Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4842

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
C06/319HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AY9833
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Rechtsgeldigheid voortijdige opzegging en buitengerechtelijke ontbinding van een sponsorovereenkomst (81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 324
RvdW 2008, 455
JWB 2008/197

Conclusie

Rolnr. C06/319HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 15 februari 2008

Conclusie inzake:

Peha Holding BV

tegen:

Nederlandse Skivereniging

1. Inleiding

1.1. De partijen zullen hierna worden aangeduid als Peha en (de) NSV.

1.2. Het gaat om een sponsorovereenkomst tussen partijen die door Peha - abrupt - is opgezegd/buitengerechtelijk ontbonden. De NSV heeft zich in de feitelijke instanties met succes daartegen verzet.

1.3. Voor zover Peha's cassatieklachten al voldoen aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv. daaraan te stellen eisen, kunnen zij m.i. niet tot cassatie leiden. Vragen, die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen, in de zin van art. 81 RO, heb ik niet aangetroffen.

In het licht van het vorenstaande heb ik de voorwaardelijke klachten van de NSV niet besproken.

2. Feiten(1)

2.1. Bij een tussen partijen in januari 2001 gesloten sponsorovereenkomst met een looptijd van vijf jaar vanaf 1 mei 2001 tot en met 30 april 2006, heeft Peha zich tegenover de NSV verbonden om het sportonderdeel Alpineski van de NSV financieel te ondersteunen, waartegenover NSV zich tegenover Peha tot het verrichten van diverse activiteiten heeft verplicht, alles zoals nader in die overeenkomst en de daarbij behorende bijlagen is omschreven. Tot die tegenprestaties behoort dat de sponsoring door Peha van f 100.000,- per jaar door de NSV voor 100% zal worden aangewend ten behoeve van de talentontwikkeling van het sportonderdeel Alpineski.

2.2. In artikel 5 van de overeenkomst wordt bepaald dat opzegging door partijen van deze overeenkomst tijdens de looptijd daarvan is uitgesloten, zij het dat de meest gerede partij te allen tijde het recht heeft de overeenkomst te beëindigen in de daar genoemde gevallen en op de wijze als in dat artikel nader wordt omschreven. In artikel 12 van de overeenkomst wordt in de gerechtelijke ontbinding daarvan voorzien.

2.3. Bij aangetekende brief van 15 april 2003 heeft Peha - onder verwijzing naar onder meer artikel 12 van de overeenkomst - de sponsorovereenkomst met onmiddellijke ingang doch uiterlijk per 30 april 2003 opgezegd op de gronden die in die brief worden vermeld. De NSV heeft met die opzegging geen genoegen genomen.

3. Procesverloop

3.1. Bij dagvaarding d.d. 11 juli 2003 heeft de NSV Peha voor de rechtbank Amsterdam gedaagd en gevorderd - zakelijk weergegeven - dat voor recht zal worden verklaard dat die opzegging nietig is wegens strijd met het in artikel 5 van de sponsorovereenkomst vervatte opzegverbod, en voorts de veroordeling van Peha gevorderd tot nakoming van de overeenkomst totdat die zal zijn geëxpireerd, met rente en kosten, waaronder buitengerechtelijke incassokosten.

3.2. Peha heeft die vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de sponsorovereenkomst per 15 april 2003 is ontbonden dan wel alsnog door de rechtbank per die datum zal worden ontbonden, alsmede dat de NSV zal worden veroordeeld de door Peha reeds aan de NSV betaalde sponsorgelden aan Peha terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten.

3.3. Een bij tussenvonnis van 29 oktober 2003 gelaste comparitie van partijen vond op 20 januari 2004 plaats. Daarvan is proces-verbaal is opgemaakt. Op die datum concludeerde de NSV tevens voor antwoord in reconventie.

3.4. Op 3 maart 2004 wees de rechtbank vonnis. Zij wees de vorderingen in conventie grotendeels toe - uitvoerbaar bij voorraad - en die in reconventie af, met verwijzing van Peha in de kosten.

3.5. Peha is van het vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, onder vermeerdering van eis. De NSV heeft verweer gevoerd, waarna Peha zich bij akte heeft uitgelaten over producties van de NSV. Partijen hebben op 11 april 2006 de zaak ter zitting van het hof bepleit.

3.6. Bij arrest van 18 mei 2006 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en de vermeerderde eis in reconventie afgewezen.

3.7. Van dit arrest is Peha bij exploot van 18 augustus 2006 - dus tijdig - in cassatieberoep gegaan. De NSV concludeerde tot verwerping van het beroep, en voerde een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel aan, dat door Peha op haar beurt is tegengesproken.

Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. De NSV heeft nog gedupliceerd.

4. Beoordeling van de klachten in het principale beroep

4.1. Middel I richt zich in den brede tegen de rov. 4.5 t/m 4.10(2), waarin het hof overwoog:

'4.5. Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat aan Peha in dit geval een dergelijk beroep op ontbinding eerst toekomt vanaf het moment dat NSV in verzuim is komen te verkeren, te weten - gelet op het bepaalde bij artikel 6:82 BW - vanaf het moment dat nakoming door NSV van haar uit de sponsorovereenkomst voortvloeiende verplichtingen is uitgebleven nadat NSV door Peha bij een schriftelijke aanmaning in gebreke is gesteld, waarbij aan NSV een redelijke termijn voor de nakoming wordt gegeven. Dit sluit ook rechtstreeks aan bij hetgeen in artikel 12 van de sponsorovereenkomst - naar welk artikel in genoemde brief van 15 april 2003 ook wordt verwezen - voor het geval van niet nakoming wordt bepaald, te weten:

"In geval van niet nakoming door een van de partijen van een of meer verplichtingen krachtens deze overeenkomst of de wet op haar rustende, heeft de wederpartij het recht om na ingebrekestelling in rechte te vorderen dat de overeenkomst zal worden ontbonden, onverminderd het recht van de wederpartij om nakoming van de overeenkomst en/of schadevergoeding te vorderen".

4.6. Genoemde brief van Peha van 15 april 2003 kan niet als een dergelijke ingebrekestelling worden aangemerkt. Weliswaar wordt in die brief door Peha onder meer gesteld dat volgens haar de organisatie van NSV op tal van punten in gebreke is terwijl daarnaast de doelstelling niet wordt gehaald, alsmede dat Peha reden heeft om aan te nemen dat NSV de sponsorgelden van Peha anders heeft besteed dan - zoals overeengekomen - voor talentontwikkeling, doch in de brief wordt aan NSV geen redelijke termijn gesteld om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen.

Peha heeft bij memorie van grieven weliswaar gesteld dat NSV (reeds) in 2001 en 2002 de door Peha gefourneerde sponsorgelden niet voor 100% voor het beoogde doel heeft aangewend zodat alsnog nakoming door NSV van haar verplichtingen over 2001 en 2002 in 2003 blijvend onmogelijk was geworden en Peha deswege bevoegd was de sponsorovereenkomst ook zonder ingebrekestelling te beëindigen (waarbij Peha kennelijk doelt op het bepaalde bij artikel 6:265 lid 2 BW), doch NSV heeft onder overlegging van bewijsstukken - waaronder financiële jaarverslagen over 2001/2002 en 2002/2003 - gemotiveerd betwist dat zij niet aan haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst, waaronder het (volledig) besteden van de sponsorgelden aan talentontwikkeling als in de overeenkomst bedoeld, heeft voldaan. Bij die stand van zaken had het op de weg van Peha gelegen om voldoende concrete feiten te stellen waaruit voortvloeit dat nakoming door NSV van haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst blijvend onmogelijk was geworden en een ingebrekestelling derhalve overbodig. Tot het stellen van dergelijke voldoende concrete feiten is Peha evenwel niet overgegaan. Een beroep op ontbinding van de sponsorovereenkomst was voor Peha derhalve eerst mogelijk nadat NSV in verzuim zou zijn gekomen. Daartoe was - ook volgens de overeenkomst van partijen - een ingebrekestelling noodzakelijk, nu voorts niet is gebleken dat zich hier een uitzondering als bedoeld in artikel 6:83 BW voordeed dan wel anderszins redelijkheid en billijkheid meebrachten dat een ingebrekestelling achterwege kon blijven. Ook daartoe is te weinig gesteld. De verplichtingen die NSV bij de sponsorovereenkomst tegenover Peha op zich heeft genomen zijn ook niet van dien aard dat bij de gestelde niet nakoming daarvan door NSV een ingebrekestelling achterwege kon blijven alvorens Peha een beroep op ontbinding zou kunnen doen. In dit verband kan tevens nog worden opgemerkt dat Peha, indien zij reeds in 2001 en/of 2002 van mening was geweest dat NSV haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst niet of niet volledig nakwam, dit (bijvoorbeeld) bij gelegenheid van de bij artikel 6 van de sponsorovereenkomst voorziene jaarlijkse evaluatie van de tegenprestaties van NSV dan wel bij andere in de overeenkomst en de daarbij behorende bijlagen voorziene overleg- en evaluatiemomenten aan de orde had kunnen stellen en, zo zij daartoe gronden aanwezig achtte, toen reeds een ingebrekestelling had kunnen doen uitgaan, ook ingeval dergelijke evaluatie- en overlegmomenten in haar visie niet of niet tijdig genoeg door NSV werden belegd. Niet is evenwel gebleken dat NSV op deugdelijke wijze in gebreke is gesteld, terwijl - naar hiervoor bleek - ook genoemde brief van 15 april 2003 niet als zodanig kan worden aangemerkt.

4.7. Peha heeft weliswaar, nadat het vonnis waarvan beroep was gewezen, NSV bij overgelegde brief van 8 september 2004 in gebreke gesteld "ten aanzien van de contractuele verplichtingen "de tegenprestatie" betreffende publiciteit via internet en Ski magazine, het gebruik van logo's en stickers voor kleding en transportmiddelen, alsmede de zesmaandelijkse evaluaties en de huurbetaling", waarbij aan NSV een termijn van veertien dagen wordt gegeven om aan haar verplichtingen te voldoen, bij gebreke waarvan Peha de sponsorovereenkomst voor alsdan ontbindt, althans zich daartoe het recht voorbehoudt, doch - daargelaten de vraag of die brief voldoende concreet inhoudt wat van NSV wordt verlangd en of een termijn van veertien dagen daartoe als een redelijke termijn kan worden aangemerkt - kan uit de contacten die nadien tussen partijen nog zijn gevolgd, zoals daarvan uit de gedingstukken en de overgelegde producties blijkt, niet volgen dat NSV niet aan hetgeen door Peha krachtens de bepalingen van de sponsorovereenkomst redelijkerwijs (nog) van haar mocht worden verlangd heeft voldaan en NSV (alsnog) ten opzichte van Peha in verzuim zou zijn komen te verkeren. Daartoe zijn door Peha in het licht van de betwisting door NSV ook te weinig concrete feiten gesteld. In aanmerking wordt daarbij tevens genomen dat, naar hiervoor bleek, Peha zich op het standpunt stelt dat de sponsorovereenkomst per 15 april 2003 is ontbonden en dat zij - naar onweersproken is gebleven - sedertdien geen sponsorgelden meer aan NSV heeft voldaan, met welke gelden de door NSV te verrichten tegenprestaties werden gefinancierd.

4.8. Opmerking verdient in verband met het bovenstaande voorts nog dat artikel 5 van de sponsorovereenkomst weliswaar bepaalt dat opzegging tijdens de looptijd daarvan in beginsel is uitgesloten, doch dat tussentijdse beëindiging te allen tijde mogelijk is wanneer zich één (of meer) van de in dat artikel onder a. tot en met d. genoemde gevallen voordoet. In dat geval dient de opzeggende partij (onder meer) een opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen.

Voorzover Peha zich - subsidiair - op het standpunt stelt dat haar genoemde brieven van 15 april 2003 en/of 8 september 2004 (tevens) als een geldige opzegging in de zin van artikel 5 van de sponsorovereenkomst moeten worden aangemerkt, volgt het hof Peha daarin niet. Daargelaten dat in beide genoemde brieven de in de overeenkomst voorgeschreven opzegtermijn van zes maanden niet in acht is genomen, is tegenover de gemotiveerde betwisting door NSV niet komen vast te staan dat zich één of meer van de in artikel 5 onder a tot en met d genoemde gevallen voordoen. In het bijzonder is niet gebleken dat NSV gedurende een periode van meer dan zes maanden niet in staat is (geweest) zijn activiteiten als in de aanhef van de overeenkomst bedoeld te verrichten (geval b) dan wel dat NSV zich zodanig gedraagt of heeft gedragen dat in redelijkheid van Peha niet kan worden gevergd de overeenkomst te laten voortduren (geval c). Daartoe zijn door Peha ook te weinig concrete feiten gesteld.

Peha heeft in dit verband nog wel aangevoerd dat, nu de huurovereenkomst met betrekking tot het in de stukken genoemde huis in Gerlos (Oostenrijk) niet langer voortduurt, en die huurovereenkomst niet los kan worden gezien van de sponsorovereenkomst, er ook geen reden meer is om de sponsorovereenkomst te laten doorlopen, doch als verweer tegen de vordering van NSV is dit - door NSV bestreden - betoog niet toereikend, nu vaststaat dat niet Peha maar een andere vennootschap als verhuurder van genoemd huis optrad en bovendien de sponsorovereenkomst niet rept van (de huurovereenkomst met betrekking tot) het huis in Gerlos en eventuele consequenties voor de sponsorovereenkomst wanneer die huur eindigt. De door Peha terzake in hoger beroep bij wege van vermeerdering van haar eis in reconventie gevorderde ontbinding van de sponsorovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden (artikel 6: 258 BW) dient derhalve te worden afgewezen.

4.10. Uit het voorgaande volgt dat de door Peha tegen het vonnis waarvan opgeworpen grief in al haar onderdelen faalt. Voorzover Peha bij pleidooi in hoger beroep nog meer of andere grieven aan de orde heeft willen stellen, kunnen die niet meer in de rechtsstrijd worden betrokken, nu niet blijkt dat NSV daarmee heeft ingestemd.'

4.2. Bij de bespreking van dit middel moet vooropgesteld worden dat de aangevallen overwegingen van het hof betrekking hebben op de uitleg van een overeenkomst. Het middel klaagt niet over de ten aanzien van die uitleg door het hof toegepaste maatstaf: (klaarblijkelijk en terecht) de zgn. Haviltex-maatstaf(3).

Een en ander brengt mee dat de door het hof gegeven uitleg in cassatie niet op juistheid, doch slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.

4.3. Het middel faalt m.i. reeds, omdat het niet aangeeft op welke plaatsen in haar processtukken Peha de stellingen van feitelijke aard, die onbegrijpelijkheid van 's hofs arrest zouden moeten meebrengen, in feitelijke instanties eerder naar voren heeft gebracht(4), zodat het niet voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 aan een cassatiemiddel te stellen eisen(5).

Niettemin zal ik aan de klachten nog een merendeels zeer korte bespreking wijden.

4.4. De - ook overigens falende - klachten vallen, als ik het middel goed begrijp, in de volgende hoofdcategorieën uiteen:

(i) Ten onrechte zou het hof een ingebrekestelling vereist hebben, nu het bij de door Peha bedoelde tekortkomingen van de NSV ten aanzien van haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst zou gaan om 'per tijdsperiode te verrichten prestaties, die per evenement vooraf en tijdens zo'n evenement hun waarde hebben, en daarna niet meer', zodat die prestaties niet meer kunnen worden verricht. Ingevolge art. 6:83 sub a BW zou dan geen ingebrekestelling nodig zijn om de NSV in verzuim te doen geraken, en art. 12 van de sponsorovereenkomst zou in die zin moeten worden uitgelegd (par. 1.2-1-6, 1.10; par. 1.1 bevat geen klacht).

(ii) Omdat de door de NSV overgelegde jaarverslagen slechts totalen inhouden zonder uitsplitsingen naar een specifieke post Alpineski, kon het hof in rov. 4.6 niet op basis van die jaarverslagen oordelen dat de NSV aan de hand daarvan gemotiveerd betwist had dat zij niet voldaan had aan haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst, waaronder het (volledig) besteden van de sponsorgelden aan talentontwikkeling als in de overeenkomst bedoeld (par. 1.6).

(iii) Hetgeen het hof in zijn rov. 4.6, blz. 7 arrest overwogen heeft vanaf 'In dit verband' tot aan 'werden belegd', en in rov. 4.7, ten aanzien van de ongenoegzaamheid van de daar bedoelde ingebrekestelling door Peha d.d. 8 september 2004, vindt geen feitelijke grondslag in eigen stellingen of verweren van de NSV, zodat sprake zou zijn van een verboden aanvulling van feiten en/of verweren van de NSV (par. 1.7 en 1.8).

(iv) Het hof zou de ontbinding door Peha per 15 april 2003 hebben miskend (par. 1.9).

(v) Het hof zou in rov. 4.8 en 4.9(6) de samenhang tussen de sponsorovereenkomst en een opgezegde huurovereenkomst met betrekking tot een huis in Gerlos hebben miskend (par. 1.11-1.13).

4.5. Het onder (i) bedoelde klachtenpakket faalt reeds omdat het miskent dat naar het klaarblijkelijke en begrijpelijke oordeel van het hof de - tussen partijen in art. 12 van de sponsorovereenkomst neergelegde - ingebrekestellingsverplichting meebrengt dat óók bij prestaties van de aard als in de klachten bedoeld (zowel ten aanzien van het uitvoeren van reclameverplichtingen als ten aanzien van de volledige besteding van de sponsorgelden voor talentontwikkeling) een ingebrekestelling nodig blijft, zelfs als herstel ten aanzien van (pretens) gemiste voorbije 'momenten' niet meer mogelijk is. Naar 's hofs klaarblijkelijke en begrijpelijke uitleg van de onderhavige sponsorovereenkomst geldt dan nóg dat de NSV éérst via ingebrekestelling op de tekortkomingen gewezen zou moeten zijn - teneinde voor de toekomst de uitvoering van de overeenkomst te kunnen corrigeren - alvorens Peha tot ontbinding of opzegging zou mogen overgaan.

4.6. De onder (ii) bedoelde klacht faalt reeds omdat het hof zijn hier bedoeld oordeel niet alleen heeft gebaseerd op de door de NSV overgelegde jaarverslagen. Het hof spreekt in rov. 4.6 over 'overlegging van bewijsstukken - waaronder financiële jaarverslagen over 2001/2002 en 2002/2003 -'. De klacht miskent voorts dat, indien Peha, indien zij van mening was dat een en ander niet voldoende was, meer concrete feiten had moeten stellen, waaruit voortvloeit dat nakoming door NSV van haar verplichtingen uit de sponsorovereenkomst blijvend onmogelijk was geworden en een ingebrekestelling derhalve overbodig was. Dat - begrijpelijke - oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden.

4.7. Het onder (iii) bedoelde klachtenpakket miskent dat het hier, naar enerzijds reeds uit nr. 4.5 supra en anderzijds uit de tekst van rov. 4.7 voortvloeit, gaat om ten overvloede gegeven overwegingen. De klachten falen reeds daarom.

4.8. De onder (iv) bedoelde klacht, voor zover begrijpelijk, faalt reeds omdat zij het lot van eerdere klachten moet delen: vgl. hierboven nr. 4.5 in fine, waaruit blijkt dat het hof ten aanzien van de in de klacht bedoelde ontbinding de daar bedoelde ingebrekestelling verlangde en kon verlangen, en geoordeeld heeft dat daaraan niet was voldaan.

4.9. Ook de onder (v) bedoelde klachten, voor zover begrijpelijk, falen. Zij falen reeds omdat zij miskennen dat niet onbegrijpelijk is dat het hof aan de in die klachten als redengevend naar voren gebrachte omstandigheid dat [betrokkene 1] 'zowel vanuit PeHa Holding BV als vanuit de Stichting Trustee Ilias bij NSV bekend was, vanuit die (dubbele) hoedanigheid met NSV ([betrokkene 2]) heeft gecorrespondeerd en gesproken', voor het hof (ook zonder nadere motivering) geen aanleiding behoefde te zijn om uit die stelling een vereenzelviging van genoemde BV en genoemde stichting af te leiden, respectievelijk om daaruit een door de klachten bedoelde (onverbrekelijke) samenhang tussen het huurcontract en de sponsorovereenkomst af te leiden. Daarnaast kan 's hofs niet bestreden deeloverweging in rov. 4.8 dat 'bovendien de sponsorovereenkomst niet rept van (de huurovereenkomst met betrekking tot) het huis in Gerlos en eventuele consequenties voor de sponsorovereenkomst wanneer die huur eindigt' zijn oordeel zelfstandig dragen.

4.10. Ik teken nog aan dat par. 1.14 geen zelfstandige klacht behelst.

4.12. Middel II bouwt geheel voort op middel I, en deelt het lot daarvan.

5. Het voorwaardelijk incidentele beroep

Het incidentele beroep, dat voorwaardelijk is ingesteld, behoeft geen bespreking nu het principale beroep niet slaagt.

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de - in cassatie onbestreden - rov. 3 en 4.1- 4.3 van het arrest, waarin verwezen wordt naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2004 onder 1 sub a en b.

2 Een rov. 4.9 komt in het arrest niet voor.

3 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, AA 1981, p. 355 m.nt. PvS.

4 Behoudens op enkele nevengeschikte punten, onder 1.10 en 1.11.

5 Vgl. HR 11 januari 2002, nr. C00/101, NJ 2002, 82 (General Accident/Bergen), rov. 3.4.

6 Het middel ziet over het hoofd dat rov. 4.9 in het arrest niet voorkomt.