Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4464

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
03622/06 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4464
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontneming. Aan te leggen maatstaf bij verzoek horen getuigen bij ontneming. Na een regiezitting worden 9 van de 10 getuigen vooralsnog afgewezen. Op een volgende ttz. persisteerde de rm bij zijn eerder gedane verzoek, echter in zoverre dat hij het noodzakelijk acht om 3 getuigen te horen. Dit wijst het Hof weer af wegens onvoldoende onderbouwing. HR: Het Hof heeft niet onbegrijpelijk het verzoek om de andere 6 getuigen te horen als ingetrokken beschouwt. Het moet dan ook ervoor worden gehouden dat in cassatie nog slechts ’s Hofs afwijzing van deze 3 getuigen aan de orde is. Maatstaf voor het verzoek is ingevolge art. 288.1.c Sv jo. art. 415 Sv en art. 551g.2 Sv of redelijkerwijze valt aan te nemen dat de betrokkene door de afwijzing van het verzoek in zijn verdediging wordt geschaad. Die maatstaf heeft het Hof (mede) toegepast. Het specifieke karakter van de ontnemingsprocedure en i.h.b. wat de wetgever t.a.v., kort gezegd, de bewijslastverdeling tussen partijen voor ogen had, heeft consequenties voor de hantering van genoemde maatstaf. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het OM in het licht van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht, vgl. HR LJN AD8950. ’s Hofs afwijzing is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 141
RvdW 2008, 282
NJB 2008, 626
JOW 2008, 51
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03622/06 P

Mr. Bleichrodt

Zitting 18 december 2007

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 12 juni 2006 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.900.000,-

2. Mr A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. De betrokkene is bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 oktober 2003 in de hoofdzaak onder meer ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met art. 2 lid 1 onder A van de Opiumwet", meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van acht jaar en zes maanden. De overtredingen van de Opiumwet hadden betrekking op de uitvoer van partijen cocaïne naar Italië. Genoemd arrest is onherroepelijk.

Bij de Rechtbank te Dordrecht, die betrokkene in de hoofdzaak tot eenzelfde straf had veroordeeld, is een vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel aanhangig gemaakt. De Rechtbank, die het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan het Hof, heeft net als het Hof dat voordeel voor de helft toegerekend aan betrokkene en voor de helft aan diens vader.(1)

4.1 Het tweede middel klaagt over de afwijzing op de terechtzitting van het Hof van 7 december 2005 van een verzoek tot het horen van getuigen.

4.2 De procedure in hoger beroep is voor zover hier van belang als volgt verlopen.

(i) De zaak is in hoger beroep aangebracht tegen de terechtzitting van 7 december 2005. Dat was een zogenaamde regiezitting. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat de Voorzitter namens het Hof voorstelt om schriftelijke conclusies te wisselen voorafgaand aan een inhoudelijke behandeling van de zaak, en voorts:

"De raadsvrouw van de veroordeelde deelt mede -zakelijk weergegeven-:

De verdediging gaat in principe akkoord met de voorgestelde werkwijze. De verdediging acht het evenwel van belang om alvorens de schriftelijke reactie op het vonnis wordt ingediend de bij brieven van 18 oktober 2005, 28 november 2005 en 5 december 2005 verzochte getuigen te horen. In aanvulling op deze brieven geeft de raadsvrouw een nadere toelichting op het verzoek tot het horen van de volgende getuigen:

1. [Persoon 1]. [Persoon 1] is de zwager van de veroordeelde. Hij was betrokken bij het financiële verkeer en heeft wetenschap omtrent de verdiensten;

2. [Persoon 2], 3. [persoon 3] en 4. [persoon 4]. Deze getuigen kunnen nadere verklaringen afleggen omtrent de betalingen, prijzen, transporten en de opbrengsten ten aanzien van de handel vanuit Italië;

5. [Persoon 5]. Onlangs is [persoon 6], de zus van de veroordeelde door het hof vrijgesproken. In het kader van deze procedure speelde de getuigenverklaring van [persoon 5] een belangrijke rol. De verdediging is van oordeel dat deze getuigenverklaring van [persoon 5] ook in de onderhavige procedure van belang kan zijn;

6. [Persoon 7] en 7. [persoon 8]. Blijkens het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Dordrecht worden de verklaringen van [persoon 7] en [persoon 8] als bewijsmiddelen gebruikt. Beide getuigen kunnen verklaren omtrent de hoeveelheden en opbrengsten.

