Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC5706

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
C06/239HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AX9659
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC5706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Fideï-commis de residuo; rechtsgeldigheid codicil houdende legaat, onrechtmatige daad van bij codicil aangewezen legataris door het legaat te innen?; belang bij vordering erfgenamen tegen legataris (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 323
RvdW 2008, 454
JWB 2008/192

Conclusie

Rolnummer C06/239HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 22 februari 2008

Conclusie inzake:

1. [Eiseres 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

tegen

[Verweerder]

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het codicil, inhoudende een legaat, van een erflater die bij testament door zijn vooroverleden echtgenote, met wie hij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, was benoemd tot enig erfgenaam bij wege van een erfstelling fideï-commis de residuo. Een beschrijving van het fideï-commissaire vermogen is nimmer opgemaakt. De verwachters hebben als erfgenamen van de vrouw, aanvankelijk tezamen met de erfgenamen van de man, gevorderd te verklaren voor recht dat het codicil nietig is en dat de bij dat codicil aangewezen legataris onrechtmatig heeft gehandeld door het legaat te innen. Zij hebben voorts gevorderd de legataris te veroordelen tot (terug)betaling van hetgeen hij uit hoofde van zijn legaat heeft verkregen. Het hof heeft geoordeeld dat de verwachters belang bij hun vorderingen missen nu - kort gezegd - de legataris slechts een vordering heeft op de erfgenamen van de man en de erfenis van de man toereikend is om het legaat uit te keren. Tegen dat oordeel wordt in cassatie tevergeefs opgekomen.

2. Het gaat in dit geding om het volgende, aldus het hof in rov. 4.1.1-4.1.6 van zijn in cassatie bestreden arrest:

i) [Betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1934, hierna ook: erflaatster, was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1930, hierna ook: erflater. Het huwelijk is kinderloos gebleven.

ii) Erflaatster is op 21 juni 1992 overleden. Haar testament bepaalt voor zover hier van belang:

"II.1 (...) benoem ik mijn echtgenoot tot mijn enige erfgenaam en bepaal dat hetgeen mijn echtgenoot uit mijn nalatenschap verkrijgt, wordt verkregen bij wege van een erfstelling fideï-commis de residuo, zodat hetgeen hij onvervreemd of onverteerd van mijn nalatenschap achterlaat, zal toekomen aan na te noemen verwachters.

2. Ik benoem tot verwachters mijn bloedverwanten, die mijn erfgenamen volgens de wet zouden zijn indien ik ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen overleden zou zijn (...).

7. Het is mijn echtgenoot verboden bij wege van schenking over bestanddelen van het fideï-commissair vermogen te beschikken."

iii) Erflater is op 5 maart 2001 overleden. Op 16 juli 1999 heeft hij een handgeschreven codicil opgemaakt dat voor zover van belang luidt:

"Dit is mijn testament

Ik ondergetekende [betrokkene 1] wonende te [woonplaats] (...) verklaar te legateren aan [verweerder] (...) de volle eigendom van alle roerende goederen die ondergebracht zijn onder de no. (... en ...) Gem. Krediet te Wuustwezel die ik bij mijn overlijden zal nalaten.

Ik herroep alle voorgaande uiterste wilsbeschikkingen.

Eigenhandig geschreven, gedagtekend en ondertekend te [plaats] den 16 Juli 1999."

iv) De huwelijksgoederengemeenschap tussen erflaatster en erflater is nimmer verdeeld. Een beschrijving van het fideï-commis-vermogen is niet opgemaakt.

v) De in het codicil van erflater genoemde goederen zijn een depositorekening en een effectenportefeuille welke door erflater werden aangehouden bij de Dexia bank te Wuustwezel (België). Op de dag van het overlijden vertegenwoordigden deze samen een waarde van € 451.860,11.

vi) Enkele dagen na het overlijden van erflater zijn deze saldi door [verweerder] opgenomen. Zij vormen de inzet van de rechtsstrijd.

vii) Thans eisers tot cassatie zijn - tezamen met anderen - de bij het testament van erflaatster [betrokkene 2] aangewezen verwachters en daarmede - tezamen met die anderen - deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis - in appel onbestreden - vastgesteld dat de verschenen verwachters gerechtigd zijn de onderhavige vordering in te stellen namens 'de gemeenschap' (waarmee kennelijk wordt bedoeld - aldus het hof - de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nog onverdeelde nalatenschappen).

3. Thans eisers tot cassatie hebben tezamen met vier erfgenamen van erflater [betrokkene 1] ([betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6]) - hierna in navolging van het hof ook te noemen: de verwachters onderscheidenlijk de erven - bij dagvaarding van 3 december 2002 thans verweerder in cassatie - hierna: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - aangenomen dat deze erven [betrokkene 1] de enige erfgenamen zijn van erflater [betrokkene 1]. De verwachters en de erven hebben gevorderd - kort gezegd - te verklaren voor recht dat [verweerder] jegens de erven en de verwachters en/of jegens de nalatenschap van erflater [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld en dat [verweerder] deswege is gehouden tot schadevergoeding aan de nalatenschap van erflater [betrokkene 1]; zij hebben voorts gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling aan de erven en de verwachters en/of aan de nalatenschap van erflater [betrokkene 1] een bedrag van € 451.860,11 te vermeerderen met wettelijke rente. Zij hebben deze vorderingen daarop gegrond dat het hiervoor onder 2 (iii) genoemde handgeschreven codicil (in dit geding ook aangeduid als 'het Belgische testament') niet rechtsgeldig is.

[Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 mei 2004 geoordeeld dat de beoordeling van de vorderingen van de erven en de verwachters afhankelijk is van de geldigheid van het testament van erflater [betrokkene 1] d.d. 16 juli 1999, dat de formele geldigheid van het testament moet worden beoordeeld aan de hand van het Haags Testamentsvormenverdrag 1961 (Trb. 1980/54), dat op grond van art. 1 van dit Verdrag een testamentaire beschikking wat de vorm betreft geldig is indien zij beantwoordt aan de eisen van het interne recht van de plaats waar de testateur beschikte, dat zowel naar huidig recht als naar het recht van vóór 1 januari 2003 gold dat legaten van een effectenportefeuille en een saldo op een bankrekening niet in een eigenhandig geschreven, gedagtekende en ondertekende (onderhandse) akte (codicil) kunnen worden gemaakt, doch dat naar Belgisch recht legaten van een effectenportefeuille en het saldo op de depotrekening wél in een eigenhandig testament kunnen worden gemaakt, zodat het codicil wat de vorm betreft geldig is indien het in België is opgemaakt, zoals [verweerder] stelt doch de verwachters en de erven betwisten. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis voorts - voor het geval [verweerder] erin zou slagen te bewijzen dat het testament in België is gemaakt en naar de vorm geldig is - overwogen dat moet worden voorbijgegaan aan de stelling van de verwachters en de erven dat de legaten in het testament van 16 juli 1999 verboden zijn of in strijd met de wet, de goede zeden of de openbare orde. Zij heeft in dat verband overwogen dat het de erflater in beginsel vrijstond om over zijn nalatenschap te beschikken zoals hij wilde, doch dat hij als bezwaarde niet bij testament kon beschikken over goederen waarop het fideï-commis rustte, aangezien legaten van goederen waarop een fideï-commis rust nietig zijn (oud recht) of vervallen (huidig recht) omdat deze goederen na het overlijden van de bezwaarde en het verval van het bezwaar overgaan op de verwachters en geen deel uitmaken van de nalatenschap van de bezwaarde. Zij heeft voorts overwogen dat de verwachters en de erven hun stelling dat er sprake is van een schending van het fideï-commis en dat de effectenportefeuille en het saldo op de depotrekening tot het fideï-commissaire vermogen behoorden, na betwisting door [verweerder], niet nader feitelijk hebben onderbouwd. Zij heeft [verweerder] - conform zijn aanbod - opgedragen te bewijzen dat erflater zijn litigieuze testament op 16 juli 1999 heeft opgemaakt in Wuustwezel, België, in aanwezigheid van [betrokkene 7].

