Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5939

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
07/10377 W
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBHAA:2007:BB0612
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5939
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS. Tul “vervangende hechtenis” bij ontneming mogelijk o.g.v. het VOGP? Betrokkene is in G-B veroordeeld tot 6 jr gs en een “confiscation order”, het betalen van (het equivalent van +/-) EUR 1,1 miljoen, subsidiair 3 jr “hechtenis”. Bij latere beslissing is de 3 jr “vervangende hechtenis” bevolen. De Rb heeft de Britse straf omgezet naar 50 mnd gs en de tul gelast van de vervangende hechtenis. In cassatie gaat het om de (toelaatbaarheid van de) tul van de 3 jr. HR: De Rb heeft kennelijk aangenomen dat het verzoek van de Britse autoriteiten tot tul van bedoelde beslissing uitsluitende berust op het VOGP. Uit de bewoordingen van art. 1 VOGP moet, mede gelet op doel en strekking van het Verdrag en in overeenstemming met het systeem van het VOGP, worden afgeleid dat onder “veroordeling” - in de authentieke verdragstalen: “sentence” onderscheidenlijk “condemnation” - niet is begrepen de rechterlijke last tot het ondergaan van vrijheidsbeneming in het geval als i.c. waarin de betalingsverplichting in Engeland blijft bestaan en de tul van de vrijheidsbeneming aldaar afhankelijk is van het al dan niet geheel of gedeeltelijk voldoen aan de nog openstaande betalingsverplichting. HR verklaart de op grond van het VOGP verzochte tul van vorenbedoelde beslissing niet toelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 374
NJ 2008, 483 met annotatie van A.H. Klip
RvdW 2008, 528
NJB 2008, 1186
JOW 2008, 54
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/10377 W

Mr. Bleichrodt

Zitting 5 februari 2008

Conclusie inzake:

[de veroordeelde]

1. De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 14 juni 2007 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Crown Court te Wolverhampton (Groot-Brittannië) van 8 augustus 2005, waarbij [de veroordeelde] is veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de betrokkene ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van vijftig maanden gevangenisstraf. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de betrokkene in Groot-Brittannië ter uitvoering van de hem daar opgelegde sanctie en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede de tijd die hij uit hoofde van de Overleveringswet en de WOTS van zijn vrijheid beroofd is geweest bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zullen worden gebracht.

De Rechtbank heeft verder toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het Magistrates Court te Birmingham van 3 juli 2006, waarbij aan veroordeelde een vervangende gevangenisstraf is opgelegd van drie jaren wegens niet-betaling van een bedrag tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, opgelegd op 8 augustus 2005 door het Crown Court te Wolverhampton. De rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van die beslissing en aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling (aan de Staat) van € 1.153.071, 75.

2. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft namens de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3. Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De betrokkene is door het Crown Court te Wolverhampton op 8 augustus 2005 veroordeeld tot gevangenisstraf ter zake van feiten die naar Nederlands recht opleveren "medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd". Die beslissing is door de Rechtbank als beslissing A aangeduid. Ten aanzien daarvan heeft de Rechtbank, nadat de betrokkene ingevolge het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74; verder VOGP) naar Nederland was overgebracht, met toepassing van art. 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder WOTS), verlof tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf verleend en de straf bepaald op vijftig maanden. Tegen dat onderdeel van de uitspraak van de Rechtbank richten de middelen zich niet, terwijl daar ook ambtshalve niets op valt aan te merken.

In verband met genoemde strafzaak heeft genoemd Crown Court ten aanzien van [de veroordeelde] echter op 8 augustus 2005 ook een "confiscation order" opgelegd ten bedrage van GBP 787.777,00.(1) Van dat bedrag stond nog open GBP 781.725,19 en in verband daarmee heeft het Magistrates Court te Birmingham bij beslissing van 3 juli 2006 (in de overwegingen van de Rechtbank beslissing B genoemd) de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsstraf van drie jaren bevolen.

Uit de beslissing van de Rechtbank en uit de stukken waarnaar zij verwijst volgt dat betrokkene van die vervangende straf nog niets heeft ondergaan.

