Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3841

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
R07/027HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3841
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden van Nederlandse en Turkse nationaliteit bij de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap over de vraag of ingevolge art. 1:94 BW een bruidschat buiten de gemeenschap valt en aan de vrouw toekomt (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 91
RvdW 2008, 205
JWB 2008/67
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R07/027HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 7 dec. 2007

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze echtscheidingsprocedure hebben partijen over en weer verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap verzocht. Inzet in cassatie is de vraag of een ter gelegenheid van de huwelijkssluiting geschonken bruidsschat, bestaande uit een hoeveelheid sieraden, ingevolge art. 1:94 BW buiten de gemeenschap valt en aan de vrouw toekomt.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 17 september 2004 te 's-Gravenhage met elkaar gehuwd.

(ii) Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.

(iii) Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht. Zij zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

3. De man heeft op 25 april 2005 bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Als nevenvoorziening heeft hij de rechtbank verzocht de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, zoals door hem verzocht.

4. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft daarbij geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft wel verweer gevoerd tegen de door de man verzochte vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap en van haar kant zelfstandig verzocht de wijze van verdeling van de verdeling huwelijksgemeenschap vast te stellen, zoals door haar verzocht.

5. Voor zover thans in cassatie van belang, houdt partijen verdeeld of de ter gelegenheid van de huwelijkssluiting geschonken bruidsschat, bestaande uit diverse sieraden, in de gemeenschap valt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de bruidsschat aan haar is geschonken en ingevolge art. 1:94 BW buiten de gemeenschap valt. De man bestrijdt dit standpunt en stelt dat de sieraden in de gemeenschap vallen.

6. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 november 2005 tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 22 maart 2006 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

7. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank het standpunt van de vrouw dat de bruidsschat ingevolge art. 1:94 BW buiten de gemeenschap valt, verworpen en de sieraden aan de vrouw toebedeeld, onder bepaling dat de vrouw de helft van de waarde daarvan aan de man dient te vergoeden. De rechtbank verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar mondeling ter terechtzitting gedane, door de rechtbank als een nevenverzoek in de zin van art. 827 lid 1 sub f Rv begrepen, verzoek tot afgifte dan wel teruggave van de sieraden.

8. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank, doch alleen voor zover deze betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgemeenschap, in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw bestreed met grief 1 het oordeel van de rechtbank dat de bruidsschat in de gemeenschap valt, en met grief 2 het oordeel van de rechtbank dat de vrouw niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in het verzoek tot afgifte van de sieraden.

9. Het hof heeft bij beschikking van 15 november 2006 de grieven van de vrouw verworpen en de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

10. Met betrekking tot grief 1 overwoog het hof onder meer:

"7. Uit de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting volgt niet dat de sieraden tijdens het huwelijksfeest aan de vrouw zijn geschonken onder de voorwaarden dat deze niet in enige gemeenschap van goederen zouden vallen. Het enkele feit dat alleen de vrouw de sieraden kan dragen brengt niet met zich mede dat daardoor deze sieraden aan de vrouw zijn verknocht. De sieraden vallen naar het oordeel van het hof in de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en dienen in de verdeling te worden betrokken voorzover zij op het moment van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap nog aanwezig zijn.

8. Nu de vrouw geen grief heeft gericht tegen de toedeling (aan haar) als zodanig en de man terzake geen incidenteel appel heeft ingesteld, leidt het sub 7 overwogene ertoe dat de betreffende sieraden in het kader van de verdeling aan de vrouw worden toebedeeld onder gehoudenheid tot verrekening van de waarde.

9. In de toelichting op grief 1 leest het hof dat de grief zich eveneens richt tegen de waarde van de sieraden, welke de rechtbank in aanmerking heeft genomen. Om de waarde van de sieraden te kunnen vaststellen dienen deze sieraden te worden getaxeerd. Nu partijen verschillen van inzicht over de vraag waar de sieraden zich bevinden kan de waarde op dit moment niet worden vastgesteld. Voor de waarde van de sieraden kan derhalve niet worden uitgegaan van het door de man gestelde bedrag van Euro 13.184,00. De grief slaagt derhalve in zoverre. Nu de rechtbank genoemd bedrag niet in het dictum heeft opgenomen, leidt dit evenwel niet tot vernietiging."

11. Met betrekking tot grief 2 overwoog het hof onder meer:

"11. De in artikel 827 Rv genoemde nevenvoorzieningen hebben geen limitatief karakter. Wil er echter sprake zijn van een nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub f, dan dient er voldoende samenhang te zijn met het verzoek tot echtscheiding en mag er geen onnodige vertraging optreden.

12. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval het verzoek tot afgifte van de sieraden tot een onnodige vertraging zal leiden in de afwikkeling van de verdeling. De sieraden zijn immers kennelijk onvindbaar en terzake zou dan ook een uitvoerig onderzoek nodig zijn, alvorens van een bevel tot afgifte sprake zou kunnen zijn. Daarvoor leent de onderhavige procedure zich niet."

12. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit drie onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

13. Onderdeel I van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 7 - dat de sieraden in de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vallen. Ter toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de bruidsschat (sadag) behoort tot het door de Islam geïnspireerde huwelijksrecht en in feite een gift is van de man, zonder tegenprestatie, aan de vrouw en dat de sadag een verplichting is van de man ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vertaald naar Nederlands vermogensrecht betekent dit dat de bruidsschat moet worden gezien als een religieus/cultureel bepaalde schenking van de man aan de vrouw met de kennelijke bedoeling deze buiten de gemeenschap te doen vallen, zodat de bruidsschat als verknocht aan de vrouw en buiten de gemeenschap vallend dient te worden beschouwd, aldus de toelichting op het onderdeel.

14. Het onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat hetgeen ter toelichting op het onderdeel is gesteld omtrent de religieus/culturele achtergrond van de onderhavige bruidsschat, in feitelijke instanties is aangevoerd (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen). Aangezien de stellingen een onderzoek van feitelijke aard zouden vereisen, kunnen zij niet voor het eerst in cassatie worden aangevoerd. De vraag of en in hoeverre, niettegenstaande de - in cassatie niet bestreden - toepasselijkheid van het Nederlandse recht op het huwelijksvermogensregime van partijen, bij de toepassing van het Nederlandse recht rekening behoort te worden gehouden met het buitenlandse element dat door het geval heen speelt (door H.U. Jessurun d'Oliveira "krypto-ipr" gedoopt, zie Offerhauskring, reeks ipr. nr. 17, 1985), kan blijven rusten.

15. Onderdeel II van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 9 - dat op dit moment de waarde van de sieraden niet kan worden vastgesteld. Blijkens de toelichting op het onderdeel wordt het oordeel als onjuist en niet voldoende gemotiveerd bestreden.

16. De rechtsklacht faalt. Het oordeel van het hof is feitelijk van aard en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

17. De motiveringsklacht kan evenmin doel treffen. Het oordeel van het hof dat op dit moment de waarde de sieraden van de sieraden niet kan worden vastgesteld, nu partijen van inzicht verschillen over de vraag waar de sieraden zich bevinden, is niet onbegrijpelijk.

18. Voor zover onderdeel II zich mede richt tegen het oordeel van het hof dat het verzoek tot afgifte van de sieraden tot onnodige vertraging zal leiden, zal deze klacht aan de orde komen bij het thans te bespreken onderdeel III.

19. Onderdeel III van het middel keert zich met - blijkens de toelichting daarop - een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 12 - dat behandeling van een verzoek tot afgifte van de sieraden tot onnodige vertraging zal leiden en dat het door de vrouw gedane bewijsaanbod daarom dient te worden gepasseerd.

20. De klacht faalt. Het oordeel van het hof dat behandeling van een verzoek tot afgifte van de sieraden tot onnodige vertraging zal leiden, berust op een aan het hof voorbehouden waardering van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk is, nu partijen strijden over de vraag waar de sieraden zich bevinden. Tegen deze achtergrond is evenmin onbegrijpelijk dat het hof daarom aan het bewijsaanbod van de vrouw, dat betrekking heeft op feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van een verzoek dat het hof op in cassatie tevergeefs bestreden gronden nu juist buiten behandeling laat, is voorbijgegaan.

21. Voor zover het onderdeel voorts wil betogen dat het oordeel van het hof (tevens) onbegrijpelijk is, omdat afgifte van de sieraden essentieel is, indien de sieraden in de verdeling worden betrokken, kan het evenmin doel treffen. Ook zonder beslissing op het verzoek op afgifte, is een beslissing op de vraag aan wie de sieraden dienen te worden toebedeeld mogelijk, zodat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden