Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5928

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
00379/07 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5928
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Cumulatieve tenlastelegging. Behoudens in gevallen waarin uit de bewoordingen waarin een tll is gesteld bepaaldelijk het tegendeel volgt, moet ervan worden uitgegaan dat aan in een tll voorkomende woorden of zinsneden welke zijn ontleend aan de tekst van een wettelijke bepaling of een ter uitvoering daarvan gegeven regeling, overeenkomstig de bedoeling van de steller van die tll dezelfde betekenis moet worden gehecht als daaraan toekomt in die wettelijke bepaling of die ter uitvoering daarvan gegeven regeling (vgl. HR LJN AD0455). Het onder 1 tenlastegelegde is toegesneden op de Arbeidstijdenwet en het onder 2 tenlastegelegde op de Wet goederenvervoer over de weg. Het in de tll onder 1 gebezigde begrip "werknemer" moet i.o.m. art. 1:1 Arbeidstijdenwet worden uitgelegd. Uit het 2e lid van dat artikel vloeit voort dat ook buiten het verband van een dienstbetrekking sprake kan zijn van "werknemer" i.d.z.v. die wet. Gelet daarop is de door het Hof aan de bestreden beslissing gegeven motivering onbegrijpelijk. Opmerking verdient nog dat in geval van een tll als i.c. de rechter t.a.v. beide feiten afzonderlijk dient te beoordelen of de omschrijving daarvan voldoet aan de daaraan in art. 261 Sv gestelde eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 213
JOL 2008, 255
RvdW 2008, 406
NJB 2008, 926

Conclusie

Nr. S 00379/07 E

Mr. Bleichrodt

Zitting 5 februari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 18 oktober 2006 de inleidende dagvaarding nietig verklaard.

2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse heeft het ingestelde cassatieberoep tegengesproken.

3. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:

"1. de rechtspersoon [A] B.V. op of omstreeks 2 september 2004 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als werkgever er niet op heeft toegezien dat haar werknemer [betrokkene] (geboren [geboortedatum] 1978), als bestuurder van een bus dan wel van een vrachtauto (gekentekend [AA-BB-00]) met een toegestaan maximumgewicht van meer dan 7500 kg, die geboren was na 30 juni 1975, niet een door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkend getuigschrift van vakbekwaamheid, of een gewaarmerkt afschrift daarvan, bij zich heeft gehad waaruit bleek dat hij met goed gevolg een opleiding voor bestuurder van een bus dan wel van een vrachtauto had gevolgd, (immers was die bestuurder in het geheel niet in het bezit van een dergelijk (in Nederland) erkend getuigschrift van vakbekwaamheid), hebbende hij, verdachte, tot bovengenoemde verboden gedraging opdracht gegeven en/of hieraan feitelijk leiding gegeven;

2. hij op of omstreeks 2 september 2004, te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als hoofd of bestuurder van een onderneming niet aan zijn verplichting heeft voldaan er voor zorg te dragen dat in die onderneming, genaamd [A] B.V., niet werd gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 14, eerste lid van de Wet goederenvervoer over de weg, immers is door [A] B.V. , als vergunninghouder vervoer verricht met gebruikmaking van een door [betrokkene] bestuurde vrachtauto over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Provincialeweg N 15, zonder dat die bestuurder bij haar in dienstbetrekking was".

Voor wat betreft feit 1 is in de tenlastelegging verder verwezen naar art. 5:12 Arbeidstijdenwet jo art. 2.7:2, lid 2 en artt. 8.1 Arbeidstijdenbesluit vervoer jo art. 51 Sr en voor wat betreft feit 2 naar art. 4 jo art. 14, lid 1 Wet goederenververvoer over de weg.

4. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

"Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de inleidende dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is en derhalve nietig dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het onder 1 tenlastegelegde feit wordt aan de verdachte als leidinggevende verweten dat de rechtspersoon [A] BV er als werkgever niet op heeft toegezien dat haar werknemer, [betrokkene], als bestuurder van een vrachtauto in het bezit was van een erkend getuigschrift van vakbekwaamheid.

In het onder 2 tenlastegelegde feit wordt de verdachte als hoofd van dezelfde onderneming vervolgens - zakelijk weergegeven - verweten dat op hetzelfde tijdstip voornoemde [betrokkene] als bestuurder vervoer voor de onderneming van de verdachte heeft verricht zonder bij die onderneming in dienstbetrekking te zijn.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging onbegrijpelijk is. Derhalve voldoet de onderhavige dagvaarding niet aan de eisen van artikel 261, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat deze nietig behoort te worden verklaard."