4. De Rechtbank heeft voor zover hier van belang het volgende overwogen:

"4. De mogelijkheid van tenuitvoerlegging in Nederland van de buitenlandse rechterlijke beslissingen

De Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna te noemen: WOTS) in samenhang met de hierna te noemen Verdragen voorziet in de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van in Groot-Brittannië gewezen strafvonnissen in Nederland.

Ter fine van die tenuitvoerlegging voorziet het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, hierna te noemen het Verdrag, in de mogelijkheid tot overbrenging van een veroordeelde vanuit Groot-Brittannië naar Nederland. Bij dit Verdrag immers zijn zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland partij en het Verdrag is voor beide landen in werking getreden.

Voorts voorziet het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, hierna te noemen het witwasverdrag, in de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging van confiscatiebeslissingen. Ook bij dit Verdrag zijn zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland aangesloten en geldt dat het Verdrag voor beide landen in werking is getreden.

5. Standpunt van het openbaar ministerie en van de verdediging

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw van veroordeelde hebben het standpunt ingenomen dat overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren, opgelegd door het Crown Court te Wolverhampton, toelaatbaar is.

(...)

Ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsbeneming voor de duur van drie (3) jaren heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toelaatbaarverklaring en heeft hij tevens gevorderd verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor de duur van maximaal 18 maanden, ingaande op de dag van invrijheidstelling van de op te leggen gevangenisstraf, welke lijfsdwang dient ter verzekering van de betaling van het te ontnemen bedrag ter zake het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.153.071,75 (het equivalent van £ 781.725,19).

De raadsvrouw van veroordeelde heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat artikel 31 WOTS noch artikel 31a WOTS de mogelijkheid biedt de tenuitvoerlegging van de beslissing van 3 juli 2006 over te nemen, aangezien:

a. de opgelegde betalingsverplichting is komen te vervallen, waardoor artikel 31a WOTS toepassing mist;

b. het Nederlands recht sinds 2003 geen vervangende vrijheidsontneming in ontnemingszaken meer kent;

c. veroordeelde naar Engels recht de mogelijkheid heeft alsnog het ontnemingsbedrag te betalen waardoor de vrijheidsbeneming (eerder) eindigt;

d. de WOTS en het Wetboek van Strafvordering geen aanknopingspunten bieden voor omzetting van vervangende hechtenis in Iijfsdwang.

6. De toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging

6.1 Allereerst stelt de rechtbank vast dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde voorwaarden.

6.2 Blijkens de brief d.d. 15 maart 2007 van de National Offender Management Service (hierna te noemen: NOMS) zou veroordeelde met betrekking tot de gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld op 20 oktober 2008 en mogelijk reeds eerder, namelijk op of na 21 oktober 2007 "on Parole".

Na het uitzitten van deze straf zou veroordeelde aansluitend de drie jaar vervangende vrijheidsontneming moeten ondergaan, hetgeen betekent dat hij de helft daarvan, derhalve 18 maanden, moet zitten. Uitgaande van de voorwaardelijke invrijheidstelling ten aanzien van de gevangenisstraf van zes jaar op 21 oktober 2008, zou de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis een aanvang nemen op2I oktober 2008 en zou veroordeelde worden vrijgelaten op 21 april 2010. Dit betekent dat is voldaan aan de eis dat het strafrestant nog tenminste zes (6) maanden dient te zijn.

(...)

6.6 De rechtbank overweegt ten aanzien van beslissing B als volgt.

De Engelse autoriteiten hebben verzocht om overname van de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsontneming voor de duur van drie (3) jaar, welke is opgelegd door het Magistrates Court in Birmingham op 3 juli 2006 ter vervanging van een eerder uitgesproken "confiscation order". De rechtbank is van oordeel dat deze sanctie begrepen moet worden onder het sanctiebegrip van artikel 1 WOTS en dat derhalve artikel 31 WOTS van toepassing is. De vraag of deze veroordeling naar aard en duur verenigbaar is met het Nederlandse recht en zo nee welke straf of maatregel naar Nederlands recht op het overeenkomstige feit is gesteld, nu het Nederlands recht geen vervangende vrijheidsontneming kent, komt pas aan de orde na de beslissing ten aanzien van de toelaatbaarheid van de overname.

