Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4274

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
03278/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4274
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De strafmotivering houdt in dat het Hof in aanmerking heeft genomen dat verdachte blijkens een Uitreksel Justitiële Documentatie eerder t.z.v. soortgelijke feiten is veroordeeld en “anderzijds” er rekening mee heeft gehouden dat sprake is van een oud feit. Gelet op de bewoordingen moet ’s Hofs overweging zo worden verstaan dat het Hof een eerdere veroordeling t.z.v. soortgelijke feiten heeft aangemerkt als een strafverzwarende omstandigheid en aldus strafverhogend heeft geacht dat verdachte het feit i.c. heeft gepleegd nadat hij (onherroepelijk) was veroordeeld t.z.v. soortgelijke feiten. Het uittreksel houdt niet in dat verdachte voorafgaand aan het plegen van het feit i.c. is veroordeeld voor een soortgelijk feit. ’s Hofs overweging vzv. inhoudende dat verdachte blijkens dat uittreksel “eerder ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld” is, is daarom – mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen – niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 228
RvdW 2008, 383

Conclusie

Nr. 03278/06

Mr. Knigge

Zitting: 29 januari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder primair tenlastegelegde en terzake van subsidiair "poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst allereerst de klacht dat de bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, nu hieruit niet blijkt dat het feit op 14 jan 2002 te Schiphol zou zijn gepleegd. Voorts bevat het middel de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, zoals wel bewezen is verklaard.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 14 januari 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 1,460 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op het bij de Opiumwet behorende lijst I,

- een koffer, bevattende die cocaïne, voor de vlucht met bestemming Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, op de luchthaven van Curaçao, heeft ingecheckt en

- vervolgens is hij, verdachte, in het vliegtuig, met bestemming Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, gestapt en

- vervolgens naar de luchthaven Schiphol gereisd en aldaar geland, waarbij zijn koffer, bevattende die cocaïne, is achtergebleven op de luchthaven van Curaçao, Nederlandse Antillen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

5. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat een door verdachte ingecheckte koffer met daarin cocaïne op 14 januari 2002 op de luchthaven Hato (Curaçao) is onderschept en inbeslaggenomen. De douane kon verdachte echter niet meer tijdig van het vliegtuig halen. De verdachte werd vervolgens op 15 januari 2002 op Schiphol aangehouden.

6. Het middel klaagt op zich terecht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de poging (op 14 januari 2002) te Schiphol is begaan. Als locus delicti geldt ingeval van poging de plaats waar de pogingsgedragingen zijn begaan.(1) Wil Schiphol als locus delicti in aanmerking komen, dan zal moeten blijken dat tenminste een deel van die gedragingen aldaar zijn verricht.(2) Daarvan blijkt in casu niet.

7. Met de bewezenverklaarde datum heeft dat als ik het goed zie niets te maken. Nu de verdachte zonder cocaïne naar Schiphol vloog, was in zoverre sprake van een putatief delict (Wahnverbrechen). Als relevante pogingsgedraging komt de aankomst op Schiphol mijns inziens derhalve niet in aanmerking, al moet erbij gezegd worden dat dit nog niet een in de jurisprudentie uitgemaakte zaak is.(3) Gelet op het navolgende is dit echter in casu niet van doorslaggevend belang.

8. Tenlastegelegd was dat het feit "te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Curaao [lees: Curaçao, Kn], Nederlandse Antillen" is begaan. Het Hof verwierp het beroep op ontbrekende rechtsmacht omdat het van oordeel was "dat alleen al artikel 13 Opiumwet die rechtsmacht verschaft". Uit de verwijzing naar dit wetsartikel kan worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat het feit mede op Curaçao is gepleegd. Derhalve moet worden aangenomen dat de woorden "en te Curaçao, Nederlandse Antillen" tengevolge van een kennelijke misslag uit de bewezenverklaring zijn weggevallen. Door verbeterde lezing ontvalt aan het middel - dat er met zoveel woorden van uitgaat dat van dit onderdeel is vrijgesproken - de feitelijke grondslag.

9. De vraag of gezegd kan worden dat het feit óók te Schiphol is begaan, behoeft gelet op het voorgaande geen beantwoording. Zo de klacht daarop betrekking heeft, mist de verdachte daarbij redelijk belang.

10. De tweede klacht van het middel heeft als gezegd betrekking op het bewezenverklaarde medeplegen. Alleen de bewijsmiddelen 9.1 en 9.2 bevatten voor dat medeplegen een aanknopingspunt:

(9.1). Een proces-verbaal van verhoor van 15 januari 2002, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:

"In de koffer die op Curaçao is aangetroffen had ik mijn kleding gedaan. Ik heb de koffer zelf ingepakt. De koffer was afgesloten en de sleutels zitten in mijn fouillering. Die koffer is van mij. Mijn broer en ik zaten in hetzelfde vliegtuig. Het vliegticket werd betaald door mijn neef [betrokkene], achternaam onbekend."

(9.2). Een proces-verbaal van verhoor van 16 januari 2002, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte:

"Mijn broer heeft mijn ticket en mijn paspoort tijdens de reis bij zich gehouden. Op de terugreis zat mijn broer achter mij. Ik heb mijn koffer zelf op slot gedaan. Op de luchthaven (het hof begrijpt: Hato op Curaçao) heb ik de koffer alleen ingecheckt."

11. Meer dan een aanknopingspunt bevatten deze verklaringen echter niet. De conclusie dat het feit door de neef of de broer is medegepleegd, kan daaruit niet worden getrokken. Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden. Zoals is de toelichting op het middel met juistheid wordt opgemerkt, heeft het Hof het bewezenverklaarde niet als medeplegen gekwalificeerd. Mede gelet daarop kan het ervoor gehouden worden dat de woorden "tezamen en in vereniging met een ander" als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring zijn opgenomen. Verbeterde lezing maakt dat de klacht feitelijke grondslag ontbeert. De verdachte is daardoor niet in zijn belang geschaad.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte in aanmerking heeft genomen het justitieel documentatieregister betreffende verdachte d.d. 21 juni 2006, waaruit volgens het Hof zou blijken dat de verdachte eerder terzake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeel, terwijl zulks uit het betreffende uittreksel niet kan volgen. Bovendien heeft het Hof ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van voormeld uittreksel, zulks terwijl de korte inhoud van dit uittreksel niet ter terechtzitting aan de verdachte is medegedeeld.

14. Het Hof heeft met betrekking tot de op te leggen straf, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Het hof heeft bij de strafoplegging mede in aanmerking genomen een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 juni 2006, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van het medeplegen van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Anderzijds heeft het hof er bij de strafoplegging rekening mee gehouden dat sprake is van een oud feit."

15. Het desbetreffende uittreksel bevond zich aanvankelijk niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Namens mij gedane navraag bij de griffie van het Hof leidde ertoe dat dit uittreksel alsnog is nagezonden. Uit dit uittreksel blijkt echter niet dat de verdachte eerder dan 14 januari 2002 (de pleegdatum van het onderhavige feit) voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voor zover het middel daarover klaagt is het terecht voorgedragen.(4)

16. Het derde middel behelst de klacht dat het Hof niet, althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting door de raadsman aangevoerde verweer dat de redelijke termijn zou zijn geschonden, althans heeft het Hof de impliciete verwerping van het verweer onvoldoende met redenen omkleed.

17. Door de raadsman is ter terechtzitting blijkens de aldaar overgelegde pleitnota onder het kopje "V Strafmaat" het volgende aangevoerd:

"Het is alweer een oud feit. De vertraging in de berechting is niet aan client te wijten. Gelet op het tijdsverloop sinds zijn arrestatie tot aan de inhoudelijke behandeling van vandaag kan geen sprake zijn van berechting 'without undue delay', zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Verzocht wordt om strafmatiging, bij voorkeur dat bij bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Subsidiair wordt verzocht om oplegging van een werkstraf."

18. Het Hof heeft, zoals hiervoor onder punt 14 reeds is weergeven, met betrekking tot de op te leggen straf onder meer het volgende overwogen:

"Anderzijds heeft het hof er bij de strafoplegging rekening mee gehouden dat sprake is van een oud feit."

19. In deze overweging ligt als oordeel van het Hof besloten dat van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.(5) De vraag is of op dit punt sprake is geweest van een verweer dat tot een meer expliciete reactie noopte. Ik meen van niet. Aangevoerd wordt wel dat sprake is geweest van vertraging (die niet aan verdachte is te wijten), maar waaruit die vertraging heeft bestaan blijft in nevelen gehuld. En de stelling dat er gezien het tijdsverloop geen sprake kan zijn geweest van een berechting "without undue delay", is ten enenmale onjuist. Ook wanneer het verweer wordt bezien in het licht van het in de cassatieschriftuur geschetste procesverloop, krijgt het geen handen en voeten. Van lange periodes van stilzitten blijkt uit dat procesverloop niet. Wel van twee 'mislukte' (op de nietigheid van de dagvaarding en de niet-ontvankelijkheid van het OM uitgelopen) strafvervolgingen, maar het bewandelen van doodlopende paden is wat anders dan inactiviteit.

20. In elk geval hoeft, gelet op het uiterst summiere karakter van het door de raadsman gestelde, het verzuim om op het aangevoerde een expliciete beslissing te geven niet tot cassatie te leiden. Het Hof had het verweer slechts kunnen verwerpen.

21. Het middel faalt.

22. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Het tweede middel slaagt

23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. H.D. Wolswijk, Locus delicti en rechtsmacht, p. 274. Ik ga er vanuit dat HR 18 december 2001, NJ 2003, 315 m.nt G.A.M. Srijards het geldende recht op dit punt niet heeft gewijzigd.

2 Zie o.m. HR 30 juni 1998, NJ 1998, 799 m.n. Sch. en HR 13 april 1999, NJ 1999, 221.

3 Kortheidshalve verwijs ik naar de punten 31 t/m 41 van de conclusie bij HR 17 april 2007, NJ 2007, 436 m.nt. J.M. Reijntjes.

4 Uit het uittreksel blijkt wél dat de verdachte eerder dan de dag waarop het Hof uitspraak deed, onherroepelijk is veroordeeld voor na het plegen van het feit begane strafbare Opiumwetdelicten. Met die feiten had het Hof op voet van art. 63 Sr rekening moeten houden. Het Hof heeft dit artikel weliswaar aangehaald, maar de weergegeven strafmaatoverweging kan bezwaarlijk zo worden verstaan dat daarmee aangegeven wordt dat de soortgelijke feiten op voet van art. 63 Sr in rekening zijn gebracht. Niet alleen is voor art. 63 Sr niet van belang dat de feiten soortgelijk zijn (het uittreksel bevat ook niet-soortgelijke feiten waarmee rekening moest worden gehouden), ook het woord "Anderzijds" in de tweede alinea duidt erop dat het Hof in de eerder gepleegde feiten een strafverzwarende omstandigheid heeft gezien.

5 Vgl. HR 10 november 1998, NJ 1999, 150.