8. [Persoon 9]. Hij is degene die in de zaak Zwijndrecht I al in de tenlastelegging was opgenomen als zijnde de persoon met wie de veroordeelde afspraken had gemaakt omtrent het vervoer van cocaïne naar Italië. Hij kan getuigen met betrekking tot de prijzen en de versnijdingsgraad;

9. [verbalisant 1], Inspecteur van de Politie Rotterdam-Rijnmond, werkzaam bij de financieel economische unit van de RRD en opsteller van onder meer het rapport 'Herziene berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [betrokkene]'. Het verhoor van hem zou moeten zien op de rapportages en de uitgangspunten en berekeningen die tot de voordeelsbecijfering hebben geleid.

10. [Persoon 10]. Deze getuige komt herhaaldelijk voor in de ontnemingsrapportage die aan de basis ligt van de onderhavige ontnemingszaak. [Persoon 10] is in deze zaak niet eerder gehoord en kan onder meer verklaren omtrent de prijzen en opbrengsten.

De raadsvrouw verzoekt het hof in aanmerking te nemen dat de belangen voor haar cliënt, gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag, bijzonder groot zijn.

(...)

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt het hof bij monde van de voorzitter mede dat het verzoek tot het horen van de getuigen als vermeld onder de nummers 1 tot en met 8, alsmede nummer 10 vooralsnog wordt afgewezen. Het hof is vooralsnog van oordeel dat de veroordeelde door afwijzing van deze verzoeken niet in de verdediging wordt geschaad. Het hof overweegt hiertoe dat de verdediging, gelet op de voorhanden stukken in het dossier, waaronder de financiële rapportage waarop de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie berust en de beslissing waarvan beroep, in deze verzoeken onvoldoende nader en concreet gemotiveerd heeft aangegeven wat en op welke wijze zij in het bijzonder wenst aan te tonen en hoe het horen van de genoemde getuigen daarbij dienstig kan zijn.

Ten aanzien van de getuige [verbalisant 1], Inspecteur van de Politie Rotterdam-Rijnmond, werkzaam bij de financieel economische unit van de RRD deelt de voorzitter mede dat het hof de verdediging in de gelegenheid wil stellen haar vragen aan hem schriftelijk in te dienen. De vragen zullen door de advocaat-generaal aan [verbalisant 1] worden voorgelegd."

(ii) Nadat schriftelijke vragen aan [verbalisant 1] voornoemd waren voorgelegd en deze bij proces-verbaal van 15 februari 2006 waren beantwoord, welk proces-verbaal bij de stukken is gevoegd, en nadat de raadsman en de Advocaat-Generaal ieder een schriftelijke conclusie hadden genomen, is de zaak weer aangebracht op de terechtzitting van het Hof van 15 mei 2006 op welke terechtzitting het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing op 7 december 2005. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 mei 2006 houdt voor zover van belang in:

"De raadsman geeft op te persisteren bij zijn eerdere verzoek, in zoverre dat hij het noodzakelijk acht om de getuigen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5] ter terechtzitting te horen, omdat de verklaringen van zijn cliënt nieuwe inzichten hebben verschaft.(2)

De advocaat-generaal voert aan dat er zijns inziens geen sprake is van nieuwe inzichten en dat de verklaringen van veroordeelde, voorzover deze er op neer komen dat zijn rol slechts beperkt was tot die van 'aannemer', niet onderbouwd zijn en er daarom geen noodzaak is om deze personen op te roepen als getuigen. De advocaat-generaal verzet zich dan ook tegen oproeping van de getuigen.

De raadsman van veroordeelde geeft vervolgens aan dat hij het wel degelijk noodzakelijk acht deze personen als getuigen te horen, ook gezien de hoogte van de vordering.

Het hof trekt zich terug voor beraad.

Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat in het verzoek van de raadsman om de bovengenoemde en eerder als getuige gevraagde personen op te roepen om als getuige ter terechtzitting te worden gehoord gezien de voorhanden stukken in het dossier, waaronder de financiële rapportage waarop de ontnemingsvordering berust en het vonnis waarvan beroep, alsmede de schrifturen van de verdediging en het openbaar ministerie in hoger beroep, onvoldoende is aangegeven wat de verdediging in het bijzonder wenst aan te tonen en hoe het horen van die personen daarbij in concreto dienstbaar kan zijn. Het hof acht de veroordeelde niet in de verdediging geschaad door het niet horen van die personen. Het hof acht ook de noodzaak daartoe niet gebleken."

4.3 Het middel komt, zoals gezegd op tegen de op de terechtzitting van 7 december 2005 gegeven beslissing en laat buiten beschouwing wat op de nadere terechtzitting is gebeurd. Wat daar is aangevoerd had uitsluitend betrekking op genoemde drie getuigen en in de eerste plaats rijst daarom de vraag of het verzoek voor wat betreft de overige getuigen als ingetrokken mocht worden aangemerkt.

4.4 In zijn arrest van 19 juni 2007, LJN AZ9343 (waarmee niet alleen het Hof maar ook de raadsman in cassatie niet bekend kon zijn) heeft de Hoge Raad de staf gebroken over het voorshands of vooralsnog afwijzen van een verzoek om getuigen te horen, opmerkende dat de wet een zodanige beslissing niet kent. Als de rechter van oordeel is niet over voldoende gegevens te beschikken om definitief op een dergelijk verzoek te beslissen, zou die beslissing moeten worden aangehouden. In die zaak werd de als voorlopig bedoelde beslissing niettemin als de definitieve beslissing beschouwd en als zodanig in cassatie getoetst, nu het Hof geen nadere beslissing op het verzoek had gegeven en evenmin bleek dat het verzoek "alsnog door of namens de verdachte met zoveel woorden was ingetrokken". Uit wat even verderop onder 3.4 in dat arrest is overwogen kan echter mijns inziens worden afgeleid dat beslissend is of een bepaalde gang van zaken in redelijkheid als een intrekking van het verzoek kan worden aangemerkt. Dat was, naar het oordeel van de Hoge Raad in die zaak, waarin de raadsman op de nadere terechtzitting schriftelijke verklaringen van de desbetreffende getuigen had overgelegd, overigens niet het geval.

4.5 De onderhavige zaak verschilt in zoverre dat op de nadere terechtzitting het verzoek althans ten dele, te weten voor wat betreft de getuigen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5], weer uitdrukkelijk aan de orde is geweest en daarop definitief is beslist. De raadsman heeft aangevoerd dat hij "in zoverre" persisteerde bij zijn eerdere verzoek dat hij het horen van genoemde drie getuigen noodzakelijk achtte. Hoewel het verzoek ten aanzien van de overige getuigen niet met zoveel woorden is ingetrokken, althans dat blijkt niet uit het proces-verbaal van de terechtzitting, meen ik dat het Hof onder deze omstandigheden mocht aannemen dat het verzoek ten aanzien van de overige getuigen niet werd gehandhaafd en dat alleen op het verzoek betreffende [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 5] diende te worden beslist. In feite is er zo gezien geen verschil met de situatie waarin de beslissing op het verzoek zou zijn aangehouden tot de nadere terechtzitting. Alleen de definitieve beslissing geldt.

4.6 Gelet op het voorgaande meen ik dat de beslissing van 15 mei 2006 bepalend is. Hoewel het middel die beslissing niet noemt, meen ik dat de afwijzing van het verzoek voor wat betreft genoemde drie getuigen in cassatie moet worden beoordeeld, nu de raadsman er niet van op de hoogte kon zijn dat een voorlopige beslissing op een dergelijk verzoek niet van belang is (tenzij in het, zich hier niet voordoende, geval dat bij gebreke van een nadere beslissing die beslissing als de (definitieve) beslissing moet worden beschouwd).

4.7 Maatstaf voor de beoordeling van het verzoek is ingevolge art. 288, eerste lid onder c in verbinding met art. 415 en 511g, tweede lid, Sv of redelijkerwijze valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek in zijn verdediging wordt geschaad.(3) Die maatstaf heeft het Hof (mede) toegepast.(4) Blijft de vraag of 's Hofs oordeel in het licht van de op het verzoek gegeven toelichting begrijpelijk is. Daarbij kan niet worden betrokken wat nu in de toelichting op het middel nader wordt aangevoerd over het belang van de verklaringen voor de toerekening van het voordeel aan de verschillende betrokkenen, nu dat argument mijns inziens niet bij het indertijd gedane verzoek is gebruikt.

4.8 In stel voorop dat in de ontnemingsprocedure uiteraard niet meer kan worden opgekomen tegen de in de hoofdzaak uitgesproken veroordeling, die in casu inhoudt dat de betrokkene meermalen medepleger is geweest van de uitvoer van partijen cocaïne. Tegen die achtergrond is wat ten aanzien van de getuige [persoon 5] ter terechtzitting van 7 december 2005 is aangevoerd over diens getuigenverklaring in de zaak tegen de zuster van verdachte, welke verklaring tot vrijspraak zou hebben geleid, niet relevant, terwijl verder niet meer is gesteld dan dat zijn verklaring ook in de onderhavige procedure van belang kan zijn. 's Hofs oordeel is voor wat betreft deze getuige niet onbegrijpelijk. De niet nader gespecificeerde verwijzing op de terechtzitting van 15 mei 2006 naar de verklaringen van de veroordeelde die nieuwe inzichten hadden verschaft, doet daar niet aan af.

4.9 Voor wat betreft [persoon 7] en [persoon 8] is gesteld dat dezen kunnen verklaren over de hoeveelheden en de opbrengsten, dat wil dus zeggen over de omvang van het verkregen voordeel. Het specifieke karakter van de ondernemingsprocedure en in het bijzonder wat de wetgever ten aanzien van, kort gezegd, de bewijslastverdeling tussen partijen voor ogen had, heeft consequenties voor de hantering van genoemde maatstaf in dit verband. Aan de onderbouwing van een verzoek mogen, al naar gelang de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe, zwaardere eisen worden gesteld, waarbij mede van belang is in hoeverre de rechter het standpunt van het openbaar ministerie in het licht van de van die zijde verschafte gegevens en berekeningen voorshands aannemelijk acht.(5) In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie zijn berekening gebaseerd op een financieel rapport, zijn naar aanleiding van dat rapport door de verdediging vragen gesteld aan de rapporteur welke vragen ook zijn beantwoord, terwijl zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een schriftelijke voorbereiding is voorafgegaan aan het onderzoek ter terechtzitting. Tegen deze achtergrond en in het licht van wat is aangevoerd acht ik het oordeel van het Hof, samengevat daarop neerkomende dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en dat het ook voor wat betreft de bedoelde twee getuigen moet worden afgewezen, niet onbegrijpelijk.

4.10 Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5.1 Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat aannemelijk is geworden dat de veroordeelde en zijn vader als de centrale personen binnen de organisatie zijn opgetreden en dat, nu de veroordeelde geen andere winstverdeling heeft aangegeven het Hof aannemelijk acht dat de opbrengst van de cocaïne op 50/50 basis is verdeeld tussen de veroordeelde en zijn vader.

Vooropgesteld moet worden dat in een ontnemingsprocedure de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregene weliswaar aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen dient te worden ontleend, maar dat voor de uiteindelijke vaststelling van het bedrag het aannemelijkheidsvereiste geldt.

Ingeval meer personen betrokken zijn geldt verder voor de toerekening van dat voordeel aan de verschillende deelnemers dat de rechter moeten trachten te bepalen welk gedeelte van dat voordeel aan ieder van hen ten goede is gekomen. Daarbij zal hij rekening moeten houden met de omstandigheden van het geval zoals de rol van de verschillende deelnemers. Indien die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden kan het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend.(6)

5.2.1 In de eerste plaats wordt aangevoerd dat het Hof de in bewijsmiddel 12 vervatte verklaring van de betrokkene op een aantal punten heeft gedenatureerd. Deze klacht moet worden bezien in het licht van de in het middel betrokken stelling dat, kort gezegd, het voordeel over meer personen had moeten worden verdeeld en dat de vader van de veroordeelde geen centrale rol had gespeeld.

5.2.2 Genoemd bewijsmiddel houdt het volgende in:

"De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2006 verklaard -zakelijk weergegeven-:

"Ik heb in december 2001 en in januari 2002 bemoeienis gehad met drugstoestanden.

Ik kreeg geld om de drugs (cocaïne) klaar te maken voor personen in Italië.

Ik heb de cocaïne versneden en daar geld voor gekregen. Ik wist dat de drugs naar Italië zouden gaan. Ik ben betrokken geweest bij uitvoer van cocaïne naar Italië. Steeds betrof het versneden cocaïne.

Wanneer ik de drugs had opgehaald bracht ik ze naar het huis van [persoon 5], dat ik zo'n keer of tien heb gehuurd.

Ik kocht versnijdingsmiddel. Ik deed zaken met mijn vader."

5.2.3 Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden om van een bepaalde verklaring die onderdelen te selecteren die betrouwbaar en nuttig voorkomen, waarbij de rechter een grote mate van vrijheid heeft de onderdelen van die verklaring, voor zover zij redengevend moeten zijn voor het door de rechter bereikte oordeel, zakelijk samen te vatten. Deze vrijheid vindt haar grens daar waar een verklaring, door de wijze waarop zij is weergegeven en/of door de selectie van onderdelen ervan, een betekenis zou krijgen die degene die haar heeft afgelegd daaraan niet heeft willen toekennen. Dat zou neerkomen op ontoelaatbare denaturering van de verklaring.(7) Zolang niet gezegd kan worden dat de wijze waarop de rechter een verklaring heeft weergeven meebrengt dat het weergegeven deel een andere strekking krijgt dan is bedoeld door degene die haar heeft afgelegd staat het de rechter echter vrij om bepaalde delen die hij hetzij niet van belang, hetzij onvoldoende betrouwbaar of geloofwaardig acht, daaruit weg te laten.(8)

5.2.4 De eerste opmerking betreft de eerste zin van het hiervoor onder 5.2.2 weergegeven gedeelte van de verklaring van betrokkene. Geklaagd wordt dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting direct in aansluiting daarop is verklaard " maar de drugs waren niet van mij, dan zal (het p.v. houdt in: "zou", C.B.) ik wel iemand hebben ingehuurd voor het uitvoerende werk". Hier is mijns inziens van denaturering geen sprake. De erkende bemoeienis met "drugstoestanden" is redengevend en aan de verklaring wordt in zoverre niet een andere strekking gegeven dan bedoeld door de ongeloofwaardig geachte aansluitende opmerking ter zijde te laten. Hier is geen wezenlijk verschil met de situatie dat een verdachte van overtreding van art. 8 WVW 1994 heeft verklaard; "Tevoren had ik bier gedronken. Maar dat waren maar twee glazen", terwijl voor het bewijs alleen de eerste zin wordt gebruikt.

5.2.5 De tweede opmerking betreft de tweede, derde en vierde zin. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof heeft betrokkene daar verklaard:

"Ik kreeg tussen de fl. 15.000,- en fl. 20.000,- om de drugs (cocaïne) klaar te maken voor vijf personen in Italië. Er stonden letters en figuurtjes op de drugs om aan te geven voor wie zij bestemd waren. Ik heb de cocaïne versneden en daar geld voor gekregen. Ik wist dat de drugs via een zekere [persoon 9] naar Italië zouden gaan".

Hier wordt niet toegelicht waarom sprake zou zijn van denaturering en mij is ook niet duidelijk waarom dat zo zou zijn. Dat het Hof het gestelde concrete voordeel niet aannemelijk heeft geacht neemt niet weg dat veroordeelde niet pro deo zijn activiteiten heeft ontplooid, maar zoals gebruikelijk, naar ervaringsregelen leren, op grond van financiële motieven handelde. Het ecarteren van de andere passages leidt niet tot denaturering.

5.2.6 De derde opmerking heeft betrekking op de verklaring betreffende de betrokkenheid bij de uitvoer naar Italië, waarop tevens is verklaard "vanaf begin 2002, maar de cocaïne was niet van mij". Hier geldt hetzelfde als onder 5.2.4 is opgemerkt, waarbij nog wordt aangetekend dat de veroordeelde half januari 2002 op heterdaad is betrapt en aangehouden. Het Hof heeft in andere bewijsmiddelen zijn oordeel met betrekking tot de duur van de betrokkenheid van veroordeelde bij de uitvoer verantwoord.

5.2.7 De vierde opmerking heeft betrekking op de verklaring van veroordeelde dat het steeds versneden cocaïne betrof. Dat het Hof ter zijde heeft gelaten de verklaring dat hij ten hoogste drie keer in opdracht van anderen bij de uitvoer van cocaïne betrokken is geweest, doet op zichzelf geen afbreuk aan de strekking van de verklaring van veroordeelde dat steeds versneden cocaïne in het geding was. Het middel klaagt in dit verband nog over het feit dat het Hof (telkens) heeft miskend dat er, naar veroordeelde heeft verklaard, meerdere personen bij de organisatie betrokken waren, maar die kwestie, waarop ik hieronder terugkom, heeft op zichzelf met een denaturering van de hier bedoelde verklaring niet van doen.

5.2.8 Wat hiervoor is opgemerkt geldt ook voor de tot het bewijs gebruikte passage dat de veroordeelde het versnijdingsmiddel kocht, terwijl niet is opgenomen het daarop volgende gedeelte van de verklaring luidende "en verkocht dat door aan [persoon 3]. Ik heb nooit in Nederland of Italië drugs verkocht".

5.2.9 Ten slotte de verklaring van veroordeelde inhoudende dat hij zaken deed met zijn vader. Het middel wijst erop dat betrokkene blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft verklaard:

"Mijn vader had niets met drugszaken te maken. Af en toe deed ik wel eens zaken met mijn vader, bijvoorbeeld bij de aanschaf van een auto. Ik vroeg hem dan wel eens om advies."

Hier geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor onder 5.2.4 is opgemerkt. Redengevend heeft het Hof geacht dat tussen betrokkene en zijn vader niet, zoals meestal, alleen persoonlijke betrekkingen bestonden. Wat de verdachte verder heeft verklaard over de aard van de zakelijke betrekking heeft het Hof niet geloofwaardig geacht en mocht het terzijde stellen.

5.3 Het middel klaagt verder dat het oordeel van het Hof over de centrale rol van veroordeelde en zijn vader onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het voert met betrekking tot de hiervoor onder 5.2.9 bedoelde verklaring van de veroordeelde aan dat daaraan niet de conclusie kan worden verbonden dat betrokkene samen met zijn vader de centrale personen binnen de organisatie waren. Dat is juist (zoals gezegd is het tot het bewijs gebruikte gedeelte van die verklaring van beperkt belang), maar die verklaring heeft het Hof klaarblijkelijk ook niet van doorslaggevend belang geacht voor dat oordeel. Daarvoor zijn andere gegevens in de bewijsmiddelen van belang. Ik verwijs in dit verband bijvoorbeeld naar bewijsmiddel 4, waaruit kan worden afgeleid dat de veroordeelde zelf, zoals ook al een keer eerder, cocaïne heeft gekocht van [persoon 10], en wel een hoeveelheid van ongeveer 5 kilo en dat hij toen telefonisch met zijn vader heeft overlegd over de prijs en de kwaliteit van de cocaïne en daarop aan de verkoper is gevraagd of in Italiaanse lires kon worden betaald. Ook andere betrokkenen zijn in Italiaanse lires betaald (bewijsmiddelen 1 en 10). Ik wijs er verder op dat, naar uit de bewijsmiddelen volgt, het de verdachte was die de woning van [persoon 5] huurde telkens ten behoeve van de versnijding van cocaïne en wel voor f.1000,- per dag en dat hij niet alleen voor de versnijdingsmiddelen zorgde maar ook voor de aanvoer van cocaïne. Bij de klacht over de centrale rol van zijn vader heeft de betrokkene verder eigenlijk geen belang, omdat daardoor in ieder geval wat aan hem is toegerekend met de helft verminderde.

5.4 Pas op 11 januari 2005, dus na de uitspraak van de Rechtbank in de ontnemingsprocedure, is de uitspraak in de hoofdzaak tegen betrokkene onherroepelijk geworden. De veroordeelde heeft zich in deze zaak tot aan de behandeling van de zaak in appèl beroepen op zijn zwijgrecht; op de terechtzitting van het Hof van 15 mei 2006 heeft hij voor het eerst een verklaring afgelegd. Het Hof zag zich voor de moeilijkheid geplaatst dat naar zijn kennelijk oordeel de verdachte ook toen geen openheid van zaken heeft gegeven. Zijn met de veroordeling in de hoofdzaak mijns inziens in feite onverenigbare standpunt komt er eigenlijk op neer dat hij als het ware een kleine onderaannemer is geweest die zich heeft beperkt tot het leveren van versnijdingsmateriaal en in de laatste fase tot het meedoen aan de versnijding. Dat zou er dan in hebben geresulteerd dat hij aanvankelijk alleen heeft verdiend aan de verkoop van versnijdingsmiddelen en later ook wat aan zijn hulp bij de versnijding. Die lezing heeft het Hof klaarblijkelijk ongeloofwaardig bevonden, wat niet onbegrijpelijk is. Voor wat betreft het aandeel en het profijt van anderen heeft betrokkene niets concreets naar voren gebracht, zoals hij ook over veelvuldige wisseltransacties door onder andere familieleden niets wenste te verklaren (p.v. terechtzitting blz. 3). Ten aanzien van die anderen kon (met uitzondering van de rol van vader) kennelijk niet worden vastgesteld wat hun betrokkenheid en rol bij de feiten en hun aandeel in de opbrengst daarvan is geweest. Het kan heel goed zijn dat die betrokkenheid alleen maar heeft geleid tot bepaalde kostenposten, zoals bijvoorbeeld voor de werkzaamheden van [persoon 1] een bedrag van € 14.250,97 kon worden vastgesteld en door het Hof ook in mindering is gebracht. Maar verder ontbraken daarover met uitzondering van de huurprijs van de woning van [persoon 5] en nog een extra kostenpost voor een versnijdingsmiddel, de nodige gegevens. Een en ander heeft het Hof ook tot uitdrukking gebracht toen het overwoog dat het zich voor wat betreft de post "Overige kosten" aansloot bij wat de Rechtbank al had kunnen vaststellen.

