het bestaan van deze strafbepaling kan attenderen.

Ik stel voor niet alleen de intimidatie van getuigen en deskundigen doch ook de intimidatie van personen die tijdens het opsporingsonderzoek een verklaring willen afleggen onder het bereik van de voorgestelde strafbepaling te brengen."(2)

3.9. Uit deze passage kan worden afgeleid dat de wetgever met art. 285a Sr niet heeft gedoeld op een bijzondere strafbaarstelling van het uitlokken tot meineed. De waarheidsgetrouwheid van verklaringen is niet het primair te beschermen rechtsgoed. Dat is de verklaringsvrijheid van de getuige. De bedoeling achter art. 285a Sr is getuigen te beschermen tegen handelingen van anderen die er toe kunnen strekken dat die getuigen zich niet meer vrij voelen naar waarheid te verklaren. De minister spreekt in dit verband over intimidatie.(3) Intimidatie wordt in de Van Dale omschreven als bangmakerij of vreesaanjaging. Als alternatieve betekenis wordt 'ontmoediging' genoemd. Aan intimidatie kan ook worden gedacht in situaties waarin van enige vorm van dreiging sprake is(4), misschien zelfs zodanig dat de getuige in feite moet worden verhinderd een verklaring af te leggen.(5) De wettekst en de bedoeling van art. 285a Sr bieden voor een dergelijke nauwe begrenzing echter weinig aanknopingspunten.

3.10. Mijn ambtgenoot Jörg merkt in zijn conclusie voor HR 3 juni 2003, nr. 01437/02 (ongepubliceerd) op dat de tekst van art. 285a Sr niet meebrengt dat de uitlatingen een bedreigend karakter moeten hebben. Begrenzingen ziet hij in de methoden van beinvloeding: door woord, gebaar, geschrift of afbeelding. Andere methoden vallen dus niet onder de strafbepaling. Verder is volgens A-G Jörg een beperking gelegen in de duidelijkheid waarmee diegene die de uiting doet, beoogt de verklaringsvrijheid te beinvloeden. Uit de bewijsmiddelen in de betreffende zaak bleek:

dat twee getuigen bij de politie verklaringen hadden afgelegd, nadat verdachte met anderen daarop bij de getuigen had aangedrongen;

dat er door verdachte en anderen gedreigd werd;

en dat verdachte en/of een ander de getuigen ophaalde en 'vergezelde' naar het politiebureau, het liefst tot in de verhoorkamer, waar zij vervolgens de betreffende 'ontlastende' verklaring aflegden.

Het middel, dat klaagde over een verkeerde uitleg van de termen 'zich uiten jegens een persoon', faalde en werd door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO afgedaan.

3.11. Mijn ambtgenoot Wortel heeft in zijn conclusie voor HR 4 februari 2003, nr. 02610/01 (ongepubliceerd) ook benadrukt dat art. 285a Sr niet meebrengt dat de uitlatingen een bedreigend of intimiderend karakter moeten hebben. Uit zijn conclusie in de betreffende zaak maak ik op dat uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid dat de verdachte tegen de door de RC opgeroepen getuige in een lijfelijk gesprek had gezegd dat je bij de politie nooit over een vriend moet praten zoals de getuige wel had gedaan. Verder had verdachte gebeld met de persoon tegen wie de getuige moest verklaren en gezegd dat verdachte het geheugen van getuige "wat had opgefrist". Tot slot had de getuige zelf verklaard dat hij door het gesprek met getuige "op andere gedachten [is] gekomen met betrekking tot de door mij afgelegde verklaring bij de politie in Duitsland." Het middel dat tegen de bewezenverklaring opkwam faalde en werd door de Hoge Raad afgedaan met toepassing van art. 81 RO. Van een evidente bedreiging bleek in deze zaak niet direct, maar de verdachte had de getuige wel gesproken over zijn verklaring en hem daarbij klaarblijkelijk gewezen op zaken die hij beter wel en beter niet zou kunnen verklaren.

3.12. De twee hier genoemde zaken laten zien dat het niet zinvol is om het woordgebruik in de Memorie van Toelichting over te nemen en te eisen dat er sprake is van een intimidatie in de zin van vreesaanjaging door een bedreigende sfeer te creëren. In beide gevallen is er - zelfs los van de bedreigingen in de eerste zaak - duidelijk sprake van een vorm van opzettelijk beinvloeden dat met woorden en gebaren gepaard gaat en waarvan de strekking erg duidelijk is. Ik sluit mij dus bij mijn ambtgenoten aan dat bedreigingen of een dreigende sfeer niet zijn vereist om te kunnen spreken van een opzettelijke beinvloeding van de getuige in diens verklaringsvrijheid. Indien wel sprake is van bedreigingen of een dreigende sfeer is dat natuurlijk wel een belangrijke omstandigheid bij het aannemen van een opzettelijke beinvloeding als bedoeld in art. 285a Sr. De term intimidatie zou dus meer uitgelegd moeten worden als het ontmoedigen een belastende verklaring af te leggen of andersom het aanmoedigen een ontlastende verklaring af te leggen. Ook twee recentere gepubliceerde zaken wijzen er op dat aan een dreigende sfeer geen doorslaggevende betekenis moet worden gegeven.

3.13. In HR 30 augustus 2005, NJ 2005, 544 werd een boekhouder op een notariskantoor door een opsporingsambtenaar van de FIOD uitgenodigd om als getuige te worden gehoord in een strafzaak tegen zijn werkgever. De opsporingsambtenaar had hem erop gewezen dat hij zonodig een beroep kon doen op zijn geheimhoudingsplicht. De werkgever deelde de boekhouder echter mee dat hij zonodig alleen tegenover de RC over clienten van het kantoor kon verklaren en zich tegenover de FIOD volledig op zijn geheimhoudingsverplichting diende te beroepen. Daaraan voegde hij toe: "Je zegt maar dat het gesprek niet doorgaat; anders neem ik maatregelen en krijg je ontslag." In de overwegingen van het hof klinkt door dat de werkgever zich wellicht niet ten onrechte ongerust maakte, omdat het risico bestond dat één van zijn werknemers onverplicht zijn geheimhoudingsplicht zou schenden, waarvoor de werkgever medeverantwoordelijk kon worden geacht. Volgens het hof konden de uitlatingen van de werkgever echter toch dermate bedreigend overkomen bij de boekhouder dat die zich ernstig belemmerd voelde in vrijheid verklaringen af te leggen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bewezenverklaarde terecht had gekwalificeerd als overtreding van art. 285a Sr en overwoog daarna nog als volgt.

"De stelling in de toelichting betreffende het eerste middel, dat voor die kwalificatie in de onderhavige zaak vastgesteld had moeten worden dat de beïnvloeding door de verdachte betrekking had op de verklaring van boekhouder S., voorzover deze verklaring niet zou vallen onder diens geheimhoudingsplicht, ziet eraan voorbij dat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat de verdachte genoemde S. op straffe van ontslag heeft verboden om enige verklaring af te leggen ten overstaan van de ambtenaar Van L. en dat de verdachte aldus de vrijheid van S. heeft beïnvloed om een verklaring af te leggen ten overstaan van een ambtenaar als bedoeld in art. 285a (oud) Sr."

3.14. De stelling in de toelichting op het eerste middel ging er klaarblijkelijk van uit dat het er inderdaad toe deed of de werkgever de boekhouder verhinderde enige verklaring af te leggen of slechts wilde verhinderen verklaringen af te leggen over onderwerpen waartoe zijn geheimhoudingsplicht zich uitstrekte. Omdat zijn uitingen ertoe strekten dat de boekhouder geen enkele verklaring zou afleggen, was zijn verweer in dat verband niet succesvol. Had de beinvloeding zich toespitst op het verklaren over onderwerpen waarvan men redelijkerwijs kan menen dat de geheimhoudingsplicht hen bestrijkt, dan zou wellicht aan de wederrechtelijkheid van de beïnvloeding kunnen worden getwijfeld.

3.15. De meest recente zaak is die van HR 12 september 2006, LJN AV6188. Daarin werd bewezenverklaard dat de verdachte:

"in de periode van 2 februari 2000 tot en met 7 februari 2000 in Nederland, heeft gepoogd om I. R. te bewegen opzettelijk mondeling zich jegens J. G. te uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen, te beïnvloeden, terwijl hij en die R. wisten dat die verklaring zou worden afgelegd, door in een telefoongesprek aan die R. na te noemen inlichting te verschaffen - zakelijk en in het Nederlands weergegeven - te weten, dat die R. contact moest doen of laten opnemen met die G., omdat het voor I. R. gunstig zou zijn als hij die G. - die op 7 februari 2000 te Antwerpen (B) als getuige zou worden gehoord door of vanwege de Nederlandse rechter-commissaris in een tegen I. R. aanhangige strafzaak - ertoe zou kunnen bewegen om bij gelegenheid van bedoeld getuigenverhoor te verklaren: dat hij, G., zich geen details kon herinneren en dat hij, G., (slechts) enkele brieven van de bank had ontvangen, maar dat hij zich niet kon herinneren van welke bank of zoiets en dat hij, G., een slecht geheugen had en dat hij, G., dit contact geheim moest houden."

3.16. M.b.t. dit feit had de verdediging de vraag gesteld of er wel sprake was van uitlokking, of dat R al van plan was om G te benaderen met het oog op diens af te leggen verklaring. Het hof had in een afzonderlijke bewijsoverweging uiteengezet waarom van oordeel was dat er toch van uitlokking sprake was. De Hoge Raad overwoog over het derde middel dat het feitelijk oordeel van het hof dat uit een afgeluisterd telefoongesprek niet viel af te leiden dat R reeds het voornemen had de getuige G in verband met het geplande verhoor van de rechter-commissaris te beïnvloeden, niet onbegrijpelijk was. In dat telefoongesprek was ook geen sprake van een suggestie om de getuige te bedreigen.

De bewezenverklaring bleef in cassatie in stand en leverde als zodanig poging tot uitlokking van art. 285a Sr op.

3.17. Alles overziend bieden de uitgangspunten die mijn ambtgenoot Jörg in HR 3 juni 2003, nr. 01437/02 (ongepubliceerd) noemde een belangrijk vertrekpunt bij de begrenzing van de reikwijdte van art. 285a Sr: de tekst van art. 285a Sr brengt niet mee dat de uitlatingen een bedreigend of vreesaanjagend intimiderend karakter moeten hebben. Wel zal er beïnvloeding moeten zijn; enige vorm van ontmoediging om een belastende verklaring af te leggen. Daarmee kan worden gelijkgesteld de aanmoediging om een ontlastende verklaring af te leggen. Een dreigende sfeer oproepen kan aan uitingen zeer wel de betekenis geven van een opzettelijke en krachtige beinvloeding als bedoeld in art. 285a Sr. Begrenzingen zijn te vinden in de methoden van beinvloeding: door woord, gebaar, geschrift of afbeelding. Andere methoden vallen dus niet onder de strafbepaling. Mijns inziens kunnen die aangewezen methoden zich ook via anderen tot de getuige richten.(6) Het bestanddeel 'kennelijk' duidt op een zekere objectivering, op een objectieve strekking. Het bestanddeel maakt het mogelijk dat niet hoeft te worden bewezenverklaard dat verdachte opzet had op het beïnvloeden van de getuige. Vast moet komen te staan dat verdachte zich jegens een persoon heeft geuit, en wel op zo een wijze of onder zodanige omstandigheden dat de bedoeling om de getuige te beïnvloeden redelijkerwijs mag worden vermoed. Ook als een verdachte beweert dat hij geenszins de bedoeling had een getuige te beïnvloeden kan een bewezenverklaring volgen als de gedraging van verdachte toch die kennelijk strekking had.

3.18. Duidelijk is dat verdachte en [medeverdachte] de getuige [slachtoffer] herhaalde malen hebben benaderd in verband met de verklaring die hij ter terechtzitting zou moeten afleggen. De getuige heeft hun te verstaan gegeven dat hij niet gediend was van hun pogingen om met hem in contact te komen. Dat heeft verdachte en [medeverdachte] er niet van weerhouden tot tweemaal toe bij de woning van de getuige langs te gaan, de vriendin van de getuige aan te spreken en de getuige meerdere malen op te bellen. Daarbij werd door [medeverdachte] aan de getuige te verstaan gegeven dat hij, als [slachtoffer] niet wilde praten, wel op diens werk zou langskomen. Beiden zijn ook herhaalde malen bij de getuige in de zaak geweest. Duidelijk was dat de verdachte en [medeverdachte] het niet eens waren met de aangifte die de getuige tegen hen had gedaan en de gedragingen van verdachte en [medeverdachte] zijn redelijkerwijs niet anders uit te leggen dan dat zij de getuige wilden bewegen om ter terechtzitting anders te verklaren.

3.19. Het hof heeft mijns inziens geen onjuiste uitleg gegeven aan de delictsinhoud van art. 285a Sr, in aanmerking genomen de objectivering die de wetgever in die bepaling heeft aangebracht. Ik acht het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II, 1991/92, 22 483, nr. 3, p. 5. Met "het arrest X en Y tegen Nederland" doelt de minister op EHRM 26 maart 1985, Series A no. 91.

2 Kamerstukken II, 1991/92, 22 483, nr. 3, p. 39.

3 Vgl. Kamerstukken II 2001/02, 28099, nr. 3, p. 3.

4 Vgl. Kamerstukken II 2004/05, nr. 30143, nr. 3, p. 16. Zie ook: HR 15 mei 2007, nr. 00913/06 (ongepubliceerd)

5 Vgl. Kamerstukken II 2005/06, 30143, nr. 7, p. 10.

6 Vgl. ten aanzien van belaging (art. 285b Sr): HR 1 juni 2004, NJ 2004, 354 en HR 23 november 2004, nr. 00829/04 (ongepubliceerd).