5. Een blik achter de papieren muur doet vermoeden dat het voor de Officier van Justitie niet helemaal duidelijk is geweest welke verhouding er tussen de B.V. en de chauffeur bestond. Slechts bij afwezigheid van een dienstbetrekking komt feit 2, toegeschreven op overtreding van art. 14, eerste lid, Wet goederenvervoer over de weg, in beeld.

De chauffeur spreekt over "de baas" en het feit dat hij zwart werkt. Bij de controle, die mede betrekking had op de Rijtijdenwet, bleek hij echter geen werkgeversverklaring te hebben. De verdachte heeft ontkend dat hij [betrokkene] zwart betaalde en gesteld dat hij noch zwartrijders noch eigen rijders heeft. Bij een nader onderzoek heeft hij herhaald dat [betrokkene] in dienstbetrekking in de onderneming werkzaam was, doch desgevorderd is verdachte steeds in gebreke gebleven om de desbetreffende documenten over te leggen.

6. In het middel wordt aangevoerd dat de onderhavige tenlastelegging een expliciet cumulatieve tenlastelegging is; daarin zijn naast elkaar meerdere feiten tenlastegelegd.

Voor wat betreft de vraag of de omschrijving van die feiten voldoet aan art. 261 moet ieder feit op zichzelf worden beschouwd. Door zijn oordeel te baseren op een - vermeende (1) - tegenstrijdigheid tussen het woord "werknemer" in feit 1 en de passage "zonder dat die bestuurder bij haar in diensbetrekking was" in het onder 2 tenlastegelegde feit, heeft het Hof de inleidende dagvaarding ten onrechte nietigverklaard, althans die beslissing niet behoorlijk gemotiveerd.

Verder wordt met een beroep op art. 1:1 eerste en tweede lid van de Arbeidstijdenwet, waarin het begrip "werknemer" voor de toepassing van die wet wordt gedefinieerd, aangevoerd dat van een tegenstrijdigheid geen sprake is. Dat betoog komt erop neer dat het feit dat de chauffeur niet ingevolge een arbeidsovereenkomst in dienstbetrekking was bij de B.V. (feit 2) niet uitsluit dat hij, gelet op het tweede lid van art. 1:1 Arbeidstijdenwet in de zin van die wet wel werknemer was (feit 1).

7.1 Om met de laatste klacht te beginnen. Inderdaad bepaalt art. 1:1, tweede lid van de Arbeidstijdenwet dat in die wet en de daarop rustende bepalingen mede wordt verstaan onder:

a) werkgever: degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten(2);

b) werknemer: de ander bedoeld onder a.

7.2 Het Hof heeft kennelijk het begrip werknemer in de tenlastelegging van feit 1 in overeenstemming met het algemeen spraakgebruik en niet in de zin van laatstgenoemde wetsbepaling uitgelegd.

De uitleg van een tenlastelegging is in beginsel aan de feitenrechter voorbehouden en moet voor zover die uitleg niet met de bewoordingen daarvan onverenigbaar is, in cassatie worden geëerbiedigd. Dat een andere uitleg dan die van de feitenrechter in het concrete geval mogelijk zou zijn geweest en waarschijnlijk in cassatie ook zou zijn aanvaard, doet daaraan op zichzelf niet af.

7.3. In de tenlastelegging zelf wordt onder 1 niet naar de begripsomschrijving in art. 1:1, tweede lid van de Arbeidstijdenwet verwezen, noch zijn daarin aan die bepaling ontleende relevante elementen opgenomen. Aan de andere kant zijn, zoals opgemerkt, wel overeenkomstig de slotzin van art. 261, eerste lid, Sv aansluitend aan de tekst van de tenlastelegging de wettelijke voorschriften vermeld waarbij het feit naar het oordeel van de Officier van Justitie strafbaar is gesteld en is in zoverre dus verwezen naar de Arbeidstijdenwet.

In HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 267 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat "behoudens in gevallen waarin uit de bewoordingen waarin een tenlastelegging is gesteld bepaaldelijk het tegendeel volgt, ervan [moet] worden uitgegaan dat aan in een tenlastelegging voorkomende woorden of zinsneden welke klaarblijkelijk zijn ontleend aan de tekst van een wettelijke bepaling of een ter uitvoering daarvan gegeven regeling, overeenkomstig de bedoeling van de steller van die tenlastelegging dezelfde betekenis moet worden gehecht als daaraan toekomt in die wettelijke bepaling of die ter uitvoering daarvan gegeven regeling".(3) Nu de in dat arrest bedoelde uitzondering zich niet voordoet, moet mijns inziens ervan worden uitgegaan dat, in aanmerking genomen dat de tenlastelegging was toegespitst op overtreding van het bij en krachtens de Arbeidstijdenwet bepaalde, de term "werknemer" in de tenlastelegging onder 1 kennelijk is gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die wet. Dat brengt mee dat van de door de raadsman gestelde tegenstrijdigheid waarvan het Hof, de tenlastelegging onbegrijpelijk noemende, kennelijk ook is uitgegaan, geen sprake is, zodat reeds daarom de bestreden beslissing niet behoorlijk is gemotiveerd.

8.1 Maar ook als men hierover anders denkt, kan de bestreden uitspraak mijns inziens niet in stand blijven. Bij een cumulatieve tenlastelegging heeft de rechter in feite te maken met twee of meer (in deze zaak dus twee) tenlasteleggingen in één inleidende dagvaarding. Ten aanzien van ieder van die onderdelen zal een beslissing moeten worden gegeven. Het kan zijn dat de omschrijving van een van die tenlastegelegde feiten niet aan de wettelijk eisen voldoet, bijvoorbeeld een niet voldoende duidelijke of innerlijk tegenstrijdige omschrijving van het feit inhoudt of niet kan worden bewezen. Dan zal de rechter voor wat betreft dat feit tot een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, onderscheidenlijk tot een vrijspraak moeten komen, maar vervolgens wel een onderzoek moeten instellen naar het andere feit.

8.2 Daaraan doen de in de schriftuur van de raadsman, waarbij het beroep is tegengesproken, genoemde arresten niet af. HR NJ 1975, 231 had betrekking op een alternatieve tenlastelegging en daarin is beslist dat uit het primaire en het subsidiaire onderdeel van de tenlastelegging in onderling verband noodzakelijk volgt dat het primair tenlastegelegde feit, waarin de plaatsaanduiding ontbrak, evenzeer als het subsidiair tenlastegelegde, waarin die vermelding wel voorkwam, in Amsterdam zou zijn begaan. In HR NJ 1985, 320 ging het wel om een (expliciet) cumulatieve tenlastelegging van passieve omkoping en belastingontduiking. Toen is beslist dat de opvatting dat ter beoordeling van de duidelijkheid van een tenlastegelegd feit (de belastingontduiking) niet een naast die tenlastelegging ander ten laste gelegd feit mag worden betrokken, in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Het is dus niet in het algemeen uitgesloten dat op een ander cumulatief tenlastegelegd feit wordt gelet bij de beantwoording van de vraag of een bepaald feit voldoende is omschreven. Maar dat betekent niet dat een volstrekt duidelijke omschrijving van een feit in het licht van andere cumulatief tenlastegelegde feiten als het ware alsnog onbegrijpelijk kan worden en dat dan de tenlastelegging in haar geheel innerlijk tegenstrijdig is en tot een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding behoort te leiden.(4) Onder omstandigheden kan dan uiteraard wel vrijspraak van een van de betrokken feiten volgen.

HR NJ 1985, 320 strekte er, zoals zoveel andere arresten, toe om te voorkomen dat door een formalistische toepassing van de grondslagleer nietigverklaring volgt in een geval waarin het voor alle procespartijen duidelijk kon zijn welk verwijt de verdachte wordt gemaakt. Het paste in een toen al bestaande tendens tot deformalisering die zich nadien heeft voortgezet.

8.3 Ook deze klacht van het middel is dus gegrond.

9. Het middel is terecht voorgesteld, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie hieronder sub 7.

2 In het eerste lid is kort gezegd sprake van een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling.

3 Vgl. ook al HR 24 november 1987, DD 88.113.

4 Vgl. ook HR 22 januari 2002, LJN AD6244 (in het bijzonder de CAG onder 4) ten aanzien van een impliciet cumulatieve tenlastelegging.