Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC4061

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
C06/337HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC4061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Dagvaarding van overblijvende rechtspersoon (splitsing/fusie). Aansprakelijkheidsrecht. Onrechtmatige hinder; afgewezen vordering tuinbouwbedrijf e.a. tegen afvalverwerkingsbedrijf tot vergoeding van schade door naar perceel en kassen overgewaaid stof; relativiteitsvereiste (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 176
RvdW 2008, 295
JWB 2008/116

Conclusie

Rolnr. C06/337HR

mr. J. Spier

Zitting 18 januari 2008

Conclusie inzake

1. [Eiseres 1]

2. [Eiser 2]

3. [Eiser 3]

(hierna respectievelijk Handelskwekerij, [eiser 2], [eiser 3] en tezamen: [eiser] c.s.)

tegen

[Verweerster] (mede als rechtsopvolgster door fusie/splitsing van [A] en als rechtsopvolgster door fusie/splitsing van [B] B.V.)(1)

(hierna: [verweerster])

1. Feiten(2)

1.1 Handelskwekerij heeft tot 1991(3) een tuinbouwbedrijf geëxploiteerd te [plaats]. In 1981 werden de eerste en tweede kas gebouwd; in 1985 de derde en vierde.(4)

1.2 Op het perceel waarop Handelskwekerij haar bedrijf uitoefent, is in 1989 voor [eiser 2] en voor [eiser 3] een woonhuis gebouwd.(5)

1.3 Naast het litigieuze perceel was (toen Handelskwekerij zich daar vestigde reeds jaren(6)) een afvalverwerkingsbedrijf van [verweerster] gevestigd dat onder andere tuinbouwafval opsloeg, bewerkte en composteerde. Daarnaast bewaarde en bewerkte het bouw- en sloopafval en hield het zich bezig met opslag en bewaring van "allerlei soorten" afval.

1.4 Met het oog op de hiervoor genoemde activiteiten van [verweerster] hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna: GS) op 16 december 1986 op grond van de Afvalstoffenwet aan [verweerster] een vergunning verleend onder een groot aantal voorschriften.

1.5 Op 8 september 1988 heeft Handelskwekerij GS schriftelijk verzocht om binnen tien dagen op te treden tegen [verweerster] wegens overtreding van de onder 1.4 genoemde vergunning voorschriften. Nadat de gestelde termijn was verstreken heeft zij een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve weigering. In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft de Provincie Zuid-Holland het bedrijf van [verweerster] gecontroleerd. De Provincie heeft ter zake op 11 oktober 1988 een rapport uitgebracht.

1.6 Bij beschikking van 15 mei 1989 hebben GS de bezwaren van Handelskwekerij ongegrond verklaard. Handelskwekerij heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

2. Procesverloop

2.1.1 Bij dagvaarding van 5 januari 1990 hebben [eiser] c.s. [verweerster] gedagvaard voor de Rechtbank 's-Gravenhage en - voor zover thans nog van belang(7) - gevorderd [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de door hen geleden schade van ƒ 427.903 en schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.1.2 [Eiser] c.s. hebben - in de weergave van de Rechtbank en voor zover thans nog van belang(8) - aan hun vordering ten grondslag gelegd dat [verweerster] sinds het begin van de jaren tachtig (van de vorige eeuw) in strijd met het vigerende bestemmingsplan haar bedrijfsactiviteiten aanmerkelijk heeft uitgebreid en ten behoeve daarvan steeds meer grond in gebruik heeft genomen. Daardoor kwamen grote hoeveelheden stof op haar percelen en in haar kassen terecht waardoor schade is ontstaan.

2.2 [Verweerster] heeft de vordering bestreden.

2.3 Bij (tussen)vonnis van 15 januari 1992 heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast teneinde onder meer inlichtingen te verkrijgen over de vraag welke voorwaarden, verbonden aan de vergunning krachtens de Afvalstoffenwet, beogen om stofoverlast te voorkomen.

2.4 In haar (tussen)vonnis van 30 juni 1993 heeft de Rechtbank overwogen dat [eiser] c.s. aan hun vordering slechts ten grondslag hebben gelegd dat [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld door zich niet aan de voorschriften A 13, A 14 en E 19(9) van de haar ingevolge de Afvalstoffenwet verstrekte vergunning d.d. 16 december 1986 te houden, met als gevolg dat grote hoeveelheden stof op hun percelen en in hun kassen zijn terechtgekomen (rov. 4). De Rechtbank heeft [eiser] c.s. opgedragen deze stellingen te bewijzen.

2.5 Nadat 22 getuigen zijn gehoord, heeft de Rechtbank bij vonnis van 20 mei 1998 de vordering afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat, bezien in het licht van de getuigenverklaringen, hetgeen [eiser] c.s. naar voren hadden gebracht "niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat [verweerster] op zodanige wijze in strijd met de vergunningvoorschriften heeft gehandeld dat daardoor van een onrechtmatig handelen ten opzichte van [eiser] c.s. sprake is". Daaraan doet niet af dat uit de getuigenverklaringen naar voren komt dat [eiser] c.s. in voor hun bedrijfsvoering nadelige mate overlast hebben ondervonden van stofafzetting op hun percelen en in de kassen, terwijl "niet onaannemelijk is dat deze overlast ook deels is veroorzaakt door van het bedrijf van [verweerster] afkomstig stof". Volgens de Rechtbank kan niet worden gezegd dat [verweerster], alle omstandigheden in aanmerking genomen, is tekortgeschoten "in datgene wat op grond van de voor haar geldende vergunningsvoorschriften van haar moest worden verwacht". De Rechtbank heeft in dit verband ook betekenis toegekend aan de omstandigheid dat op het moment dat [eiser] c.s. hun bedrijf ter plaatse vestigden, [verweerster] op het belendende terrein reeds gedurende vele jaren haar bedrijf uitoefende (rov. 5).

2.6 [Eiser] c.s. zijn in beroep gekomen van de vonnissen van 15 januari 1992, 30 juni 1993 en 20 mei 1998.

2.7 [Verweerster] heeft de grieven bestreden en (volgens het Hof)(10) impliciet incidenteel appèl ingesteld dat evenwel niet (meer) van belang is.

2.8.1 Volgens 's Hofs tussenarrest van 16 april 2003 hebben [eiser] c.s. aan hun vordering ten grondslag gelegd dat:

a. [verweerster] zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden vermeld in de vergunning die [verweerster] ingevolge de Afvalstoffenwet op 16 december 1986 is verleend;

b. door verzwaring en/of vergroting van het gebruik van het perceel sinds 1970 [verweerster] heeft gehandeld in strijd met het bestemmingsplan;

c. [verweerster] jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld in strijd met art. 5:37 jo 6:162 BW (rov. 3).

2.8.2 Het Hof acht de vordering op de onder a en b genoemde grondslagen niet toewijsbaar:

"4. De indertijd geldende Afvalstoffenwet strekte tot sturing van een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwijdering van afvalstoffen. De Wet op de Ruimtelijke Ordening beoogt leiding te geven bij de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied teneinde het ontstaan van een voor de gemeenschap zo gunstig mogelijk geheel te bevorderen.

Voor zover [verweerster] gehandeld heeft in strijd met de ingevolge de Afvalstoffenwet verleende vergunning, dan wel het ter plaatse geldende bestemmingsplan ([verweerster] betwist dit), dan nog is [eiser] niet getroffen in een door deze wetten beschermd belang, zie HR 17.12.1982, NJ 1983-278. Hieruit vloeit voort dat het gestelde handelen door [verweerster] in strijd met deze wetten niet tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] kan leiden. (..)

5. Door [eiser] is nog aangevoerd dat [verweerster] heeft gehandeld in strijd met de Hinderwet. [Eiser] stelt dat [verweerster] tot 1986 niet over een hinderwetvergunning beschikte. Waar [eiser] schade vordert over de periode 1987-1990, is deze omstandigheid zonder belang voor het antwoord op de vraag of [verweerster] in de relevante periode onrechtmatige hinder veroorzaakt heeft. De stelling dat [verweerster] in strijd met de voorwaarden van de hem verleende vergunning heeft gehandeld in de jaren 1987-1990 is onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Uit het rapport van 11 oktober 1988 blijkt weliswaar dat een aantal aspecten (nog) niet op orde zijn, mede tengevolge van door onder andere [eiser] ingediende bezwaarschriften, maar in dit rapport wordt niet concreet ingegaan op de kwestie van overwaaiend stof. Verwijzing naar dit rapport kan dus niet dienen ter feitelijke adstructie van deze stelling."

2.8.3 De vraag of sprake is van onrechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst, de duur en de omvang van de daardoor veroorzaakte schade in verband met de omstandigheden van het geval. Uit de eerdere getuigenverklaring kan niet worden afgeleid wat de ernst is van de stofoverlast, indien daarvan sprake is geweest (rov. 6). Het Hof heeft [eiser] c.s. opgedragen te bewijzen "dat en van de mate waarin in de jaren 1987-1990 van [verweerster] afkomstig stof op de percelen van [eiser] en op en in de kassen is terechtgekomen".

2.9.1 Nadat het Hof 10 getuigen heeft gehoord, heeft het bij arrest van 19 juli 2006 onder verbetering van gronden de bestreden vonnissen bekrachtigd. [Eiser] c.s. zijn er naar het oordeel van het Hof in geslaagd te bewijzen dat van [verweerster] afkomstig stof in en op hun kassen is terechtgekomen (rov. 1).

2.9.2 Het Hof gaat met betrekking tot de ernst en mate van de overlast uit van een prijsbederf van 20 tot 30% en extra kosten aan arbeid en materieel (rov. 2).

2.9.3 Met betrekking tot de "omstandigheden ter plaatse" wijst het Hof op het volgende:

a. [verweerster] gebruikte het terrein, naar de bevoegde autoriteiten bekend was, vanaf 1971 voor het storten van afval;

b. [eiser] c.s. hebben de eerste twee kassen in 1981 en de volgende twee in 1985 gebouwd;

c. ongeveer waar het kassencomplex van [eiser] c.s. eindigde, begonnen de activiteiten van [verweerster] (eerst een weegbrug en vervolgens een puinbreekinstallatie), alles in de open lucht;

d. het puinbreken is in 1978 begonnen;

e. in 1983 is een nieuwe puinbreker gekomen. De beschikbare cijfers lijken te wijzen op een groei met horten en stoten. De stelling dat "de samenstelling" van het bedrijf van [verweerster] in 1987 veranderde vindt geen steun in de vaststaande feiten;

f. "per saldo en grosso modo" is komen vast te staan dat [verweerster] bij droog weer water sproeide over de weg, het puin en de installatie. In de regel werden netten gespannen over het door vrachtauto's aangeleverde puin (rov. 3).

2.9.4 Hierop overweegt het Hof

"4. Het veroorzaken van stof en daarmee van overlast voor nabijgelegen, voor stof gevoelige bedrijven, als dat van [eiser], is onlosmakelijk verbonden aan het exploiteren van een puinbreekinstallatie en het composteren van tuinafval. Voor [eiser] valt niet te voorkomen dat dit stof in de kas komt, omdat het stof overal doorkomt en zomers frequent belucht moet worden (verklaring [betrokkene 1] d.d. 5 januari 1994).

Het hof verwerpt de stelling van [eiser] dat zij zich reeds aan de [C] gevestigd had voordat de overlast in 1987 begon. [Eiser] heeft immers de eerste en tweede kas in 1981 gebouwd, toen [verweerster] ter plaatse al geruime tijd een puinbreekinstallatie in gebruik had. Beide bedrijven hebben ongeveer gelijktijdig hun bedrijfsactiviteiten zien toenemen: in 1982/1983 is een nieuwe puinbreekinstallatie gekomen bij [verweerster], die een grotere capaciteit had, en in 1985 heeft [eiser] de derde en vierde kas doen bouwen. [Eiser] breidde zich hierdoor verder uit in de richting van [verweerster], die juist enige jaren daarvoor haar capaciteit vergroot had.

De door [eiser] in de jaren 1987-1990 ondervonden hinder en schade ten gevolge van het stof dient zonder enige twijfel te worden aangemerkt als substantieel qua ernst en duur. De omstandigheid dat deze hinder en schade eerst in de jaren 1987-1990 deze mate van ernst had, neemt niet weg dat in 1981 en 1985, toen niet alleen besloten werd kassen te bouwen maar ook gekozen werd voor de teelt van tropische planten, voorzienbaar was dat deze beide bedrijven met ieder hun eigen specifieke kenmerken (gevoelig voor stof versus stof veroorzakend) niet op de wijze als heeft plaatsgevonden naast elkaar zouden kunnen bestaan zonder dat door [eiser] substantiële hinder en schade door stof zou worden ondervonden. In het licht van deze feiten en omstandigheden, en met name gelet op het feit dat [verweerster] met haar specifieke bedrijfsactiviteiten reeds ter plaatse gevestigd was toen [eiser] de kassen aan de [C] bouwde, heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat [verweerster] niet onrechtmatig gehandeld heeft door hinder en stof te veroorzaken.

5. [Eiser] voert nog aan dat [verweerster] de stofoverlast had kunnen verminderen door voor te schrijven dat zeil in plaats van netten gespannen diende te worden over het met vrachtauto's aangevoerde puin.

De getuigenverklaring d.d. 28 april 1994 van [betrokkene 2], provinciaal ambtenaar met een toezichthoudende taak op de naleving van milieuwetten en verordeningen, houdt op dit punt onder meer in:

"...

Onder het voorschrift als vermeld in onder A-13 wordt verstaan dat [verweerster] redelijkerwijs alle maatregelen dient te nemen om te voorkomen dat stof buiten de inrichting raakt. Naar mijn mening verrichtte [verweerster] op het moment van mijn onderzoek het best mogelijke met de hem beschikbare middelen, ook als in aanmerking genomen wordt dat hij zich in een gevoeliger gebied bevond dan collega puinbrekers...."

Deze getuige, die als terzake kundig dient te worden aangemerkt, heeft het bedrijf van [verweerster] in de periode tot 1990 gemiddeld één keer per week bezocht, zonder zijn bezoek van tevoren aan te kondigen.

In het licht van deze verklaring is het hof van oordeel dat het nuttig effect van zeil op het voorkomen van stofoverlast onvoldoende onderbouwd is. Deze stelling van [eiser] kan derhalve niet tot het oordeel leiden dat [verweerster] door na te laten deze voorziening te treffen, wel onrechtmatig gehandeld heeft.

6. Het vorenstaande brengt mee dat ook de zesde grief en zevende grief falen. De vordering van [eiser] is niet toewijsbaar op de gestelde grondslagen.".

2.10 [Eiser] c.s. hebben tegen de arresten van 16 april 2003 (hierna ook: het tussenarrest) en 19 juli 2006 (hierna ook: het eindarrest) tijdig beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht ([eiser] c.s. door verwijzing naar de cassatiedagvaarding). Daarna hebben zij nog gere- en gedupliceerd.

3. De ontvankelijkheid van [eisers 2 en 3]

3.1.1 Uit de inleidende dagvaarding valt af te leiden dat slechts de schade van Handelsonderneming wordt gevorderd. Dat blijkt met name uit hetgeen onder 8 - 11 wordt aangevoerd. Het Hof bouwt daar in rov. 2 van het eindarrest klaarblijkelijk - en in cassatie niet bestreden - op voort door slechts te spreken van prijsbederf en extra kosten van materieel (foliescherm, schermdoek en chemische middelen).

3.1.2 Dat [eisers 2 en 3] schade zouden hebben geleden en dat (nog steeds) vergoeding daarvan wordt gevraagd, is niet aangevoerd.

3.2 Bij deze stand van zaken is onduidelijk welk belang [eisers 2 en 3] bij hun cassatieberoep hebben. Zij kunnen daarin m.i. dan ook niet worden ontvangen.

3.3 Uit praktische overwegingen blijf ik hierna spreken van [eiser] c.s.

4. Analyse van 's Hofs arresten

4.1 Alvorens op de klachten in te gaan, lijkt goed onder ogen te zien op welke gronden het Hof de bestreden vonnissen heeft bekrachtigd. Daarbij volg ik de poten waarop de vordering volgens het Hof stoelt; zie onder 2.8.1.

4.2 De op overtreding van de (voorschriften verbonden aan de vergunning krachtens de) Afvalstoffenwet gebaseerde vordering loopt stuk op twee zelfstandige - geparafraseerd weergegeven - gronden:

a. de relativiteit (rov. 4 van het tussenarrest);

b. miskenning van de litigieuze voorschriften die, anders dan [eiser] c.s. kennelijk menen, niet inhouden dat iedere stofuitstoot moet worden voorkomen (rov. 5 van het eindarrest).