5.5 Tegen die achtergrond kan mijns inziens in cassatie moeilijk worden geklaagd dat (de eventuele opbrengsten voor) [persoon 4], [persoon 3], [persoon 11] en [persoon 3] buiten beeld zijn gebleven. Betrokkene heeft ter terechtzitting van 15 mei 2006 wel verklaard dat hij, nu die personen vastzaten, over hen durfde te verklaren, maar die verklaring houdt verder in dat bepaalde pakketjes voor hen bestemd waren (p.v. blz. 2). Dat plaatst hen, voor zover ik zie, aan de kant van de afnemers, zodat ze uit de export en verkoop geen voordeel zullen hebben getrokken.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat zowel in het beroepschrift (waarmee kennelijk de conclusie in hoger beroep van 7 april 2006 is bedoeld), als in de pleitnota gemotiveerd is gesteld dat er meerdere personen hebben deelgenomen aan de organisatie, waarbij algemene ervaringsregelen leren dat het behaalde voordeel naar evenredigheid onder de betrokkenen wordt verdeeld. Ik meen dat niet van een gemotiveerde stellingname kan worden gesproken. In genoemde conclusie wordt vooruitgelopen op de verklaring die de veroordeelde op 15 mei 2006 ter terechtzitting van het Hof zou gaan afleggen over zijn eigen rol. In het pleidooi wordt voornamelijk voortgeborduurd op die lezing van de veroordeelde en verder kort gezegd gesteld dat anderen bij de export betrokken waren, maar dat betrokkene, die niets zou weten over de inkoop van cocaïne, gelet op zijn ondergeschikte positie geen uitsluitsel kan geven over de rol van die anderen en hun aandeel in de opbrengsten.

5.6 Zoals gezegd heeft het Hof die lezing van betrokkene als niet geloofwaardig terzijde gesteld. Verder meen ik dat in de eerste plaats de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen en dat het oordeel van het Hof dat de helft van dat voordeel aan de verdachte behoort te worden toegerekend, gelet op de in noot 6 genoemde rechtspraak en in aanmerking genomen de door het Hof vastgestelde feiten met betrekking tot de rol van betrokkene geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van wat ter verdediging is aangevoerd.

5.7 Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

6. Nu beide middelen falen, terwijl ik ook geen grond heb gevonden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het Hof was, anders dan de Rechtbank, van oordeel dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat de veroordeelde in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 soortgelijke feiten had begaan.

Uit de zich bij de stukken bevindende brief van mr. Moszkowicz aan de Advocaat-Generaal bij het Hof van 26 juni 2006, leid ik af dat de in Italië verblijvende vader van betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 23 jaren.

2 Dit was de eerste keer dat de veroordeelde in deze ontnemingsprocedure een verklaring heeft afgelegd (C.B.)

3 De getuigen zijn niet bij appelschriftuur opgegeven maar het nieuwe art. 418 Sv was in deze zaak, waarin in eerste aanleg op 29 juni 2004 uitspraak is gedaan, nog niet van toepassing. Ware dat anders dan zou gelet op HR 19 juni 2007, LJN AZ 1702 overigens ook het criterium van het verdedigingbelang gelden, nu aanvankelijk is volstaan met een verkort vonnis (zie rubriek 3.4.1 van dat arrest).

4 Dat ook het noodzaakcriterium is toegepast is niet van belang. Wellicht heeft het Hof getwijfeld of (ook) een nieuw verzoek ter terechtzitting is gedaan.

5 HR 25 juni 2002, NJ 2003, 97. Zie ook CAG (mr. Knigge) bij HR 10 oktober 2006, LJN AY7396 (art. 81 RO). Anders ligt het wanneer het bewijsthema is de aannemelijkheid dat verdachte ook andere feiten heeft begaan. Vgl. HR 7 maart 2006, NJ 2006, 460.

6 Vgl. bijvoorbeeld HR 7 december 2004, NJ 2006, 63 en HR 16 januari 2007, NJ 2007, 70.

7 Vgl. HR 5 april 2005, LJN AS7592.

8 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e dr. blz. 203 en Corstens, Het Nederlands strafproces, 5e dr., blz. 641. Vgl. ook HR 4 januari 2000, NJ 2000, 225; HR 5 november 2002, nr. 02299/01; HR 22 november 2005, NJ 2006, 219.