De rechtbank is gebleken dat de overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde voorwaarden en dat overigens geen der gronden zoals omschreven in artikel 30 lid 1 aanhef en onder b, c en d van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen zich in casu voordoet.

De tenuitvoerlegging ten aanzien van de vrijheidsbenemende sanctie voor de duur van drie (3) jaren dient derhalve toelaatbaar geacht te worden.

7. De toepasselijke verdragsbepalingen en wetsartikelen

Van toepassing zijn:

de artikelen 2, 3, 28, 30, 31 en 31a van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen,

de artikelen 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen en de artikelen 47, 57 en 42Obis van het Wetboek van Strafrecht.

(...)

8.5 Ten aanzien van beslissing B stelt de rechtbank vast dat de ontnemingsbeslissing is genomen en de betalingsverplichting is opgelegd in verband met het plegen van strafbare feiten, zoals hiervoor onder 8.2 en 8.3 besproken. Veroordeelde heeft, zo blijkt uit de brief van 25 juli 2006 van de NOMS, naar Engels recht de mogelijkheid alsnog te betalen met als gevolg dat de vervangende vrijheidsontneming (eerder) eindigt. Dat recht zou vervallen indien de Engelse vrijheidsontnemende sanctie wordt vervangen door een Nederlandse gevangenisstraf van drie (3) jaar.

Het gaat hier om vervangende vrijheidsontneming voor het niet betalen van het bij rechterlijk vonnis opgelegde ontnemingsbedrag. Naar Nederlands recht is sinds 1 september 2003 geen vervangende vrijheidsontneming meer mogelijk, maar bestaat wel de mogelijkheid - op vordering van de officier van justitie - verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van Iijfsdwang. Daartoe is in artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering een aparte rechtsgang opgenomen. Deze komt evenwel pas aan de orde indien volledige betaling is uitgebleven en volledig verhaal niet mogelijk is gebleken. Gronden die aanleiding zouden geven een lager ontnemingsbedrag vast te stellen dan aanvankelijk geschied, kunnen in het kader van de in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering voorziene procedure worden aangevoerd.

Hieruit volgt dat de sanctie naar haar aard niet verenigbaar is met het Nederlandse recht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, gelet op de in Engeland gegeven rechterlijke beslissing, de Nederlandse wetgeving terzake en de tussen het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-lerland en Nederland van toepassing zijnde Verdragen, de op te leggen sanctie gesteld moet worden op betaling van het equivalent in euro's van het pro resto ontnemingsbedrag als opgelegd door het Crown Court te Wolverhampton, zijnde € 1.153.071,75, waarna het aan de veroordeelde en de officier van justitie is in het kader van de tenuitvoerlegging van de sanctie gebruik te maken van de zojuist genoemde in de wet geregelde voorzieningen."

5 De middelen hebben betrekking op de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot beslissing B.

Het eerste middel voert aan dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd de tenuitvoerlegging van die beslissing toelaatbaar heeft verklaard en verlof tot tenuitvoerlegging heeft verleend en dat in het bijzonder het oordeel van de Rechtbank dat de overgelegde stukken genoegzaam zijn onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

Het tweede middel klaagt dat de Rechtbank kennelijk doch ten onrechte art. 31a WOTS als grondslag voor het verleende verlof tot tenuitvoerlegging heeft gehanteerd, terwijl ook overigens daarvoor geen grondslag bestaat.

Het derde middel komt naar uit de toelichting volgt erop neer dat door de beslissing van het Magistrates Court te Birmingham van 3 juli 2006 de betalingsverplichting van de betrokkene zou zijn opgeheven, zodat de Rechtbank ten onrechte een overeenkomstige betalingsverplichting heeft opgelegd. Die verplichting is immers door de Engelse rechter omgezet in een vervangende vrijheidsstraf van drie jaren. Verder kent de Nederlandse wet ten aanzien van een ontnemingsbeslissing geen vervangende hechtenis (meer) zodat, aldus nog steeds het middel, het gevraagde verlof had moeten worden geweigerd.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6 Een zich bij de stukken bevindende brief van NOMS, een onderdeel van het Britse Home Office van 25 juli 2006, waarin wordt verwezen naar het VOGP, houdt in dat [de veroordeelde], een Nederlands staatsburger, ten behoeve van de onderhavige strafvervolging is uitgeleverd aan Groot-Brittannië en dat daarbij door de Britse autoriteiten de verzekering is gegeven dat hij een eventuele vrijheidsstraf (in de hoofdzaak) in Nederland zou kunnen ondergaan, na omzetting van die vrijheidsstraf overeenkomstig art. 9, eerste lid, VOGP.

Voorts houdt die brief in:

"However I schould explain that the Confiscation Order is an order imposed by a court for the recovery of illegally made profits. Under UK law a prisoner is given a period of time during which he may settle the confiscation order i.e pay the amount owing in full. If the prisoner does not make payment in full by the prescribed date, the sentencing court may impose an additional term of imprisonment in default. This term can be reduced tot take account of any payments made to the court. If the prisoner makes full payment then the term of imprisonment is expunged. [De veroordeelde] can make payment at anytime up to the end of the term of default.

The 3 years imprisonment in default of non payment of the confiscation order will come into force on his release from his original 6 year sentence. [De veroordeelde] is therefore serving a sentence of 9 years imprisonment (...) "

7.1 Naar in de bestreden uitspraak besloten ligt, heeft de Rechtbank het in het derde middel bedoelde verweer verworpen, welk verweer in wezen overigens niet meer inhield dan de niet van nadere argumentatie voorziene stelling dat door de beslissing van het Magistrates Court van Birmingham van 3 juli 2006 de confiscation order was vervangen door vrijheidsstraf met als conclusie dat de betalingsverplichting niet meer bestaat en dus ook niet door Nederland kan worden overgenomen.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de veroordeelde nog het recht heeft om te betalen, waardoor vrijheidsontneming kan worden voorkomen en verder dat bedoeld recht zou vervallen indien de Engelse vrijheidsontnemende sanctie wordt vervangen door een Nederlandse gevangenisstraf. Tot een dergelijke vervanging is de Rechtbank om in de uitspraak vervatte redenen evenwel niet overgegaan, doch zij heeft de tenuitvoerlegging in Nederland van de aan [de veroordeelde] in Engeland opgelegde betalingsverplichting toelaatbaar geacht en daartoe verlof verleend. Een en ander kan niet anders worden begrepen dan dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat de Engelse, aan [de veroordeelde] opgelegde, betalingsverplichting nog van kracht was, in aanmerking genomen dat [de veroordeelde], zoals uit de vaststellingen van de Rechtbank volgt, van de door de Engelse rechter opgelegde vervangende vrijheidsstraf nog niets had ondergaan.

Dat oordeel van de Rechtbank is, mede gelet op wat hiervoor onder 6 is weergegeven, geenszins onbegrijpelijk. Daaruit kan immers afgeleid dat ook in het geval de Engelse rechter een vervangende vrijheidsstraf bepaalt, deze pas in kracht treedt op het moment dat de gevangene - na het ondergaan van zijn straf in de hoofdzaak - voor invrijheidstelling in aanmerking komt, dat nog tot het einde van het ondergaan van die "additional term" kan worden betaald, waarbij de vervangende vrijheidsstraf helemaal vervalt bij volledige betaling en deze bij gedeeltelijke betaling naar evenredigheid wordt verminderd. Anders gezegd: bij al dan niet volledige voldoening aan de primaire verplichting tot betaling, vervalt de secundaire vrijheidsstraf, onderscheidenlijk wordt deze verminderd. Door het ondergaan van die vervangende vrijheidsstraf zal de betalingsverplichting naar Brits recht vermoedelijk teniet gaan, al wordt dat niet met zoveel woorden gezegd.

7.2 Het derde middel is dus tevergeefs voorgesteld.

8.1 De Rechtbank is ervan uitgegaan dat ten aanzien van het verzoek van de Britse autoriteiten met betrekking tot beslissing B art. 31 WOTS moet worden toegepast, omdat bedoelde vervangende hechtenis onder het sanctiebegrip van art. 1 WOTS valt. Omdat het Nederlandse recht vervangende vrijheidsbeneming bij niet-betaling van een bij een ontnemingsbeslissing opgelegde betalingverplichting niet meer kent, heeft zij de Engelse rechterlijke beslissing echter omgezet in een verplichting tot betaling van het van de oorspronkelijke confiscation order nog resterende bedrag.

8.2 Voor zover het tweede middel uitgaat van de veronderstelling dat de Rechtbank de bestreden uitspraak heeft gegrond op art. 31a in plaats van op art. 31 WOTS, mist het mijns inziens dus feitelijke grondslag en kan het daarom niet tot cassatie leiden. Voor zover ik zie heeft de Rechtbank aan het volgens haar toepasselijke art. 31 WOTS juist ontleend dat zij in plaats van de Engelse straf de straf of maatregel kon stellen die naar Nederlands recht toepasselijk is. De vraag is of de gedachtegang van de Rechtbank juist is.

9.1 Met betrekking tot die vraag merk ik naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve het volgende op. Bij de beoordeling van een verzoek om tenuitvoerlegging als het onderhavige dient, zoals bij ieder rechtshulpverzoek, allereerst te worden onderzocht welke justitiële samenwerking de verzoekende staat beoogt en op welk verdrag zijn verzoek is gebaseerd. Dat is beslissend en niet de Nederlandse wet.

9.2 Het verzoek noemt het VOGP en niet het Europese Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven van 8 november 1990 (Trb. 1990, 172; verder: het Witwasverdrag). Gelet op wat de Rechtbank onder 6.1 heeft overwogen - daar wordt in enkelvoud over de voorwaarden van "het verdrag" gesproken(2) - en het feit dat zij alleen bepalingen van het VOGP als toepasselijk heeft aangehaald, houd ik het ervoor dat ook de Rechtbank ervan is uitgegaan dat het verzoek op het VOGP was gebaseerd.

9.3 Mede gelet op het (latere) Witwasverdrag is het de vraag of het VOGP ook ziet op de overdracht van de tenuitvoerlegging van een vervangende vrijheidsstraf als de onderhavige.

Het VGOP heeft betrekking op de situatie dat de betrokkenen in een andere staat dan de zijne is veroordeeld tot een vrijheidsstraf ter zake van een strafbaar feit - "on account of a criminal offence" - en hij die straf in die staat ondergaat.(3) De considerans van het VOGP houdt onder meer in dat de doeleinden van dat verdrag eisen "that foreigners who are deprived of their liberty as a result of their commission of a criminal offence should be given the opportunity to serve their sentences within their own society". Uit art. 3 VOGP, regelende de voorwaarden voor overbrenging, volgt dat het moet gaan om gedragingen ter zake waarvan de vrijheidsbeneming is opgelegd (en die ook naar het recht van het aangezochte staat strafbaar zijn). Die gedragingen hebben in deze zaak bestaan uit het witwassen, meermalen gepleegd, ter zake waarvan het Crown Court te Wolverhampton betrokkene heeft veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf (beslissing A).

Wel wordt aangenomen dat in het algemeen op basis van het VOGP een vervangende vrijheidsstraf kan worden overgedragen als de Staat van veroordeling vóór de overdracht heeft beslist dat hechtenis moet worden toegepast in plaats van de vermogenssanctie.(4) Maar in de eerste plaats is het de vraag of een ontnemingsbeslissing (en de subsidiaire vrijheidsstraf) vallen onder het begrip "sentence" zoals gedefinieerd in art. 1 VOGP. Betwijfeld kan worden of daarvan zonder meer kan worden gezegd dat zij worden opgelegd "on account of a criminal offence". De band met het strafbare feit is losser dan bijvoorbeeld bij vervangende hechtenis die aan niet-betaling van een geldboete wordt verbonden. Ik wijs er in dit verband op dat zowel in Nederland als blijkbaar in Groot-Brittannië een ontnemingsbeslissing ook betrekking kan hebben op de opbrengsten van strafbare feiten die aan de betrokkene niet formeel zijn tenlastegelegd.(5)