4.3 De op verzwaring van het gebruik van het perceel gegronde vordering strandt:

a. voor zover het gaat om het beroep op de Wet op de Ruimtelijke ordening op de relativiteit (rov. 4 van het tussenarrest);

b. voor zover gebaseerd op een "andere samenstelling" van [verweerster]s onderneming als door [eiser] c.s. aangevoerd, omdat daarvan niet is gebleken (rov. 3 van het eindarrest).

4.4 De op onrechtmatige hinder gegronde vordering loopt, ondanks de duur en de ernst ervan als genoemd in rov. 2 van het eindarrest, spaak in:

a. de omstandigheden ter plaatse zoals weergegeven onder 2.9.3;

b. de onmogelijkheid om emissie van stof te voorkomen;

c. de omstandigheid dat de uitbreidingen van [eiser] c.s. plaatsvonden in de richting van de gewraakte installatie(s) hoewel zij wisten dat [verweerster] deze uitbreidde;

d. de voorzienbaarheid dat de onderneming van [eiser] c.s. onmogelijk was naast die van [verweerster]. Desondanks hebben zij niet alleen (met een tussenpoos van enkele jaren) kassen gebouwd, maar is zelfs gekozen voor de teelt van tropische planten (rov. 4 van het eindarrest).

4.5 Verder staat het Hof nog stil bij het aan (overtreding van) de Hinderwet ontleende argument. Het brengt [eiser] c.s. geen soelaas:

a. voor de periode vóór 1986 omdat de vordering daarop niet ziet;

b. voor de periode nadien wegens ondeugdelijke onderbouwing (rov. 5 van het tussenarrest).

5. Het tijdsaspect

5.1 Zoals vermeld onder 4.4 heeft het Hof beslissende betekenis toegekend aan het tijdsaspect, nader uitgewerkt onder 2.9.3. Dat oordeel wordt geveld in het kader van de onrechtmatigheid van de hinder.

5.2 Naar gangbare inzichten speelt bij beantwoording van de vraag of hinder onrechtmatig is een rol of de hinder veroorzakende activiteiten reeds plaatsvonden voordat de benadeelde zich ter plaatse vestigde.(11) Deze benadering is ook in de rechtspraak van Uw Raad gevolgd.(12)

5.3 Dat betekent - uiteraard - niet dat de benadeelde die zich later ter plaatse vestigt iedere hinder, ongeacht de duur en omvang daarvan, voor lief zal moeten nemen. Uw Raad spreekt in dit verband van "een zeker mate van hinder" die dan zal moeten worden geduld.

5.4.1 De vraag wat "een zekere mate" is, kan m.i. niet in algemene zin worden beantwoord.(13) Wanneer iemand meent te moeten gaan wonen of zich vestigt naast een snelweg, vliegveld of in de nabijheid van een open riool, zal hij de consequenties daarvan m.i. in het algemeen tot op zekere - vrij grote - hoogte moeten aanvaarden. De maatschappelijke realiteit en trouwens ook de economie zou anders onaanvaardbaar (kunnen) worden verstoord.(14) Deze opvatting is geheel in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM, waarin op de economische aspecten een zwaar accent wordt gelegd.(15)

5.4.2 Daar komt nog bij dat de prijzen van woningen of grond ongetwijfeld door dergelijke omstandigheden worden beïnvloed; de "benadeelde" heeft daarvan allicht geprofiteerd.

5.5 Het ligt niet bijzonder voor de hand dat een fundamenteel andere benadering wordt gekozen ingeval vergunningen in beeld komen. Wat er ook zij van de algemene strekking van de wetgeving waarop zij berusten, zonder expliciete en duidelijke steun in de parlementaire geschiedenis ware niet - laat staan klakkeloos - aan te nemen dat deze onbeperkte bescherming beogen te bieden aan personen die met open ogen en welbewust de hinder opzoeken. Anders gezegd: de relativiteit (het beschermingsbereik) van zo'n wet en de daarop gebaseerde vergunningen strekt zich zeker niet zonder meer uit tot zulke personen of bedrijven.(16)

5.6 Dit brengt mee dat niet beslissend is wat de algemene strekking van zodanige wetten of daarop gebaseerde vergunningen is. Veeleer komt het aan op de vraag of zij tevens beogen bescherming te bieden voor het concrete geval. In casu: of zij [eiser] c.s. soelaas bieden in een situatie die wordt gekenmerkt door de onder 4.4 en 2.9.3 vermelde omstandigheden.(17)

5.7 Opmerking verdient nog dat minder vruchtbaar is om zich blind te staren op de strekking van een wet waarop de vergunning stoelt. De relativiteit (of onrechtmatigheid) wordt immers ten minste mede bepaald door de vergunningvoorschriften.(18)

5.8 Ten overvloede stip ik nog aan dat een vergelijkbaar resultaat kán worden bereikt via de weg van art. 6:101 BW. In situaties als de onderhavige is verdedigbaar sprake van risico-aanvaarding. Uw Raad ziet dat - terecht - niet als afzonderlijk leerstuk maar rubriceert het onder art. 6:101 BW.(19) Ten minste verdedigbaar is dat, in causale zin, de schade in situaties als bedoeld onder 4.4 en 2.9.3 ten volle valt te herleiden tot de benadeelde. Dwingend is die benadering intussen niet.

5.9 Naar 's Hofs oordeel is schade van een ernst als genoemd onder 2.9.2 niet onrechtmatig op de onder 2.9.3 en 4.4 genoemde gronden. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Daarom ga ik op die kwestie niet nader in.

6. Het leerstuk van de relativiteit

6.1 Nu een reeks klachten scharniert om de relativiteit (art. 6:163 BW) lijkt goed eerst kort stil te staan bij de inhoud en betekenis daarvan.

6.2 Met de relativiteit wordt beoogd een te ruime aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te voorkomen.(20) Ingevolge art. 6:163 BW heeft de benadeelde die zijn vordering baseert op onrechtmatige daad geen aanspraak op schadevergoeding als de geschonden norm niet strekt ter bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

6.3 In het duwbak Linda-arrest(21) geeft Uw Raad aan hoe de beschermingsomvang moet worden bepaald:

"Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het in art. 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt."

6.4.1 Uw Raad heeft de opvatting verworpen dat een norm in beginsel strekt ter bescherming van allen die als gevolg van overtreding ervan schade kunnen lijden en wel ter bescherming tegen alle schade die aan de dader op de voet van 6:98 BW als een gevolg van die overtreding kan worden toegerekend.(22)

6.4.2 Geheel in lijn met dit uitgangspunt heeft Uw Raad verschillende arresten gewezen waarin wordt aangenomen dat de relativiteit ontbreekt zonder dat dit wordt onderbouwd met passages uit de parlementaire geschiedenis of anderszins.(23) Soms zelfs in zaken waarin de parlementaire geschiedenis veeleer in tegengestelde zin wijst.(24)

6.5 Ter vermijding van misverstand: de hier verdedigde opvatting betekent geenszins dat benadeelden van hinder, ook in situatie waarin zij - kort gezegd - de hinder hebben "opgezocht", zonder meer en steeds van schadevergoeding verstoken zullen blijven. Zij kunnen terugvallen op het algemene hinder-leerstuk dat maatoplossingen mogelijk maakt; zie nader onder 5.2 en 7.71.

7. Bespreking van de klachten

7.1 De cassatiedagvaarding bevat een klachtenregen die neervalt in de vorm van toelichtingen op vier genummerde middelen. Omwille van de overzichtelijkheid worden de verschillende paragrafen (genummerd 16 t/m 43) hierna aangeduid als onderdelen. De daaraan voorafgaande passage behelst geen klachten.

7.2 Een aantal onderdelen bevat geen (begrijpelijke) klacht(en), wat er verder ook zij van de daarin verwoorde stellingen. Dat geldt voor de onderdelen 16, 26 (dat van alles aan de orde stelt waarover het Hof geen oordeel heeft geveld), 33 (niet wordt uitgelegd waarom de niet nader genoemde omstandigheden van belang zouden zijn), 34 (hetgeen hier staat is te abstract), 37 en 39.

7.3 Onderdeel 17 voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. nu niet wordt vermeld waar in de dingtalen stellingen als daarin ontvouwd zijn betrokken.(25)

7.4 Voor zover de klachten zich richten tegen het dictum van 's Hofs arrest missen ze doel omdat daarin niet is te lezen wat er volgens de klachten zou staan.

