Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
C06/240HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3838
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij de verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap over de waarde van de aan de vrouw toegedeelde echtelijke woning; onbegrijpelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 99
RvdW 2008, 209
RFR 2008, 42
NJB 2008, 506
JWB 2008/64
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/240HR

mr. Keus

Zitting 9 november 2007

Conclusie inzake:

[De man](1)

eiser tot cassatie

tegen

[De vrouw](2)

verweerster in cassatie

In deze zaak heeft het hof het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk geacht dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen van een waarde van de voormalige echtelijke woning van ƒ 335.000,- wordt uitgegaan, hoewel de door de rechtbank benoemde deskundige die waarde op ruim ƒ 417.000,- heeft vastgesteld. In cassatie gaat het vooral om de vraag of het hof de door [de man] in eerste aanleg betrokken stellingen aldus heeft kunnen opvatten dat [de man] een waarde van de woning van ƒ 335.000,- reëel acht en of [de man] (ook) in hoger beroep aan die stellingen kan worden gehouden.

1. Feiten(3) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 18 juni 1971 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

1.2 De rechtbank Middelburg heeft bij beschikking van 3 december 1997 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 juli 1998 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Hulst ingeschreven.

1.3 Partijen hebben de huwelijksgoederengemeenschap niet verdeeld.

1.4 Op 5 juni 2000 heeft [de vrouw] [de man] doen dagvaarden voor de rechtbank Middelburg. Na eisvermeerdering bij conclusie van repliek heeft [de vrouw] gevorderd: 1) dat [de man] wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan de door [de vrouw] voorgestane verdeling - die onder andere toescheiding van de voormalige echtelijke woning aan [de vrouw] omvat - en dat [de man] tevens wordt veroordeeld tot betaling aan [de vrouw] van de helft van de waarde van de gehele huwelijksgoederengemeenschap met inachtneming van hetgeen aan [de vrouw] is toegescheiden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2000; 2) dat wordt bepaald dat het in deze procedure te wijzen (eind)vonnis bij het passeren van de akte tot toescheiding van de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening als vervangende toestemming van [de man] zal gelden, als hij niet binnen twee weken na dat vonnis zijn medewerking aan het passeren van die akte verleent; 3) dat [de man] wordt veroordeeld tot vergoeding van de deurwaarderskosten die [de vrouw] heeft moeten maken om ontruiming van de voormalige echtelijke woning door [de man] te bewerkstelligen(4), alsmede tot vergoeding van de kosten van het vervangen van de sloten van die woning, welke kosten in totaal een bedrag van ƒ 2.501,30 (€1.135,04) belopen en met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 juni 2000 moeten worden vermeerderd; 4) dat [de man] in de kosten van de procedure wordt veroordeeld.

1.5 [De man] heeft de vorderingen van [de vrouw] bestreden. Voor zover in cassatie nog van belang, heeft het partijdebat zich op de bepaling van de waarde van de voormalige echtelijke woning toegespitst.

1.6 Bij tussenvonnis van 14 februari 2001 heeft de rechtbank geoordeeld dat de voormalige echtelijke woning aan [de vrouw] dient te worden toegedeeld en dat het daartegen door [de man] gevoerde verweer moet worden verworpen (rov. 3.5). Uitgaande van 23 juli 1998 als peildatum voor de waardering van de tot de gemeenschap van partijen behorende vermogensbestanddelen, heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat de waarde van die woning per genoemde datum niet op basis van de door partijen verstrekte informatie kan worden bepaald. Volgens de rechtbank zal deze waarde daarom aan de hand van een taxatie door één of drie deskundigen moeten worden vastgesteld (rov. 3.6). Mede met het oog op het in art. 221 (oud) Rv bedoelde overleg omtrent de persoon van de te benoemen deskundige(n), heeft de rechtbank de zaak voor een aktewisseling naar de rol verwezen. Tevens heeft de rechtbank een comparitie van partijen tot het verstrekken van nadere inlichtingen over de te verdelen inboedel en het beproeven van een schikking gelast.

1.7 Elk van beide partijen heeft een akte ter rolle genomen, waarna op 10 mei 2001 een comparitie van partijen heeft plaatsgehad. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis van 18 juli 2001 een deskundigenonderzoek naar, onder andere, de waarde van de voormalige echtelijke woning per 23 juli 1998 bevolen en hiertoe één deskundige benoemd.

1.8 De deskundige heeft in een taxatierapport van 7 december 2001 de onderhandse verkoopwaarde van de woning per 23 juli 1998 op € 189.275,- (ƒ 417.107,21(5)) vastgesteld.

1.9 Partijen hebben zich hierover schriftelijk uitgelaten. Daarna heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 17 juli 2002 met betrekking tot de waarde van de echtelijke woning (in rov. 2.1.2) als volgt geoordeeld:

"2.1.2. Met betrekking tot de waarde van de voormalige echtelijke woning zijn partijen het, ook na onderzoek van de door de rechtbank benoemde deskundige, niet met elkaar eens. De rechtbank overweegt omtrent de waarde van deze woning het navolgende. De man heeft bij conclusie van antwoord gesteld aan de woning per 23 juli 1998 een waarde te willen toekennen van minimaal ƒ 335.000,--; bij de door hem vervolgens voorgestelde verdeling gaat hij uit van een waarde van ƒ 335.000,--. De vrouw heeft steeds gesteld dat de woning aanmerkelijk minder waard was. Het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige bevestigt de stelling van de man, dat de waarde per 23 juli 1998 minimaal ƒ 335.000,-- was; hetgeen de vrouw tegen het rapport van de deskundige inbrengt - m.n. het rapport van een door haarzelf geraadpleegde deskundige, waarin de waarde van de woning wordt gesteld op ƒ 330.512,-- - bevestigt die conclusie. De man heeft voorts geen aanspraak (...) gemaakt op een hogere waarde dan de eerder door hem genoemde ƒ 335.000,-- (€ 152.016,37), zodat de rechtbank van die waarde zal uitgaan."

Vervolgens heeft de rechtbank de zaak voor een aktewisseling naar de rol verwezen, opdat partijen zich nader over de door de rechtbank voorgestelde verdeling van drie koopsompolissen en de daaraan verbonden fiscale gevolgen kunnen uitlaten.

1.10 Nadat partijen zich bij akte nader hadden uitgelaten, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 29 januari 2003 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Overeenkomstig het overwogene in de tussenvonnissen van 14 februari 2001 en 17 juli 2002 is daarbij de echtelijke woning tegen een waarde van ƒ 335.000,- aan [de vrouw] toegedeeld (rov. 2.1). De rechtbank heeft geconstateerd dat de vastgestelde verdeling met zich brengt dat [de vrouw] voor € 39.700,44 wordt overbedeeld (rov. 2.3). Op die grond heeft de rechtbank [de vrouw] tot betaling van genoemd bedrag aan [de man] veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank [de man] veroordeeld tot betaling aan [de vrouw] van de door haar gevorderde deurwaarderskosten van € 586,62, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 juni 2000. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

1.11 [De man] is van de vonnissen van 14 februari 2001, 18 juli 2001, 17 juli 2002 en 29 januari 2003 bij het hof 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft hij tegen deze vonnissen zes grieven aangevoerd. Met zijn eerste grief heeft [de man] de vaststelling van waarde van de echtelijke woning op ƒ 335.000,- bestreden.

1.12 [De vrouw] heeft de grieven bestreden en harerzijds onder aanvoering van één grief incidenteel hoger beroep van het vonnis van 29 januari 2003 ingesteld. In het incidentele appel heeft [de vrouw] aangevoerd dat het in dat vonnis vermelde nummer van een tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende rendementsrekening op een kennelijke verschrijving berust en dat het vonnis in zoverre dient te worden gecorrigeerd. Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft [de man] daarmee ingestemd.

1.13 Het hof heeft bij tussenarrest van 27 april 2005 geoordeeld dat grief 1 in het principale appel op grond van de volgende overweging geen doel treft:

"2. In grief 1 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte van een waarde van de voormalige echtelijke woning is uitgegaan van ƒ 335.000,00. (...) Bij conclusie van antwoord heeft de man gesteld: "Gedaagde wenst aan de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] een waarde toe te kennen die op de scheidingsdatum minimaal ƒ 335.000,00 bedroeg. Gedaagde kan er niet mee instemmen dat voormelde woning aan eiseres wordt toegescheiden en staat op verkoop van de woning". Bij conclusie van dupliek heeft de man gesteld: "Het taxatierapport van [betrokkene 1] van 26 juni 1995 bevestigt slechts gedaagdes stelling als zou het pand minimaal ƒ 335.000,-- waard zijn. De door gedaagde genoemde waarde is derhalve reëel". Bij conclusie van repliek blz 2 heeft de vrouw gesteld dat de waarde van de echtelijke woning ƒ 295.000,00 bedroeg. Aangezien de rechtbank op basis van de stellingen van partijen niet de waarde heeft kunnen vaststellen heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 18 juli 2001 een deskundigenbericht bevolen terzake de waarde van de voormalige echtelijke woning. Ook na het uitbrengen van het deskundigenbericht hebben partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de waarde van de voormalige echtelijke woning. Conform artikel 3:185 BW heeft de rechter die de verdeling vaststelt zowel ten aanzien van de wijze van verdeling alsmede ten aanzien van de prijsbepaling waarvoor de boedelbestanddelen in de verdeling worden betrokken een grote mate van vrijheid. Het hof acht het onder de gegeven omstandigheden redelijk en billijk dat voor de waarde van de voormalige echtelijke woning uitgegaan wordt van ƒ 335.000,00. De man heeft zelf gesteld dat de door hem gestelde waarde van ƒ 335.000,00 reëel is. Voorts volgt uit het door de rechtbank benoemde deskundigenrapport dat de waarde per 23 juli 1998 minimaal ƒ 335.000,00 was. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen relevante feiten en omstandigheden gesteld waarom de man niet meer gehouden kan worden aan hetgeen hij in eerste aanleg zelf heeft gesteld. Grief 1 treft geen doel."

