Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3792

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
01268/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3792
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De klacht dat het Hof heeft volstaan met het opmaken van een verkort p-v mist feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 376
JOL 2008, 159
RvdW 2008, 695
NJB 2008, 689
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01268/07

Mr Wortel

Zitting:11 december 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, waarbij verzoeker wegens (1 primair) "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" en (2) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Voorts heeft het Hof verzoeker ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen ontzegd voor de duur van 24 maanden, en een inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel heeft betrekking op een mededeling in het (uitgewerkt) proces-verbaal van de op 24 maart 2006 gehouden terechtzitting van het Hof, luidende:

"De afwikkeling van deze cassatie heeft onwenselijk lang op zich laten wachten om reden dat de aantekeningen van de griffier, gemaakt bij gelegenheid van de behandeling van het hoger beroep, zoek raakten en, zonder succes, tijd genomen werd om die aantekeningen terug te vinden. Een verantwoordelijke reconstructie van hetgeen op de zitting van 24 maart 2006 is voorgevallen die wezenlijk meer behelst dan hetgeen is vermeld in het verkort proces-verbaal blijft daarom achterwege. De in de laatste alinea op bladzijde 2 van het arrest onder het kopje 'Strafbaarheid van verdachte' opgenomen overweging berust mede op uitlatingen van verdachte ter zitting van het hof"

4. In het verkort proces-verbaal van deze terechtzitting is te vinden:

- hoe het Hof was samengesteld en wie het Openbaar Ministerie vertegenwoordigde, en voorts dat;

- de voorzitter de zaak heeft doen oproepen, verzoeker, ter terechtzitting aanwezig, zijn personalia heeft genoemd/bevestigd en is vastgesteld dat als diens raadsman aanwezig was mr W.C. den Daas, advocaat te Utrecht;

- ter terechtzitting voorts aanwezig was [betrokkene 1], de moeder van het slachtoffer, die opgaf als diens wettelijke vertegenwoordiger een verklaring te willen afleggen;

- de voorzitter de verdachte heeft geïnstrueerd dat deze oplettend diende te zijn maar niet verplicht was vragen te beantwoorden;

- de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen;

- de voorzitter mondeling de korte inhoud van de stukken heeft medegedeeld;

- de raadsman aan het hof heeft overgelegd

"twee lege medicijndoosjes van respectievelijk carbamazepine en amotrigine, een bijsluiter van het medicijn carbamazepine en een brief van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, gedateerd 22 maart 2002";

- de verdachte een verklaring heeft afgelegd, welke verklaring in dit verkorte proces-verbaal niet is opgenomen;

- de wettelijke vertegenwoordiger van het slachtoffer een verklaring heeft afgelegd overeenkomst een brief die zij aan het Hof heeft overgelegd;

- de advocaat-generaal zijn vordering heeft voorgelezen waarna hij die aan het Hof heeft overgelegd;

- de verdachte en de raadsman het woord ter verdediging hebben gevoerd.

5. Het uitgewerkt proces-verbaal verschilt op de navolgende punten van de verkorte versie:

- aan de mededeling dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen is toegevoegd dat hij een lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen heeft overgelegd;

- het bevat de mededeling van de verdachte dat hij in hoger beroep is gekomen omdat hij het met de veroordeling niet eens was;

- het bevat een opsomming van de stukken van het voorbereidend onderzoek waarvan de voorzitter de korte inhoud heeft medegedeeld;

- het bevat de hierboven, onder 3, weergegeven opmerking;

- aan de mededeling (in het verkort proces-verbaal) dat de verdachte en de raadsman het woord ter verdediging hebben gevoerd is toegevoegd:

"De raadsman betoogt dat het rijgedrag van verdachte zijn oorzaak vindt in een epileptisch insult. Verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.";

- het bevat de mededelingen dat aan de verdachte en diens raadsman het laatste woord is gelaten, de voorzitter het onderzoek heeft gesloten en dag en uur van de uitspraak heeft aangekondigd, waarna de verdachte opgaf niet bij die uitspraak aanwezig te zullen zijn.

