Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4845

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
R07/120HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2008-04-11
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 290
RvdW 2008, 422
JWB 2008/173

Conclusie

Rekestnr. R07/120HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 1 februari 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

(hierna: [verzoeker])

1. Inleiding

1.1. Verzoeker [verzoeker] heeft een aanvraag gedaan om toelating tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank en het hof hebben dit verzoek afgewezen op de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 sub b Fw: het is aannemelijk dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden niet te goeder trouw is geweest.

1.2. [Verzoeker] stelt onder meer dat het hof zijn situatie niet kan beoordelen zonder de positie van [betrokkene 1] (zijn oud compagnon in een v.o.f. en, volgens [verzoeker] (hoofdzakelijk) verantwoordelijk voor de schulden) daarbij te betrekken. In het licht hiervan betoogt [verzoeker] verder dat, nu [betrokkene 1] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dit tevens voor [verzoeker] zou moeten gelden. Ten slotte zou het hof [verzoeker] ten onrechte hebben verweten dat hij de boekhouding aan zijn compagnon zou hebben overgelaten, omdat het binnen een v.o.f. heel normaal of gebruikelijk zou zijn dat zo'n werkverdeling plaatsvindt.

1.3. De klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen (in de zin van art. 81 Wet R.O.) heb ik niet aangetroffen.

2. Procesverloop

2.1. Aan het vonnis van de rechtbank van 1 mei 2007 en aan 's hofs arrest laat zich het volgende ontlenen.

2.2. [Verzoeker] heeft op 2 maart 2007 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Arnhem tot toepassing van de schuldsanering.

2.3. Bij vonnis van 1 mei 2007 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op grond van de overweging dat:

'de verzoeker ten aanzien van de vorderingen niet te goeder trouw is geweest, nu hij als zelfstandig ondernemer zijn onderneming op deugdelijke wijze dient te voeren, zich daarbij niet kan verlaten op een boekhouder en dus zelf de eindverantwoordelijkheid heeft voor de ontstane schulden.'(1)

2.4. Ter nadere motivering heeft de rechtbank overwogen:

'De verzoeker heeft samen met een compagnon (ex-zwager) een vennootschap onder firma gevoerd. Deze compagnon is er met een aanzienlijk geldbedrag vandoor gegaan. Verzoeker is toen verdergegaan als zijnde een eenmanszaak. In die periode zijn de schulden ook aanzienlijk opgelopen. De totale schuldenlast van verzoeker bedraagt ongeveer € 214.083,34. De belastingdienst heeft een vordering van ongeveer € 72.000,-- op verzoeker. Verzoeker geeft aan dat er wel een aantal aangiftes zijn gedaan maar dat voornamelijk de laatste twee jaar de boekhouding niet in orde was en er geen deugdelijke aangiftes zijn gedaan. De verzoeker had voor het voeren van zijn administratie een boekhouder ingehuurd. Aangezien de verzoeker deze boekhouder niet meer kon betalen heeft de boekhouder de administratie niet op de juiste wijze afgehandeld. De volledige administratie ligt nog steeds bij de boekhouder.

Voor het starten van de ondernemingen zijn geen bedrijfsplannen opgesteld. Er was dan ook onvoldoende inzicht in het wel of niet slagen van deze ondernemingen.'

2.5. Van dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. [Verzoeker] voerde daarbij, blijkens rov. 3.2 van 's hofs arrest, het volgende aan:

[Verzoeker] is samen met zijn zwager op 1 maart 2003 schoonmaakbedrijf Heda v.o.f. (hierna ook te noemen: Heda) gestart. Op dat moment had [verzoeker] geen schulden. De boekhouding van Heda werd verzorgd door een boekhouder. Op 1 februari 2005 is de onderneming ontbonden. [Verzoeker] verkeerde in de veronderstelling dat de onderneming op dat moment geen noemenswaardige schulden had. Later bleek echter dat zijn compagnon, tevens zijn zwager, veel schulden had gemaakt. Ook had de boekhouder vanwege betalingsachterstanden geruime tijd geen werkzaamheden meer verricht. [Verzoeker] heeft een poging gedaan een nieuw schoonmaakbedrijf te starten. Hij is hier begin 2006 mee gestopt, omdat er onvoldoende werk was en [verzoeker] met grote schulden van Heda geconfronteerd werd.

[Verzoeker] stelt dat het ontstaan van de schulden hem niet aangerekend kan worden. Hij stelt dat zijn zwager verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schulden. Zijn zwager heeft grote bedragen aan het bedrijf onttrokken om op vakantie te gaan en nieuwe auto's aan te schaffen.

Bij Heda waren, naast [verzoeker] en zijn zwager, ook tevens hun beider echtgenotes betrokken. Inmiddels zijn beide echtparen gescheiden. Recentelijk zijn de zwager van [verzoeker], diens ex-vrouw en ook de ex-vrouw van [verzoeker] op basis van dezelfde schuldenlast wel toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. [Verzoeker] is van mening dat hij derhalve, op grond van de redelijkheid en billijkheid en het gelijkheidsbeginsel, ook tot de wettelijke schuldsaneringsregeling dient te worden toegelaten.'

2.6. Bij arrest van 18 juni 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

'3.3 Uit de stukken en het verklaarde ter zitting van het hof is gebleken dat het grootste deel van de schuldenlast van [verzoeker] bestaat uit zakelijke schulden die zijn voortgevloeid uit Heda. [Verzoeker] heeft verklaard dat hij de boekhouding van Heda geheel overliet aan zijn compagnon en dat hij slechts eenmaal in de drie maanden een overzicht van de stand van zaken van het bedrijf ontving van de boekhouder. Hij heeft verklaard dat hij zijn compagnon bij die gelegenheden een aantal malen heeft gewaarschuwd dat het niet goed liep met het bedrijf, maar dat hij erop vertrouwde dat het wel goed zou komen. Toen [verzoeker] zich in 2005 terugtrok uit Heda, heeft hij aangenomen dat Heda geen schulden had, zonder zich te vergewissen van de stand van zaken.

3.4 Het hof overweegt als volgt. Het hof acht het verwijtbaar dat [verzoeker], als vennoot, de boekhouding geheel heeft overgelaten aan zijn compagnon en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de stand van zaken ten aanzien van de onderneming. Voorts heeft hij, toen hij besefte dat het niet goed ging met het bedrijf, de zaken op hun beloop gelaten en niet ingegrepen. Het hof acht voorts verwijtbaar dat [verzoeker], ondanks het feit dat hij reeds geruime tijd had gesignaleerd dat het niet goed ging met het bedrijf, bij de ontbinding van Heda zich niet heeft vergewist van de stand van zaken en er voetstoots van is uitgegaan dat er geen betalingsachterstanden waren. Ten slotte heeft [verzoeker] in 2005 een aantal malen geld geleend bij de ABN AMRO om daarmee de werknemers van Heda te kunnen betalen, terwijl hij naar eigen zeggen op dat moment wist dat hij niet in staat zou zijn dit geld terug te betalen.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, zodat zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen. Het feit dat zijn ex-echtgenote, die overigens geen vennoot van Heda was, en zijn zwager en diens ex-echtgenote wel zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, kan aan deze conclusie niet afdoen.'

2.7. Tegen dit arrest heeft [verzoeker] - tijdig(2) - cassatieberoep ingesteld.

3. Wettelijk kader

3.1. Bij wet van 24 mei 2007, Stb. 192, is de wettelijke regeling van de schuldsanering van natuurlijke personen aanzienlijk gewijzigd(3). De nieuwe regeling is per 1 januari 2008 van kracht geworden(4).

De overgangsbepaling van art. IV van deze wet regelt slechts gevallen waarin vóór 1 januari 2008 de schuldsanering reeds van toepassing is verklaard, en nog niet geëindigd is. Ten aanzien van (in beroep) aanhangige afgewezen verzoeken is geen bijzondere wettelijke bepaling gegeven. Daarover vermeldt de MvT bij art. IV dat 'op lopende schuldsaneringsregelingen en op verzoekschriften die voor de datum van inwerkingtreding zijn ingediend, [..] de oude regeling van toepassing [blijft]'(5). Die opvatting kan gevolgd worden, temeer omdat zij, wat de behandeling in cassatie betreft, aansluit bij art. 74 lid 4 Overgangswet NBW, welke bepaling uitdrukking lijkt te geven aan een meer algemene regel(6).

3.2.(7) Voor wat betreft de op de onderhavige zaak van toepassing zijnde wetgeving geldt dat art. 288 lid 2 sub b Fw (oud) de rechter de bevoegdheid geeft om de schuldsaneringsregeling buiten toepassing te laten wanneer de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald blijven van de schulden niet te goeder trouw is (geweest). Met 'goede trouw' wordt gedoeld op een gedragsmaatstaf (zoals in art. 54 Fw), niet op goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid bedoeld in art. 6:2 en 6:248 BW. Bij de toepassing van art. 288 lid 2 Fw kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval(8). Ook gedragingen van de schuldenaar in de niet (direct) financiële sfeer kunnen relevant zijn(9). Uit de parlementaire geschiedenis van art. 288 Fw blijkt dat verder onder meer van belang kunnen zijn 'de aard en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren'(10).

3.3. Uit de arresten van 12 mei 2000 (NJ 2000, 567 m.nt. PvS) en 26 januari 2001 (NJ 2001, 178) volgt dat wanneer het ontstaan van de schulden verwijtbaar is, en er in zoverre geen sprake van goede trouw is, een schuldenaar onder omstandigheden toch tot de schuldsanering kan worden toegelaten. Art. 288 lid 2 sub b Fw bevat immers een facultatieve weigeringsgrond. Wanneer de (aspirant)saniet inmiddels de ontstane schulden zoveel mogelijk probeert af te lossen, kan er reden zijn om ondanks het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden toch de wettelijke schuldsanering toe te passen(11). De schuldenaar zich wel dan wél gemotiveerd moeten beroepen op feiten en omstandigheden die toelating rechtvaardigen.

Het bestaan van de hierboven bedoelde mogelijkheid hangt samen met de ratio van deze facultatieve weigeringsgrond. Deze is niet bedoeld als 'straf' voor onverantwoordelijk (financieel) gedrag. Met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen, in die zin dat een debiteur tot de regeling wordt toegelaten bij wie er, gelet op zijn gedragingen in het verleden, ernstig aan getwijfeld kan worden dat hij zich aan zijn verplichtingen in het kader van de schuldsanering zal kunnen houden(12). Het gaat om een op een prognose gerichte moraliteitstest, niet om een sanctie op een gebrek aan moraliteit(13).

Bij de toepassing van art. 288 lid 2 sub b Fw is dus ook van belang of de schuldenaar na het ontstaan van de schulden iets heeft ondernomen waaruit blijkt dat hij of zij zoveel mogelijk aan de belangen van de schuldeisers tegemoet wil komen, waartoe hij, als gezegd, het nodige zal moeten stellen.

3.4. In de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringen van 1 oktober 2005(14) is een lijst opgenomen met aan de rechtspraktijk ontleende omstandigheden waaronder het aannemelijk kan zijn dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest. Daar staat onder andere de omstandigheid dat 'verzoeker een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding is bijgehouden' alsmede de omstandigheid dat 'er vorderingen van de Belastingdienst en/of Bedrijfsvereniging zijn die betrekking hebben op een opgelegde boete'. Ook wordt de omstandigheid genoemd dat 'schulden zijn aangegaan terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker(s) redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan'. Deze richtlijnen geven de feitenrechter een indicatie bij de vaststelling of aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. In individuele gevallen kan van deze uitgangspunten worden afgeweken indien de omstandigheden daarvoor een aanleiding geven. Als gezegd kunnen daarbij alle omstandigheden worden meegewogen die voor die vaststelling relevant zijn.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1.1. De voorgedragen cassatiemiddelen richten zich alledrie met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.4 (in samenhang met rov. 3.5) van 's hofs arrest.

4.1.2. Opgemerkt moet worden dat [verzoeker]' stellingen in de feitelijke instanties summier, en niet of nauwelijks gestaafd waren. In het cassatierekest ontbreken (dan) ook verwijzingen naar vindplaatsen in door [verzoeker] ingebrachte processtukken.

4.2. Middel I. Onderdeel 4.2 (onderdeel 4.1 bevat geen klacht) klaagt dat [verzoeker] wel degelijk heeft ingegrepen, namelijk door gelden te lenen om daarmee (bedrijfs-)betalingen te doen jegens het personeel zoals dat toen nog in dienst was. Voor het gedeelte van de betalingen die [verzoeker] nog in het belang van de v.o.f. heeft gedaan, heeft [verzoeker] een concurrente vordering op de v.o.f. en/of [betrokkene 1]. Volgens onderdeel 4.3 had ook de positie van [betrokkene 1] dienen te worden meegenomen, omdat [verzoeker] heeft gesteld dat [betrokkene 1] bedrijfsgelden aan het bedrijf heeft onttrokken, en zijn de v.o.f. en [verzoeker] dus gerechtigd tot een claim terzake, en er valt tot zover aan hem niet te verwijten dat gelden zijn onttrokken. Het hof had dienen te onderzoeken of [verzoeker] schuld heeft aan de onttrekkingen van [betrokkene 1]. De vraag of [verzoeker] voldoende toezicht zou hebben gehouden zegt immers niets over de vordering wegens onrechtmatige onttrekkingen door [betrokkene 1] die de v.o.f. en/of [verzoeker] op [betrokkene 1] hebben, aldus het onderdeel.

Onderdeel 4.4 vervolgt met de klacht dat [verzoeker] eerst met de schulden werd geconfronteerd nadat hij al uit de v.o.f. was gestapt, zodat voor een goede en zuivere beoordeling van belang is te weten wat de bewindvoerder van [betrokkene 1] heeft gerapporteerd als diens bevindingen. De verwijten die het hof thans aan [verzoeker] maakt zouden namelijk indien deze gegrond zouden zijn in dezelfde vorm moeten terugkeren in die rapportage. Het hof laat aldus onverklaard dat en waarom (desondanks) [betrokkene 1] (wel) is toegelaten tot de wsnp.

Onderdeel 4.5 meent dat 'voorts heeft te gelden' dat [verzoeker] heeft betwist dat er op het moment dat hij uitstapte (kenbare) schulden waren, nu er toen nog sprake was van een orderportefeuille met lopende opdrachten. Volgens onderdeel 4.6 is er in elk geval sprake van feiten en omstandigheden die meebrengen dat het verzoek (desondanks) diende te worden toegewezen.

4.3. Het middel kan niet slagen. Het hof heeft de stelling in onderdeel 4.2 dat [verzoeker] wel degelijk heeft ingegrepen, namelijk door gelden te lenen om daarmee (bedrijfs-)betalingen te doen jegens het personeel dat nog in dienst was, onder ogen gezien, maar heeft in rov. 3.4 juist geoordeeld - zonder dat daartegen een klacht is gericht, én overigens niet onbegrijpelijk - dat dit juist ten nadele van [verzoeker] dient te gelden, nu hij (naar eigen zeggen) op dat moment wist dat hij niet in staat zou zijn dit geld terug te betalen.

Aan de stelling van [verzoeker] dat hij voor het gedeelte van de betalingen die [verzoeker] nog in het belang van de v.o.f. heeft gedaan, een concurrente vordering op de v.o.f. en/of [betrokkene 1] heeft, kon het hof voorbij gaan, nu [verzoeker] niet gesteld heeft dat die vorderingen iets waard zouden zijn, en uit zijn stellingen omtrent de wsnp-situatie van [betrokkene 1] het tegendeel voortvloeit. Ditzelfde geldt voor de stelling van onderdeel 4.3 omtrent de vordering die de v.o.f. en/of [verzoeker] wegens onrechtmatige onttrekkingen op [betrokkene 1] zouden hebben.

De stellingen van onderdeel 4.3 omtrent de positie van [betrokkene 1], die bedrijfsgelden aan het bedrijf zou hebben onttrokken, hetgeen niet aan [verzoeker] te verwijten zou zijn, resp. de stelling dat het hof had dienen te onderzoeken of [verzoeker] schuld heeft aan de onttrekkingen van [betrokkene 1], stuiten af op 's hofs oordeel (rov. 3.4, tweede volzin) dat [verzoeker], als vennoot, de boekhouding geheel heeft overgelaten aan zijn compagnon en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de stand van zaken bij de onderneming, en dat [verzoeker], toen hij besefte dat het niet goed ging met het bedrijf, de zaken op hun beloop heeft gelaten en niet heeft ingegrepen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Hierop stuiten ook af de klachten van onderdeel 4.4 dat [verzoeker] eerst met de schulden werd geconfronteerd nadat hij al uit de v.o.f. was gestapt, en dat voor een goede beoordeling nog van belang zou zijn om te weten wat de bewindvoerder van [betrokkene 1] heeft gerapporteerd. De verder in het onderdeel neergelegde stelling dat zou moeten blijken dat hetgeen het hof aan [verzoeker] verwijt in dezelfde vorm zou moeten terugkeren in die rapportage, berust niet op een rechtsregel. Hetzelfde geldt voor het verlangen dat het hof zou moeten verklaren dat en waarom [betrokkene 1] wel is toegelaten tot de wsnp.

De klacht dat [verzoeker], als in onderdeel 4.5 bedoeld, betwist zou hebben dat er op het moment dat hij uitstapte (kenbare) schulden waren, nu er toen nog sprake was van een orderportefeuille met lopende opdrachten, faalt omdat volgens het in zoverre niet bestreden oordeel van het hof [verzoeker] zich juist (beter en eerder) van de werkelijke financiële situatie had moeten vergewissen, en omdat naar het kennelijke en begrijpelijke oordeel van het hof de aanwezigheid van (enige?) lopende opdrachten daaraan niet kan afdoen.

De niet nader onderbouwde stelling in onderdeel 4.6 dat er in elk geval sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het verzoek (desondanks) diende te worden toegewezen, deelt het lot van de voorgaande onderdelen.

4.4. Middel II klaagt, na een inleiding onder 5.1, in onderdelen 5.2 en 5.3 wederom dat het hof nader had dienen te motiveren waarom [betrokkene 1] wél tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten en [verzoeker] niet. Aangevoerd wordt dat de achtergrond en/of de ontstaansgrond van de schulden (grotendeels) dezelfde is, respectievelijk deze jegens [betrokkene 1] in verergerde mate geldt daar waar [verzoeker] [betrokkene 1] verwijt dat deze die schulden heeft gemaakt c.q. laten ontstaan. Het kan toch niet zo zijn dat (in de visie van [verzoeker]) de persoon die de schulden maakt wel tot de wsnp wordt toegelaten, en de persoon die met de schulden wordt geconfronteerd niet, aldus onderdeel 5.3. Volgens onderdeel 5.4 is er in elk geval sprake van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het verzoek (desondanks) diende te worden toegewezen.

4.5. Middel II bouwt in grote mate voort op middel I, en deelt in dezelfde mate het lot daarvan. Ik wijs er nog op dat het hof noch kon, noch behoefde uit te gaan van een 'gegeven' dat de achtergrond en/of de ontstaansgrond van de schulden (grotendeels) dezelfde zou zijn, respectievelijk nog meer dan aan [verzoeker] aan [betrokkene 1] te verwijten zou zijn. De klacht dat (in de visie van [verzoeker]) de persoon die de schulden maakt wel tot de wsnp wordt toegelaten, en de persoon die met de schulden wordt geconfronteerd niet, mist feitelijke grondslag, nu het hof, voldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat en waarom [verzoeker] (door onvoldoende vergewissing, alsmede door het aangaan van leningen terwijl hij wist dat hij niet in staat zou zijn die terug te betalen), (mede) verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schulden. Voor de in onderdeel 5.4 bedoelde 'bijzondere omstandigheden' geldt hetzelfde als hierboven (in nr. 4.3) bij de bespreking van onderdeel 4.6 is opgemerkt.

4.6. Middel III betoogt dat het hof [verzoeker] niet kan verwijten dat hij, als vennoot, de boekhouding geheel heeft overgelaten aan zijn compagnon en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de stand van zaken ten aanzien van de onderneming. Het middel klaagt in onderdeel 6.2 (onderdeel 6.1 bevat geen klacht) dat het in het kader van een taakverdeling binnen de v.o.f. volstrekt normaal of gebruikelijk is dat de ene compagnon zich meer bezig houdt met de financiële zaken dan de andere compagnon terwijl bovendien uit de eigen verklaring van [verzoeker] blijkt dat sprake was van een (externe) boekhouder. In dit kader stelt onderdeel 6.3 nog dat indien sprake is van een boekhoudkundige gemachtigde een op de eigen persoon toegespitste motivering wordt verlangd, waarbij het onderdeel verwijst naar HR (derde kamer) 22 juni 2007, nr. 42013, rov. 3.2.5.

4.7. Het middel faalt vanwege verkeerde lezing van 's hofs arrest. Het hof stelt niet ter discussie dat er niet van een taakverdeling sprake zou mogen zijn waarbij de ene vennoot zich meer bezig houdt met de financiële zaken dan de ander, maar overweegt in rov. 3.4, eerste alinea, dat verwijtbaar is dat [verzoeker] de boekhouding geheel aan zijn compagnon heeft overgelaten en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de stand van zaken ten aanzien van de onderneming. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor 's hofs oordeel dat daaraan niet afdoet dat er sprake was van een externe boekhouder. De aangevochten deeloverweging dient in relatie met de overige inhoud van rov. 3.4 te worden gelezen en dan blijkt dat [verzoeker] zich ook niet met de boekhouding heeft bemoeid toen hij besefte dat het niet goed ging met het bedrijf, aldus het hof in rov. 3.4 op p. 4 bovenaan.

Het beroep op HR (derde kamer) 22 juni 2007, nr. 42013, LJN BA7728, rov. 3.2.5 kan hieraan niet afdoen. Aldaar werd niet meer of anders geoordeeld(15) dan dat:

'voor de toepassing van artikel 67d van de [AWRB] [heeft] te gelden dat de inspecteur dient te stellen en te bewijzen dat ten aanzien van de belastingplichtige sprake is van opzet en dat hij niet kan volstaan met het stellen en bewijzen van opzet van de adviseur van de belastingplichtige. Nu het Hof niet is nagegaan of zonder de toerekening van de opzet van belanghebbendes gemachtigde bij belanghebbende opzet kan worden aangenomen, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting'.

Het beroep op dit arrest faalt reeds omdat voor het aannemen van ontbreken van goede trouw in de zin van art. 288, lid 2 onder b Fw geen opzet wordt vereist.

4.8. Ik sluit af met een herhaalde, en een nadere observatie.

Herhaald zij (vgl. nr. 4.1.2) dat [verzoeker]' stellingen in de feitelijke instanties summier en niet of nauwelijks gestaafd waren, en dat in het cassatierekest (dan) ook verwijzingen naar vindplaatsen in door [verzoeker] ingebrachte processtukken ontbreken.

In de tweede plaats kan opgemerkt worden dat de omstandigheid dat de rechtbank en het hof oordeelden dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en onbetaald zijn gebleven, weliswaar niet uitsloot dat [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegelaten, mits hij zich voldoende gemotiveerd zou hebben beroepen op - gebleken - daartoe aanleiding gevende op de toekomst gerichte omstandigheden (vgl. hierboven nr. 3.3). De cassatiemiddelen bevatten evenwel geen - voldoende gespecificeerde - klachten dat het hof het vorenstaande zou hebben miskend of een in dat opzicht ongenoegzaam gemotiveerd oordeel zou hebben gegeven.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Vonnis, 1e pagina onderaan.

2 Het verzoekschrift tot cassatie is, in overeenstemming met de cassatietermijn van art. 292 lid 4 Fw, op 26 juni 2007 bij de Hoge Raad binnengekomen.

3 Op de inhoud hiervan ben ik ingegaan in mijn conclusie voor HR 20 april 2007, NJ 2007, 242 (nr. R06/139HR) onder 3.4 e.v.

4 Stb. 2007, 222 (KB van 18 juni 2007).

5 TK 2004-2005, 29942, nr. 3, p. 39.

6 Vgl. ook de MvT Inv.w. bij art. 74, PG NBW Overgangsrecht, p. 59: 'toepasselijkheid van het nieuwe recht [ ..] zou veelal niet mogelijk zijn zonder behandeling van nieuwe feitelijke vragen die voor het nieuwe recht relevant zijn.'. Vgl. ook (in NRv.-context) HR 13 oktober 2006, nr. C05/246, NJ 2006, 562, LJN AX8845, rov. 3.3-3.4, alsmede de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor dat arrest onder 2.18-2.23.

7 Nrs. 3.2-3.3 ontleend aan de in noot 3 genoemde conclusie.

8 Zie over art. 288 Fw nader bijv. de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.

9 HR 12 januari 2003 (nr. R02/042HR), NJ 2003, 195.

10 Zie de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.4.

11 Zie rov. 3.2.2 van HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 en rov. 3.4.1-3.4.2 van HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178. Er is bij inmiddels getoonde verantwoordelijkheid, in de woorden van A-G Wuisman, 'ruimte voor vergeving'; zie zijn conclusie voor HR 1 december 2006, nr. R06/50HR, LJNAZ0139, onder 2.3.

12 Vgl. de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 7.

13 Vgl. de noot van Van Schilfgaarde onder HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 4 en de conclusie voor HR 17 december 2004, NJ 2005, 240, onder 4.4.

14 Waarvoor per 1 januari 2008 in de plaats kwamen de Richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, opgesteld door Recofa in overleg met de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch op 26 november 2007, en goedgekeurd door het LOVC op 14 december 2007.

15 Zoals eerder geoordeeld in de arresten van 1 december 2006, nrs. 40369, BNB 2007/151, en 40518, NTFR 2006/1711.