7.5 Middel 1 ziet op "handelen in strijd met wettelijke plicht, inbreuk subjectief recht en Schutznorm". Het komt op tegen rov. 4 en 5 van het arrest van 16 april 2003. Het voert aan dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist dat [eiser] c.s. geen bescherming konden ontlenen aan de (vergunning krachtens de) Afvalstoffenwet, de Hinderwet, het ontbreken van een vergunning en het bestemmingsplan.

7.6 Alle klachten die betrekking hebben op de (inmiddels niet meer geldende) Hinderwet en, naar ik begrijp, het ontbreken van een daarop gebaseerde vergunning, lopen stuk op 's Hofs, zoals hierna zal blijken,(26) tevergeefs bestreden oordeel, samengevat onder 4.5. Aldus valt het doek over de onderdelen 18, 20 (voor zover al begrijpelijk) en 23.

7.7 De onderdelen 19 en 27 vertolken de stelling dat een wettelijke norm allen beschermt tenzij gedaagde het tegendeel bewijst. Tevergeefs evenwel; zie onder 6.4.

7.8 Onderdeel 21 voert, naar ik begrijp, aan dat overtreding van een bestemmingsplan onrechtmatig is jegens "de buren".

7.9 Het is aan gerede twijfel onderhevig of deze klacht voldoende duidelijk is nu zij in genen dele is toegesneden op de onderhavige zaak, doch blijft steken in een algemene stelling.

7.10 Het onderdeel doet nog beroep op het arrest Claas/Van Tongeren.(27) In die zaak ging het om de vraag of een burger bij de burgerlijke rechter een vordering kan instellen strekkend tot een verbod van met een bestemmingsplan strijdig gebruik van grond. Uw Raad beantwoordde die vraag - kort gezegd - bevestigend.

7.11 Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat een bestemmingsplan tevens strekt tot voorkoming van schade in een situatie met de bijzondere karaktertrekken van de onderhavige zaak.

7.12.1 Ik gaf al aan dat en waarom een ongeclausuleerd bevestigende beantwoording van die vraag uiterst riskant is; zie onder 5.4. Zij zal, naar moet worden gevreesd, de stoot geven tot veel ellende waarvan de omvang en gevolgen niet kunnen worden overzien. We leven nu eenmaal in een gecompliceerde en fragiele samenleving waarin, naar van algemene bekendheid is, wettelijke regels en vergunningen niet steeds ten volle (kunnen) worden nageleefd. Voor een deel wordt dat door de overheid gedoogd. Ik bedoel allerminst een pleidooi te houden ten faveure van personen of bedrijven die zich niet aan de regels houden. Maar het recht zou m.i. te ver doorschieten wanneer zij in alle gevallen de rekening daarvan krijgen gepresenteerd. De algemene regeling inzake hinder biedt voldoende mogelijkheden om in voorkomende gevallen tot passende oplossingen te geraken.

7.12.2 In dit verband veroorloof ik mij nog de kanttekening dat een enigszins vergelijkbare benadering wordt gevolgd in het kader van aansprakelijkheid voor beroepsziektes hoewel het daar (vrijwel) steeds gaat om letsel en dus om schades die ten minste evenveel (zo niet meer) aandacht verdienen dan vermogensschade.(28) Volgens Uw Raad wordt bedrijven in voorkomende gevallen enige tijd gegund om onderzoek te doen.(29)

7.13 Ik zou er daarom een lans voor willen breken dat de klacht reeds hierop afstuit.

7.14 [Eiser] c.s. verliezen bovendien uit het oog dat 's Hofs oordeel op twee gronden steunt; zie onder 4.3. Tegen de daar onder b genoemde grond zijn geen klachten gericht. Ook daarin vindt het onderdeel m.i. zijn Waterloo.

7.15 Voor het geval Uw Raad hierover anders mocht oordelen, sta ik nader stil bij deze kwestie.

7.16 In de Memorie van Toelichting wordt ingegaan op het doel van de WRO:

"De ondergetekenden menen zich ontslagen te mogen achten van de plicht om uitvoerig in te gaan op de behoefte aan een goede ruimtelijke ordening zowel in het gemeentelijke als in het boven gemeentelijke kader. Ieder ziet thans wel in, dat de overheid in ons dichtbevolkte land, waar tal van belangen strijden om het gebruik van de schaarse grond en waar velerlei ingrijpende werken op die grond moeten worden uitgevoerd, geroepen is leiding te geven bij deze belangenstrijd over bevoegdheden moet kunnen beschikken ten einde te bewerkstelligen, dat een voor de gemeenschap zo gunstig mogelijk evenwicht bereikt wordt."(30)

7.17 Onder "ruimtelijke ordening" wordt verstaan:

"de vorming en uitvoering van overheidsbeleid betreffende de bestemming, de inrichting en het beheer en gebruik van onroerende zaken".(31)

7.18 In de MvAII is de volgende omschrijving gegeven van het begrip "ruimtelijke ordening":(32)

"(...) het leiding geven bij de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied ten einde het ontstaan van een voor de gemeenschap zo gunstig mogelijk geheel te bevorderen. Daarbij dient te worden bedacht, dat dit begrip ruimtelijke ordening ruimer is, dan het uitvoeren van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de ruimtelijke ordening. Deze voorschriften geven aan de overheid specifieke bevoegdheden met betrekking tot de ruimtelijke ordening, b.v. de bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen."

7.19 Met betrekking tot het bestemmingsplan vermeldt de MvT dat daarin:

"(...)juridisch bindende vorm [wordt] gegeven aan alle planologische eisen, die ten aanzien van het door het plan bestreken territoor door het gemeentelijk, provinciaal en rijksgezag worden gesteld.

(...)

Doel van het bestemmingsplan is een goede ruimtelijke ordening van het gebied, waarover het plan zich uitstrekt. Deze ruimtelijke ordening wordt verkregen door het coördineren van de verschillende belangen, die bij het gebruik van de in het plan begrepen grond zijn betrokken, tot een zo harmonisch geheel, dat een grotere waarde vertegenwoordigt, dan bij het dienen van elk dier belangen afzonderlijk te bereiken ware geweest. Dit brengt met zich mede, dat het bestemmingsplan door zijn voorschriften rechtstreeks belangen raakt, die door het plan worden gecoördineerd."(33)

7.20 Bestemmingsplannen kunnen in detaillering sterk van elkaar verschillen. Zij bestaan dikwijls uit verschillende elementen, waaronder een plankaart, een plantoelichting en in vrijwel alle gevallen ook voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. Deze in art. 10 WRO aangeduide voorschriften, de gebruiksvoorschriften, kunnen bijvoorbeeld concrete 'vormen van gebruik binnen een bestemming (...) verbieden' of (juist in het algemeen) aan een ieder 'alle gebruik in strijd met de gegeven bestemming' ontzeggen.(34) De rechtsplicht om de in het plan begrepen grond en opstallen te gebruiken op een wijze die strookt met het bestemmingsplan, vloeit voort uit de gebruiksvoorschriften. Het bestemmingsplan heeft het karakter van een algemeen verbindend voorschrift.(35)

7.21 Het bestemmingsplan komt tot stand na een weging van alle relevante omstandigheden. Van Zundert schrijft hierover:

"Bij afweging van allerlei relevante belangen treedt de overheid op namens de individuele belanghebbenden. Zij fixeert in haar besluitvorming als het ware de individuele belangen en maakt een keuze uit alternatieven."(36)

7.22 Het bestemmingsplan berust op (vanuit maatschappelijk oogpunt bezien) een balans tussen de diverse betrokken belangen. Het draagt derhalve, hoe gedetailleerd de daarin opgenomen voorschriften ook zijn, een algemeen karakter. Ofschoon het bestemmingsplan vele betrokkenen aangaat en hun belangen raakt, is het niet opgesteld ter behartiging van één of meer personen in het bijzonder.

7.23 Uit het voorafgaande moge volgen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat bestemmingsplannen beogen burgers in individuele gevallen tegen schadeveroorzakende hinder te beschermen. Laat staan ongeacht de verdere omstandigheden.

