Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3795

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
02534/06 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3795
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 285
RvdW 2008, 440

Conclusie

Griffienr. 02534/06 E

Mr Wortel

Zitting:11 december 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, opzettelijk begaan" is veroordeeld tot een geldboete van € 720, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door veertien dagen hechtenis

2. Namens verzoeker heeft mr M.F.J. Martens, advocaat te Rosmalen, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Die schriftuur bevat - met reden - inleidende beschouwingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit beroep.

Het arrest is op tegenspraak gewezen. Bij het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting is verzoeker (uiteraard) medegedeeld op welke dag en hoe laat uitspraak zou worden gedaan. Die zitting was op 6 maart 2006, en de uitspraak is (dus) gedaan op 20 maart van dat jaar. Het cassatieberoep had volgens art. 432, eerste lid, Sv uiterlijk 3 april 2006 (een maandag, geen officiële feestdag) moeten zijn ingesteld. Het beroep is echter pas op 10 april 2006 ingesteld door een griffiemedewerker, op grond van een brief van verzoeker die op dezelfde dag ter griffie is binnengekomen.

4. In de schriftuur wordt gesteld dat verzoeker niettemin ontvankelijk moet worden geacht in dit beroep omdat hij binnen de beroepstermijn (telefonisch) te kennen heeft gegeven dat hij niet in de uitspraak wilde berusten. Dat moet volgens de steller van de middelen worden afgeleid uit de brief van verzoeker die ter griffie van het Hof is opgevat als volmacht/opdracht tot het instellen van cassatie en aan de cassatieakte is gehecht.

5. Die brief is gedateerd 5 april 06, als gezegd ter griffie binnengekomen op 10 april 2006, en luidt:

"Na het telefoongesprek het volgende:

Ik heb op 20-03-06 gebeld voor de uitspraak.

Ik was het hiermee niet eens en heb gevraagd om de stukken op te sturen want faxen kon niet volgens de meneer.

Op 05-04 had ik nog niets. Ik heb gebeld waar de stukken bleven.

Waren niet opgestuurd dit kon niet volgens de mevrouw.

Dit moest schriftelijk worden aangevraagd.

Ook was het beroepstermijn verstreken.

Dit kan toch niet. Ik behoor toch goed voorgelicht te worden.

Als zij het al niet weten hoe moeten wij het dan weten?

Ik wil wel beroep aantekenen want ik ben het met de uitspraak niet eens."

6. Op grond van deze brief kan zeker worden aangenomen dat verzoeker op 20 maart 2006 naar de griffie heeft gebeld en dat hem bij die gelegenheid is medegedeeld welke uitspraak het Hof in deze zaak had gedaan.

7. Verder ben ik onmiddellijk bereid van verzoeker aan te nemen dat hij toen, en nogmaals op 5 april 2006, om toezending van "de stukken" heeft gevraagd maar niet (prompt) een afschrift van de uitspraak heeft gekregen. Een beschamend zwak punt van onze justitiële bureaucratie is dat verdachten niet als volwaardige, zelfstandige wederpartij worden herkend. Kopiestukken naar de advocaat kennen we, en die krijgt na de uitspraak volautomatisch bericht. Dat is allemaal secuur in de instructies geregeld. Maar een verdachte die zelf afschrift van de stukken in zijn eigen zaak wil hebben, of na de uitspraak om een kopie vraagt, dat kennen we niet. Dan ontstaat grote verwarring. Moet daar niet voor betaald worden? Is er geen toestemming van de EMA, de UNCO of misschien zelfs van de kamervoorzitter nodig om zomaar een uitspraak naar een particulier te sturen? Uiteindelijk gebeurt er dan al te vaak niets, puur omdat onze organisatie verdachten alleen kent als degene aan wie de dagvaarding en zonodig, stipt volgens de instructies, een 'mededeling uitspraak' moet worden betekend, maar niet als een belanghebbende met een brievenbus. Dat ligt overigens ook wel aan de wet. Naar luid van art. 365, derde lid, laatste zin, Sv is het nog altijd de voorzitter die desgevraagd een afschrift van het vonnis (en het proces-verbaal) verstrekt. Dat is natuurlijk een archaïsme, want als de verdachte een kopie van de uitspraak thuisgestuurd wil hebben heeft hij daar gewoon recht op. Zelfs de voorzitter heeft op dat punt niets te beslissen.

8. Ik ben er echter niet van overtuigd dat op grond van verzoekers brief van 5 april 2006 kan (of zelfs moet) worden aangenomen dat verzoeker in het telefoongesprek dat hij op 20 maart 2006 met de griffie van het Hof voerde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven dat hij in cassatie wilde komen. Aangenomen dat verzoeker in dit telefoongesprek heeft gezegd dat hij "het er niet mee eens was" is dat nog geen ondubbelzinnige mededeling dat verzoeker het hogerop wilde zoeken. Daarbij kan zijn vraag om "de stukken" thuisgestuurd te krijgen ook de indruk hebben gewekt dat verzoeker de zaak nog eens wilde bekijken.

9. Het staat dus niet vast dat verzoeker binnen de daarvoor geldende termijn duidelijk heeft gemaakt dat hij in cassatie wilde gaan, en evenmin dat verzoeker binnen diezelfde termijn van de griffie onjuiste mededelingen heeft gekregen betreffende de manier waarop en de termijn waarbinnen dat diende te geschieden.

Het was verzoekers eigen verantwoordelijkheid tijdig te achterhalen hoe en wanneer hij tegen de uitspraak van het Hof kon opkomen, maar in afwachting van "de stukken" heeft hij de zaak op zijn beloop gelaten. Pas met zijn brief van 5 april 2006, die overigens pas op 10 april 2006 per post en (blijkens een door de faxapparatuur afgedrukte tekstregel) per fax bij de griffie van het Hof is ontvangen, heeft verzoeker protest aangetekend. Toen was de termijn van art. 432, eerste lid, Sv al verstreken, en dat is niet aan (onjuiste mededelingen van) justitie te wijten.

10. In dit cassatieberoep kan verzoeker derhalve niet worden ontvangen. Als schrale troost voeg ik daar aan toe dat het beroep naar mijn inzicht geen enkele kans van slagen had gehad. De bewezenverklaring houdt kort gezegd in dat verzoeker een onkruidbestrijdingsmiddel (glyfosaat, bij de fanatiekere tuinier bekend als 'Roundup') heeft gespoten op het talud van een sloot. In de cassatieschriftuur wordt er ten eerste over geklaagd dat de opsporingsambtenaren bij de monsterneming een lege colafles hebben gebruikt, en dat er geen contra-expertise heeft kunnen plaatsvinden. Voor zover uit de stukken valt op te maken heeft verzoeker echter niet tijdig om een contra-expertise gevraagd. Verder heeft verzoeker over de lege colafles gesproken, maar het Hof heeft vastgesteld dat de monsters behoorlijk verpakt en verzegeld waren. Dat volgt uit de bewijsmiddelen, en in cassatie zou dit punt niet meer aan de orde kunnen komen. Overigens ben ik het voor de goede orde even nagegaan: volgens de rapporten van het laboratorium zijn de monsters daar ontvangen in plastic verpakkingen, verzegeld in "verzegelzakken" van de AID. Verder wordt er in de cassatieschriftuur over geklaagd dat verzoeker geen gelegenheid heeft gekregen getuigen te (laten) ondervragen. Je moet maar durven. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij er om persoonlijke redenen vanaf had gezien een getuige op te roepen, waarna de voorzitter verzoeker nog eens nadrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld getuigen op te geven. Verzoeker heeft daarop gezegd dat het Hof maar moest doen wat het beste leek. Ook op dit punt zou het cassatieberoep dus kansloos zijn.

11. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker in dit cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,