Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5884

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
C07/113HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Vervroegde onteigening t.b.v. de aanleg van een weg (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 331
RvdW 2008, 460

Conclusie

Rolnr. C07/113HR

mr. J. Spier

Zitting 22 februari 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

Gemeente Haarlemmermeer

(hierna: de Gemeente)

1. Verkorte afdoening door Uw Raad is mogelijk

1.1 Het cassatieberoep is om een veelheid van redenen gedoemd te sneven. De klachten lopen reeds hierop stuk dat zij ofwel berusten op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis dan wel motiveringsklachten tegen een rechtsoordeel ventileren.

1.2 Onbevredigend is deze uitkomst zeker niet. De kernvragen die thans aan Uw Raad worden voorgelegd, zijn al in verschillende andere procedures aan de orde geweest. [eiser] heeft daarin uiteindelijk het onderspit gedolven. Ten dele loopt hij thans aan tegen de leer van de formele rechtskracht die vooral in dit soort zaken een heilzame werking heeft.

2. Feiten

2.1 In haar vonnis van 14 maart 2007 heeft de Rechtbank Haarlem in rov. 2 de volgende feiten vastgesteld.

2.2 [Eiser] is eigenaar van enkele percelen grond in de Gemeente.

2.3.1 Bij besluit van 8 juli 2002 hebben B en W van de Gemeente op de voet van art. 19 lid 1 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de aanleg van een weg vrijstelling verleend van het geldende bestemmingsplan.

2.3.2 Tegen dit besluit heeft [eiser] een bezwaarschrift ingediend.

2.3.3 Bij besluit van 25 april 2003 hebben B en W de bezwaren ongegrond verklaard.

2.4.1 Bij uitspraak van 2 juni 2004 heeft de Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank) dit laatste besluit vernietigd.

2.4.2 Bij uitspraak van 2 maart 2005 heeft de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (hierna: ARRvS) het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

2.5 Bij besluit van 2 december 2004 hebben B en W de vrijstelling gehandhaafd.

2.6 Bij Kb van 8 december 2004 is op grond van art. 72a Onteigeningswet (hierna: Ow) ten behoeve van de aanleg van de weg een aantal onroerende zaken ter onteigening aangewezen. In het Kb is [eiser] aangewezen als eigenaar van een aantal daarin nader genoemde percelen.

2.7 Aan der Rechtbank vaststellingen kan nog het volgende worden toegevoegd.(1)

2.8 Bij uitspraak van 4 oktober 2005 heeft de Rechtbank het beroep tegen 2.5 genoemde besluit gegrond verklaard. Naast het onder 3.3 weergegeven citaat door de Rechtbank in rov. 4.2 van het in cassatie bestreden vonnis, wordt overwogen dat niet valt in te zien dat de Gemeente voor het verlenen van bouwvergunning voor de van het project deel uitmakende overkluizing geen gebruik mocht maken van de verleende vrijstelling. Die moet immers worden geacht te strekken ten behoeve van de verwezenlijking van dat project.

2.9 Bij besluit van 29 augustus 2006 hebben B en W de bezwaren tegen het besluit van 2 juni 2002 wederom ongegrond verklaard. Daartegen is door [eiser] geen beroep ingesteld.

3. Procesverloop

3.1.1 Bij exploit van 19 oktober 2006 heeft de Gemeente [eiser] gedagvaard voor de Rechtbank Haarlem en - voorzover thans van belang - gevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a) bij vervroeging uit te spreken de onteigening van de onder 1 in de dagvaarding genoemde, ter onteigening aangewezen, onroerende zaken, zulks met nevenvorderingen;

b) bij aanvaarding van het aanbod bij antwoord het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op € 39.500,00;

c) indien het aanbod niet alsnog wordt aanvaard, het voorschot te bepalen op 100% van het aangeboden bedrag.

3.1.2 De Gemeente heeft aan haar vordering onder meer ten grondslag gelegd dat zij belang heeft bij de gevorderde onteigening nu de onder 2.3.1 genoemde weg niet kan worden aangelegd zonder dat tot onteigening van de desbetreffende perceelsgedeelten wordt overgegaan.

3.2 [Eiser] heeft zich tegen de gevorderde onteigening verweerd. Hij heeft daartoe - samengevat en voor zover nog van belang - aangevoerd dat a) voordat werd begonnen met de administratieve onteigeningsprocedure geen aanvang is gemaakt met een planologische procedure (gericht op de realisering van het werk waarvoor wordt onteigend), b) de Gemeente (in de periode tussen de publicatie van het Kb en de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht) geen reële poging heeft ondernomen om de te onteigenen perceelsgedeelten bij minnelijke schikking te verwerven.

3.3 In haar onder 2.1 genoemde vonnis heeft de Rechtbank - voor zover thans van belang - overwogen:

"4.1. [Eiser] voert in de eerste plaats aan dat de gemeente niet gerechtigd is onteigening te vorderen, omdat geen recht bestaat het werk waarvoor de onteigening wordt gevraagd uit te voeren. Volgens [eiser] is vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor de aanleg van een weg met een dwarsprofiel B-B, terwijl onteigening wordt gevorderd voor de aanleg van een weg conform een dwarsprofiel C-C.

4.2. Dit standpunt van [eiser] is onjuist. De gemeente heeft onbestreden gesteld dat in de beslissing op bezwaar van 2 december 2004 naar een artikel 19 WRO-kaart wordt verwezen welke als productie A3 door de gemeente is overgelegd (verder: de WRO-kaart). Dit is een andere tekening dan de tekening waarnaar wordt verwezen in het vrijstellingsbesluit van 8 juli 2002 en waarin het dwarsprofiel B-B is opgenomen. In de uitspraak van 4 oktober 2005, overweging 2.2 heeft de rechtbank op dit punt onder meer het volgende overwogen:

"Niet valt in te zien (..) dat verweerder voor het verlenen van vrijstelling geen gebruik mocht maken van de door het college van gedeputeerde staten afgegeven verklaring van geen bezwaar. Die ziet niet op een ander project dan het onderhavige. De hangende de bezwaarprocedure gewijzigde projecttekeningen, die in de plaats zijn gekomen van de bij de aanvraag behorende projecttekeningen, welke minder nauwkeurig aansloten bij de precieze ligging van de geplande weg, bieden (..) geen aanknopingspunten voor bet oordeel dat niet langer van hetzelfde project gesproken kan worden, maar van een wezenlijk ander project. Verweerder behoefde op grond daarvan dus geen nieuwe vrijstellingsprocedure te starten en behoefde evenmin het primaire besluit te herroepen. Dat die tekeningen - onder meer wegens het ontbreken van dwarsprofielen - zodanig onduidelijk zijn dat het daarop betrekking hebbende besluit in strijd moet worden geoordeeld met het rechtszekerheidsbeginsel, acht de rechtbank niet juist."

(...)

4.4. Voor zover [eiser] ervan uitgaat dat voor een onteigening op grond van artikel 72a Onteigeningswet is vereist dat het planologisch regime voor de aanleg van het werk onherroepelijk is vastgesteld, is dit onjuist. Vereist is slechts dat omtrent de planologische inpassing voldoende zekerheid bestaat. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende planologische zekerheid is voor de aanleg van de weg. Bij besluit van 29 augustus 2006 heeft de gemeente voor de derde maal beslist op de bezwaren tegen het vrijstellingsbesluit van 8 juli 2002. Aan de orde is nog slechts of het vrijstellingsbesluit in overeenstemming is met het Besluit Luchtkwaliteit 2005. De gemeente stelt zich in het besluit van 29 augustus 2006 op het standpunt dat voldaan wordt aan de eisen van het Besluit Luchtkwaliteit 2005 onder verwijzing naar de resultaten van een nieuw onderzoek. [Eiser] heeft aangegeven te betwijfelen of het vrijstellingsbesluit in overeenstemming is te brengen met het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Uitsluitend twijfel aan de rechtmatigheid van het vrijstellingsbesluit is echter niet voldoende om te kunnen concluderen dat onvoldoende zekerheid bestaat over de planologische inpassing. [Eiser] heeft zijn standpunt dat het vrijstellingsbesluit niet in overeenstemming is te brengen met het Besluit Luchtkwaliteit 2005 verder op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de nieuwe beslissing op bezwaar van de gemeente, welke berust op nieuw uitgevoerd onderzoek, niet als planologische basis voor de aanleg van de weg kan dienen.

(...)

4.6. De stelling van [eiser] dat de gemeente de administratieve onteigeningsprocedure van een aantal percelen heeft stopgezet is onjuist. Uit het Koninklijk Besluit van 7 december 2006 (..) blijkt dat [de] Kroon inmiddels de onteigening heeft goedgekeurd van percelen waarvan de onteigening blijkens een publicatie in de Staatscourant van 16 mei 2006, nr. 95, aanvankelijk was stopgezet, omdat niet was voldaan de eisen van de uniforme voorbereidingsprocedure. Voor wat betreft de strook grond die kadastraal op naam van de gemeente staat, maar die volgens [eiser] feitelijk onderdeel uitmaakt van de aan de Parallelweg gelegen woningen en bedrijven, heeft [eiser] zelf aangegeven dat de gemeente inmiddels met het oog op het ter beschikking krijgen van deze strook aan [eiser] een aanbod heeft gedaan. [Eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat er geen uitzicht op bestaat dat de gemeente ook deze strook zal verwerven.

(...)

4.8. Uit de door de gemeente overgelegde correspondentie blijkt dat de gemeente ook in de door [eiser] genoemde periode heeft getracht de voor aanleg van de weg noodzakelijke percelen bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht met betrekking tot zijn aanbod, kan niet leiden tot de conclusie dat de pogingen van de gemeente daartoe niet serieus zijn geweest. De gemeente heeft onweersproken gesteld dat het laatste voorstel van [eiser] feitelijk een herhaling was van zijn al eerder door de gemeente afgewezen voorstel van 10 maart 2005. De vraagprijs van [eiser] van EUR 174.850,00, welke was gebaseerd op een taxatierapport van [A] Makelaars, week dermate af van de door de gemeente aangeboden schadeloosstelling van EUR 39.500,00, dat de gemeente in het aanbod van [eiser] geen aanleiding hoefde te zien het minnelijk overleg voort te zetten en vooralsnog niet over te gaan tot dagvaarding.".

3.4 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Daarna heeft [eiser] nog gerepliceerd.

4. Bespreking van het middel

4.1 Onderdeel A komt op tegen rov. 2.2.

4.2 De niet bijster duidelijke eerste klacht komt er, naar uit de slotalinea valt af te leiden, op neer dat de Rechtbank haar (impliciete) oordeel dat 'de bij het besluit van 8 juli 2002 behorende gewaarmerkte tekening geen rechtskracht (meer) zou hebben', niet, althans onvoldoende, met redenen heeft omkleed.

4.3 Deze klacht mislukt omdat:

a. het bestreden oordeel - anders dan de inleiding op de klacht waarin wordt aangegeven welke rov. wordt bestreden, aanvoert - niet is vervat in rov. 2.2; maar dat moet wellicht worden aangemerkt als een kennelijke typefout van de steller;

b. zij berust op een verkeerde lezing van het bestreden vonnis. Immers heeft de Rechtbank, anders dan [eiser] veronderstelt, niet geoordeeld dat de bewuste tekening haar rechtskracht heeft verloren. De Rechtbank heeft in rov. 4.2, onder verwijzing naar rov. 2.2 van haar uitspraak van

4 oktober 2005, tot uitdrukking gebracht dat de tekening op basis waarvan bij besluit van 8 juli 2002 vrijstelling is verleend van het vigerende bestemmingsplan op zodanig ondergeschikte punten afwijkt van de tekening die de Gemeente ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing op bezwaar van 30 november 2004 dat geen nieuw vrijstellingsbesluit behoefde te worden genomen. De enkele omstandigheid dat aan het besluit op bezwaar een afwijkende tekening ten grondslag is gelegd, brengt nog niet mee dat geen vrijstelling is verleend voor een ander project dan dat waarop de vervangen tekening betrekking had. Tegen het zojuist genoemde oordeel, vervat in de uitspraak van 4 oktober 2005 - waarop de Rechtbank in de onderhavige procedure beroep doet - is [eiser] niet opgekomen;

c. veronderstellenderwijs aannemend dat de Rechtbank in de door het onderdeel bedoelde zin zou hebben beslist, zou sprake zijn van een rechtsoordeel is. Ingevolge vaste rechtspraak kan daartegen niet met vrucht met een motiveringsklacht worden opgekomen;

d. [Eiser] is niet opgekomen tegen het onder 2.9 genoemde besluit van 29 augustus 2006. Daarmee is (in elk geval te zijnen opzichte) de verleende vrijstelling onaantastbaar geworden.

4.4 Onderdeel 2 neemt tot uitgangspunt dat in de bestreden uitspraak is geoordeeld dat bij de beslissing op bezwaar van 2 december 2004 is geoordeeld dat alsnog "in een planologische grondslag is voorzien". De Rechtbank is evenwel niet ingegaan op [eiser]s verweer dat zulks niet het geval was, zo vat ik samen.

4.5 Deze klacht - inhoudend dat de Rechtbank haar oordeel dat weldegelijk een planologische grondslag is geboden niet zou hebben onderbouwd - mislukt reeds omdat de Rechtbank haar oordeel wel motiveert; zie onder 4.3 sub b.

4.6 Onderdeel 3 acht onbegrijpelijk het impliciete oordeel in rov. 2.2 dat "tenminste gelijktijdig met of voorafgaande aan de administratieve onteigeningsprocedure een aanvang is gemaakt met de planologische procedure voor de aanleg van het werk".

4.7 Ook wanneer in plaats van rov. 2.2 rov. 4.2 wordt gelezen, faalt de klacht omdat zij berust op een verkeerde lezing. In rov. 4.2 is een oordeel in de onder 4.6 genoemde trant niet te lezen. Onder 4.3 onder b gaf ik al aan wat er wél staat.

