Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
03362/06
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AY5809
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4284
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Radardetectieverbod en art. 10 EVRM. Het middel berust op de opvatting dat het ontvangen van uitgezonden elektromagnetische golven die uitsluitend dienen tot registratie van te snel rijdende voertuigen, valt onder de bescherming van art. 10 EVRM. Deze opvatting is onjuist. Zulke golven bevatten immers geen inlichtingen of denkbeelden – in de authentieke verdragstalen: “information and ideas” onderscheidelijk “des information et des idées” – i.d.z.v. art. 10.1 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 176
JWR 2008/56
NJ 2008, 235
JOL 2008, 287
RvdW 2008, 436
VR 2008, 146
NJB 2008, 984

Conclusie

Nr. 03362/06

Mr. Knigge

Zitting: 29 januari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam op 14 juli 2006 voor "overtreding van het bepaalde bij artikel 5.1.6 van het Voertuigreglement" veroordeeld tot het betalen van een geldboete van EUR 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de inbeslaggenomen radarverklikker verbeurd verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. In het middel wordt geklaagd dat 's hofs verwerping van een gevoerd verweer blijk geeft van een onjuiste rechtopvatting en in elk geval ontoereikend is gemotiveerd.

5. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het verbod op een radarverklikker, als neergelegd in art. 5.1.6 van het Voertuigreglement, strijd oplevert met het bepaalde in art. 10 EVRM. De verdachte heeft aangevoerd dat het uitzenden van radargolven "inlichtingen" zijn als bedoeld in het eerste lid van art. 10 EVRM. Het radardetectieverbod zou de vergaring van deze informatie belemmeren. Derhalve zou het Voertuigreglement nietig zijn.

6. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:

"Ongeacht of het ontvangen van radarstralen door een radardetector het ontvangen van informatie betreft, als bedoeld in artikel 10 EVRM, faalt het beroep op genoemde bepaling reeds omdat het zogenaamde radardetectieverbod, als neergelegd in artikel 5.1.6. van het Voertuigreglement juncto artikel 71 van de Wegenverkeerswet (1994, Kn), is toegelaten op grond van het tweede lid van artikel 10 EVRM. Het verbod is, zoals hiervoor weergegeven, voorzien bij wet en is in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de openbare veiligheid, in het bijzonder de verkeersveiligheid."

7. Volgens de steller van het middel zou - nu het hof in het midden heeft gelaten of het in casu om het ontvangen van informatie in de zin van art. 10 EVRM gaat - een dergelijk verbod door middel van een formele wet moeten worden geregeld en zou dit niet kunnen via een algemene maatregel van bestuur. Voorts wordt door de steller van het middel betwist dat het radardetectieverbod noodzakelijk is, in het bijzonder voor de verkeersveiligheid, nu onderzoeken in het buitenland zou hebben uitgewezen dat een dergelijk verbod niet bijdraagt aan de verkeersveiligheid.

8. Ik zie geen reden om, anders dan het hof heeft gedaan, in het midden te laten of de uitgezonden radargolven inlichtingen zijn die onder art. 10 lid 1 EVRM vallen. Naar mijn mening is dat overduidelijk niet het geval. In art. 10 EVRM gaat het om het recht van meningsuiting. Van dat recht zegt art. 10 lid 1 EVRM dat het het recht omvat om "inlichtingen en denkbeelden" (in de Engelse tekst: "information and ideas") te ontvangen of te verstrekken. (1) Dat vormt het kader dat bepalend is voor de uitleg van het begrippenpaar "information and ideas". Het gaat om kennis, gedachten, gevoelens en meningen die geuit of verstrekt kunnen worden (in welke vorm dan ook). Het recht om informatie te ontvangen is daarbij het noodzakelijke complement van het recht om informatie te verstrekken. Daarzonder zou het recht op meningsuiting immers illusoir worden. Men heeft niets aan het recht meningen te uiten als niemand ze mag horen. Dat betekent dat art. 10 lid 1 EVRM niet een onbeperkt recht geeft om over alle informatie die voorhanden is, te beschikken. De burger heeft (alleen) recht op de kennis die degene die daarover beschikt met die burger wenst te delen. (2)

9. Steun voor deze gedachte is te vinden in de jurisprudentie van het Europese Hof. In de zaak Leander tegen Zweden overwoog het Hof "that the right to freedom to receive information basically prohibits a Government from restricting a person from receiving information that others wish or may be willing to impart to him". Een recht op inzage in registers of een verplichting van de overheid om de daarin vervatte informatie te verstrekken kon dan ook niet op art. 10 EVRM worden gebaseerd. (3)

10. Uit het voorgaande volgt dat een radargolf die uitgaat van radarapparatuur die gebruikt wordt om snelheidsovertredingen vast te stellen, om twee redenen niet als "information" in de zin van art. 10 EVRM kan worden aangemerkt. De eerste reden is dat radargolven geen kennis, gedachten, enz. overbrengen. Radargolven verspreiden zichzelf en hebben geen inhoud. De tweede reden is dat de politie die de radarapparatuur gebruikt, juist niet de wens heeft om het uitgezonden signaal met weggebruikers te delen. Het beweerdelijke recht om het signaal te ontvangen is hier dus niet het noodzakelijk complement van het recht om het signaal uit te zenden. Integendeel.

11. Deze gedachte vindt men ook uitgedrukt in Nota van Toelichting bij het Besluit van 3 november 2003, houdende wijziging van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten, Stb. 2003, 464. Ik citeer:

"Aangezien radarverklikkers werken door middel van het ontvangen van bepaalde elektromagnetische golven is ook bezien of er geen strijd kan ontstaan met het bepaalde in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van dit artikel heeft een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat mede de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. Dit recht strekt evenwel niet zo ver dat ook aan de ontvangst van niet voor ontvangst bestemde elektromagnetische golven bescherming wordt verleend. Het gaat hierbij om van iedere inhoudelijke informatie gespeende signalen, die uitsluitend dienen tot registratie van te snel rijdende voertuigen.

De enige informatie die uitgaat van de signalen is dat er op een bepaalde plek snelheidscontroles worden verricht, en daarvan is het nu juist de bedoeling dat die informatie niet voor het publiek toegankelijk is." (4)

12. Ik wil er nog op wijzen dat de door de steller van het middel voorgestane uitleg van het begrip "information" in art. 10 EVRM ver gaande consequenties heeft. Die uitleg zou in de eerste plaats betekenen dat het onderscheppen van vertrouwelijke (voor anderen bestemde) informatie, onder het bereik van art. 10 EVRM valt. Het strafrechtelijk gehandhaafde verbod om de telefoon van een ander af te tappen (art. 139c Sr) zou dan een inbreuk op het recht op meningsuiting opleveren. Hetzelfde geldt voor het verbod om met een technisch hulpmiddel gesprekken af te luisteren die in een woning of een besloten erf worden gevoerd (art. 139a Sr). Die uitleg zou in de tweede plaats betekenen dat een verbod om met technische hulpmiddelen signalen op te vangen die geen communicatieve functie hebben, eveneens onder art. 10 EVRM valt. Denkbaar is bijvoorbeeld dat het thans tot "gesprekken" beperkte verbod van art. 139a Sr wordt uitgebreid tot alle geluidsgolven die in een woning of besloten erf worden geproduceerd. Het registreren van het geluid van de stofzuiger en het scheerapparaat, van het ontkurken van de fles en het doortrekken van de WC, van de winden en de boeren die worden gelaten, levert ongetwijfeld nuttige of in elk geval interessante informatie op over het privéleven van een ander, maar waarom die informatiegaring door art. 10 EVRM beschermd zou moeten worden, valt niet goed in te zien. Een verdrag dat beoogt de vrijheid van de burger te beschermen, vraagt om een andere uitleg dan door de steller van het middel wordt voorgestaan.

13. Het voorgaande brengt mee dat het middel, dat klaagt over schending van art. 10 EVRM, hoe dan ook niet tot cassatie kan leiden. Toch maak ik, min of meer ten overvloede, over het daarin aangevoerde nog een enkele opmerking.

14. Het middel gaat uit van de opvatting dat inbreuken op het recht op vrije meningsuiting dienen te berusten op een wet in formele zin. Die opvatting miskent de "autonome" uitleg die het EHRM in constante jurisprudentie aan het begrip "law" in het EVRM heeft gegeven. (5) Het Voertuigreglement, meer in het bijzonder het daarin opgenomen radardetectieverbod, is gepubliceerd.(6) Dat verbod is gestoeld op art. 71 van de Wegenverkeerswet 1994. Aangenomen mag worden dat de Besluitgever met het daarin vervatte verbod binnen zijn regelgevende bevoegdheid is gebleven.(7) Ook de steller van het middel lijkt daarvan uit te gaan.(8) De verbodsbepaling heeft derhalve een basis in het nationale recht. Het radardetectieverbod is voorts "accessible en forseeable". Daarmee is aan de eis van het EVRM voldaan.