7.24.1 Voor deze benadering is m.i. ook steun te vinden in het arrest [D]/[E].(37) [E] c.s. werden geconfronteerd met een uitbouw van [D]; deze had daarvoor een bouwvergunning gekregen; deze was volgens [D] in overeenstemming met het bouwbesluit, de bouwverordening en de WRO. [E] c.s. vorderden gedeeltelijke afbraak. Die vordering werd door Rechtbank en Hof toegewezen. In cassatie wordt overwogen:

"Ook de Wet op de Ruimtelijke Ordening bevat geen bepaling die zich rechtstreeks keert tegen het zodanig bouwen dat daardoor aan een ander onrechtmatige hinder wordt toegebracht. Het belang dat dient te worden nagestreefd met een bestemmingsplan, is het belang van een goede ruimtelijke ordening; zie art. 10 WRO. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan en de daarin opgenomen bebouwingsregeling (bouwvoorschriften) dient de gemeenteraad (onder goedkeuring van gedeputeerde staten) mede een afweging te maken van de onderlinge belangen van de burgers. In dit kader kunnen door de betrokken bestuursorganen ook beslissingen worden genomen over wat naar hun oordeel de ene burger van de andere aan hinder veroorzakende bouw moet aanvaarden, en deze beslissingen kunnen ook in zekere mate via een beroep tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten ter toetsing aan de bestuursrechter worden voorgelegd. De wet verplicht echter niet tot een zodanige opzet van het bestemmingsplan dat in ieder individueel geval de ene burger de andere geen onrechtmatige hinder kan toebrengen door van de erdoor geboden bouwmogelijkheden gebruik te maken, nog daargelaten dat hinder ook het gevolg kan zijn van oorzaken die buiten het bereik van de planwetgever liggen. Ook de ontstaansgeschiedenis van de WRO biedt voor het aannemen van een zodanige verplichting geen steun.

Voor de bestaande regeling pleit ook dat een andere regeling niet zonder ernstige bezwaren zou zijn. Een regeling die wel een verplichting als in de vorige alinea bedoeld zou inhouden, zou bijzonder zware lasten op alle betrokken partijen leggen. Daarbij rijst bovendien de vraag of in redelijkheid van de burger kan worden verlangd - op straffe van verlies van zijn recht om in rechte voor zijn belang op te komen - dat hij de constante oplettendheid en grote activiteit opbrengt die nodig zijn om zeker te stellen dat er geen bestemmingsplan komt met bouwmogelijkheden die bij verwezenlijking onrechtmatige hinder voor hem zouden veroorzaken, zulks in het bijzonder ook wanneer het gaat om situaties waarin die verwezenlijking allerminst met zekerheid is te voorzien. Ook voor de betrokken bestuursorganen zou een regeling van het bestemmingsplan in die zin een ernstige verzwaring van hun taak meebrengen, waarvan het nut betwijfeld kan worden.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het belang van het voorkomen van onrechtmatige hinder door het gebruik maken van door een bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden niet een belang is dat door de wettelijke regeling van het bestemmingsplan wordt nagestreefd zoals hiervóór in 3.5.1 bedoeld.".

7.24.2 Aan het belang van dit arrest voor de onderhavige zaak doet niet af dat in het arrest in zekere zin de spiegelbeeldsituatie aan de orde was nu niet in strijd met het bestemmingsplan was gehandeld.

7.25 Dit alles laat uiteraard onverlet dat overtreding van een bestemmingsplan wel een (vaak belangrijke) factor kan zijn die meeweegt bij beoordeling van de onrechtmatigheid. Het gaat m.i. evenwel te ver om uit de enkele overtreding af te leiden dat sprake is van onrechtmatigheid tegenover iedere gedupeerde, zelfs wanneer het gaat om naburen. Grote voorzichtigheid past met name ingeval van omstandigheden die, zoals in casu - het is de rode draad van deze conclusie - tamelijk buitenissig zijn.

7.26.1 Ook in het arrest Barneveld/Gasunie(38) is de relativiteit van de WRO aan de orde, zij het in een bijzondere context. De Gemeente werd door Gasunie aangesproken omdat zij Gasunie niet had verwittigd van verlening van een bouwvergunning als gevolg waarvan schade aan een leiding was ontstaan omdat deze moest worden verlegd. Voor zover thans van belang wordt overwogen:

"Het hof heeft het standpunt van de Gemeente dat art. 164 [van de planvoorschriften, A-G] strekt tot bescherming van omwonenden en gebruikers zoals hiervoor vermeld, als juist aanvaard doch daaraan (..) toegevoegd dat Gasunie een daarvan afgeleid belang heeft dat daarmee zozeer samenhangt dat het onder deze bescherming moet worden begrepen. Dit belang acht het hof door de Gemeente geschonden. Aan de aansprakelijkheid van de Gemeente kan niet afdoen dat de vergunninghouder ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet op de aardgastransportleiding had mogen bouwen. Deze oordelen zijn juist; de ertegen gerichte klachten zijn dus tevergeefs voorgesteld."

7.26.2 Ook dit arrest maakt duidelijk dat overtreding van een bestemmingsplan (planvoorschriften) een benadeelde te stade kan komen.(39) Er kan m.i. evenwel niet uit worden afgeleid dat dit steeds het geval zal zijn, ongeacht de verdere omstandigheden van het geval. Dat ligt ook niet voor de hand nu Uw Raad de opvatting dat wettelijke regels een algemene strekking hebben en alzo alle belangen van een ieder beschermen, heeft verworpen; zie onder 6.4.

7.27 In het kader van de hierna te bespreken Afvalstoffenwet is er nog op gewezen dat in de WRO "in verband met de bestemming voorschriften [kunnen] worden gegeven, maar deze zijn in het algemeen globaal".(40) Globale voorschriften kunnen bezwaarlijk een zó ruime strekking hebben als [eiser] c.s. propageren.

7.28 Ik veroorloof mij nog de kanttekening dat een ander oordeel, waarin bestemmingsplannen etq een algemene strekking zou worden gegeven, die zich ook uitstrekt ten opzichte van personen die met open ogen en welbewust het gevaar hebben gezocht, niet gemakkelijk zou zijn te rijmen met arresten zoals dat over de Iraanse vluchteling.(41) Daarbij valt met name te bedenken dat het in dat soort zaken gaat om een toch al kwetsbare groep die geheel afhankelijk is van de overheid. In situaties als in dat arrest bedoeld, kan bovendien - anders dan in de onderhavige zaak - de vluchteling in geen enkel opzicht iets worden verweten; hij wordt de dupe van foutief overheidshandelen en blijft met lege handen achter.

7.29 Kortom: hoewel voor de door het onderdeel verdedigde algemene stelling best iets te zeggen valt, zet het m.i. te hoog in. Daarop loopt het stuk.

7.30.1 Onderdeel 22 vertolkt eenzelfde klacht nopens de Afvalstoffenwet.

7.30.2 Het middel doet geen beroep op de litigieuze vergunning, noch ook op hetgeen het vergunningverlenend gezag daarmee voor ogen stond. Weliswaar zijn deze stukken bij cvr in geding gebracht, maar daarop kan geen acht worden geslagen nu zij niet door klachten worden ontsloten.

7.30.3 In onderdeel 30 komen deze voorsc hriften wel, maar tevergeefs, aan bod; zie onder 7.53 e.v.

7.31 Deze klacht mislukt m.i. omdat zij slechts één van de twee poten waarop 's Hofs oordeel stoelt, bestrijdt; zie onder 4.2.

7.32 Voor het geval Uw Raad daarover anders mocht oordelen, sta ik - onvermijdelijk vrij uitvoerig - stil bij met name de parlementaire behandeling van de (inmiddels niet meer geldende) Afvalstoffenwet.

7.33 De considerans van de Wet houdende regelen inzake huishoudelijke afvalstoffen, autowrakken en andere categorieën van afvalstoffen (hierna: "de Afvalstoffenwet")(42) geeft weer welk doel met deze wet wordt nagestreefd: bescherming van het milieu.(43)

7.34 Om een "inrichting" in de zin van de Afvalstoffenwet te mogen exploiteren, was een vergunning vereist.(44)

7.35 De beslissing op een verzoek om een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet dient te berusten op een afweging van alle voor de bescherming van het milieu (in de brede betekenis die aan dit begrip in de Afvalstoffenwet is toegekend) relevante factoren, voor zover niet geregeld in een van de in art. 97 Afvalstoffenwet genoemde wetten.

7.36 Ook andere aspecten dan 'het tegengaan van gevaar, schade en hinder' als bedoeld in de (inmiddels eveneens ingetrokken) Hinderwet dienden te worden betrokken bij de beoordeling van het verzoek om een vergunning. Dit blijkt onder meer uit de volgende passages uit de parlementaire behandeling:

"Stortplaatsen en verwerkingsinrichtingen voor afvalstoffen vallen over het algemeen onder het vergunningenstelsel van de Hinderwet (...). Er is echter behoefte aan, deze inrichtingen eveneens te kunnen toetsen op enkele aspecten die bij de beslissing in het kader van de genoemde wetten niet aan de orde komen. (...) In de tweede plaats dient aandacht te worden geschonken aan de invloed die de inrichting op het milieu kan hebben ten koste van sommige niet individueel bepaalde belangen, die bij de toepassing van de Hinderwet buiten beschouwing blijven; te denken is aan belangen van landschappelijke, natuurwetenschappelijke of ecologische aard; aan het belang van de omgeving in recreatief opzicht; aan de betekenis van de omgeving als woonmilieu. Aangezien het wenselijk is dat de toetsing aan deze aspecten ten aanzien van elke inrichting afzonderlijk en preventief plaatsvindt, dienen de inrichtingen onder een hierop gericht vergunningenstelsel te worden gebracht. Er zij overigens op gewezen dat met betrekking tot de feitelijke situering van de inrichting deze aspecten voor zover zij ruimtelijk relevant zijn gewoonlijk eerder aan de orde zullen komen in het kader van de totstandkoming van streek- en bestemmingsplannen.

(...)

In de geschetste situatie ligt het nu naar de mening van de ondergetekende voor de hand, de toetsing van de inrichting aan alle ter zake doende criteria te doen plaatsvinden in één vergunningstelsel. Dit stelsel dient dan gericht te zijn op de aspecten van de inrichting die anders ter beoordeling zouden komen in het kader van de toepassing van de Hinderwet (...), alsmede de aspecten die in de eerste alinea zijn aangeduid.(45)

(...)

Aan deze opzet is uitwerking gegeven in hoofdstuk 6 van het wetsontwerp. De boven beschreven ruime strekking van het vergunningstelsel is daarin (...) tot uitdrukking gebracht door het gebruik van de term 'in het belang van de bescherming van het milieu'. In deze term zijn dus samengevat het belang van de doelmatigheid van de organisatie van de afvalverwijdering, voorts het complex van belangen, bedoeld in het tweede gedeelte van de eerste alinea van dit deel van de toelichting(46) (...) en ten slotte het belang van het tegengaan van 'gevaar, schade en hinder' buiten de inrichting (inclusief de luchtverontreiniging) als bedoeld in de Hinderwet.

(...)

Het in dit wetsontwerp gevolgde systeem van vergunningverlening - één vergunning waarbij alle voor de bescherming van het milieu van belang zijnde factoren worden beoordeeld - is een ander dan dat van het ontwerp van de Wet chemische afvalstoffen".(47)

7.37 Uit de geciteerde passages volgt dat het begrip "milieu" ruim moet worden uitgelegd.(48) De Afvalstoffenwet moet een bijdrage leveren aan de verbetering van het 'gewone dagelijkse leven'.(49)

7.38 De MvT wijst er nog op dat maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat afval weg kan waaien.(50)

7.39 Bij de beoordeling van het verzoek om een vergunning (op grond van de Afvalstoffenwet) moest ook worden gelet op de hinder die de omgeving mogelijkerwijs van de activiteiten van de inrichting heeft te duchten.(51)

7.40 Bij de beslissing op het verzoek om een Afvalstoffenwetvergunning moest ingevolge art. 39 Afvalstoffenwet rekening worden gehouden met "de in de toekomst met betrekking tot de belasting van het milieu te verwachten ontwikkelingen in het gebied waar de inrichting is of zal zijn gelegen".

7.41 Art. 41 lid 1 Afvalstoffenwet bepaalt dat in het belang van de bescherming van het milieu voorschriften konden worden verbonden aan de vergunning.

7.42 Uit dit een en ander kan m.i. worden afgeleid dat overtreding van (voorschriften krachtens) de Afvalstoffenwet in voorkomende gevallen konden worden ingeroepen ter onderbouwing van de stelling dat onrechtmatig jegens een benadeelde is gehandeld. Maar er valt m.i. niet uit af te leiden dat deze bescherming onbeperkt was, laat staan dat zij zich uitstrekte tot gevallen als de onderhavige.

7.43 Ook in dit verband lijkt nuttig te wijzen op moeilijk uit te leggen spanningen die bij een andersluidende opvatting zouden onstaan in vergelijking met gevallen als bedoeld onder 7.28. Ook moet worden gevreesd voor gevaren als genoemd onder 7.12.

7.44 Het onderdeel acht ik daarom ongegrond.

7.45 Onderdeel 24 doet beroep op de zogenaamde correctie-Langemeijer.(52) Het is evenwel zo abstract en zo weinig toegesneden op de onderhavige kwestie dat er geen deugdelijke klacht in kan worden gelezen. Met name wordt niet uit de doeken gedaan waarom toepassing van deze correctie ertoe zou leiden dat in het onderhavige geval onrechtmatig is gehandeld. Dat spreekt ook niet voor zich in welk geval die toelichting (mogelijk) overbodig was geweest.

7.46 Onderdeel 25 gaat nader op deze kwestie in. Met name wordt aangevoerd dat [eiser] c.s. ervan mochten uitgaan dat [verweerster] haar bedrijf niet zwaarder of intensiever zou gebruiken dan in 1970.

7.47 Deze klacht loopt spaak in 's Hofs onder 2.9.3 en 4.4 weergegeven oordeel. Daaruit volgt zonneklaar dat [eiser] c.s. zulks redelijkerwijs niet hebben kunnen denken.

7.48 Het tweede middel, gepresenteerd onder het kopje belang Hinderwet, trekt ten strijde tegen rov. 5 van het tussen- en 3, 4 en 6 van het eindarrest.

7.49 Onderdeel 28 bestrijdt 's Hofs onder 4.5 onder a weergegeven oordeel. Naar de kern genomen voert het aan dat [eiser] c.s. in 1981 verwachtten dat [verweerster] zich aan de wet zou houden.

7.50 Zelfs wanneer veronderstellenderwijs van deze heel onaannemelijke bewering wordt uitgegaan (het tegendeeel was immers ook toen al evident) mist de klacht doel. In de daarop volgende jaren moet voor een ieder (en dus ook voor [eiser] c.s.) volkomen duidelijk zijn geweest dat door de onderneming van [verweerster] ter plaatse stof vrijkwam. Desondanks hebben [eiser] c.s. nieuwe kassen (nog wel zo dicht mogelijk bij de bron van het stof) én twee woonhuizen ter plaatse gebouwd; zie 's Hofs in zoverre niet bestreden oordeel vermeld onder 2.9.3 en 4.4.

7.51 Onderdeel 29 vervalt goeddeels in herhalingen en wordt in zoverre meegetrokken in de val van zijn voorgangers. Voor het overige is het onbegrijpelijk.

7.52 Middel 3 draagt het kopje strijd met de Afvalstoffenvergunning [verweerster]. Het komt op tegen rov. 5 van het tussenarrest en rov. 3-6 van het eindarrest. Met name wordt bestreden dat onvoldoende onderbouwd is dat [verweerster] in de jaren 1987-1990 in strijd met de vergunningvoorwaarden heeft gehandeld.

7.53 Onderdeel 30 beroept zich in dit verband op de voorschriften A13 en 14, E19, D1, D7a en D10-13. Bovendien zouden [eiser] c.s. zich hebben beroepen op de kwetsbaarheid van de omgeving.

7.54.1 Deze klacht is ongegrond. Immers strekken vergunningvoorschriften als de onderhavige, als gezegd, niet zonder meer en steeds tot bescherming van de benadeelde. Dat geldt in het bijzonder in een setting als door het Hof genoemd, hiervoor onder 2.9.3 en 4.4 weergegeven.

7.54.2 Voor zover dit middel betrekking heeft op de D-voorschriften kan het ook anderszins niet slagen. [eiser] c.s. zijn niet opgekomen tegen rov. 4 van het tussenvonnis en het daarop voortbouwende eindvonnis (met name rov. 2 e.v.) van de Rechtbank waarin wordt geoordeeld dat zij zich ter onderbouwing van hun schadevergoedingsvordering wegens schending van de voorschriften verbonden aan de 'Afvalstoffenvergunning' enkel nog beriepen op de voorschriften A13, A14 en E19. Weliswaar komt in de inleiding op de grieven een passage voor (sub 11) waarin de onder 7.53 bedoelde voorschriften worden genoemd, een grief tegen genoemde oordelen behoefde het Hof er geenszins in te lezen. Eens te minder nu de inleiding wordt afgerond met een conclusie (sub 20) waarom onrechtmatig zou zijn gehandeld. De Afvalstoffenwet(vergunning) wordt daarin niet genoemd. [Eiser] c.s. hebben ter toelichting op hun tweede grief (sub 27) aangevoerd dat zij ter onderbouwing van de gestelde onrechtmatige daad van [verweerster] "meer hebben gesteld" dan alleen een beroep op de voorschriften A13, 14 en E19, maar niet wordt aangegeven wat dit meerdere inhield. Volstaan wordt met een verwijzing naar een eerdere akte van 18 pagina's met een stapel bijlagen; zonder nadere aanduiding van de relevante passages kon het Hof daaraan voorbijgaan. Bij deze stand van zaken mocht het Hof er vanuit gegaan dat de litigieuze vordering, voor zover gegrond op overtreding van de Afvalstoffenwetvergunning, slechts zag op de voorschriften A13, A14 en E19.

7.55 Bovendien is ten dele duister waarom beroep op de onder 7.53 genoemde voorschriften wordt gedaan; voor het overige was het beroep zó abstract dat het Hof er m.i. niet nader op in behoefde te gaan:

* D1 en D 10 zien op stank, wat in cassatie niet meer aan de orde is;

* D7a ziet op het aanbieden van tuinafval; niet op de verwerking;

* D11 ziet op het gesloten houden van deuren wat niet speelt bij verwerking in de open lucht;

* D12 ziet op "verdere compostering" van tuinafval. Zonder nadere toelichting in feitelijke aanleg, waarop het onderdeel geen beroep doet, is niet duidelijk wat daarmee nauwkeurig wordt bedoeld, noch ook of daardoor stof is ontstaan; hetzelfde geldt voor D13 dat betrekking heeft op bewerking van (tuin)grond met een grondmolen.

7.56 Voorschrift E19 heeft betrekking op het vochtig houden van puin; A 13 en 14 op het sproeien of afdekken van stoffen die kunnen gaan stuiven. Naar 's Hofs - in cassatie niet bestreden - oordeel gaat het hier niet om een resultaats-, maar om een inspanningsverbintenis. [Verweerster] heeft op de best mogelijke wijze getracht stofoverlast te voorkomen. [Eiser] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd waarom dat anders was (rov. 5 van het eindarrest). Tegenover de verklaring waarop 's Hofs oordeel is gebaseerd, is het enkele beroep op de mvg onder 33 m.i. ontoereikend.

7.57 Kort en goed: het beroep op de genoemde voorschriften gaat m.i. niet op; de klacht faalt.

7.58 Onderdeel 31 doet beroep op een bij cvr overgelegd rapport van [betrokkene 2], de provinciale ambtenaar die ook in rov. 5 van het eindarrest wordt genoemd. In dat rapport wordt geconstateerd dat, als gevolg van een overmachtsituatie, de bouw van een hal en de installatie van biofilters nog niet in orde is.

7.59 De relevantie van biofilters is mij in dit verband niet goed duidelijk. De opmerking over de hal knoopt, naar valt aan te nemen, aan bij voorschrift D7a. Onder 7.55 gaf ik al aan waarom daarop m.i. tevergeefs beroep wordt gedaan. De klacht faalt, ook los van het feit dat het Hof daaraan niet is toegekomen omdat het van oordeel was dat de relativiteit ontbrak.

7.60 Onderdeel 32 beroept zich op stofmonsters die illustreren dat stof is vrijgekomen. Dat zou wijzen op overtreding van de daarin genoemde voorschriften.

7.61 Het Hof heeft niet miskend dát sprake was van stofoverlast. Dat blijkt heel duidelijk uit rov. 2 van het eindarrest. Om de hiervoor aangegeven redenen leidt dat in casu evenwel niet tot aansprakelijkheid.

7.62 Middel IV is gericht tegen rov. 6 van het arrest van 16 april 2003 en rov. 3-6 van het arrest van 19 juli 2006. Het komt op tegen 's Hofs oordeel dat [verweerster] aan [eiser] c.s. geen onrechtmatige hinder heeft toegebracht.

7.63 Bij de bespreking van de resterende klachten zij vooropgesteld dat het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, afhangt:

"van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen."(53)

7.64.1 Anders dan het middel in verschillende onderdelen aanvoert, heeft het Hof dit niet miskend. Dat blijkt genoegzaam uit rov. 6 van zijn arrest van 16 april 2003 en de nadere uitwerking in rov. 2 e.v. van het eindarrest. De onderdelen 33 (voor zover al voldoende duidelijk), 34 en 35 lopen daarop stuk.

7.64.2 Onderdeel 35 ziet daarenboven voorbij aan 's Hofs uitvoerige analyse van de plaatselijke omstandigheden in rov. 3 en 4 van het eindarrest.

7.65 Onderdeel 36 hamert er andermaal op dat [eiser] c.s. ervan uit mochten gaan dat [verweerster] zich aan de "toepasselijke publiekrechtelijke regels" zou houden. In het licht van de vaststaande feiten en 's Hofs onder 2.9.3 en 4.4 weergegeven oordeel is evenwel volstrekt onduidelijk waarom zij zulks mochten aannemen. In elk geval moet zonneklaar zijn geweest dat de werkelijkheid anders was.

7.66 Voor zover onderdeel 38 het oog heeft op stankoverlast en de ter voorkoming daarvan vereiste maatregelen faalt het omdat de vordering daarop geen betrekking meer had; zie rov. 1 van het tussenarrest.

7.67 Voor het overige valt het in herhalingen en behoeft het geen afzonderlijke bespreking.

7.68 Onderdeel 40 verwijt het Hof het composteren van tuinafval en het puinbreken "ineen te schuiven". De daaraan gekoppelde klacht biedt geen nieuwe gezichtspunten en stuit af op 's Hofs onder 2.9.3 en 4.4 vermelde oordeel dat - zoals ik al meermalen heb aangegeven - niet (met vrucht) wordt bestreden.

7.69 Voor zover onderdeel 41 al een voldoende duidelijke klacht behelst, biedt het geen nieuws.

7.70 Voor zover het erover bedoelt te klagen dat het Hof is uitgegaan van de feitelijke situatie, is zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, niet duidelijk waarom het Hof dat niet mocht doen.

7.71 Ten overvloede: het Hof heeft ampel gemotiveerd waarom in casu geen sprake was van onrechtmatige hinder. Dat oordeel stoelt op het rechtens juiste uitgangspunt dat niet iedere hinder onrechtmatig is. Wil hinder als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt, dan moet deze van dien aard zijn dat hij in redelijkheid niet behoeft te worden getolereerd.(54) Schade als gevolg van hinder die moet worden geduld, komt niet voor vergoeding in aanmerking. Het hangt van de omstandigheden van het geval af welke hinder redelijkerwijs moet worden geduld. Eén van de in ogenschouw te nemen factoren is wie zich het eerste ter plaatse heeft gevestigd; de benadeelde of degene die de schade veroorzaakt; zie onder 5.2.

7.72 De vraag of 's Hofs oordeel dat hinder van een ernst en omvang als de onderhavige moest worden geduld in het licht van de omstandigheden zoals uitgewerkt in rov. 3 e.v. van het eindarrest moet blijven rusten omdat daartegen geen klacht is gericht.

7.73 Onderdeel 42 noemt nog, maar vruchteloos, een aantal omstandigheden die het Hof zou hebben veronachtzaamd:

* er waren ter plaatse meer tuinbouwbedrijven. Onduidelijk is wat de relevantie daarvan is voor de onderhavige vordering;

* "woongebied". Nu de vordering ter zake van stank en trillingen is prijsgegeven (rov. 1 van het tussenarrest) is duister waarom dit ter zake doet;

* diverse andere aandachtspunten (vijf laatste liggende streepjes); hetgeen daarin wordt aangeroerd werd hiervoor uitvoerig besproken; daarnaar zij verwezen.

7.74 Onderdeel 43, ten slotte, verwijt het Hof zich te hebben bekeerd tot de verklaring van [betrokkene 2]. Daarin zou evenwel een ontoereikende weerlegging zijn te vinden van de in rov. 5 van het eindarrest genoemde stelling van [eiser] c.s. dat een zeil beter tegen stof beschermt dan een net.

7.75 Ik geef graag toe dat 's Hofs arrest op dit punt niet geheel zuiver is geformuleerd. Ook mij komt het voor dat een net geen bijster adequate bescherming tegen stof biedt.

7.76.1 In rov. 5, gelezen in samenhang met rov. 3 van het eindarrest, brengt het Hof tot uitdrukking dat alles tezamen genomen (dus niet alleen door een net) alle redelijkerwijs te vergen maatregelen werden getroffen. Daarbij heeft het Hof ongetwijfeld het oog op de in die verklaring mede genoemde sproeinstallaties. Bovendien gaat het, ook volgens het onderdeel, niet om zand o.i.d. maar om puin.

7.76.2 Zelfs wanneer zou moeten worden aangenomen dat het Hof louter het oog heeft op de netten kan zijn oordeel, dat van feitelijke aard is en daarom slechts op onbegrijpelijkheid kan worden getoetst, m.i. de toets der kritiek doorstaan. [betrokkene 2], naar het Hof in cassatie niet bestreden heeft geoordeeld ter zake kundig (op dit terrein), heeft verklaard dat het afdekken van vrachtwagens met netten voldoende was.

7.76.3 Het moge zijn dat dit oordeel op het eerste gezicht enige vragen oproept, het Hof mocht m.i. afgaan op het oordeel van een ter zake deskundige. Onbegrijpelijk is het oordeel niet, zeker niet nu het gaat om puin en niet om zand o.i.d.

7.77 Hoe dit alles ook zij: de klacht strandt al op de hiervoor uitvoerig besproken relativiteit.

7.78 Nu alle klachten falen, valt na ruim twintig jaar wat mij betreft definitief het doek over deze kwestie.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot:

* niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover ingesteld door [eisers 2 en 3];

* verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In de cassatiedagvaarding wordt aan [verweerster] (op drie verschillende wijzen) als eerste, tweede en derde verweerster beroep in cassatie aangezegd. Dit neemt evenwel niet weg dat slechts één partij wordt gedagvaard.

2 Het Hof 's-Gravenhage heeft in rov. 3 enkele feiten vastgesteld. Het heeft zich niet uitgelaten over de in rov. 1 van het vonnis van de Rechtbank van 15 januari 1992 vastgestelde feiten. Nu volgens het Hof tegen dat vonnis geen grieven zijn gericht, kan m.i. ook van de daarin vastgestelde feiten worden uitgegaan.

3 Rov. 1.1 van het vonnis van 15 januari 1992.

4 Rov. 3 van het arrest van 19 juli 2006.

5 Rov. 5 van het vonnis van 20 mei 1998.

6 Rov. 5 van het vonnis van 20 mei 1998. In 1978 is [verweerster] op het bewuste perceel begonnen met 'puinbreekwerkzaamheden'; rov. 3 van het arrest van 19 juli 2006.

7 Immers hebben [eiser] c.s. hun bedrijf ter plaatse beëidigd.

8 Zie rov. 1 van 's Hofs tussenarrest.

9 Deze voorschriften worden geciteerd in rov. 2 van het eindvonnis.

10 Rov. 6 van het eindarrest en rov. 7 van het tussenarrest.

11 Zie voor bronnen Onrechtmatige Daad VIII.3 (Lindenbergh) aant. 11.5.

12 HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476; HR 18 september 1998, NJ 1999, 69 ARB rov. 3.4.1 en reeds HR 31 december 1937, NJ 1938, 517 EMM.

13 Vgl. PG boek 5 blz. 34.

14 Vgl. mijn bijdrage in NTBR 1994 blz. 162 en mijn conclusie voor HR 18 september 1998, NJ 1999, 69 ARB onder 3.6-3.9.

15 Zie EHRM 2 oktober 2001, NJ 2003, 454 (Hatton e.a. v. UK) en 8 juli 2003, NJ 2004, 207 (idem; Grand Chamber); EHRM 9 december 1994, NJ 1996, 506 EJD (López Ostra v. Spanje) en EHRM 16 november 2004, NJ 2005, 344 (Moreno Gómez v. Spanje).

16 Volledigheidshalve zij nog aangestipt dat de nodige voorzichtigheid past bij het uit de parlementaire geschiedenis destilleren van een bedoeling van de wetgever. In de TM is er terecht op gewezen dat de wetgever in wat wordt aangeduid als "een bijzondere wet" slechts zelden uitdrukkelijk aangeeft "in hoeverre degenen die ten gevolge van een schending van die verplichting schade lijden, aan dat wetsvoorschrift (...) een aanspraak op schadevergoeding ontlenen" (PG boek 6 blz. 632).

17 In die zin ook J. Hijma onder HR 7 mei 2004, NJ 2006, 281 sub 6; zie ook G.H. Lankhorst, De relativiteit van de onrechtmatige daad blz. 92 e.v. In vergelijkbare zin ook PG boek 6 blz. 615 in het kader van handelen in strijd met een wettelijk voorschrift.

18 In het kader van de Wlv HR 3 november 2000, NJ 2001, 108 ARB rov. 3.5.1. Bloembergen wijst er in zijn noot onder 3 op dat bij andere wetten anders zou kunnen worden geoordeeld.

19 J. Spier, mon. Nieuw BW B36 nr 8.

20 Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding 2006 (Van Maanen) blz. 75.

21 HR 7 mei 2004, NJ 2006, 281 J. Hijma rov. 3.4.1.

22 HR 24 maart 2006, RvdW 2006, 310 en HR 10 november 2006, RvdW 2006, 1058.

23 Bijv. HR 13 april 2007, RvdW 2007, 397; JB 2007, 100 G.ER. van Maanen; JV 2007, 322 HBA.

24 Bijv. HR 13 april 2007, RvdW 2007, 397 en mijn aan het arrest voorafgaande conclusie onder 4.18 e.v.

25 Dat geldt ook wanneer acht wordt geslagen op de inleiding; ook daarin is dit niet te lezen.

26 Zie met name onder 7.49-7.61.

27 HR 28 juni 1985, NJ 1986, 356 MS.

28 Vgl. art. 2:102 PETL.

29 HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686 PAS rov. 3.8

30 TK, zitting 1955-1956, 4233 blz. 10. Zie voorts TK zitting 1958-1959, 4233, nr. 6 blz. 2.

31 T&C Ruimtelijk bestuursrecht (2006), blz. 1.

32 TK, zitting 1959-1959, 4233, nr. 6 blz. 2.

33 TK, zitting 1955-1956, 4233, nr 3 blz. 14.

34 P.J.J. van Buuren e.a., Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht (2006) blz. 27.

35 J.W. van Zundert, Het bestemmingsplan, een juridisch-bestuurlijke handleiding in de ruimtelijke ordening (2001) § 1.2.

36 A.w. § 1.4.

37 HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418 C.J.H. Brunner.

38 HR 13 juli 2007, NJ 2007, 504 M.R. Mok.

39 Datzelfde geldt voor HR 29 maart 1974, NJ 1974, 344 GJS.

40 TK, zitting 1976-1977, 13364 nr 5 blz. 41.

41 HR 13 april 2007, RvdW 2007, 397. Het arrest is uitermate kritisch onthaald.

42 Wet van 23 juni 1977, Stb. 455. Op 1 oktober 1979 is een gedeelte van deze wet in werking getreden. De overige gedeelten zijn daarna in verschillende etappes in werking getreden. Zie Schuurman & Jordens 147-IIIB (1992) blz. 749 e.v.

43 Zie nader G.H. Addink, Afvalstoffenwetgeving, in: W. Brussaard e.a., Milieurecht (1989) blz. 195.

44 Art. 33 lid 1 Afvalstoffenwet.

45 Hiermee wordt gedoeld op de eerder geciteerde aspecten, waaronder het woonmilieu.

46 Wederom wordt gedoeld op eerder geciteerde passage, waarin onder meer 'de betekenis van de omgeving als woonmilieu' als in ogenschouw te nemen belang wordt aangemerkt.

47 TK, zitting 1974-1975, 13 364, nr. 3 blz. 74 en 75.

48 Zie ook: TK, zitting 1974-1975, 13 364 nrs. 5 blz 2.

49 Handelingen Eerste Kamer 21 juni 1977 blz. 19.

50 TK, zitting 1974-1975, 13 364, nr. 3 blz. 35.

51 TK, zitting 1974-1975, 13 364, nrs. 5 blz. 2.

52 Zie nader Asser-Hartkamp III nr 102.

53 Zie bijvoorbeeld HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418 C.J.H. Brunner; zie nader Onrechtmatige daad VIII.3 (Lindenbergh) aant. 6 e.v.

54 Zie bijv. Brunner onder HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418 sub 2.