In haar eindvonnis van 2 februari 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs. Zij is tot de slotsom gekomen dat het handgeschreven testament van erflater formeel geldig is en dat het legaat [verweerder] dan ook rechtens toekomt. Zij heeft daaraan de slotsom verbonden dat - al had [verweerder] zich het legaat niet zelf had mogen toe-eigenen - de erven en de verwachters door de handelwijze van [verweerder] geen schade hebben geleden zodat het gevorderde wegens ondeugdelijke grondslag niet voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank heeft ten slotte het gevorderde afgewezen.

5. De verwachters en de erven hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch tegen de vonnissen van de rechtbank d.d. 12 mei 2004 en 2 februari 2005. [Verweerder] heeft de aangevoerde grieven bestreden. Het hof heeft - in rechtsoverweging 4.1.9 van zijn arrest - vastgesteld dat de zaak ter rolle van 28 juni 2005 (dat wil zeggen nadat memorie van grieven is genomen) ten aanzien van de erven is geroyeerd en dat [verweerder] ten pleidooie heeft medegedeeld dat hij met hen een schikking heeft getroffen. Het hof heeft vastgesteld dat het petitum van de memorie van grieven afwijkt van dat in eerste aanleg en dat de verwachters - kort gezegd - vorderen dat het hof twee verklaringen voor recht zal geven (de verklaring voor recht dat het testament d.d. 16 juli 1999 van erflater nietig is, althans is vernietigd, en dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld dan wel ongerechtvaardigd is verrijkt) en dat het hof [verweerder] zal veroordelen om aan hen en/of de nalatenschap van erflater en/of de nalatenschap van erflaatster € 451.860,11 te betalen. Het hof heeft op het gewijzigde petitum recht gedaan.

6. Het hof heeft bij eindarrest van 16 mei 2006 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen als volgt.

De verwachters zijn geen erfgenamen van erflater [betrokkene 1] en de erven van erflater [betrokkene 1] zijn geen erfgenamen of verwachters van erflaatster [betrokkene 2]. De verwachters en de erven dienen in hun onderlinge relatie eerst de ontbonden huwelijksgemeenschap en vervolgens de twee nalatenschappen te verdelen. De verwachters hebben ter gelegenheid van het pleidooi in appel medegedeeld dat zij tot verdeling zijn overgegaan maar zij hebben de exacte inhoud daarvan niet bekendgemaakt. (rov. 4.1.5.) Als gevolg van het royement van de procedure ten aanzien van de erven [betrokkene 1] ligt alleen nog het geschil in de verhouding tussen de verwachters en [verweerder] ter beoordeling voor. Het hof kan geen oordeel geven over wat rechtens heeft te gelden in de onderlinge verhouding tussen de verwachters en de erven. Het royement heeft tot gevolg dat in de verhouding tussen de erven en [verweerder] het eindvonnis van de rechtbank gezag van gewijsde heeft gekregen. In die verhouding staat aldus vast dat het codicil in België rechtsgeldig door erflater is opgemaakt. Daarmee staat vast dat [verweerder] legataris is in de nalatenschap van erflater en daarmee jegens de erven recht heeft op afgifte van de gelegateerde goederen. (rov. 4.2.2 - 4.2.3.)

Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat het codicil nietig is, geldt het volgende. De verwachters hebben medegedeeld dat de nalatenschappen van erflaatster en erflater gezamenlijk, ten tijde van het overlijden van laatstgenoemde, ongeveer 1,8 miljoen euro beliep exclusief het Belgische vermogen en ongeveer 2,2 miljoen euro inclusief dat vermogen. Verder hebben de verwachters medegedeeld dat alle verwachters en erven zijn overeengekomen de nalatenschappen bij helfte te verdelen tussen enerzijds de verwachters en anderzijds de erven. Aldus staat vast dat het aandeel in die nalatenschappen dat aan de erven zal toevallen, toereikend is om het legaat aan [verweerder] uit te keren. Tegen deze achtergrond hebben de verwachters geen belang bij de verklaring voor recht dat het codicil nietig is, althans is vernietigd. De uitvoering van het codicil raakt immers alleen de erven (als degenen die gehouden kunnen worden het legaat uit hun aandeel uit te keren) en niet de verwachters. Voorzover de verwachters afspraken hebben gemaakt met de erven, heeft te gelden dat zij deze afspraken niet aan [verweerder] kunnen tegenwerpen. (rov. 4.2.4 - 4.2.5.)

Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] - door met een door erflater afgegeven volmacht die door het overlijden van erflater was komen te vervallen niettemin het Belgisch tegoed onder zich te nemen - onrechtmatig heeft gehandeld althans ongerechtvaardigd is verrijkt, geldt dat hoezeer deze handelwijze in abstracto onrechtmatig is, niet kan worden geoordeeld dat deze handelwijze onrechtmatig is jegens de verwachters. Als gevolg van de getroffen regeling tussen de erven en [verweerder] moet het immers ervoor worden gehouden dat het legaat moet worden uitgekeerd uit het aandeel van de erven. Daarmee ontvalt het belang bij verwachters om zich te beroepen op onrechtmatig handelen jegens hen dan wel op ongerechtvaardigde verrijking. (rov. 4.2.6 - 4.2.7.)

Wat betreft de vordering tot terugbetaling van de door [verweerder] opgenomen tegoeden ter waarde van € 451.860,11 geldt het volgende. Voor een veroordeling tot betaling aan de nalatenschap van erflater is geen plaats omdat de verwachters tot die nalatenschap niet gerechtigd zijn. Voor een veroordeling tot betaling aan de nalatenschap van erflaatster is evenmin plaats nu het legaat ten laste dient te worden gebracht van de nalatenschap van erflater, welke toereikend is, zodat de nalatenschap van erflaatster geen aanspraak heeft op terugbetaling van het uitgekeerde bedrag. Voorzover de verwachters menen dat zij betaling kunnen vorderen omdat het Belgisch vermogen tot de nalatenschappen van erflaatster en erflater c.q. hun ontbonden huwelijksgemeenschap behoort - in zoverre sprake is van een bezitsactie, met dien verstande dat de verwachters niet door [verweerder] opgenomen aandelen vorderen, maar alleen de tegenwaarde - faalt het betoog eveneens. Deze gemeenschap en nalatenschappen zijn immers ruim toereikend om aan de verwachters het hun toekomende uit te keren met in stand lating van hetgeen [verweerder] in zijn verhouding tot de erven, rechtens toekomt. (rov. 4.2.8 - 4.2.9.) De verwachters hebben uiterst subsidiair de helft van het door [verweerder] opgenomen bedrag gevorderd, stellende dat de verwachters bij voorrang gerechtigd zijn tot die helft. Ook deze vordering dient te worden afgewezen. [Verweerder] staat als legataris buiten de verdeling van de gemeenschap en de nalatenschappen. Hij heeft een vordering op de erven. Nu de erfenis van erflater toereikend is om [verweerder] het legaat uit te keren uit het aan de erven toekomende deel, en dit ook daadwerkelijk is geschied, hebben de verwachters geen belang bij deze vordering. (rov. 4.2.10.) Enig specifiek belang van de verwachters om van [verweerder] (terug)betaling in de nalatenschappen te verlangen wordt niet gesteld, en is ook niet gebleken. Van enige schade die de verwachters lijden of zullen lijden door de handelwijze van [verweerder] is niet kunnen blijken. Deze schade wordt ook niet specifiek gesteld, noch gevorderd. Voorzover door de verwachters schade is geleden door uitkering van de Belgische tegoeden aan [verweerder], betreft dit de onderlinge relatie van de verwachters en de erven - die immers als gevolg van het royement geacht moeten worden in uitkering van het legaat te hebben bewilligd - en de in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap gemaakte afspraken, waarover het hof verder niets concreets bekend is. (rov. 4.2.11.)

7. De verwachters hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben een schriftelijke toelichting genomen. De verwachters hebben daarbij ermee volstaan in hun schriftelijke toelichting te verwijzen naar de toelichting die in de cassatiedagvaarding op de middelen is gegeven. De verwachters hebben gerepliceerd en [verweerder] heeft gedupliceerd.

De cassatiemiddelen

8. Middel 1 klaagt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.1.4, 4.1.5, 4.2.4, 4.2.7, 4.2.9, 4.2.10 en 4.2.11 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen en in het dictum beslist dat de ontbonden algehele huwelijksgoederengemeenschap nog niet is verdeeld en dat de nalatenschappen van erflaatster en erflater nog niet zijn verdeeld, althans dat het hof heeft miskend dat het gaat om de vaststelling van de omvang van "het fideï commis de residuo vermogen" ten opzichte van de nalatenschap van erflater [betrokkene 1], welke tussen de bezwaarden en de verwachters voldoende vaststond en vaststaat. Middelonderdeel 1.a licht deze klacht toe met een betoog dat erop neerkomt dat het hof heeft miskend dat erflater [betrokkene 1] de enig gerechtigde tot de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap was (de ene helft op grond van het huwelijksgoederenrecht en de andere helft op grond van het erfrecht), en dat dientengevolge (door voorgezet gebruik) verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geacht kan worden te hebben plaatsgevonden. Middelonderdeel 1.b voegt aan het voorgaande toe dat ook de overweging van het hof in rechtsoverweging 4.2.11 - dat het hof verder niets concreets bekend is over de gemaakte afspraken over de verdeling van de huwelijksgemeenschap - onbegrijpelijk is, aangezien het hof eerder in rechtsoverweging 4.2.2 heeft overwogen dat van de zijde van de procureur van verwachters bij pleidooi in hoger beroep is medegedeeld dat tussen de verwachters en de erven geschikt was, in die zin dat zij het totale vermogen aanwezig bij overlijden van de bezwaarde door twee hebben gedeeld, zodat tussen de erven en de bezwaarden (bedoeld wordt verwachters) in onderling overleg is vastgesteld dat "50% van alles fideï commis de residuo vermogen is".

9. Het middel faalt. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.1.4 overwogen dat de huwelijksgoederengemeenschap tussen erflaatster en erflater nimmer is verdeeld en het heeft daaraan toegevoegd dat een beschrijving van het fideï-commissaire vermogen niet is opgemaakt. Met zijn overweging dat de huwelijksgoederengemeenschap nimmer is verdeeld, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat erflater [betrokkene 1] die geen beschrijving heeft opgemaakt van het fideï-commissaire vermogen, niet (conform de door de erflaatster [betrokkene 2] in haar testament onder 3 (geciteerd in het tussenvonnis van de rechtbank onder 2.1) aan hem toegekende "bevoegdheid") de door het overlijden van erflaatster, zijn echtgenote, ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft gescheiden in die zin dat hij heeft vastgesteld welke vermogensbestanddelen daarvan tot het fideï-commissaire vermogen en welke delen tot zijn eigen vermogen behoorden, een vaststelling waaraan ook verwachters zijn gebonden. Middelonderdeel 1a miskent dat het hof terecht ervan is uitgegaan dat de verwachters, die als 'erfgenamen over de hand' erflaatster opvolgen in het fideï-commissaire vermogen, en de erven, die als erfgenamen de erflater opvolgen in diens eigen vermogen, alsnog tot verdeling moesten overgaan, eerst van de ontbonden huwelijksgemeenschap en vervolgens van de twee nalatenschappen. Eveneens faalt de klacht van middelonderdeel 1b dat onbegrijpelijk is 's hofs overweging in rechtsoverweging 4.2.11 dat het hof verder niets concreets bekend is over de gemaakte afspraken over de verdeling van de huwelijksgemeenschap nu het hof eerder in rechtsoverweging 4.2.2 heeft overwogen dat de verwachters ten pleidooie hebben medegedeeld dat alle verwachters en de erven zijn overeengekomen de nalatenschappen bij helfte te verdelen tussen de verwachters enerzijds en de erven anderzijds. De omstandigheid dat is overeengekomen de nalatenschappen van erflaatster en erflater bij helfte te verdelen tussen enerzijds de verwachters en anderzijds de erven, betekent immers niet dat over de verdeling in concreto iets naders bekend is.

10. Middel 2 betoogt dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2.2-4.2.10 ten onrechte althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft overwogen en beslist dat door het royement van de procedure tussen de erven en [verweerder] vaststaat dat het vonnis van de rechtbank ten aanzien van vorm en inhoud van het legaat juist is, en of dat op grond van dit royement [verweerder] een mede tegen de verwachters in te roepen recht heeft op afgifte van de gelegateerde goederen.

11. Het onderdeel faalt reeds bij gebreke aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat het royement van de procedure tussen de erven en [verweerder] tot gevolg heeft dat [verweerder] een mede tegen de verwachters in te roepen recht heeft op afgifte van de gelegateerde goederen. Dit recht geldt slechts jegens de erven (in de nalatenschap van erflater). Ik volsta te verwijzen naar hetgeen het hof heeft overwogen in rechtsoverweging 4.2.3.

12. Middel 3 keert zich tegen rechtsoverweging 4.2.11 waarin het hof heeft geoordeeld: "Enig specifiek belang van de verwachters om van [verweerder] (terug)betaling in de nalatenschappen te verlangen wordt niet gesteld, en is ook niet gebleken. Van enige schade die de verwachters lijden of zullen lijden door de handelwijze van [verweerder] is niet kunnen blijken. Deze schade wordt ook niet specifiek gesteld, noch gevorderd." Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft overwogen en beslist dat de verwachters niet aan hun stelplicht hebben voldaan ten aanzien van schade en enig belang bij een vordering op [verweerder], gelet op hetgeen is aangevoerd door verwachters is feitelijke instanties. Hetgeen door verwachters in appel is aangevoerd strekt - in de kern genomen - ertoe te betogen dat de tegoeden die door erflater werden aangehouden bij Dexia Bank moeten worden aangemerkt als goederen belast met het fideï-commis de residuo, zodat de verwachters recht en belang hebben bij handhaving van hun rechten respectievelijk vergoeding van de schade in geval van schending van hun rechten.

13. Het middel miskent dat de stelplicht waar het hof op doelt geen betrekking heeft op de vraag of de tegoeden als bezwaard vermogen moesten worden aangemerkt. De stelplicht waarop het hof doelt heeft betrekking op de vraag of de verwachters bij hun vordering tot (terug)betaling van de door [verweerder] opgenomen tegoeden van € 451.860,11 - dat wil zeggen een vordering tot schadevergoeding in geld - enig specifiek belang hebben dan wel of de verwachters door de handelwijze van [verweerder] enige schade lijden of zullen lijden,nu het legaat ten laste dient te worden gebracht en ook is gebracht van de (daartoe toereikende) nalatenschap van de erflater, zodat de uitkering van het legaat - of beter gezegd: het in abstracto als onrechtmatig aan te merken eigenmachtige opnemen van het geld door [verweerder] - het recht van verwachters in zoverre onverlet laat.

14. Het vierde middel voert aan dat onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is 's hofs oordeel in rechtsoverweging 4.2.12 dat voor bewijslevering geen plaats is omdat 's hofs oordelen zijn gegrond op vaststaande feiten en hetgeen te bewijzen wordt aangeboden niet kan leiden tot een ander oordeel. Het voert daartoe aan dat gespecificeerd te bewijzen is aangeboden dat de Belgische tegoeden grotendeels bestaan uit fideï-commis-vermogen. Het klaagt voorts dat het hof in het licht van de eerdere klachten onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de te bewijzen aangeboden feiten vaststaan.

15. Het middel faalt. Het gaat ervan uit dat het door het middel bedoelde bewijs ter zake dienend is; het bouwt aldus voort op het derde middel en moet derhalve het lot daarvan delen. De slotklacht voldoet niet aan de te stellen eisen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden