Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3885

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
C07/13314
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz. Voorlopige machtiging tot doen voortduren van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis waar de betrokkene jaren vrijwillig verbleef en bij wie inzicht in ziekte of noodzaak tot behandeling ontbreekt; nodige bereidheid als bedoeld in art. 2 lid 3, aanhef en onder a, jo. lid 4 Wet Bopz, maatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 384
JOL 2008, 94
RvdW 2008, 201
NJB 2008, 508
JWB 2008/63
BJ 2008/18
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C07/13314

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 21 december 2007

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Maastricht

In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend. Het cassatiemiddel stelt de relatie tussen de verzochte machtiging en de voorgenomen dwangbehandeling aan de orde.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis te Heerlen. Op 8 oktober 2007 heeft de officier van justitie in het arrondissement Maastricht aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen teneinde het verblijf van betrokkene in het ziekenhuis te doen voortduren (art. 2 lid 1 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift waren gevoegd: een geneeskundige verklaring en een afschrift van het behandelingsplan.

1.2. De rechtbank heeft op 10 oktober 2007 betrokkene en zijn raadsman, alsmede de teamleider in het ziekenhuis gehoord. Ter zitting is als verweer aangevoerd:

"Het is niet juist dat betrokkene geen blijk heeft gegeven van bereidheid tot opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Uit feiten en omstandigheden blijkt het tegendeel: de heer [naam betrokkene] is hier al heel lang vrijwillig, heeft in het geheel geen plannen gehad om te vertrekken en heeft die nog steeds niet. Hij zou ook niet weten waar hij heen zou moeten. In zo'n situatie moet uit het verzoek of uit de geneeskundige verklaring feiten of omstandigheden blijken van het ontbreken van de nodige bereidheid tot verblijf. Die blijken daar niet uit (...)."

1.3. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat betrokkene is gestoord in zijn geestvermogens, dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. In reactie op het verweer overwoog de rechtbank:

"dat de rechtbank niettegenstaande het feit dat betrokkene niet uitdrukkelijk blijk heeft gegeven het verblijf niet te willen beëindigen tot de conclusie is gekomen dat het verblijf geenszins gestoeld is op inzicht in ziekte of de noodzaak tot behandeling. De rechtbank is van mening dat zich het geval kan voordoen dat weigering mee te werken aan een behandeling die noodzakelijk is om gevaar voor betrokkene c.q. anderen af te wenden, mede in het licht van de overige omstandigheden, zoals de omstandigheid dat met betrokkene op enig moment geen communicatie mogelijk is, voldoende grond oplevert voor het oordeel dat bij betrokkene de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis ontbreekt."

1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatieberoep

2.1. Het cassatiemiddel valt uiteen in drie, met elkaar samenhangende onderdelen:

Onderdeel 1 klaagt dat, indien de rechtbank heeft miskend dat betrokkene niet blijk heeft gegeven het vrijwillig verblijf te willen beëindigen, de beslissing onbegrijpelijk is, althans niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Het ter zitting ingenomen standpunt maakt onmiskenbaar duidelijk dat betrokkene geenszins blijk heeft gegeven het vrijwillig verblijf te willen beëindigen. Voor zover de rechtbank het bepaalde in art. 2 lid 4 Wet Bopz heeft miskend, is de beslissing rechtens onjuist. In een situatie van langdurig vrijwillig verblijf is een blijk van de wil tot beëindiging van het vrijwillig verblijf noodzakelijk, en daaromtrent heeft de rechtbank niets vastgesteld.

Onderdeel 2 komt neer op de klacht dat de bestreden beslissing rechtens onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd, nu het in art. 2 lid 3, aanhef en onder a, Wet Bopz opgenomen criterium, zowel op zich als in samenhang met art. 2 lid 4 Wet Bopz, ten onrechte inhoudsloos wordt indien een voorlopige machtiging mag worden afgegeven onder de door de rechtbank geschetste omstandigheden en met de door de rechtbank gebezigde redenering.

Onderdeel 3 voegt hieraan toe dat, ingeval de rechtbank heeft willen aanknopen bij HR 7 april 1995, NJ 1995, 616, de rechtbank niet kon volstaan met enkel het aanhalen van die maatstaf, zonder tevens vast te stellen dat zich hier het geval voordoet dat de weigering om mee te werken aan een behandeling, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigt dat bij betrokkene de nodige bereidheid tot verblijf ontbreekt.

2.2. Het middel is tot op zekere hoogte een spiegelbeeld van het cassatiemiddel van het openbaar ministerie in de zaak R 07/138, die momenteel bij de Hoge Raad in behandeling is. Voor een overzicht van wetsgeschiedenis, jurisprudentie en vakliteratuur verwijs ik naar de inleidende beschouwingen van de in die zaak genomen conclusie(1).

2.3. Art. 2 lid 4 Wet Bopz is geschreven voor de situatie dat de patiënt vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. De patiënt kan op ieder gewenst moment daaruit vertrekken. Indien de patiënt ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf te willen beëindigen, is een rechterlijke machtiging vereist om het verblijf in het psychatrisch ziekenhuis te doen voortzetten. Het begrip "bereidheid" veronderstelt dat de patiënt is staat is zijn wil dienaangaande te bepalen, met andere woorden: in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Anders dan onder de vroegere Krankzinnigenwet, is sedert de inwerkingtreding van de Wet Bopz het enkele uitblijven van verzet van de patiënt tegen de opneming in een psychiatrisch ziekenhuis niet voldoende als titel tot verblijf: art. 53 Wet Bopz vereist dat hetzij blijk wordt gegeven van de nodige bereidheid tot verblijf, hetzij een (in dat artikel genoemde) verblijfstitel wordt overgelegd. Indien de patiënt als gevolg van zijn geestelijke stoornis niet of niet langer wilsbekwaam kan worden geacht, is dus een rechterlijke machtiging vereist om de patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen(2).

2.4. In de geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, is de geestelijke stoornis van betrokkene gediagnosticeerd als "chronische schizofrenie". Het te duchten gevaar is in de geneeskundige verklaring omschreven als het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen(3). Daarnaast is het gevaar genoemd dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen. Ter zitting van de rechtbank is alleen met betrekking tot het bereidheidscriterium verweer gevoerd, uitdrukkelijk niet voor wat betreft de andere criteria.

2.5. De redengeving omvat de volgende stappen:

- dat (ten aanzien van een patiënt die anders dan krachtens een rechterlijke machtiging in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft) een voorlopige machtiging nodig is om het verblijf te doen voortduren, indien de betrokkene ervan blijk geeft het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen (art. 2 lid 4 Wet Bopz);

- dat de bereidheid tot voortgezet verblijf in het vierde lid van art. 2 moet worden verstaan als: de nodige bereidheid tot verblijf(4);

- dat het begrip "nodige bereidheid" een mogelijkheid biedt tot toetsing van de bereidverklaring van betrokkene(5);

- dat in dit geval geen sprake is van de nodige bereidheid tot verblijf, nu de gestelde bereidheid geenszins is gestoeld op inzicht van betrokkene in zijn ziekte of in de noodzaak van behandeling.

2.6. Indien en voor zover de rechtbank, in haar overweging dat de bereidheid van betrokkene geenszins is gestoeld op inzicht in de ziekte of de noodzaak tot behandeling, tot uitdrukking heeft willen brengen dat betrokkene niet of niet langer in staat is zijn wil ten aanzien van het verblijf te bepalen (met andere woorden: niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is), geeft het bestreden oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het verblijf mag niet langer als een vrijwillig verblijf worden aangemerkt wanneer de betrokkene niet in staat is zijn wil te dien aanzien te bepalen.

2.7. In gevallen waarin de betrokkene zich bereid verklaart om in het psychiatrisch ziekenhuis te worden opgenomen of, eenmaal opgenomen, daar te blijven, maar aan zijn bereidverklaring voorwaarden verbindt en/of niet bereid is de noodzakelijke behandelingen te ondergaan, rijst de vraag hoe de rechter daarmee moet omgaan. Kort na de inwerkingtreding van de Wet Bopz heeft zich zo'n geval voorgedaan. De eerste rechter had overwogen dat, hoewel de betrokken patiënte niet blijk gaf dat zij uit de kliniek wilde vertrekken, bij haar niettemin de nodige bereidheid tot verblijf ontbrak, nu haar handelwijze (het onder invloed van haar geestelijke stoornis weigeren van eten en drinken) een gedwongen behandeling ter afwending van ernstig gevaar voor haarzelf rechtvaardigt. In cassatie werd het oordeel bestreden met het argument dat art. 2 lid 4 Wet Bopz zich in zo'n geval tegen het verlenen van een voorlopige machtiging verzet. De Hoge Raad verwierp die stelling en overwoog:

"dat zich het geval kan voordoen dat de weigering mee te werken aan een behandeling die noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de patiënt af te wenden, mede in het licht van de overige omstandigheden, zoals in het onderhavige geval de omstandigheid dat met verzoekster geen communicatie mogelijk was, voldoende grond oplevert voor het oordeel dat bij verzoekster de nodige bereidheid tot voortgezet verblijf ontbreekt."(6)

2.8. De rechtbank heeft in de tweede zin van haar dragende overweging (aangehaald in alinea 1.3 hiervoor) kennelijk deze maatstaf voor ogen gehad.

2.9. Terzijde merk ik op dat in de eerste zin van de thans bestreden overweging, door het dubbele gebruik van het woordje "niet", sprake moet zijn van een verschrijving. Gelet op de context, moet de rechtbank hetzij hebben bedoeld dat betrokkene niet uitdrukkelijk ervan blijk heeft gegeven het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen, hetzij hebben bedoeld dat betrokkene uitdrukkelijk ervan blijk heeft gegeven het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis niet te willen beëindigen. Wat daarvan zij, de rechtbank is in elk geval tot de slotsom gekomen dat de gestelde bereidheid van betrokkene tot voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis "geenszins is gestoeld op inzicht in ziekte of de noodzaak tot behandeling".

2.10. Indien de patiënt weigert mee te werken aan een behandeling die noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de patiënt of voor derden af te wenden, kan dit volgens de zo-even aangehaalde jurisprudentie, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, grond opleveren voor het oordeel dat de nodige bereidheid tot verblijf ontbreekt. Daarvan kan, onder meer, sprake zijn in het geval dat met betrokkene geen communicatie mogelijk is; het ontbreken van communicatie is niet een vereiste(7). Zoals in de conclusie in de zaak R 07/138 nader uiteen is gezet, is in de vakliteratuur als bezwaar tegen deze jurisprudentie aangevoerd dat deze een opening biedt om bepaalde, door een patiënt niet gewenste behandelingen aan deze op te dringen langs de weg van een gedwongen opneming. Tegen dit bezwaar kan weer worden ingebracht dat de rechter dit zelf in de hand heeft. Hoe dan ook, in de onderhavige zaak is niet gediscussieerd over de vraag of een bepaalde wijze van behandeling in het ziekenhuis wel of niet zou mogen worden toegepast. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene geen inzicht heeft in zijn ziekte, noch in de noodzaak van behandeling (welke dan ook).

2.11. Zie ik het goed, dan wordt in de aangehaalde jurisprudentie in wezen een oplossing gezocht voor gevallen waarin van het psychiatrisch ziekenhuis in redelijkheid niet kan worden gevergd de opneming voort te zetten op vrijwillige basis, maar waarin het ziekenhuis wel bereid en in staat is om de betrokkene op te nemen in het kader van een gedwongen opneming, met de daarbij behorende wettelijke mogelijkheden tot behandeling zonder toestemming van de patiënt(8). Bij zijn beslissing dient de rechter zich te realiseren dat een psychiatrisch ziekenhuis, dat zijn bereidheid tot (voortzetting van de) opneming laat afhangen van de bereidheid van de patiënt om een bepaalde psychiatrische behandeling te ondergaan, een machtspositie heeft ten opzichte van een hulpbehoevende patiënt. Dit noopt, bij toepassing van deze jurisprudentie, tot een toetsing van de redelijkheid van dat standpunt van de behandelaar of de geneesheer-directeur. Onderdeel 1 faalt.

2.12. Met betrekking tot de overige klachten kan het volgende worden opgemerkt. Ter zitting in eerste aanleg heeft de teamleider verklaard dat, wanneer het goed gaat, betrokkene stopt met de noodzakelijke medicatie, decompenseert, niet meer voor rede vatbaar is en agressief wordt naar derden en naar goederen. Volgens de teamleider "rollen wij van het ene in het andere incident". Ook de geneeskundige verklaring maakt melding van verschillende agressieve incidenten. In de redengeving van de bestreden beschikking ligt m.i. besloten dat de rechtbank het standpunt van de behandelaar resp. van de geneesheer-directeur dat het verblijf van betrokkene niet langer op vrijwillige basis kan worden voortgezet indien betrokkene niet bereid is tot een behandeling die noodzakelijk is om het, door de stoornis van de geestvermogens veroorzaakte, gevaar voor anderen in het ziekenhuis (agressie) weg te nemen, niet onredelijk heeft geacht. Met andere woorden: de rechtbank heeft de in het middel bedoelde bereidverklaring niet beschouwd als de, in dit geval, nodige bereidheid tot verblijf in het ziekenhuis. De onderdelen 2 en 3 treffen om deze reden geen doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Een copie daarvan is verzonden aan de advocaat van betrokkene.

2 Vgl. De Wet Bopz, Artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5.3 op art. 2 (W. Dijkers).

3 Dit gevaar is in rubriek 5 van de geneeskundige verklaring toegelicht aan de hand van verschillende incidenten van agressie naar verpleegkundig personeel en verbale agressie naar medepatiënten.

4 Het woord "nodige" is gebruikt in het derde lid van art. 2 en in art. 53 Wet Bopz. Zie over de verhouding tussen de verschillende leden van art. 2: de conclusie van de A-G Asser voor HR 18 november 1994, NJ 1995, 212 m.nt. JdB.

5 Vgl. HR 7 april 1995, NJ 1995, 616 m.nt. JdB, rov. 3.3.

6 HR 7 april 1995, NJ 1995, 616 m.nt. JdB. Het oordeel is herhaald in HR 6 februari 1998, NJ 1998, 302 (BJ 1998, 2; zie ook de noot van T.P. Widdershoven in BJ 1998, 19).

7 Zie voor een samenvatting van en commentaar op deze jurisprudentie: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5.3 - 5.8 op art. 2 (W. Dijkers).

8 Zie art. 38 lid 5 Wet Bopz.