Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3880

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
C06/261HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3880
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Studie-overeenkomst. Kort geding; afgewezen vordering student tegen universiteit tot terugbetaling van cursusgeld voor (aanvankelijk) niet erkende mastersopleiding; dwaling, onjuiste mededelingen; motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 100
RvdW 2008, 210
NJB 2008, 507
JWB 2008/73
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/261HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 9 november 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Universiteit van Amsterdam

In deze zaak heeft een student zijn studieovereenkomst met de universiteit buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. In geschil is, of hier sprake is van een bevestiging van de overeenkomst nadat de student met de grond voor vernietiging bekend is geworden (art. 3:55 BW). Daarnaast wordt geklaagd dat het hof is voorbijgegaan aan andere grondslagen van de vordering.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna: de student) heeft op 26 april 2004 een studieovereenkomst gesloten met verweerster in cassatie (hierna: de UvA) met betrekking tot zijn deelname aan de éénjarige Masteropleiding International Finance van de UvA.

1.1.2. Art. 17 van de bij de studieovereenkomst behorende "Regulations for teaching and examinations Master Program in International Finance, academic year 2004-2005" houdt in:

"Upon succesful completion of the MIF the student will be awarded the degree of Master in International Finance (...)".

In appendix C, behorende bij de bovengenoemde Regulations, staat onder 2 het volgende:

"The Examination Board (...) grants the title Master in International Finance to succesfull students".

1.1.3. Bij brieven van 21 september 2004 en 19 oktober 2004 heeft de student zijn twijfel kenbaar gemaakt over de bevoegdheid van de UvA om de graad van Master te verlenen in het kader van deze opleiding.

1.1.4. Op 2 december 2004 heeft het College van Bestuur van de UvA besloten tot erkenning van deze opleiding als een niet-bekostigde Masteropleiding van de UvA en tot het aanvragen van een accreditatiebesluit voor deze opleiding volgens de procedure "Toets nieuwe opleidingen" van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). Bij brief van 24 december 2004 heeft de NVAO de ontvangst van de aanvraag op 21 december 2004 bevestigd.

1.1.5. Bij brief van 15 juni 2005 heeft de toenmalige raadsman van de student de studieovereenkomst vernietigd wegens dwaling en aan de UvA verzocht over te gaan tot terugbetaling van het betaalde lesgeld.

1.1.6. Bij brief van 21 juli 2005 heeft de NVAO aan het College van Bestuur van de UvA medegedeeld ernaar te streven de besluitvorming omtrent de (accreditatie van de) nieuwe opleidingen, waaronder de onderhavige opleiding, medio september 2005 af te ronden.

1.1.7. Eind 2005 heeft de NVAO een positief besluit genomen op de aanvraag(2).

1.2. Op 22 augustus 2005 heeft de student de UvA in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Amsterdam. Hij heeft, bij wijze van voorschot, betaling gevorderd van € 21.618,70, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De hoofdsom omvat € 21.000,- als terugbetaling van het voor deze opleiding betaalde cursusgeld en € 618,70 als vergoeding voor nodeloos gemaakte kosten van aanschaf van studieboeken. Ten aanzien van eventuele meerdere schade heeft de student zich alle rechten voorbehouden.

1.3. Aan zijn vordering heeft de student ten grondslag gelegd dat de UvA toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de studieovereenkomst: hem is een Masterdiploma in het vooruitzicht gesteld hoewel de UvA niet bevoegd was voor het diploma van deze opleiding de graad van Master te verlenen. Op grond hiervan acht de student zich gerechtigd de studieovereenkomst te ontbinden en schadevergoeding te vorderen. Daarnaast heeft hij gesteld verschoonbaar te hebben gedwaald bij zijn inschrijving voor deze opleiding, als gevolg van onjuiste mededelingen van de UvA omtrent de status van het daarmee te behalen diploma. Indien hij zou hebben geweten dat de onderhavige opleiding niet kon worden besloten met een wettelijk erkend Masterdiploma, zou hij zich bij een andere (eventueel: een buitenlandse) universiteit hebben aangemeld. Ten slotte heeft hij gesteld dat de UvA tot schadevergoeding gehouden is op grond van het doen van onrechtmatige mededelingen(3).

1.4. De UvA heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 15 september 2005 heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen:

"9. Toen [naam student] in september/oktober 2004 merkte dat hem een dergelijke Master graad niet zou kunnen worden verleend had hij dan ook met succes een beroep op dwaling kunnen doen. Dat heeft hij echter nagelaten. Nadat hem was medegedeeld dat de accreditatie inmiddels was aangevraagd, heeft hij de studie voortgezet, helaas zonder succes. Hij is zowel voor de tentamens uit het eerste semester als voor die van het tweede gezakt.

Het is niet aannemelijk dat de bodemrechter een beroep op dwaling zal honoreren dat is gedaan nadat nog ruim een half jaar na de ontdekking daarvan uitvoering was gegeven aan de overeenkomst. In ieder geval niet in zoverre dat dit zou moeten leiden tot volledige restitutie van het lesgeld.

10. Verder was er ten tijde van de terechtzitting nog steeds een grote kans dat de accreditatie in september 2005 alsnog zou worden verleend en dat daarmee aan degenen die de opleiding 2004/2005 met succes hebben afgerond wel degelijk de graad van Master als bedoeld in de WHW zal kunnen worden verleend. Dat zou helemaal gelden voor [naam student], die daarvoor veel later in aanmerking zou komen, omdat hij nog een groot aantal tentamens zou moeten overdoen. Hij is daartoe overigens door de UvA zonder verdere kosten in staat gesteld.

Voorzover de vordering is gebaseerd op wanprestatie of onrechtmatige daad staat dus allerminst vast dat daadwerkelijk schade zal worden geleden. Dat [naam student] na zijn slechte studieresultaten de opleiding heeft gestaakt komt in dit verband voor zijn rekening."

1.5. Op het hoger beroep van de student heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd bij arrest van 13 juli 2006.

1.6. Namens de student is - tijdig(4) - cassatieberoep ingesteld. De UvA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Inleidende beschouwingen

2.1. Het hof heeft uitdrukkelijk in het midden gelaten of de wetenschap welke de student in september/oktober 2004 had, destijds een beroep op dwaling had kunnen rechtvaardigen (rov. 4.10). Bij de beoordeling in cassatie moet veronderstellenderwijs van een bevestigend antwoord op die vraag worden uitgegaan. Niettemin lijkt het nuttig, enige achtergrondinformatie te verschaffen over de wettelijke regels omtrent het verlenen van de graad van Master(5).

2.2. In de zgn. Verklaring van Bologna(6) hebben de ministers van Onderwijs van 29 Europese landen afgesproken te zullen streven naar een indeling van het hoger onderwijs in twee cycli: een undergraduate studieprogramma van ten minste drie jaar, af te sluiten met een (Bachelor)-diploma; daarna kan de student desgewenst een graduate studieprogramma volgen van één of twee jaar, waarmee een Master-diploma kan worden behaald(7). In de wandeling wordt gesproken van de invoering van de BaMa-structuur. Om internationale erkenning van diploma's gemakkelijker te maken, is tegelijkertijd gestreefd naar een stelsel waarin - tot op zekere hoogte en met inachtneming van de vrijheid van onderwijs - de kwaliteit van de aangeboden BaMa-opleidingen kan worden gegarandeerd.

2.3. In Nederland is aan de Verklaring van Bologna gevolg gegeven door middel van een wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)(8), ingaande 1 september 2002. In samenhang met de invoering van de BaMa-structuur is de WHW tevens gewijzigd met het oog op de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs(9). Accreditatie is het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld(10). Accreditatie wordt verleend door een accreditatieorgaan: de hiervoor al genoemde NVAO(11). In het publiek toegankelijke Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) van de Informatie Beheer Groep wordt geregistreerd of een opleiding geaccrediteerd is, dan wel met positief gevolg de Toets nieuwe opleiding heeft doorstaan(12). Accreditatie is een voorwaarde voor bekostiging door het Rijk van een (initiële) Bachelor- of Masteropleiding(13). Accreditatie is ook een voorwaarde voor de aanspraak van studenten op studiefinanciering(14).