15. Voor zover bedoeld mocht zijn aan te voeren dat het verbod geen legitimate aim heeft en niet noodzakelijk is in een democratische samenleving, lijkt het dienstig om te citeren uit de Nota van Toelichting:

''Dit besluit strekt ertoe om radarontvangstapparaten te verbieden die geschikt zijn om de bestuurder te waarschuwen dat er een meting van de snelheid plaatsvindt. Het uitvoeren van snelheidscontroles vormt een essentieel onderdeel van de inspanningen van de overheid om de bestuurders van motorrijtuigen ertoe te brengen de geldende snelheidslimieten na te leven. Het overtreden van de snelheidslimieten leidt tot meer verkeersslachtoffers. De toepassing van de apparaten waarop dit verbod zich richt, zorgt voor een verminderde effectiviteit van deze controles en vormt aldus een gevaar voor de verkeersveiligheid.

(...)

Verenigbaarheid van het verbod met het supranationale recht

Zoals hierboven al is uiteengezet vormt het uitvoeren van snelheidscontroles een essentieel onderdeel van de inspanningen van de overheid om de bestuurders van motorrijtuigen ertoe te brengen de geldende snelheidslimieten na te leven. Omdat het overtreden van de snelheidslimieten tot meer verkeersslachtoffers leidt en de toepassing van radarverklikkers voor een verminderde effectiviteit van snelheidscontroles zorgt, is een verbod voor deze apparaten noodzakelijk uit het oogpunt van de verkeersveiligheid.

Voor een goede werking van de huidige snelheidscontroles is het nodig dat de burger niet altijd kan weten waar en wanneer deze controles plaatsvinden."

16. Gelet op de margin of appreciation die de Verdragssluitende Partijen is gegund, is er geen reden om aan te nemen dat de in de Nota van Toelichting gegeven rechtvaardiging niet door de Straatsburgse beugel zou kunnen. Dat in het buitenland onderzoeken zijn gedaan die niet hebben aangetoond dat het radardetectieverbod een bijdrage levert aan de verkeersveiligheid, kan hieraan niet afdoen. Het zou niet best zijn als een verbod eerst mag worden uitgevaardigd als het nut daarvan wetenschappelijk is aangetoond. Overigens merkt de minister nog op dat een dergelijk verbod in België, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg en Zweden al van kracht is en dat dit verbod wordt overwogen in Duitsland en Groot-Brittannië. (9)

17. Het middel faalt.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het eerste lid van art. 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling: "Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen."

2 Daarbij sluit aan dat het tegengaan van de verspreiding van vertrouwelijke informatie in het tweede lid van art. 10 EVRM als rechtvaardiging wordt opgevoerd voor het beperken van het recht op vrije meningsuiting.

3 EHRM 26 maart 1987, Serie A, 116. Zie ook Gaskin tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 7 juli 1989, Serie A, 160. Vgl. Law and practice of the European Convention on Human Rights and the European Social Charter, Gomien, Harris en Zwaak, p. 293 ev. Op grond van andere verdragsbepalingen kan er wel een verplichting op de Staat liggen om informatie te verschaffen. Zie de zaak Gaskin, waarin die verplichting werd gebaseerd op art. 8 EVRM.

4 Ook door Uw Raad aangehaalt in HR 29 augustus 2006, NJ 2006, 486.

5 "In accordance with the law" moet ruim worden gezien: niet alleen law in de zin van een formele wet, maar ook jurisprudentie en ongeschreven recht kunnen daaronder vallen. Zie o.m. Het EVRM en het Nederlands strafprocesrecht, A.E. Hartveld, Hielkema, Keulen en Krabbe, 3e druk, p. 160 ev, Handboek EVRM, Deel 1 Algemene beginselen, Vandelanotte en Haeck, p. 125 ev.

6 Besluit van 3 november 2003, houdende wijziging van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten, Stb. 2003, 464.

7 Dit lijkt impliciet besloten te liggen in HR 29 augustus 2006, NJ 2006, 486 en HR 29 augustus 2006, NS 2006, 330, waarin Uw Raad kennelijk geen reden zag om art. 5.1.6 Voertuigreglement ambtshalve onverbindend te verklaren. Het EHRM respecteert in beginsel de uitleg die de nationale rechter aan het nationale recht heeft gegeven.

8 Over schending van art. 7 Grondwet wordt niet geklaagd. Als ervan uitgegaan moet worden dat art. 7 Grondwet even ruim moet worden uitgelegd als de steller van het middel ten aanzien van art. 10 EVRM verdedigt, is sterk de vraag of art. 71 WVW 1994 wel een voldoende specifieke grondslag biedt voor een inbreuk op art. 7 Grondwet.

9 P. 5 Nota van Toelichting.