Daarbij komt dat nadat het VOGP was totstandgekomen het Witwasverdrag is gesloten en in werking is getreden. Dat verdrag regelt onder meer de overdracht van de tenuitvoerlegging van ontnemingsbeslissingen (art. 13, eerste lid onder a van het Witwasverdrag). De procedures met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een buitenlandse ontnemingsbeslissing worden beheerst door het recht van de aangezochte staat (art. 14 van het Witwasverdrag). Art. 17 van het Witwasverdrag bepaalt dat de aangezochte staat geen vervangende vrijheidsstraf of andere vrijheidsbeperkende maatregel zal toepassen als de verzoekende partij dat in het verzoek heeft aangegeven. In het Witwasverdrag is dus de overname van ontnemingsbeslissingen inclusief de toepassing van dwangmiddelen voorzien. Daarbij levert art. 17 een argument op dat ook een eventuele vervangende vrijheidsstraf binnen de reikwijdte van dat verdrag ligt.

Ik wijs er voor de goede orde nog op dat de wetgever in art. 31a WOTS een speciale regeling heeft neergelegd voor wat betreft verzoeken tot tenuitvoerlegging van buitenlandse ontnemingsbeslissingen.(6)

9.4 Reeds gelet op het voorgaande is het oordeel van de Rechtbank dat het op het VOGP gebaseerde verzoek tot tenuitvoerlegging van de door de Britse rechter bepaalde vervangende vrijheidsstraf niet voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, mijns inziens juist. Maar ook als men daar anders over denkt en het VGOP hier in beginsel wel van toepassing acht, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de Britse vervangende vrijheidsstraf in een geval als dit niet kan worden omgezet in een vrijheidsstraf naar Nederlands recht, nu een zodanige straf in Nederland niet aan de niet-nakoming van de betalingsverplichting ingevolge een ontnemingsbeslissing kan worden verbonden.

Overigens zou, ook indien het verzoek zou zijn gebaseerd op het Witwasverdrag en zou strekken tot tenuitvoerlegging van de Britse ontnemingsbeslissing zelf, ingevolge art.14 van dat verdrag het Nederlandse recht voor wat betreft die tenuitvoerlegging bepalend zijn en zou het verzoek daarom niet kunnen leiden tot de executie van vervangende vrijheidsstraf.

9.5 Vervolgens heeft de Rechtbank echter verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van beslissing B en daarbij bedoelde vervangende vrijheidsstraf met toepassing van art. 31 WOTS omgezet in een betalingsverplichting tot eenzelfde bedrag als het nog resterende bedrag van de oorspronkelijke confiscation order. Een zodanige omzetting is echter in strijd met art. 11, eerste lid aanhef en onder b, VOGP, dat bepaalt: "When converting the sentence, the competent authority may not convert a sanction involving deprivation of liberty to a pecuniary sanction."

9.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Rechtbank op een onjuiste wijze is tewerkgegaan. Wel heb ik mij nog de vraag gesteld of, gelet op het eindresultaat waartoe de Rechtbank is gekomen - materieel neerkomende op een verlof tot tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke confiscation order - cassatie achterwege kan blijven. Op zichzelf zouden art. 13, eerste lid aanhef en onder a Witwasverdrag en art. 31a WOTS zich immers niet verzetten tegen een zodanig verlof.

9.7 Dan zou echter in de eerste plaats wel moeten worden vastgesteld dat het verzoek van de Britse autoriteiten (mede) strekt tot het verlenen van een dergelijk verlof. Dat heeft de Rechtbank echter niet vastgesteld; het was, voor zover ik zie, in haar gedachtegang ook niet nodig dat te doen. En voor zover de Rechtbank impliciet wel van een zodanige strekking van het rechtshulpverzoek zou zijn uitgegaan, is dat oordeel, gelet op wat hiervoor onder 6 is opgemerkt over de inhoud van dat verzoek, naar mijn mening niet zonder meer begrijpelijk.(7)

In dit verband merk ik nog het volgende op. De Britse autoriteiten zijn in zoverre geconfronteerd met een bijzondere, gecompliceerde, situatie, dat zij op grond van de gegeven terugkeergarantie gehouden waren de veroordeelde in de gelegenheid te stellen het restant van de hoofdstraf van zes jaren in Nederland te ondergaan. Tegelijkertijd had de veroordeelde voor het grootste gedeelte nog niet voldaan aan de confiscation order en gingen die autoriteiten er blijkbaar voorshands van uit dat verdere betaling of verhaal niet te verwachten was, zodat de toepassing van vervangende vrijheidsstraf is bevolen. Ten behoeve van de toekomstige executie daarvan kon echter naar hun kennelijk oordeel de terugkeer van de veroordeelde naar Nederland om het restant van zijn - door de Nederlandse rechter om te zetten - vrijheidsstraf in de hoofdzaak te ondergaan, niet worden opgehouden. Tegen die achtergrond moet, naar het mij voorkomt, het verzoek om (ook) de vervangende vrijheidsstraf in Nederland te executeren worden gezien.

Gelet op een en ander ligt de opvatting dat het verzoek mede omvat het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de oorspronkelijke confiscation order al niet voor de hand. Het is nog maar de vraag of de Britse autoriteiten, waren zij zich bewust geweest van het feit dat de vervangende vrijheidsstraf in Nederland niet kan worden tenuitvoergelegd, aan het vragen van een zodanig verlof de voorkeur zouden hebben gegeven boven het geheel in eigen hand houden van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsbeslissing.

9.8 Zoals opgemerkt hebben de Britse autoriteiten geen beroep gedaan op het Witwasverdrag. Daar komt bij dat het rechtshulpverzoek in zoverre ook niet zou voldoen aan de eisen die op grond van art. 27 van het Witwasverdrag moeten worden gesteld. Gelet op het derde lid van dat artikel onder a zal het verzoek immers vergezeld moeten gaan van een gewaarmerkte kopie van de confiscation order en een verklaring over de gronden op basis waarvan die beslissing is gegeven indien deze niet in die beslissing zelf zijn aangegeven. De oorspronkelijke confiscation order van het Crown Court te Wolverhampton bevindt zich echter niet bij de stukken.

9.9 Even aangenomen dat het rechtshulpverzoek wel aldus zou kunnen worden uitgelegd en door de Rechtbank ook zou zijn opgevat als (mede) bevattende een verzoek om tenuitvoerlegging van de Engelse ontnemingsbeslissing zelf, zou het eerste middel dus terecht klagen over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank dat de meegezonden stukken genoegzaam waren.(8) Zij het niet op de in de toelichting op het middel gegeven gronden, die lijken te berusten op de opvatting dat in een geval van overdracht van de tenuitvoerlegging de zaak in Nederland als het ware weer wordt overgedaan in die zin dat bijvoorbeeld uitgebreid kan worden gediscussieerd over het gehanteerde voordeelbegrip, het verband tussen "het strafbare feit" en het economische voordeel(9), over de vraag of en in hoeverre rekening is gehouden met kosten en of de beslissing van de Engelse rechter wel aan de veronderstelde eis van "proportionaliteit" voldoet. Die opvatting(10) lijkt mij op het eerste gezicht niet gemakkelijk te verenigen met de strekking van het Witwasverdrag, het karakter van de exequaturprocedure en met art. 14, tweede lid van het Witwasverdrag, kort gezegd inhoudende dat de aangezochte partij is gebonden aan de vaststelling van de feiten in den vreemde, bij welk artikel Nederland geen voorbehoud heeft gemaakt.(11) De vraag rijst verder hoe in die opvatting art. 13, eerste lid aanhef onder a zich eigenlijk verhoudt tot art. 13, eerste lid aanhef en onder b Witwasverdrag. Laatstgenoemde bepaling voorziet er nu juist in dat de ontnemingsprocedure zelf wordt overgenomen en de ontnemingsbeslissing in de aangezochte staat tot stand komt. Maar dit punt kan hier verder blijven rusten omdat het Witwasverdrag, zoals uit wat eerder is opgemerkt voortvloeit, bij het onderhavige rechtshulpverzoek niet aan de orde is.