Voorts heeft het hof in het principale appel geoordeeld dat grief 2 geen doelt treft (rov. 3) en dat de grieven 3-5 slagen (rov. 4-6). Naar aanleiding van grief 6, waarin [de man] aan de orde heeft gesteld op welke wijze en met inachtneming van welke bedragen de verdeling dient te worden vastgesteld, heeft het hof geoordeeld dat de verdeling en daaruit resulterende afrekening, gelet op hetgeen het met betrekking tot de eerdere grieven heeft overwogen, moeten worden aangepast (rov. 7). De in het incidentele appel aangevoerde grief treft volgens het hof eveneens doel (rov. 8). Ten behoeve van een nadere beoordeling van de in de verdeling te betrekken schuld ter zake van de IB 1997 en de waarde van het aandeel van [de vrouw] in de voormalige woning van haar moeder, heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van akten ter rolle, opdat de man de definitieve aanslag IB 1997 in het geding kan brengen en partijen zich nader kunnen uitlaten.

1.14 Partijen hebben elk een akte genomen. Vervolgens heeft het hof bij eindarrest van 24 mei 2006 een aangepaste verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld(6). Op grond daarvan heeft het hof de vonnissen van 17 juli 2002 en 29 januari 2003 vernietigd, voor zover de rechtbank:

a) niet in de verdeling heeft betrokken het aandeel van [de vrouw] in het woonhuis van haar moeder van ƒ 15.513,59;

b) de waarde van het ondernemingsvermogen van de man niet heeft gesteld op een bedrag van ƒ 85.051,-; en

c) heeft bepaald dat [de vrouw] € 39.700,44 aan [de man] moet voldoen.

In zoverre opnieuw rechtdoende, heeft het hof:

a) in aanvulling op de verdeling zoals vastgesteld door de rechtbank, het aandeel van [de vrouw] in de woning van haar moeder tegen de waarde van ƒ 15.513,59 (€ 7.039,76) aan [de vrouw] toegedeeld;

b) de waarde van het ondernemingsvermogen van [de man] op ƒ 85.051,- vastgesteld; en

c) [de vrouw] veroordeeld om aan [de man] € 46.093,43 te voldoen.

Tot slot heeft het hof het meer of anders gevorderde afgewezen, de bestreden vonnissen voor het overige bekrachtigd en de proceskosten in hoger beroep gecompenseerd.

1.15 [De man] heeft tijdig(7) beroep in cassatie van de arresten van 27 april 2005 en 24 mei 2006 ingesteld. Tegen [de vrouw] is verstek verleend. [De man] heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 In de cassatiedagvaarding wordt een tweetal cassatiemiddelen voorgedragen. Middel I valt in 14 onderdelen (1-14) uiteen, terwijl middel II slechts onderdeel 15 omvat. Onderdeel 16 bevat geen zelfstandige klacht(en), maar slechts een slotsom ten aanzien van beide middelen.

2.2 Alhoewel middel I uitdrukkelijk vermeldt dat het is gericht tegen rov. 2 van het tussenarrest van 27 april 2005 (zie onderdeel 1), begrijp ik de in onderdeel 14 vervatte opmerking dat "(h)et hof (...) grief I mitsdien gegrond (had) moeten verklaren en de woning in zijn arrest d.d. 24 mei 2006 in de verdeling (had) moeten betrekken tegen de door de daarvoor door de rechtbank benoemde deskundige vastgestelde waarde (...)" aldus, dat de klachten van het middel tevens de vaststelling van de bij het eindarrest aangepaste verdeling bestrijden. In middel II ontbreekt een expliciete aanduiding van het arrest en/of de overwegingen waartegen het zich keert. Uit de formulering "(h)et hof heeft voorts verzuimd (...)" in de eerste volzin van onderdeel 15, leid ik echter af dat middel II (evenals middel I) tegen zowel het tussen- als het eindarrest is gericht. Ook de opmerking in onderdeel 16 dat "(g)elet op hetgeen in de middelen I en II is aangevoerd (...) de omvang van de huwelijksgemeenschap en het bedrag van de overbedeling zoals vastgesteld door het hof in het arrest d.d. 24 mei 2006 niet in stand (kunnen) blijven", biedt voor een zodanige uitleg van de middelen steun.

2.3 Alvorens de middelen inhoudelijk te bespreken stel ik het volgende voorop. Inzet van dit cassatieberoep is de waardering van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen behorende woning. Ingevolge art. 3:185 lid 1 BW kan de rechter, voor zover de deelgenoten niet tot overeenstemming kunnen komen, onder andere zelf de verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Uit de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling kan worden opgemaakt dat de billijkheid mede bepaalt voor welke waarde een goed door de rechter in de verdeling wordt betrokken(8). In het bijzonder geldt dat de rechter bij de waardering van een tot de gemeenschap behorend goed de bijzondere waarde die dat goed voor een deelgenoot vertegenwoordigt, in aanmerking kan nemen en dat de waarde van het goed in het economisch verkeer niet doorslaggevend behoeft te zijn(9). Aangenomen wordt dat de mate waarin de billijkheid in dit verband een rol speelt, afhankelijk is van de rechtssfeer waarbinnen de verdeling plaatsvindt; zo zal bij de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de billijkheid in de regel een grotere rol spelen dan bij de verdeling van een kantoorpand dat in mede-eigendom aan twee makelaars toebehoort(10). Voorts laat art. 3:185 BW de rechter bij de vaststelling van de verdeling van de gemeenschap een zekere vrijheid van handelen, hetgeen met zich brengt dat aan de motivering van deze beslissing niet al te hoge eisen kunnen worden gesteld(11). Bovendien kan zodanige beslissing in cassatie slechts in beperkte mate op inhoud worden getoetst, verweven als zij is met de omstandigheden van het geval en met waarderingen van feitelijke aard(12).

2.4 De klachten van middel I zijn vervat in de onderdelen 2-14. Het gestelde in onderdeel 1 vormt een inleiding op deze klachten en mist in zoverre zelfstandige betekenis.

2.5 De klachten van de onderdelen 2-5 lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De onderdelen strekken ten betoge dat het hof met de in rov. 2 van het tussenarrest van 27 april 2005 opgenomen overweging dat "(d)e man (...) zelf (heeft) gesteld dat de door hem gestelde waarde van ƒ 335.000,00 reëel is" een onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde uitleg aan de stellingen van [de man] heeft gegeven en deze overweging daarom niet ten grondslag had kunnen leggen aan zijn oordeel dat het redelijk en billijk is van een waarde van ƒ 335.000,- uit te gaan (onderdeel 5). Hiertoe wordt in de genoemde onderdelen het volgende aangevoerd.

Naar het middel aanneemt, heeft het hof met de bedoelde overweging gerefereerd aan de door [de man] in de conclusie van dupliek betrokken stelling dat "(d)e door gedaagde genoemde waarde (...) derhalve reëel (is)" (onderdeel 2). [de man] heeft echter consequent gesteld dat bij de verdeling van de echtelijke woning van een waarde van minimaal ƒ 335.000,- en derhalve niet van ƒ 335.000,- dient te worden uitgegaan. Abusievelijk is in de conclusie van antwoord in de vermogensopstelling op p. 4 een bedrag van ƒ 335.000,- zonder de vermelding "minimaal" opgenomen, maar dit betreft een eenmalige uitzondering (onderdeel 3). In de conclusie van dupliek heeft [de man] met "genoemde waarde" dan ook verwezen, en uitsluitend kunnen verwijzen, naar een waarde van minimaal ƒ 335.000,- (onderdeel 2). Ook uit zijn overige stellingen blijkt dat [de man] zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat de echtelijke woning minimaal ƒ 335.000,-, maar waarschijnlijk meer waard was, en derhalve voor minimaal ƒ 335.000,-, maar waarschijnlijk voor een hoger bedrag, in de verdeling diende te worden betrokken. Zo heeft [de man] zich bij conclusie van antwoord op het standpunt gesteld dat de woning dient te worden verkocht teneinde een juist beeld van de waarde te krijgen en heeft hij bij conclusie van dupliek herhaald dat verkoop van de woning dient plaats te vinden (onderdeel 3). Voorts heeft [de man] zijn stelling dat de woning minimaal ƒ 335.000,- maar waarschijnlijk meer waard was, bij akte van 9 januari 2002 geconcretiseerd door in te stemmen met de door de deskundige vastgestelde waarde (onderdeel 4). Bij akte van 20 maart 2002 heeft [de man] het door de deskundige vastgestelde bedrag expliciet genoemd en gesteld dat dit bedrag juist is (onderdeel 4).

2.6 Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat de uitleg die het hof aan de processtukken heeft gegeven een feitelijke beslissing is en daarom in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst(13).

Voorts moet daarbij het verloop van het processuele debat met betrekking tot de waarde van de woning in ogenschouw worden genomen. In dat verband is van belang dat [de man] bij conclusie van antwoord (p. 2, bovenaan) heeft gesteld "Gedaagde wenst aan de echtelijke woning (...) een waarde toe te kennen die op de scheidingsdatum minimaal ƒ 335.000,- bedroeg", en dat hij overigens op verkoop van de woning heeft geïnsisteerd, "teneinde ook een juist beeld te krijgen van de waarde" (p. 5). [de vrouw] heeft bij conclusie van repliek (op p. 2, onder "Ad 1") de stellingname van [de man] aldus samengevat dat "(d)e man (...) aan de echtelijke woning (...) een waarde toe(kent) van minimaal ƒ 335.000,-- (...)" en heeft daartegen ingebracht dat de waarde aanzienlijk minder bedraagt dan door [de man] gesteld. Daarbij heeft [de vrouw] verwezen naar een taxatierapport van [A] bv waarin de woning per 1 januari 1995 op ƒ 295.000,- wordt getaxeerd en naar een aanslagbiljet Waterschapsomslag 1997, de woning betreffende, waarin een WOZ-waarde van ƒ 206.000,- wordt genoemd. Bij conclusie van dupliek (p. 1) heeft [de man] hierop gereageerd door te stellen:

"Het taxatierapport van [betrokkene 1] ([A], LK) van 26 juni 1995 bevestigt slechts gedaagdes stelling als zou het pand minimaal ƒ 335.000,-- waard zijn.

In de tijd gelegen tussen tijdstip van taxatie en peildatum boedelscheiding ligt 3 jaar, in welke periode een enorme waardestijging van het onroerend goed heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft een verbouwing aan de woning plaatsgevonden. De door gedaagde genoemde waarde is derhalve reëel. De WOZ-waarde is niet maatgevend daar deze in de regel ruimschoots onder de werkelijke waarde is gelegen."

Naar aanleiding van de taxatie van de door de rechtbank benoemde deskundige, die resulteerde in een onderhandse verkoopwaarde van € 189.275,- (ƒ 417.107,21), heeft [de man] bij akte uitlating na deskundigenbericht gesteld dat hij zich kan vinden in de door de deskundige aan de echtelijke woning toegekende waarde. Vervolgens heeft [de vrouw] bij antwoordakte tevens akte overleggen producties (onder 5) betoogd dat de taxatie door de deskundige niet naar behoren is uitgevoerd en daartoe verwezen naar een in haar opdracht verrichte taxatie die op ƒ 330.512,- uitkomt. In reactie op dit betoog heeft [de man] bij akte uitlating na produkties (op p. 2) gesteld dat het door de deskundige genoemde bedrag juist is en dat de taxatie door de deskundige op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en als leidraad bij de boedeldeling dient te fungeren. Voorts heeft [de man] gesteld:

"Het zijdens de vrouw overgelegde taxatierapport is onjuist en doet niet ter zake. Bepalend is het rapport van [betrokkene 2]. De vrouw heeft zich neergelegd bij diens persoon als taxateur en is gehouden aan diens taxatierapport.

Dat de inhoud hiervan voor de vrouw niet heeft gebracht wat zij ervan verwachtte geeft haar niet het recht een andere taxateur in de arm te nemen.

Het taxatierapport van [betrokkene 2] is bindend."

2.7 Ik meen dat de onderdelen doel treffen. In de stellingen van [de man] kan mijns inziens onmogelijk worden gelezen dat [de man] ermee zou hebben ingestemd dat aan de voormalige echtelijke woning, in geval van toescheiding aan [de vrouw], niet de werkelijke (hogere) waarde, maar slechts een waarde van f 335.000,- die de woning volgens [de man] minimaal vertegenwoordigde, zou worden toegekend. Dat [de man] bij dupliek van een reële waarde heeft gesproken, maakt dat niet anders. Daarmee doelde [de man] onmiskenbaar op een waarde van minimaal f 335.000,- (zie ook het hiervóór, onder 2.6, opgenomen citaat uit de conclusie van dupliek) en niet op een waarde van f 335.000,- zonder meer. Dat aan een woning een waarde van minimaal f 335.000,- dient te worden toegekend, betekent niet dat die waarde op f 335.000,- kan worden gesteld, maar dat zij nog nader dient te worden bepaald op een bedrag dat in elk geval niet minder dan f 335.000,- zal belopen. Met de bij dupliek gedane uitlating dat de door hem genoemde waarde van minimaal f 335.000,- reëel zou zijn, nam [de man] bovendien slechts afstand van de stelling van [de vrouw] dat "(d)e hoogte van de waarde van voornoemde woning (...) evenwel aanzienlijk minder (bedraagt) dan door de man gesteld" (conclusie van repliek, p. 2, onder "Ad 1", waar overigens - terecht - is vooropgesteld dat [de man] aan de woning een waarde toekende van "minimaal f 335.00,-"); wat [de man] bij dupliek klaarblijkelijk betoogde, was dat zijn inschatting dat de waarde van de woning niet minder beliep dan f 335.000,-, reëel was.

Nu kan aan het hof worden toegegeven dat een waardering van de woning op minimaal f 335.000,- op zichzelf ruimte laat voor de uitleg dat [de man] daarmee te kennen gaf bereid te zijn een waarde van f 335.000,- te aanvaarden en de mogelijkheid van een hogere waarde voor lief te nemen; de toevoeging "minimaal" zou volgens deze uitleg slechts ertoe dienen het standpunt van [de man] over de voor hem aanvaardbare waarde van f 335.000,- "kracht bij te zetten" (en voor de wederpartij wellicht ook meer acceptabel te maken). Een dergelijke uitleg zou zich inderdaad laten denken (en zou naar mijn mening ook niet zonder meer onverenigbaar zijn met het feit dat [de man] de hogere waarde die de door de rechtbank benoemde deskundige heeft vastgesteld, heeft onderschreven), als [de man] zijn uitlatingen over een (reëel te achten) minimale waarde van f 335.000,- zou hebben gedaan in verband met een mogelijke toescheiding van de woning aan de vrouw en de daaruit voortvloeiende verrekening. Een toescheiding van de woning aan de vrouw tegen verrekening van de daaruit voortvloeiende overbedeling was voor [de man] echter in het geheel niet aan de orde. [de man] stelde zich (óók in zijn conclusie van dupliek, waarin hij sprak van een reëel te achten, minimale waarde van f 335.000,-) op het standpunt dat de woning zou moeten worden verkocht, opdat de werkelijke (en een bedrag van f 335.000,- mogelijk overstijgende) waarde zou worden gerealiseerd en in de verdeling zou worden betrokken (vergelijk de hiervóór, onder 2.6, geciteerde passage op p. 5 van de conclusie van antwoord). Aan [de man] stond voor ogen dat de werkelijke waarde van de woning in de verdeling zou worden betrokken; bij die stand van zaken kan mijns inziens niet staande worden gehouden dat [de man], voor het geval dat de woning - anders dan hij wilde - aan de vrouw zou worden toegescheiden, met de schatting van de waarde van de woning op minimaal f 335.000,- (ook) zijn aanspraak op verrekening van de werkelijke waarde van de woning (impliciet) zou hebben laten varen.

2.8 Onderdeel 6 betoogt dat de overweging dat "(v)oorts (...) uit het door de rechtbank benoemde deskundigenrapport (volgt) dat de waarde per 23 juli 1998 minimaal ƒ 335.000,00 was" (rov. 2 van het tussenarrest van 27 april 2005) een kennelijk onjuiste feitelijke vaststelling betreft, althans ondeugdelijk is gemotiveerd, aangezien het deskundigenrapport expliciet en concreet vermeldt dat de onderhandse verkoopwaarde van de woning per 23 juli 1998 op € 189.275,- (ƒ 417.107,21)(14) wordt gewaardeerd. Hierop voortbouwend klaagt onderdeel 7 dat deze overweging onbegrijpelijk is omdat het hof daarin onjuist of onvolledig gebruik van de inhoud van het deskundigenrapport heeft gemaakt. Volgens het onderdeel brengt dit met zich dat, nu het hof bedoelde overweging ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat het redelijk en billijk is dat voor de waarde van de woning van ƒ 335.000,- wordt uitgegaan, dit oordeel eveneens onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

2.9 Waar het hof kennelijk ervan uitging dat [de man] hoe dan ook bereid was een waarde van f 335.000,- te accepteren en de mogelijkheid dat de werkelijke waarde hoger zou blijken voor lief nam, kon het in de taxatie van de door de rechtbank benoemde deskundige voor de aldus opgevatte stellingen van [de man] steun vinden. Uit de bedoelde taxatie blijkt immers dat de waarde van de woning niet lager was dan f 335.000,- en dat bedrag juist (niet onaanzienlijk) overtrof. De onderdelen 6 en 7 kunnen naar mijn mening niet tot cassatie leiden, anders dan de (in de voorgaande onderdelen vervatte) klachten, die tegen het bedoelde uitgangspunt zelf zijn gericht.

2.10 De onderdelen 8 en 9 bestrijden met verschillende rechts- en motiveringsklachten de overweging dat "(n)aar het oordeel van het hof (...) de man geen relevante feiten en omstandigheden (heeft) gesteld waarom de man niet meer gehouden kan worden aan hetgeen hij in eerste aanleg zelf heeft gesteld".

2.11 Onderdeel 8 betoogt dat deze overweging onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd. Hiertoe verwijst het onderdeel in de eerste plaats naar hetgeen in de onderdelen 2-5 is aangevoerd. Voorts stelt het onderdeel dat [de man] reeds in eerste aanleg heeft gesteld dat van de door de deskundige vastgestelde waarde van € 189.275,- (ƒ 417.107,21) moet worden uitgegaan. Aldus, zo stelt het onderdeel, is de stelling van [de man] ten aanzien van de waarde van de woning van minimaal ƒ 335.000,- reeds in eerste aanleg nader geconcretiseerd tot € 189.275,-. Bovendien is deze nadere concretisering volgens het onderdeel wel degelijk met relevante feiten en omstandigheden onderbouwd, nu daaraan het deskundigenrapport ten grondslag ligt. Ten slotte voert het onderdeel aan dat, voor zover de bedoelde overweging ten grondslag ligt aan het oordeel van het hof dat het redelijk en billijk is dat voor de waarde van de voormalige echtelijke woning van een bedrag van ƒ 335.000,- wordt uitgegaan, dit oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

2.12 Als, zoals ik meen, de in de onderdelen 2-5 vervatte klachten gegrond zijn, werkt dat door in de overweging die door onderdeel 8 wordt bestreden. Het oordeel van het hof dat [de man] in eerste aanleg, ongeacht de werkelijke waarde van de woning (en óók in het kader van een toescheiding van de woning aan de vrouw), daaraan een (vaste) waarde van f 335.000,- zou hebben toegekend, houdt in dat geval immers geen stand, waardoor ook de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden [de man] van een dergelijke waardering zou mogen terugkomen, niet aan de orde komt.

Zeker waar [de vrouw] het standpunt van [de man] (in welke zin dat ook moet worden verstaan) is blijven bestrijden en tussen partijen nimmer enige overeenstemming over de waarde van de woning heeft bestaan, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, overigens niet in te zien waarom [de man] (in eerste aanleg of in hoger beroep) slechts onder het stellen van relevante feiten en omstandigheden van een waardering zoals door het hof bedoeld zou mogen terugkomen en waarom, als de eis van zulke relevante feiten en omstandigheden al zou mogen worden gesteld, daaraan in het gegeven geval niet zou zijn voldaan.

Dat, zoals het hof in rov. 2 van het tussenarrest van 27 april 2005 heeft overwogen, art. 3:185 BW aan de rechter een zekere mate van vrijheid ten aanzien van de bepaling van de prijs van in de verdeling te betrekken boedelbestanddelen toekent, impliceert naar mijn mening niet dat partijen zich in het processuele debat niet vrijelijk over die prijsbepaling zouden mogen uitlaten en hun stellingen dienaangaande in de lopende instantie of in hoger beroep niet binnen de daartoe in het algemeen gestelde grenzen zouden mogen wijzigen. Waarom het uitgangspunt van een verdeling die de rechter vaststelt, "rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang", tot een meer restrictief regime zou dwingen als een partij haar (nota bene door de wederpartij bestreden) stellingen met betrekking tot die prijsbepaling wil wijzigen, ontgaat mij. Voorts meen ik dat, als een dergelijke wijziging al een rechtvaardiging behoeft, die rechtvaardiging bij uitstek kan zijn gelegen in het door de rechter gevraagde oordeel van een onafhankelijke deskundige over de waarde van de litigieuze boedelbestanddelen, waaraan de betrokken partij haar stellingen vervolgens wil aanpassen. Ten slotte teken ik aan dat de door het hof bedoelde vrijheid, die de rechter onder meer toestaat de marktwaarde van de betrokken boedelbestanddelen niet zonder meer bepalend te laten zijn, hem in beginsel niet ontslaat van de verplichting die marktwaarde (correct) vast te stellen, buiten het geval waarin hij, deugdelijk gemotiveerd, van het uitgangspunt van de marktwaarde afwijkt of partijen het over een dergelijke afwijking eens zijn.

2.13 Onderdeel 9 voert tegen de hiervóór onder 2.10 geciteerde overweging aan dat, voor zover het hof daarmee heeft bedoeld dat [de man] zijn stelling in eerste aanleg niet op deze manier had mogen concretiseren, het tussenarrest van een onjuiste toepassing van het recht blijk geeft. In dat verband benadrukt het onderdeel dat het aanvullen van stellingen en de onderbouwing daarvan alsmede het wijzigen van een vordering gedurende een procedure is toegestaan, zo lang dit schriftelijk geschiedt en de procesgang niet verstoort.

2.14 Zoals in het voorgaande al ligt besloten, meen ik dat [de man] (ook) in de lopende instantie niet de bevoegdheid kon worden ontzegd naar aanleiding van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige van zijn eerdere afwijkende waardering van de woning (als daarvan al sprake was) terug te komen. In zoverre slaagt ook onderdeel 9.

2.15 Onderdeel 10 betoogt dat, voor zover het hof met de hiervóór onder 2.10 geciteerde overweging heeft bedoeld dat [de man] de juistheid van de waarde van ƒ 335.000,- gerechtelijk heeft erkend, dit oordeel een onjuiste toepassing van het recht zou opleveren. Onder verwijzing naar art. 154 Rv voert het onderdeel hiertoe aan dat de stelling omtrent de waarde van de woning geen stelling van zijn wederpartij betreft en dat hij de waarheid van deze stelling ook nooit uitdrukkelijk heeft erkend.

2.16 Naar mijn mening faalt dit onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Mede bezien in het licht van de door art. 154 lid 1 Rv aan een gerechtelijke erkentenis gestelde voorwaarden, biedt het tussenarrest geen aanknopingspunten voor de opvatting dat het hof de aan [de man] toegeschreven waardering van de woning op een (vast) bedrag van f 335.000,- als een gerechtelijke erkentenis in de zin van deze bepaling heeft opgevat.

2.17 Onderdeel 11 betoogt dat, voor zover het hof met de hiervóór onder 2.10 geciteerde overweging heeft bedoeld dat [de man] in hoger beroep zijn standpunt ten aanzien van de waarde van de echtelijke woning niet zou mogen wijzigen ten opzichte van het standpunt dat hij in eerste aanleg heeft ingenomen, het hof van een onjuiste toepassing van het recht heeft blijk gegeven. Het hoger beroep is, aldus het onderdeel, bij uitstek de procedure om eis en verweer aan te vullen alsmede om mogelijk in eerste aanleg begane omissies te herstellen.

2.18 Zoals in het voorgaande al ligt besloten, meen ik dat [de man] niet de bevoegdheid kon worden ontzegd naar aanleiding van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige in hoger beroep van zijn eerdere afwijkende waardering van de woning (als daarvan al sprake was) terug te komen. In zoverre slaagt ook onderdeel 11.

2.19 Onderdeel 12 bouwt voort op de daaraan voorafgaande klachten door te betogen dat, waar de hiervóór onder 2.10 geciteerde overweging van een onjuiste toepassing van het recht blijk geeft, althans ondeugdelijk is gemotiveerd, die overweging niet kan dienen als onderbouwing van het oordeel van het hof dat de woning op ƒ 335.000,- dient te worden gewaardeerd. Bij gegrondbevinding werken de klachten van de bedoelde onderdelen ook in de vaststelling van de in de verdeling te betrekken waarde op f 335.000,- door, zodat in zoverre ook onderdeel 12 slaagt.

2.20 Onderdeel 13 keert zich tegen de slotzin van rov. 2 van het tussenarrest dat grief 1 geen doel treft. Hiertoe betoogt het onderdeel dat alle omstandigheden die het hof heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn oordeel dat de woning op ƒ 335.000,- wordt gewaardeerd, op kennelijk onjuiste vaststellingen van de feiten berusten, althans op een onbegrijpelijke en ondeugdelijk gemotiveerde weergave van deze omstandigheden. Het onderdeel betoogt verder dat de gronden die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de woning op ƒ 335.000,- wordt gewaardeerd, van een onjuiste toepassing van het recht blijk geven althans ondeugdelijk zijn gemotiveerd.

Het onderdeel voegt mijns inziens geen nieuwe gezichtspunten toe aan hetgeen in de eerdere, ten dele reeds gegrond bevonden klachten naar voren is gebracht.

2.21 Onderdeel 14 stelt dat het hof grief I gegrond had moeten verklaren en de woning in zijn eindarrest in de verdeling had moeten betrekken tegen de door de deskundige vastgestelde waarde.

Gegrondbevinding van de eerdere klachten impliceert mijns inziens niet dat de waarde van de woning zonder meer kan worden gesteld op de waarde die de door de rechtbank benoemde deskundige heeft vastgesteld. Over de eerste grief van [de man] zal eerst kunnen worden geoordeeld na verwijzing en nader onderzoek, waarbij mede het door [de vrouw] naar aanleiding van die grief in hoger beroep gevoerde verweer in aanmerking zal moeten worden genomen.

2.22 Middel II verwijt het hof te hebben verzuimd te beslissen op de bij memorie van grieven opgeworpen stelling dat moet worden uitgegaan van de waarde zoals die in het op verzoek van beide partijen opgestelde deskundigenbericht aan de echtelijke woning is toegekend en dat partijen zich dienen te houden aan de taxatie van de deskundige die hiervoor door de rechtbank is benoemd. Volgens het middel had het hof ten aanzien van deze essentiële stellingen uitdrukkelijk een beslissing moeten nemen.

2.23 In zijn eerste grief heeft [de man] met betrekking tot de (relevantie van de) door de deskundige verrichte taxatie het volgend gesteld:

"De man wenst vast te houden aan het taxatierapport wat op verzoek van beide partijen in de onderhavige procedure werd opgesteld (...) waarbij aan de echtelijke woning een waarde werd toegekend van ƒ 417.109,02 (ƒ 417.107,21, LK). Het betreft hier een taxatie door een deskundige welke hiervoor door de rechtbank werd benoemd. De man is van oordeel dat partijen zich hebben te houden aan voormeld taxatierapport."

Naar mijn mening behoefde het hof niet uitdrukkelijk op het in de geciteerde passage vervatte betoog in te gaan, omdat dit betoog, waar partijen geenszins aan een deskundigenrapport als het onderhavige zijn gebonden, onmiskenbaar op een onjuiste rechtsopvatting berust; anders dan het middel veronderstelt, is er niets wat partijen belet in het vervolg van de procedure tegen een dergelijk rapport stelling te nemen. Overigens is ook de rechter niet zonder meer gehouden in overeenstemming met het rapport van de door hem (of in de vorige instantie) benoemde deskundige te beslissen.

Het in het middel vervatte verwijt mist ook daarom doel, omdat het hof, dat [de man] gebonden achtte aan de eerdere afwijkende waardering die het in zijn stellingen heeft gelezen, kennelijk van oordeel was dat het deskundigenrapport aan die binding niet afdeed, en omdat dit oordeel een verwerping van de door het middel bedoelde stellingen impliceert.

Ten slotte blijkt uit de in rov. 2 van het tussenarrest opgenomen overweging dat "uit het door de rechtbank benoemde deskundigenrapport (volgt) dat de waarde per 23 juli 1998 minimaal ƒ 335.000,- was", dat het hof bij zijn beslissing over de waarde van de woning de inhoud van het deskundigenrapport wel degelijk mede in aanmerking heeft genomen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De cassatiedagvaarding vermeldt als eerste voornaam kennelijk abusievelijk "[voornaam]".

2 Het bestreden eindarrest van het hof 's-Gravenhage van 24 mei 2006 vermeldt als eerste voornaam kennelijk abusievelijk "[voornaam]".

3 Zie rov. 1 van het arrest van het hof 's-Gravenhage van 27 april 2005 in samenhang met de rov. 1.1-1.3 van het tussenvonnis van de rechtbank Middelburg van 14 februari 2001.

4 Bij beschikking van 4 december 1996 heeft de rechtbank Middelburg, bij wijze van voorlopige voorziening, bepaald dat [de vrouw] bij uitsluiting tot het gebruik van de echtelijke woning zal zijn gerechtigd; zie prod. IX bij de conclusie van repliek tevens inhoudende vermeerdering van eis.

5 In de cassatiedagvaarding wordt als tegenwaarde in guldens mijns inziens niet geheel correct een bedrag van ƒ 417.109,01 genoemd.

6 In deze aangepaste verdeling is tevens het volgens beide partijen juiste nummer van de rendementsrekening vermeld.

7 De cassatiedagvaarding is op 24 augustus 2006 betekend, terwijl het bestreden (eind)arrest van 24 mei 2006 dateert.

8 Parlementaire Geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek (1981), p. 619 (MvA II); M.J.A. van Mourik, Gemeenschap (2006), p. 83; Vermogensrecht, aant. 6 bij art. 185 (H.H. Lammers, 2006).

9 Vermogensrecht, aant. 6 bij art. 185 (H.H. Lammers, 2006); T&C BW (2007), art. 3:185 BW, aant. 2, p. 1595 (T.J. Mellema-Kranenburg).

10 M.J.A. van Mourik, Gemeenschap (2006), p. 83; M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), hoofdstukken 5.8.1 en 5.8.5.

11 Zie HR 17 april 1998, NJ 1999, 550, m.nt. WMK onder NJ 1999, 551, en HR 12 oktober 2001, NJ 2003, 534, m.nt. WMK.

12 HR 12 oktober 2001, NJ 2003, 534, m.nt. WMK; zie voorts: Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 101, W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), par. 4.7.3.3, p. 46.

13 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 169 en W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), p. 49.

14 Onderdeel 6 noemt als taxatiewaarde in guldens ƒ 417.109,02, maar dit is m.i. niet juist; zie voetnoot 5.