2.4. Binnen het wetenschappelijk onderwijs onderscheidt de wet Bacheloropleidingen en Masteropleidingen. Binnen het hoger beroepsonderwijs onderscheidt de wet Bacheloropleidingen en Masteropleidingen die door de minister(15) als zodanig zijn aangemerkt(16). Deze zijn initiële opleidingen(17). Daarnaast bestaan zgn. post-initiële Masteropleidingen(18), bestemd voor studenten die reeds een Mastergraad hebben behaald, respectievelijk reeds over beroepservaring beschikken. Post-initiële opleidingen komen niet in aanmerking voor bekostiging door het Rijk.

2.5. Aan de met goed gevolg afgelegde examens van initiële opleidingen verzorgd door bekostigde instellingen is een graad als bedoeld in art. 7.10a WHW verbonden, voor zover aan die opleidingen accreditatie is verleend dan wel die opleidingen met positief gevolg de Toets nieuwe opleiding hebben ondergaan(19). Personen aan wie een dergelijke graad is verleend zijn gerechtigd de in art. 7.10a WHW genoemde graad in hun naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. Art. 7.10a WHW bepaalt dat het instellingsbestuur de graad van Master verleent aan degene die met goed gevolg het afsluitend examen van een Masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs (lid 1), respectievelijk in het hoger beroepsonderwijs (lid 2), heeft afgelegd.

2.6. Met betrekking tot opleidingen als bedoeld in art. 7.3b WHW (de post-initiële Masteropleidingen) bepaalt art. 1.12a WHW dat aan de met goed gevolg afgelegde examens een graad als bedoeld in art. 7.10a WHW is verbonden, voor zover aan die opleidingen accreditatie is verleend dan wel die opleidingen met positief gevolg de toets nieuwe opleiding hebben ondergaan. Personen aan wie een dergelijke graad is verleend zijn gerechtigd de graad van Master in hun naamsvermelding tot uitdrukking te brengen. Art. 15.6 WHW bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verboden is graden als genoemd in art. 7.10a WHW te verlenen, tenzij een accreditatiebesluit voor de opleiding van kracht is dan wel het besluit van kracht is dat de opleiding met positief gevolg een Toets nieuwe opleiding heeft ondergaan. Dit verbod heeft betrekking op de wettelijk erkende graden. Of een graad wettelijk erkend is, kan bijv. van belang zijn voor het civiel effect (d.w.z. voor de toelating in Nederland tot de uitoefening van bepaalde beroepen). Niet geaccrediteerde opleidingen mogen niet de wettelijk erkende graden, maar wel andere Mastergraden verlenen(20). Door samen te werken met een buitenlandse onderwijsinstelling kan een in Nederland gevestigde instelling van hoger onderwijs zonder accreditatie of een positieve uitslag van de Toetsing nieuwe opleiding, aan haar studenten toch een (buitenlandse) Mastergraad aanbieden.

2.7. Anders dan het geval is ten aanzien van het voeren van de `oude' nationale academische titels, zoals drs. mr. en ir., strekt het verbod van art. 435, onder 3, Sr zich niet uit over het voeren van de titel "Master". Dat de titel "Master" als zodanig niet beschermd wordt, hangt samen met het feit dat deze aanduiding wereldwijd in gebruik is: de Nederlandse wetgever kan niet bepalen welke buitenlandse instellingen bevoegd zijn aan iemand de graad van Master toe te kennen(21).

2.8. Bij gebreke van een supranationale regeling van de bevoegdheid tot het toekennen van een graad van Master bestaat nog steeds onduidelijkheid over de status van deze graad. Ook het Nederlandse binaire systeem wordt in het buitenland niet altijd begrepen(22). In verband hiermee is een onderzoeksopdracht verleend aan het Committee Review Degrees (de commissie Abrahamsen), die in 2005 het rapport "Bridging the Gap between theory and practice. Possible degrees for a binary system" heeft uitgebracht(23). In het vonnis van de voorzieningenrechter zijn de volgende passages uit dit rapport aangehaald:

"Post-initial education

(...)

With the new law on higher education that introduced the Ba-Ma system and accreditation (2002), post-initial education was given the opportunity to become part of Dutch higher education through accreditation.

Such accreditation is not required, but the possibility is offered. (...)

In cases where a post-initial study programme is not put forward for accreditation, the situation stays as it is: Master's degrees "according to Dutch Law" cannot be offered. However, if a programme has a co-operation with a foreign university this is accredited in its own country, a degree can be given, including use of the MA MSc titles! This is called the 'U-turn construction', or 'degrees according to foreign legislation'.

Protection of Bachelor and Master degree titles

Education institutions are forbidden to award Bachelor or Master degrees "according to Dutch law" for programmes which are not accredited (...) by NVAO. (...)

The law does not protect the Bachelor or Master titles as such, because these are international. This implies that programmes developed in co-operation with foreign accredited education programmes - the so called U-turn construction - can be offered without Dutch accreditation and the titles bachelor and master can be used with all possible suffix additions. Non-NVAO-accredited, post-initial programmes are free to offer degree titles with all additions and without any accreditations, so long as they do not state that the degrees are 'according the Dutch Law'."

2.9. Als gevolg van verscheidene ontwikkelingen binnen het hoger onderwijs is behoefte ontstaan aan een vervanging van de WHW. In juni 2006 is bij de Tweede Kamer een voorstel ingediend voor een geheel nieuwe regeling (Wet op het hoger onderwijs en onderzoek)(24). In dit wetsvoorstel blijft het vereiste van accreditatie bestaan, maar is een eenvoudiger wijze van accrediteren voorgesteld. In paragraaf 4 van de memorie van toelichting wordt onder meer ingegaan op het rapport van de commissie Abrahamsen. Voorgesteld is het wettelijk onderscheid tussen initiële en post-initiële masteropleidingen te laten vervallen(25). Ook is een eenvoudiger regeling voorgesteld voor de erkenning van in het buitenland behaalde Master-graden. Om politieke redenen is het wetsvoorstel kort geleden ingetrokken en beraadt de regering zich thans over een nieuw voorstel van wet(26).

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 4.6 - 4.8, waar het hof het beroep van de student op dwaling behandelt. Het hof heeft uit de brief van (de vader van) de student d.d. 19 oktober 2004 aan de UvA en uit de klachtbrief van de student d.d. 29 maart 2005 afgeleid dat de student reeds in september/oktober 2004 bekend was met het feit dat de opleiding niet geaccrediteerd was, met het gevolg dat de UvA toen niet bevoegd was aan de studenten na het behalen van het diploma van deze opleiding de wettelijk erkende graad van Master toe te kennen.

3.2. In het middelonderdeel wordt geklaagd dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarop 's hofs oordeel berust dat de student reeds in september/oktober 2004 van het ontbreken van de bevoegdheid van de UvA op de hoogte was. Volgens het middelonderdeel kan die gevolgtrekking niet worden gemaakt uit de door het hof genoemde brieven: in die brieven wordt met geen woord gerept over de bevoegdheid tot het verlenen van de Mastergraad. Pas eind maart 2005, bij het voorbereiden van de klacht, kwam de student naar zijn zeggen tot de ontdekking dat de UvA niet bevoegd was de Mastergraad te verlenen.

3.3. Bij de beoordeling van deze klacht staat voorop dat de interpretatie van de gedingstukken, dus ook van de twee genoemde brieven, uitsluitend ter beoordeling staat van de rechter die over de feiten oordeelt. Diens uitleg kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst(27). De lezing welke door het hof aan deze brieven is gegeven is niet onbegrijpelijk. Uit de in rov. 4.6 geciteerde passage uit de brief van 19 oktober 2004 heeft het hof kunnen afleiden dat de student, toen hem studiefinanciering was geweigerd, ontdekte "that the M.I.F. program was not registered in accordance with the law on higher education (W.H.W.)". Uit de klachtbrief van 29 maart 2005 heeft het hof, als mede redengevend voor zijn beslissing, het volgende geciteerd:

"Na ondertekening van de MIF Participation Agreement en aanbetaling van het lesgeld, vroeg ik (...) om studiefinanciering door de Informatie Beheer Groep (IBG).

Tot mijn verbazing wees de IBG mijn verzoek af en meldde deze dat deze MIF mastercursus niet wettelijk erkend was (...)

Teneinde duidelijkheid over het ontbreken van deze erkenning te krijgen, belde mijn vader talloze malen met de IBG, het Ministerie van Onderwijs (...), de Centrale Registratie Hoger Onderwijs, de erkenningsorganisatie N.V.A.O. (...) Talloze keren hoorde hij de termen 'initieel' en 'post-initieel', die betrekking hebben op erkende masters. De MIF master was noch het een, noch het ander; omdat er geen erkenning was. (...)

Vervolgens belde mijn vader met [betrokkene 1] (...) en [betrokkene 2] (...) ten einde te horen hoe de situatie met de niet erkende MIF master was ontstaan en wat eraan gedaan kon worden om de situatie te verbeteren. Na een lang gesprek verwees [betrokkene 2] door naar de MIF programma directeur. Op 21 september 2004 schreef mijn vader naar de MIF directeur [betrokkene 3], met verzoek om wettelijke erkenning van de MIF master. (...)".

Het hof heeft hieruit de gevolgtrekking kunnen maken dat in september/oktober 2004 aan de student duidelijk was - wellicht niet waarom, maar in elk geval - dát de MIF-opleiding waarvoor hij zich had ingeschreven niet geaccrediteerd was en dat het diploma van een niet geaccrediteerde Masteropleiding geen Mastergraad als bedoeld in de WHW oplevert met de rechtsgevolgen welke volgens Nederlands recht aan deze graad worden verbonden. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.

3.4. Aan het slot van de eerste klacht wordt nog aangevoerd dat de UvA zich op het standpunt heeft gesteld dat wettelijke erkenning (accreditatie) van de onderhavige opleiding geen vereiste is om een Mastertitel te verlenen. Dit argument, dat de inhoudelijke juistheid van de uitleg van gedingstukken door de feitenrechter bestrijdt, leidt niet tot cassatie. Overigens zou, bij een inhoudelijke beoordeling van dit argument, rekening moeten worden gehouden met het onderscheid tussen het verlenen van de graad van Master in het algemeen en het verlenen van de graad van Master naar Nederlands recht als bedoeld in art. 7.10a WHW. Het in het middel bedoelde standpunt van de UvA zag kennelijk op het eerste.

3.5. In de tweede plaats klaagt het middel dat het oordeel, dat de student de studieovereenkomst heeft bevestigd, rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk is. Het middelonderdeel somt onder a - f stellingen op, die de student in hoger beroep heeft ingenomen. Volgens de klacht kunnen deze stellingen tot geen ander oordeel leiden dan dat de student eerst eind maart 2005 op de hoogte is geraakt van het ontbreken van de bevoegdheid van de UvA om voor het diploma van deze opleiding de graad van Master te verlenen, waarna hij zich op 29 maart 2005 op dwaling heeft beroepen en, na uitblijven van een reactie van de UvA, de overeenkomst op 15 juni 2005 heeft vernietigd. Onder deze omstandigheden kan volgens het middelonderdeel geen sprake zijn van een bevestiging.

3.6. De bevoegdheid om ter vernietiging van een overeenkomst een beroep op dwaling te doen vervalt wanneer degene aan wie deze bevoegdheid toekomt de overeenkomst heeft bevestigd nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen (art. 3:55 lid 1 BW), d.w.z. nadat de dwaling is ontdekt(28). De wil tot bevestiging kan uitdrukkelijk (mondeling of schriftelijk) aan de wederpartij kenbaar worden gemaakt, maar ook stilzwijgend: een verklaring kan in gedragingen besloten liggen(29). Dat een bevestiging stilzwijgend kan plaatsvinden volgt bovendien uit de voorganger van deze bepaling (art. 1492 oud BW) en uit de parlementaire geschiedenis(30). In een al wat ouder arrest (HR 1 december 1938, NJ 1939, 459) is bekrachtiging omschreven als: het doen van afstand van een tevoren bestaand recht om beroep te doen op de nietigheid. Een soortgelijke norm komt in diverse varianten voor in naburige landen(31) en in de Principles of European Contract Law(32).