6. In de bestreden uitspraak is onder "strafbaarheid van de verdachte" onder meer overwogen:

"Volgens de raadsman vindt het rijgedrag van verdachte zijn oorzaak in een epileptisch insult. Verdachte moet, aldus de raadsman, worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit verweer treft geen doel reeds omdat niet vaststaat dat verdachte toen inderdaad is getroffen door een insult. Overigens zou, ook indien wel sprake is geweest van een insult, de schuld van verdachte niet worden weggenomen en het verweer niet slagen. Bij verdachte was immers reeds een aantal jaren voor het ongeval epilepsie vastgesteld. Hem was in verband met zijn ziekte medicatie voorgeschreven. Ondanks deze medicatie had hij met enige regelmaat en zonder dat hij vooraf merkte dat dit stond te gebeuren een epileptisch insult gekregen. Hij wist dan ook dat het risico bestond van een plotseling insult op het moment dat hij op de dag van het ongeval zijn auto ging besturen. Door met deze wetenschap niettemin als bestuurder van een auto (bij uitstek een vervoersmiddel waarbij het van belang is dat de bestuurder dat onder controle heeft en kan houden) toch aan het verkeer te gaan deelnemen, heeft verdachte hoe dan ook zeer onvoorzichtig en derhalve verwijtbaar gehandeld en zou om die reden zijn schuld aan het ongeval, ook als inderdaad sprake zou zijn geweest van een epileptische aanval, niet worden weggenomen"

7. Het middel klaagt over schending van art. 6 EVRM en de art. 327a en 415 Sv, doordien het Hof ook na het instellen van het cassatieberoep "heeft volstaan met een verkort proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep".

8. Bij een onwelwillende benadering zou koeltjes vastgesteld kunnen worden dat het middel faalt omdat het feitelijke grondslag ontbeert.

De zojuist genoemde, op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden, stukken laten er immers geen misverstand over bestaan dat het Hof na het instellen van het cassatieberoep een stuk heeft opgesteld en bijgevoegd dat de functie moet vervullen van de in het derde lid van art. 327a Sv voorgeschreven aanvulling op het reeds vastgestelde verkorte proces-verbaal van de terechtzitting.

9. Nu dit bijgevoegde stuk ten minste inhoudt dat het de verslaglegging belichaamt van hetgeen is voorgevallen tijdens de op 24 maart 2006 gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof te Arnhem, en voorts dat het is vastgesteld en ondertekend door de voorzitter van die kamer, kan niet aanstonds worden gezegd dat het stuk in zijn verschijningsvorm een zodanig defect vertoont dat het nimmer als het in art. 326 Sv bedoelde proces-verbaal kan worden aangemerkt.

10. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat niet alleen de aantekeningen van de griffier verdwenen waren, maar de griffier zelf kennelijk ook niet meer bereikbaar was, hetgeen besloten lijkt te liggen in de mededeling dat het (uitgewerkte) proces-verbaal door de voorzitter is vastgesteld en ondertekend en de griffier daartoe buiten staat was.

In de tweede volzin van art. 327 Sv is immers nadrukkelijk bepaald dat het proces-verbaal ook zonder medewerking van de griffier kan worden vastgesteld voor zover die "tot een en ander buiten staat is". Aangenomen kan worden dat de wetgever hier met "een en ander" heeft gedoeld op het vaststellen van de tekst, het ondertekenen, of desnoods beide.

11. Het Hof heeft dus een document bij de stukken gevoegd dat onmiskenbaar bedoeld is als de in art. 327a, derde lid, Sv voorgeschreven aanvulling op het verkorte proces-verbaal, terwijl niet onmiddellijk kan worden vastgesteld dat het stuk onmogelijk voor een dergelijk, bevoegd en in wettige vorm opgemaakt, proces-verbaal kan doorgaan.

Resteert de vraag of de in dit proces-verbaal gesignaleerde inhoudelijke onvolledigheid meebrengt dat het stuk niet aan de in art. 326 Sv gestelde vereisten voldoet.

12. Het verkort proces-verbaal en het als de in art. 327a, derde lid, Sv bedoelde aanvulling bijgevoegde stuk, tezamen beschouwd, wijzen uit dat het onderzoek in hoger beroep is uitgevoerd door een kamer van drie raadsheren, bijgestaan door een griffier en in tegenwoordigheid van een advocaat-generaal; dat verzoeker is verschenen en zijn identiteit is vastgesteld; dat ook is vastgesteld dat een advocaat als raadsman aanwezig was; dat verzoeker op zijn zwijgrecht is gewezen; dat (en welke) stukken van het voorbereidend onderzoek zijn voorgehouden; dat verzoeker in de gelegenheid is gesteld een verklaring af te leggen; dat (de vertegenwoordigster van) de benadeelde partij het woord heeft kunnen voeren; dat er is gerequireerd en gepleit; dat het laatste woord van de verdediging is gerespecteerd, en het onderzoek is gesloten onder mededeling van dag en uur van de uitspraak. Voorts stellen deze stukken in staat om na te gaan dat de einduitspraak is gedaan door de raadsheren die aan het onderzoek ter terechtzitting hebben deelgenomen.

13. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat er sprake is van een substantieel vormverzuim omdat niet adequaat kan worden nagegaan of procespartijen een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv hebben ingenomen.

14. Ik ben een andere mening toegedaan.

De vordering van de advocaat-generaal is aan de bestreden uitspraak gehecht zodat de inhoud daarvan duidelijk is en tevens vaststaat dat het Hof die vordering in aanmerking heeft genomen.

Voorts kan op grond van het verkort proces-verbaal (met de mededeling dat de raadsman de verpakking van medicijnen et cetera heeft overgelegd), de aanvulling op dat proces-verbaal (met een korte samenvatting van een bij pleidooi gevoerd betoog) en de bestreden uitspraak (met de hierboven weergegeven samenvatting en bespreking van een gevoerd verweer) worden vastgesteld dat het Hof een afzonderlijk gemotiveerde beslissing heeft gegeven op een ter terechtzitting gevoerd verweer.

In de toelichting op het middel is niet gesteld dat het bij arrest verworpen verweer op één of meer essentiële punten is misbegrepen of onvolledig weergegeven, dan wel nog andere verweren zijn gevoerd dan in de uitspraak samengevat en verworpen. Het kan er daarom voor gehouden worden dat er geen andere verweren zijn gevoerd dan in de bestreden uitspraak genoemd.

15. Uit een en ander kan worden afgeleid dat de onvolledigheid van de in art. 327a, derde lid, Sv bedoelde aanvulling op het proces-verbaal beperkt is gebleven tot de weergave van verzoekers ter terechtzitting afgelegde verklaring, met dien verstande dat in elk geval duidelijk is dat verzoeker bij het Hof heeft betoogd dat hij bij het besturen van de auto is bevangen door een epileptische aanval en dat hij zich daarom niet schuldig acht aan grove onvoorzichtigheid.

Ook ten aanzien van verzoekers eigen verklaringen ter zitting van het Hof houdt de toelichting op het middel niet de stelling in dat verzoeker aldaar nog andere standpunten heeft betrokken die een afzonderlijk gemotiveerde beslissing hadden gevergd.

16. Gelet op het bovenstaande is niet aannemelijk dat de onvolledigheid in het uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting een zó grote mate van onzekerheid laat bestaan omtrent hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen, dan wel zó veel twijfel laat over de naleving van motiveringsverplichtingen, dat aan dit proces-verbaal de gebruikelijke rechtskracht moet worden ontzegd of vernietiging van de bestreden uitspraak aangewezen is.

Het middel faalt.

17. Het tweede middel behelst de klacht dat de in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de gedingstukken te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

In aanmerking genomen dat het cassatieberoep is ingesteld op 21 april 2006, terwijl de stukken van het geding eerst op 26 april 2007, derhalve ruim twaalf maanden later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht opgeworpen.

18. Naar aanleiding van het eerste middel merkte ik reeds op dat de in art. 327a, derde lid, Sv bedoelde aanvulling op het proces-verbaal van de terechtzitting een reden voor die vertraagde inzending van de gedingstukken noemt: men heeft enige tijd vruchteloos gezocht naar de aantekeningen van de griffier. Ik neem aan dat de Hoge Raad hierin geen (volledige) rechtvaardiging voor het oponthoud bij de inzending van de gedingstukken zal willen zien.

Strafvermindering zal dus aangewezen zijn.

Teneinde de gevolgen van de vertraagde inzending nog zo veel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, vermindering van de opgelegde (hoofd-)straf(fen) ter compensatie van het overschrijden van de redelijke termijn in deze procesfase, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,