4.8 Voor zover het onderdeel klachten probeert te ventileren tegen de beslissing van 2 december 2004 doen deze niet ter zake omdat de burgerlijke rechter daarover niet tot oordelen bevoegd is én omdat [eiser] tegen die beslissing tevergeefs beroep heeft ingesteld; zie onder 2.8. Voor zover hij het ook met die beslissing niet eens was, had hij daartegen op de bij de wet voorziene wijze kunnen opkomen.

4.9 Voor zover begrijpelijk komt onderdeel B1 erop neer dat de Rechtbank niet is ingegaan op [eiser]s verweer "dat belanghebbenden de mogelijkheid hadden tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of tenminste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure." Met deze laatste procedure wordt klaarblijkelijk bedoeld de procedure die heeft geleid tot het onteigenings-Kb.

4.10 Deze klacht faalt reeds omdat:

a. zij niet aangeeft waar in de stukken stellingen als daarin ontvouwd zijn te vinden; daarom voldoet de klacht - volgens vaste rechtspraak - niet aan de aan een middel te stellen eisen;

b. zij onbegrijpelijk is. Uit de vaststaande feiten volgt dat de "planologische procedure" reeds op 8 juli 2002 heeft geleid tot een eerste besluit van de Gemeente. Het Kb is van 8 december 2004 (zie onder 2.3.1 en 2.6). Daarmee is aan de door het onderdeel gestelde eisen voldaan, wat daarvan verder ook zij.

4.11 Voor zover het onderdeel nog een aanvullende motiveringsklacht tegen rov. 4.4 afvuurt, faalt het op de onder 4.3 sub c genoemde grond.

4.12 Onderdeel B2 neemt tot uitgangspunt dat "de vraag of planologische besluitvorming in overeenstemming is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (..) geen onderwerp [kan] zijn van een procedure omtrent een vordering tot onteigening."

4.13 In het licht van dit uitgangspunt is de goede zin van de klacht mij niet duidelijk. Ik behoef er dan ook niet inhoudelijk op in te gaan.

4.14 Ten overvloede: de klacht gaat niet in op de door de Rechtbank gegeven motivering ("de resultaten van nieuw onderzoek") en loopt ook daarop stuk.

4.15 Onderdeel C (op blz. 9 bovenaan aangeduid als onderdeel III) trekt ten strijde tegen rov. 4.8.

4.16.1 Na een inleiding, waarop ik zo dadelijk terug kom, luidt de klacht:

"nu de rechtbank zonder nadere toelichting de gemeente volgt in haar stelling dat het laatste voorstel van [eiser] feitelijk een herhaling was van zijn al eerder door de gemeente afgewezen voorstel van 10 maart 2005 en ten onrechte overweegt dat [eiser] dat standpunt niet heeft weersproken, en de rechtbank voorts slechts in aanmerking neemt het verschil tussen de vraagprijs van [eiser] en het aanbod van de gemeente in de onteigeningsprocedure, is de overweging van de rechtbank zonder nadere toelichting onbegrijpelijk".

4.16.2 Deze - in de s.t. van mr Van Delden niet nader toegelichte - klacht is klaarblijkelijk een uitwerking van de daaraan voorafgaande alinea's. Daarin wordt verhaald over een aanbod en over een afspraak die met de Gemeente zou zijn gemaakt om het minnelijk overleg voort te zetten. Kennelijk, aldus nog steeds het onderdeel, was de advocaat van de Gemeente hiervan niet op de hoogte.

4.17 Niet wordt aangegeven waar een dergelijke stelling in feitelijke aanleg is betrokken. Daarom voldoet ook deze klacht niet aan de daaraan te stellen eisen. Voor zover sprake is van een novum kan dat niet met vrucht in de strijd in cassatie worden geworpen.

4.18 De onder 4.16.2 geciteerde klacht bouwt voort op en is onlosmakelijk verbonden met hetgeen daaraan voorafgaat. Zij wordt in de val van dat betoog meegetrokken.

4.19 Ten overvloede merk ik nog op dat de redenering van de Rechtbank allerminst onbegrijpelijk is. Haar oordeel komt erop neer dat wanneer partijen zó ver uiteen liggen, een herhaling van zetten niet vruchtbaar is. Het behoeft heel veel toelichting om in te kunnen zien wat er mis is met dat oordeel. Zelfs een aanzet daartoe is in het onderdeel niet te lezen.

4.20 Voor rov. 4.8 ook nog sporen van een rechtsoordeel in zich bergt, kom ik daaraan niet toe omdat het onderdeel geen rechtsklacht postuleert.

4.21 Ten slotte ziet de steller eraan voorbij dat de Rechtbank - in cassatie niet bestreden - heeft geoordeeld dat de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat sprake was van een herhaling van zetten.

4.22 Deze zaak is m.i. gedoemd tot de juridische vergetelheid. Afhandeling op de voet van art. 81 RO is bij uitstek aangewezen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Deze gegevens zijn ontleend aan de stukken van de partijdossiers.