9.10 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak voor zover betrekking hebbende op beslissing B niet in stand kan blijven. Als de zaak in zoverre zou worden teruggewezen, zou de Rechtbank deze pas opnieuw kunnen behandelen nadat eerst - door het Ministerie van Justitie in te winnen - informatie zou zijn verkregen over onder meer de strekking (en aanvulling) van het verzoek en zouden tevens aanvullende stukken moeten worden overgelegd(12), terwijl de reële mogelijkheid bestaat dat dan blijkt dat de Britse autoriteiten geen tenuitvoerlegging van de confiscation order op basis van het Witwasverdrag wensen. Gelet daarop is het mijns inziens praktischer dat het Ministerie van Justitie eerst onderzoekt of de Britse autoriteiten, gegeven het feit dat de door de Britse rechter bepaalde vervangende vrijheidsstraf niet in Nederland kan worden tenuitvoergelegd, alsnog een verzoek tot tenuitvoerlegging van de confiscation order willen doen op basis van het Witwasverdrag en dat bij een bevestigende beantwoording van die vraag een desbetreffend verzoek, vergezeld van de nodige informatie en stukken, in een nieuwe procedure aan de rechter wordt voorgelegd. Dat zou betekenen dat thans met een partiële vernietiging van de bestreden uitspraak kan worden volstaan.

10 Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarbij verlof is verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissing van het Magistrates Court te Birmingham van 3 juli 2006 en aan de betrokkene in plaats van de bij die beslissing opgelegde vervangende vrijheidsstraf een betalingsverplichting is opgelegd van € 1.153.071,75, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Uit de brief van het Home Office (NOMS) van 15 maart 2007 volgt dat het Crown Court, constaterende dat de betrokkene in gebreke was, bij (opvolgende) beslissing van 23 december 2005 formeel de vervangende vrijheidsstraf op drie jaren heeft bepaald. Daarna volgde op 3 juli 2006 de zich bij de stukken bevindende, na te noemen, beslissing van het Magistrates Court te Birmingham, aangeduid als the "warrant" for default term of imprisonment.

2 In het begin van de overwegingen van de Rechtbank wordt ook het Witwasverdrag genoemd, maar dat speelt in haar verdere overwegingen geen specifieke rol meer.

3 Behoudens de voorziening die het aanvullende protocol op het VOGP bevat ten aanzien van veroordeelden die het gebied van de veroordelende staat zijn ontvlucht.

4 J.M. Sjöcrona en A.A.M. Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, 3e blz. 307.

5 Vgl in dit verband art. II van de Aanvullende overeenkomst tussen Nederland en Groot-Brittannië op het Wiwasverdrag ( Trb. 1993, 150)

6 Vgl. de parlementaire geschiedenis van de wet waarbij art. 31 a in de WOTS is ingevoegd. Kamerstukken II, 1990-1991, 22 083, nr. 3 blz. 13, 16

7 Dit te minder omdat het verzoek niet was vergezeld van de stukken die het dan hadden moeten vergezellen. Daarop kom ik nog terug.

8 Zoals gezegd bedoelt de Rechtbank onder 6.1 van zijn overwegingen met "het toepasselijke verdrag" echter vermoedelijk het VOGP, nu in haar overwegingen geen specifieke aandacht wordt besteed aan het Witwasverdrag.

9 Zie in dit verband art. II van de Aanvullende overeenkomst tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord Ierland ( Trb. 1993, 150)

10 Zie in de zin van het middel R. Lamp, Midaadvermogen en het internationaal strafrecht, 2000, blz. 392-399.

11 Zie ook Kamerstukken II, 190-1991, 22 083, nr. 3, blz. 7.

12 In dit verband is ook art. IX van de Aanvullende overeenkomst van belang.