3.7. Ik loop de in het middelonderdeel onder a - f aangehaalde stellingen even na.

(ad a) De stelling dat de UvA onjuiste mededelingen heeft gedaan over haar bevoegdheid om een Mastertitel te verlenen dan wel een onjuiste voorstelling van zaken heeft gepresenteerd, hetgeen in het onderdeel met een aantal voorbeelden is geïllustreerd, kan bijdragen tot het oordeel dat de student bij het aangaan van de studieovereenkomst heeft gedwaald. Zoals gezegd: het hof is veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de student verschoonbaar heeft gedwaald. Aan het oordeel dat de student, nadat hij de dwaling had ontdekt, de overeenkomst heeft bevestigd staan de onder a bedoelde stellingen niet in de weg.

(ad b) Voor de stelling van de student dat hij op grond van de mededelingen van de UvA redelijkerwijs had mogen verwachten dat de UvA gerechtigd was tot het verlenen van een Master-graad in de zin van de WHW voor deze opleiding, geldt hetzelfde.

(ad c) De stelling dat de UvA ook nu nog aangeeft dat zij bevoegd is de titel van Master te verlenen voor een niet-geaccrediteerde opleiding is een herhaling van de in alinea 3.4 hiervoor besproken stelling. Ook deze stelling staat niet in de weg aan het oordeel dat de student de overeenkomst heeft bevestigd nadat hij de dwaling had ontdekt.

(ad d) Deze stelling is een herhaling van het standpunt dat de student niet reeds in september/oktober 2004, maar eerst in maart 2005 heeft ontdekt dat de UvA niet bevoegd was de graad van Master te verlenen voor de onderhavige opleiding. Nu het hof in rov. 4.7 anders heeft geoordeeld over het tijdstip waarop de student hiermee bekend werd, en de daartegen gerichte klacht niet slaagt, mist ook deze stelling feitelijke grondslag.

3.8. Onder (e) noemt het middel de stelling dat de student zich in zijn klachtbrief van 29 maart 2005 heeft beroepen op dwaling, dat toen deze klacht niet beantwoord werd, hij bij brief van 15 juni 2005 de overeenkomst heeft vernietigd en (onder f) dat de UvA eerst nadien, bij brief van 28 juni 2005, op de klacht heeft gereageerd. Anders dan het middelonderdeel aanvoert, staan ook deze stellingen niet in de weg aan het oordeel dat de student de overeenkomst heeft bevestigd. De bevoegdheid tot bevestiging ontstaat zodra de dwaling is ontdekt. Het hof heeft aangenomen dat de student deze dwaling heeft ontdekt in september/oktober 2004, lang vóór de klachtbrief van 29 maart 2005 en de brief van 15 juni 2005. Rechtbank en hof hebben klaarblijkelijk geoordeeld dat de student, door deze opleiding te blijven volgen nadat hij ermee bekend was geworden dat deze (nog) niet geaccrediteerd was en hij bij het aangaan van de overeenkomst had gedwaald, de studieovereenkomst heeft bevestigd. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

3.9. Onderdeel 2 bevat de klacht dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op de beide andere grondslagen van de vordering. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de andere grondslagen (wanprestatie en onrechtmatige daad) in hoger beroep niet meer aan de orde waren, heeft het hof volgens de klacht een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de stellingen van de student. Voor zover het hof deze beide andere grondslagen wel in zijn oordeel heeft betrokken, maar van oordeel is dat ook op die grondslagen de vordering moet worden afgewezen, is volgens de klacht onbegrijpelijk op welke grond dat oordeel berust. Indien het hof heeft gemeend dat het bepaalde in art. 3:55 BW ook aan deze beide andere grondslagen van de vordering in de weg staat, geeft dat oordeel volgens de klacht blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van die bepaling: ook na een bevestiging op grond van art. 3:55 BW is een vordering op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad, gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, mogelijk(33).

3.10. Het middel stelt terecht dat de vordering niet alleen op dwaling was gebaseerd, maar ook op een toerekenbare niet-nakoming van de overeenkomst door de UvA en op onrechtmatige daad; zie alinea 1.3 hiervoor. De voorzieningenrechter heeft alle drie de grondslagen besproken. Hij heeft in het midden gelaten of hier sprake was van wanprestatie of onrechtmatige daad. De voorzieningenrechter heeft volstaan met het oordeel dat allerminst vaststaat dat als gevolg van de gestelde wanprestatie of onrechtmatige daad door de student schade zal worden geleden. Daarmee was niet voldaan aan één van de vereisten voor toewijzing van de geldvordering in kort geding, die immers strekte tot het verkrijgen van schadevergoeding.

3.11. Bij memorie van grieven heeft de student drie grieven gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter een beroep op dwaling zal honoreren; ook slotgrief VI heeft daarop betrekking. Bij pleidooi in hoger beroep is uitsluitend de grondslag dwaling besproken. Deze werd door de student aangemerkt als de kern van de zaak(34). Het hof heeft de grondslag dwaling besproken en vervolgens in rov. 4.11 overwogen dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het hof voegde hieraan toe: "Bij verdere afzonderlijke bespreking van de grieven bestaat onvoldoende belang".

3.12. In het algemeen kan niet worden gezegd dat bij afwijzing van de grondslag `dwaling' de grondslag `wanprestatie' niet meer aan de orde behoeft te komen. Bij de grondslag `dwaling' gaat de eisende partij immers uit van de situatie waarin de overeenkomst (in casu: buitengerechtelijk) is vernietigd of moet worden vernietigd; bij de grondslag `wanprestatie/toerekenbare niet-nakoming van de overeenkomst' gaat de eisende partij daarentegen uit van de situatie waarin een geldige overeenkomst bestaat, zij het dat niet-nakoming grond kan geven tot een ontbinding daarvan.

3.13. Met grief IV kwam de student op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat een grote kans bestond dat de accreditatie van deze opleiding alsnog door het NVAO zou worden verleend. In de toelichting op deze grief(35) heeft de student aangevoerd dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat niet vaststaat dat de student schade zal lijden. Met grief V kwam de student op tegen de overweging dat hij zijn studie heeft gestaakt en dat dit voor zijn rekening dient te komen, gezien zijn slechte studieresultaten. Inhoudelijk richtte de student daarmee een grief tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat ook op de grondslag wanprestatie en/of onrechtmatige daad de geldvordering niet kon worden toegewezen omdat niet aannemelijk was dat de student hierdoor schade heeft geleden of zal lijden.

3.14. Het hof heeft het in grief IV aangevoerde argument geplaatst in het kader van het beroep op dwaling: zie rov. 4.3 onder (i). Op grief V is het hof niet ingegaan. Indien het hof van oordeel is geweest dat na de bevestiging van de overeenkomst door de student geen plaats meer was voor een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals gezegd, moet in cassatie veronderstellenderwijs worden aangenomen dat bij de student sprake is geweest van dwaling. Wanneer de benadeelde in zo'n geval ervoor kiest, geen gebruik te maken van zijn recht op vernietiging van de overeenkomst wegens dwaling, geeft hij niet zonder meer een recht op schadevergoeding wegens wanprestatie prijs. Indien het oordeel van het hof op een andere grond berust, is voor de lezer van het arrest niet duidelijk, welke grond dat is geweest. Onderdeel 2 is mitsdien gegrond.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 1 van het bestreden arrest, in verbinding met rov. 1, onder a - f, van het vonnis in eerste aanleg.

2 Ten tijde van het vonnis van de voorzieningenrechter bestond hierover nog onzekerheid. Uit de weergave door het hof in rov. 4.3 onder (i) kan worden opgemaakt dat tussen partijen vaststaat dat de NVAO eind 2005 een positief besluit heeft genomen op de hiervoor onder 1.1.4 genoemde aanvraag. Het desbetreffende besluit d.d. 29 november 2005 is in appel overgelegd als prod. 1 bij MvA.

3 Zie de inleidende dagvaarding onder 6, 7 en 8. Een vergelijkbare vordering is eerder berecht in Rb. 's-Hertogenbosch 16 september 2003, NJ 2003, 667.

4 Binnen acht weken; zie art. 402 lid 2 in verbinding met art. 339 lid 2 Rv.

5 Zie, naast de parlementaire stukken: W. Brussee, Accreditatie: het nieuwe stelsel van kwaliteitszorg in het Nederlandse hoger onderwijs, Ned. Tijdschrift voor Onderwijsrecht en onderwijsbeleid 2004/1, blz. 3 - 23; P.C. Kwikkers, D. van Damme en T.M. Douma, Accreditatie in het hoger onderwijs. Achtergrond en praktijk in Nederland en Vlaanderen, Den Haag: SDU, 2003. Informatie is ook te verkrijgen via www.nvao.net, www.minocw.nl en www.onderwijsraad.nl.

6 Gedateerd 19 juni 1999, o.m. gepubliceerd in S & J deel 9f (2003), blz. 241 - 246.

7 Het promotietraject, dat kan leiden tot de graad van doctor, blijft in deze conclusie buiten beschouwing.

8 Wet van 8 oktober 1992, Stb. 593, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 6 juni 2002, Stb. 303, in verband met de invoering van de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs (Kamerstuk 28 024).

9 Wet van 6 juni 2002, Stb. 302, in verband met de invoering van accreditatie in het hoger onderwijs (Kamerstuk 27 920). Voordien bestond een buitenwettelijk systeem van kwaliteitsbewaking door middel van visitatiecommissies e.d.

10 Zie art. 1.1, onder s, WHW.

11 Zie art. 5a.2 WHW. Zij is gegrondvest op het Verdrag van 3 september 2003 tussen Nederland en de Vlaamse Gemeenschap inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs, Trb. 2003, 167.

12 Zie art. 6.13 WHW. Voor een nieuwe opleiding kan een Toetsing nieuwe opleiding worden verzocht: zie art. 1.1, onder t, en art. 5a.11 WHW.

13 Zie art. 1.9 WHW.

14 Zie art. 2.8 en art. 5.7 lid 2 Wet studiefinanciering 2000.

15 Zie art. 1 WHW.

16 Art. 7.3a WHW. Een zodanige aanmerking vindt uitsluitend plaats indien in een opleiding niet of in onvoldoende mate is voorzien en de instandhouding van de opleiding wordt gevorderd door het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod en een aantoonbare maatschappelijke behoefte.

17 Art. 1.1, onder e, WHW.

18 Art. 7.3b WHW. Voorheen sprak men in het wetenschappelijk onderwijs van: postdoctorale opleidingen.

19 Art. 1.9 WHW. Art. 1.12 WHW bevat een vergelijkbare bepaling voor op de voet van art. 1.11 aangewezen instellingen.

20 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2001/02, 28 024, nr. 6, blz. 9 en 45. Zie ook: MvA, Kamerstukken I 2001/02, 28 024, nr. 232c, blz. 23.

21 Vgl. MvT, Kamerstukken II 2001/02, 28 024, nr. 3, blz. 25.

22 Met het binaire systeem is bedoeld: het onderscheid tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Een Mastergraad van een h.b.o.-opleiding leidt tot een Mastertitel, maar niet tot de internationaal begeerde toevoeging Master of Arts (MA) resp. Master of Science (MSc).

23 Door de minister van OCW toegezonden aan de Tweede Kamer; zie Kamerstukken II 2004/05, 29 281, nr. 3.

24 Kamerstukken II 2005/06, 30 588, nr. 2.

25 Kamerstukken II 2005/06, 30 588, nr. 3, blz. 52-53 en blz. 58 e.v.

26 Kamerstukken II 2006/07, 30 588, nr. 9.

27 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 169.

28 Vgl. art. 3:52 lid 1 BW.

29 Art. 3:37 lid 1 BW. Zie over bevestiging: Asser-Hartkamp 4-II (2005) nr. 476 - 478.

30 Parl. Gesch. Boek 3, blz. 243.

31 Zie bijv. art. 1338 Code Civil, art. 1338 Belgisch BW, par. 144 BGB.

32 Art. 4:114. If the party who is entitled to avoid a contract confirms it, expressly or impliedly, after it knows of the ground for avoidance (...), avoidance of the contract is excluded.

33 Het middelonderdeel verwijst in dit verband naar de memorie van toelichting op art. 3:55 BW (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 1172).

34 Pleitnota in hoger beroep onder 2, onder 9 en onder 21.

35 MvG onder 52.