Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3785

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
01163/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3785
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 EVRM, ‘impartial tribunal’. De bestreden uitspraak is mede gewezen door een raadsheer die bij de behandeling van de zaak van de mededader door de Rb als OvJ is opgetreden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter i.d.z.v. art. 6.1 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Een algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als voormeld, valt niet te geven. Wel wijst de HR op EHRM 15-12-05 (Kyprianou tegen Cyprus). De betrokkenheid van de raadsheer als OvJ bij de strafzaak van de mededader levert een uitzonderlijke omstandigheid op als hiervoor bedoeld. De klacht dat i.c. niet is voldaan aan het vereiste van berechting door een onpartijdig gerecht i.d.z.v. art. 6.1 EVRM is dus gegrond. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 150
NJ 2008, 211
JOL 2008, 247
RvdW 2008, 404
NJB 2008, 875

Conclusie

Griffienr. 01163/07

Mr Wortel

Zitting:11 december 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker in het door het Openbaar Ministerie ingestelde hoger beroep, voor zover de zaak daardoor aan het oordeel van het Hof was onderworpen, wegens

(1 primair en 2) "de voortgezette handeling van: poging tot zware mishandeling en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en (4) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

2. Namens verzoeker hebben mrs G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat verzoeker geen eerlijk proces heeft gehad omdat er bij de berechting in hoger beroep geen sprake is geweest van een "impartial tribunal", alles in de zin van art. 6 EVRM.

Het bezwaar wordt aangevoerd dat één van de raadsheren die de kamer van het Hof vormden enkele jaren tevoren ter terechtzitting van de Amsterdamse Rechtbank als officier van justitie is opgetreden bij de berechting van een mededader, terwijl in beide zaken de bewezenverklaring inhoudt dat verzoeker en die mededader de feiten tezamen hebben gepleegd en de betreffende raadsheer, toen hij nog officier van justitie was, een naaste collega was (in dezelfde afdeling van het arrondissementsparket) van de officier van justitie die leiding gaf aan het vooronderzoek.

4. Over de aldus samengevatte (processuele) feiten kan geen onzekerheid bestaan. Ik hoef daar verder niet op in te gaan: het staat wel vast dat deze zaak en die zaak tegen de mededader betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex, en de beide verdachten als medeplegers zijn veroordeeld (het betreft in deze zaak vanzelfsprekend de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten).

5. Opmerking verdient dat het Hof zijn onderzoek in de zaak tegen verzoeker heeft geopend ter terechtzitting van 21 september 2004, op welke zitting de raadsman een kopie heeft overgelegd van het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank waarop de zaak tegen de mededader [medeverdachte] is behandeld. Uiteraard is in het op deze terechtzitting overgelegde (kopie-) proces-verbaal te vinden wie bij de behandeling van de zaak tegen [medeverdachte] als officier van justitie fungeerde. Overigens was het Hof tijdens die zitting van 21 september 2004 anders samengesteld, en maakte de bestreffende raadsheer, mr D, nog geen deel van de kamer uit.

Er is nog een terechtzitting geweest op 21 december 2004, bij welke gelegenheid het Hof een getuige heeft gehoord, maar het onderzoek vervolgens opnieuw moest aanhouden omdat de andere opgeroepen getuige ([medeverdachte]) niet was verschenen.

Bij de hervatting van het onderzoek, op 12 april 2006, zat het Hof in de samenstelling waarin het arrest heeft gewezen. Vanaf dat moment (er is nog een zitting geweest op 26 april 2006) zat mr D dus in de kamer. Men moet aannemen dat die kamer kennis had genomen van het op de eerdere zitting overgelegde (kopie-) proces-verbaal, zodat het Hof zich ervan bewust was dat mr D daarin als officier van justitie is genoemd. Ook zonder dat bijgevoegde proces-verbaal zou mr D zich allicht nog hebben herinnerd dat hij een kleine drie jaar tevoren in de zaak tegen de mededader als zittingsofficier was opgetreden.

6. In cassatie zal er daarom vanuit moeten worden gegaan dat mr D en zijn kamergenoten er bewust voor hebben gekozen de zaak in deze samenstelling verder te behandelen en af te doen, zodat het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat mr D's bemoeienis met de zaak tegen de mededader in de vorige instantie hem niet behoeft te verhinderen aan de berechting van verzoeker in hoger beroep deel te nemen.

7. Dat wordt in de toelichting op het middel omstandig aangevochten met verwijzing naar Haagse en uiteraard ook Straatsburgse jurisprudentie.

8. Bij beoordeling van deze klacht moet een uitgangspunt vooropgesteld worden dat inmiddels zó vaak in precies dezelfde bewoordingen is herhaald dat het saai begint te worden. Het belang daarvan is er echter niet minder om: een rechter moet uit hoofde van zijn aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de desbetreffende rechter een vooringenomenheid jegens de verdachte koestert, althans de vrees van de verdachte voor zulke vooringenomenheid gerechtvaardigd is.

9. De gedachte is dat de professionaliteit van een rechterlijk ambtenaar meebrengt dat hij goed in staat is elke zaak op z'n eigen mérites te beoordelen, en dat hij zich los kan maken van indrukken, twijfels en overtuigingen die bij de behandeling van andere zaken tegen andere verdachten zijn ontstaan, zelfs indien die zaken om hetzelfde feitencomplex gingen. Op de keper beschouwd zijn beslissingen in afzonderlijk behandelde strafzaken namelijk nooit volledig identiek. De afweging is steeds afhankelijk van de specifieke belangen van degene die op dat moment terechtstaat, in het licht van hetgeen hem in die bepaalde zaak wordt verweten. Zoals de Hoge Raad meermalen heeft toegelicht "Het behoort immers tot de normale, wettelijke taak van de rechter die heeft te beslissen omtrent de in art. 348 en 350 Sv vermelde vragen, daarbij slechts te oordelen op de grondslag van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dienaangaande, en daarbij hetgeen hij heeft beslist in andere zaken tegen andere verdachten buiten beschouwing te laten", vgl HR NJ 1998, 514, één van de zaken waarbij de inzet was of dezelfde rechters zich bij achtereenvolgende gelegenheden mogen bezighouden met het berechten van verschillende personen die een criminele organisatie hebben gevormd, althans herhaaldelijk misdrijven hebben medegepleegd.

10. Het gaat evenwel niet alleen om concrete aanwijzingen dat het daadwerkelijk aan deze professionele distantie heeft ontbroken. Ook de schijn van gebrek aan onbevangenheid dient vermeden te worden. Voor zover de Straatsburgse jurisprudentie ten aanzien van dit onderwerp iets aan de nationale rechtspraak toevoegt, is het naar mijn inzicht met name de nadruk op de noodzaak ook de schijn van vooringenomenheid te vermijden, vgl EHRM NJ 2007, 536. Daarbij komt het er natuurlijk op aan te bepalen wat in dit verband precies verstaan moet worden onder "appréhensions objectivement justifiées" of "objectief gerechtvaardigde vrees". Dat valt uit de casuïstiek van het EHRM nog niet zo gemakkelijk af te leiden. Aanvankelijk leek het EHRM onder een 'subjectief' gebrek aan onpartijdigheid te verstaan een reeds gedane uitspraak of reeds genomen beslissing waaruit een overtuiging spreekt ten aanzien van de schuld van de degene die nadien moet worden berecht, of ten aanzien van de ernst van het aan hem te maken verwijt, vgl. EHRM NJ 1990, 627 (Hauschildt). Onder 'objectieve' vrees voor vooringenomenheid werd daartegenover verstaan "certains faits vérifiables, indépendamment de la conduite personelle du juge" of "ascertainable facts, quite apart from the judge's personal conduct", vgl ook het zojuist genoemde EHRM NJ 2007, 536. Laatstgenoemde uitspraak is in dit verband evenwel verwarrend omdat het EHRM in die zaak vaststelde dat over de subjectieve onbevangenheid niet werd geklaagd, en vervolgens een "crainte d'un manque d'impartialité" afleidde uit de omstandigheid dat de betreffende rechters reeds uitspraak hadden gedaan op een beklag tegen (voortduren van) inbeslagneming, waarbij het EHRM met name belang toekende aan de gronden waarop het beklag was afgewezen. Terzijde opmerkend dat de gekozen formulering doet vermoeden dat voor het EHRM ook wezenlijk was dat de complete kamer van drie rechters eerder over het beklag had geoordeeld (zodat de kwestie misschien anders was beoordeeld als er op de hoofdzaak één of twee 'verse' rechters hadden gezeten), stel ik vast dat in deze recente uitspraak van het EHRM een objectief gebrek aan onbevangenheid lijkt te zijn afgeleid uit het eerder gegeven oordeel. Volgens EHRM NJ 1990, 627 zou dat juist als subjectieve uiting van vooringenomenheid zijn aangemerkt.

11. Ook opmerkelijk is dat het EHRM voorheen geen probleem zag in een rechter die zich eerder had uitgelaten over het voortduren van het voorarrest, ook al gaat het daarbij om een voorlopig oordeel over de ernst van de verdenking (bijvoorbeeld EHRM NJ 1993, 650). In EHRM NJ 2007, 536 is nu de (objectieve) schijn van vooringenomenheid afgeleid uit een eerder oordeel over de gronden voor (voortduren van) justitieel beslag, en ook daarbij ging het om een - naar zijn aard voorlopig - oordeel over de zwaarte van de verdenking.

Alles hangt natuurlijk altijd af van de feiten, ook (en juist) in Straatsburg. Het is denkbaar dat de Luxemburgse rechters wier optreden in EHRM NJ 2007, 536 werd gedesavoueerd zich bij hun beslissing op het verzoek om teruggave (van de automobiel die was inbeslaggenomen omdat de verdachte daar tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid in had gereden) in ongewoon harde bewoordingen hebben uitgelaten over het gedrag van de klager/verdachte. Niettemin valt mij op dat het EHRM zijn voorheen gehanteerde, vrij duidelijke onderscheid tussen subjectief (inhoud van een eerder gegeven beslissing) en objectief (gelet op de persoon van de rechter, los van zijn eerdere bemoeienis met de zaak) lijkt te hebben prijsgegeven. Als men hieruit inderdaad moet begrijpen dat het EHRM zijn toetsingscriteria aan het herzien is, moet ik bekennen dat ik geen idee heb waar dit college heen wil. Zo ben ik benieuwd of deze recente beslissing repercussies zal hebben voor de rechters die in het vooronderzoek hebben beslist over het voortduren van de voorlopige hechtenis (waaronder vele verdachten toch zwaarder zullen tuchten dan onder het justitieel beslag) en ook of nu nog enige betekenis overblijft voor EHRM NJ 1998, 184 (de rechters die bij verstek veroordeelden mogen ook in het daartegen ingestelde verzet rechtdoen, in aanmerking genomen dat zij volgens hun nationale wet op geen enkele wijze aan hun eerdere verstekvonnis gebonden zijn).

12. Hoe de verhouding tussen 'subjectieve toets' en 'objectieve toets' ook zij (of worden zal), in de benadering van het EHRM kan een gebrek aan onbevangenheid blijken uit hetzij eerdere uitspraken of beslissingen van de rechter, hetzij de met zijn persoon samenhangende omstandigheden.

13. Wat de eerdere uitspraken/beslissingen betreft is de constante in de rechtspraak van het EHRM dat die rechtstreeks betrekking moeten hebben op de thans te berechten verdachte. Slechts indien zulke eerdere uitspraken/beslissingen inhouden dat de rechter zich bij de eerdere gelegenheid al een oordeel heeft gevormd over de (bewijsbare) betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde, of over het verwijt dat hem ter zake gemaakt moet worden, diskwalificeren zij de betreffende rechter voor latere deelneming aan het berechten van die verdachte (vgl EHRM NJ 1998, 185). Andere uitspraken/beslissingen die de rechter eerder heeft gedaan/genomen tasten zijn veronderstelde onbevangenheid niet aan, ook al hebben zij op de één of andere wijze betrekking op de feitelijke of juridische achtergrond van het aan de verdachte gemaakte verwijt, zoals het geval is bij de voorafgaande berechting van mededaders.

14. Wat de met de persoon van de rechter samenhangende omstandigheden betreft zal gedacht moeten worden aan omstandigheden die de schijn kunnen wekken dat diens oordeelsvorming niet uitsluitend wordt bepaald door het partijdebat en de gedingstukken. In dit verband zijn te noemen EHRM NJ 2007, 303 (lid van de hoogste bestuursrechter was kandidaat voor een leidinggevende positie bij het ministerie dat zich in het geding moest verantwoorden), EHRM NJ 2004, 15 (de adviserende taak van de Nederlandse Raad van State diskwalificeert hem niet zonder meer als hoogste bestuursrechter, maar het EHRM vindt het allemaal niet zo vanzelfsprekend als de Nederlandse regering) en EHRM 26 september 2007, Appl. No. 32263/03 (lid van het hoogste college had partijen moeten informeren over een voorval in de privé-sfeer waarbij hij in conflict was geraakt met - een orgaan van - de instelling wier handelen aan zijn oordeel was onderworpen).

15. De Nederlandse rechtspraak volgt - niet verbazend - dezelfde lijn, zij het dat er bij mijn weten slechts één zaak is waarin de Hoge Raad een objectieve, aan de persoon van de rechter verbonden, schijn van gebrek aan onbevangenheid heeft aangenomen. Alle andere Nederlandse uitspraken die ik vond hebben betrekking op (de schijn van) vooringenomenheid wegens eerdere beslissingen in de brede context van de procedure, al dan niet met toepassing van art. 268 lid 2 Sr. Buiten het toepassingsgebied van art. 268, tweede lid Sr wordt maar zelden aangenomen dat eerdere beslissingen de schijn van vooringenomenheid kunnen wekken. Over het algemeen is de eerdere betrokkenheid bij de berechting van mededaders geen probleem (HR NJ 1992, 676, HR NJ 1996, 644), ook niet indien de als laatste te berechten verdachte in het reeds gewezen vonnis met zoveel woorden als mededader is genoemd (vgl ook HR 31 oktober 2000, LJN AA7956 en HR NJ 2004, 498).

16. Terzijde merk ik op dat deze jurisprudentiële lijn voor de strafrechtelijke praktijk van niet te onderschatten belang is. Bij een ander uitgangspunt zouden rechtbanken en hoven acuut in de problemen komen met strafzaken waarin het Openbaar Ministerie art. 140 Sr van stal heeft gehaald of waarin sprake is van (herhaald) mededaderschap (zoals in HR NJ 1996, 752). Zou worden aangenomen dat een rechter die eenmaal op zo'n zaak heeft gezeten zich verre moet houden van de berechting van andere betrokkenen bij hetzelfde feitencomplex, dan zou kostbare dossierkennis onbenut blijven en de rechterlijke macht bovendien genoopt zijn een omslachtig systeem van confraternele bijstand op touw te zetten.

17. Er is echter een grens. Die wordt overschreden indien blijkt dat de betreffende rechter(s) zich bij de eerdere gelegenheid nadrukkelijk heeft (hebben) uitgelaten over de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van degene die als laatste terechtstaat, vgl HR NJ 1998, 187. Daarbij past overigens de kanttekening dat de Hoge Raad zijn beslissing baseerde op een samenval van bijzonderheden. In dit arrest is benadrukt dat het in de eerdere zaak reeds gegeven bewijsoordeel een verklaring betrof waarop de verdachte was teruggekomen, stellende dat zijn (ook voor de mededaders belastende) verklaring slechts door intimidatie of manipulatie van de politie op papier was gekomen. Deze uitspraak kan in verband worden gebracht met HR NJ 2005, 241: het eerder gegeven oordeel over de geloofwaardigheid van verdachtes ontkenning berustte op de waardering van ander, technisch bewijs, en daarom kan erop worden vertrouwd dat dezelfde rechters die afweging volledig opnieuw zullen willen maken.

18. De ene zaak uit de Nederlandse jurisprudentie waarin de achtergrond van de rechter doorslaggevend werd geacht wordt in de toelichting op het middel uiteraard uitgebreid aangehaald. Het gaat om HR NJ 2000, 335 betreffende de rechter (rechter-plaatsvervanger) in de Bossche Rechtbank H. die tevens officier van justitie in Utrecht was, en in die laatste hoedanigheid een naaste collega van de openbare aanklager Ten H. Die was enige tijd tevoren overgeplaatst van Den Bosch naar Utrecht, maar had in Den Bosch nog enkele zaken afgerond. Dat betrof juist de zaken waarop haar Utrechtse collega als rechter zat.

De Hoge Raad oordeelde dat

"gelet op de hiervoor omschreven betrokkenheid van mr [Ten H.] als officier van justitie bij beide zaken [...] de omstandigheid dat de rechter mr [H] evenals mr [Ten H] ten tijde van de berechting van de zaken in eerste aanleg als officier van justitie deel uitmaakte van het Arrondissementsparket te Utrecht een uitzonderlijke omstandigheid [oplevert] als hiervoor [...] bedoeld"

waarin met "uitzonderlijke omstandigheid" uiteraard is gedoeld op de uitzonderlijke omstandigheid waarin het vermoeden van een professionele, onbevangen taakvervulling moet wijken, althans naar objectieve maatstaven vrees kan bestaan voor een zekere vooringenomenheid.

De betrokkenheid van officier van justitie Ten H bij de betreffende zaken is in de voorgaande overwegingen van de Hoge Raad niet nader omschreven. Daarin is slechts vastgesteld dat mr Ten H. als officier van justitie bemoeienis met die zaken heeft gehad. Men moet dus aannemen dat de standplaats bepalend werd geacht: degene die naast aanklager ook (plaatsvervangend) rechter is zal in de laatste hoedanigheid nooit mogen zitten op een zaak waarin een officier van justitie is opgetreden die (letterlijk) in hetzelfde parket zit.

19. In stilte vraag ik mij overigens af of hiermee geen schijnzekerheid wordt geboden. Iedere officier van justitie is van rechtswege in alle andere arrondissementen plaatsvervangend officier van justitie, en die bepaling benut het Openbaar Ministerie door een aantal taken door landelijk opererende afdelingen te laten verrichten. Bovendien is 'rechtshulp' tussen de arrondissementsparketten zo oud als de weg naar Kralingen, zodat het me niet bijster realistisch lijkt om aan te nemen dat het "collusiegevaar" bij een OvJ/rechter-plaatsvervanger beperkt is tot de contacten met collega-OvJ's die in hetzelfde parket zijn aangesteld.

20. Terugkerend naar het nu te beoordelen middel, volgt uit de zojuist besproken jurisprudentie dat mr D terecht heeft aangenomen dat het hem vrijstond verzoeker te berechten. Voor zover men het vroegere optreden van mr D als zittingsofficier op één lijn zou willen stellen met dat van een rechter moet worden vastgesteld dat mr D zich bij die gelegenheid niet heeft uitgelaten over de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van verzoeker. Dat blijkt althans niet uit het zittingsp-v van de Rechtbank dat bij de stukken van deze zaak is gevoegd.

Daarnaast had mr D, toen hij deelnam aan de berechting van verzoeker in hoger beroep, definitief de overstap naar de zittende magistratuur gemaakt. Met het Openbaar Ministerie had hij dus op dat moment geen functionele banden meer die naar (min of meer) objectieve maatstaven het vermoeden konden wekken dat mr D's oordeelsvorming werd beïnvloed door andere factoren dan de stukken van dit geding en het debat dat in deze zaak ter terechtzitting is gevoerd. De verwijzing naar HR NJ 2000, 335 gaat eenvoudigweg niet op.

21. Het laatste had ook met veel minder woorden vastgesteld kunnen worden. Deze uitvoerige beschouwingen heb ik mij veroorloofd omdat dit middel wil verleiden tot een uitermate onpraktische benadering. Zo de stellers ervan van oordeel zijn dat er met (voormalige) leden van het Openbaar Ministerie iets aan de hand is waardoor men die lieden beter niet kan vertrouwen, nodig ik hen gaarne uit om dat klip en klaar te zeggen. En uiteraard terstond met krachtige argumenten te onderbouwen. Doch als we het er over eens kunnen zijn dat de professionele integriteit van leden van het Openbaar Ministerie geen punt van discussie is, dan zou de in dit middel gekozen zienswijze net zo hard gelden voor ex-advocaten. In de beide beroepsgroepen worden regelmatig gewaardeerde rechters gevonden, maar het slagen van dit middel zou impliceren dat een uit de advocatuur afkomstige rechter zich tot in lengte van jaren verre moet houden van elke zaak waarin een voormalige kantoorgenoot de verdediging van één van de (mede)verdachten heeft gevoerd, net zoals elke uit het Openbaar Ministerie afkomstige rechter zich zou moeten verschonen zodra hij bemerkt dat een voormalige naaste collega enige bemoeienis met de zaak heeft gehad.

22. Ik hoor de kamer- en sectorvoorzitters al grommen. En terecht, want deze benadering zou geen redelijk doel dienen. Als een ex-advocaat of een voormalige officier van justitie de overstap heeft gemaakt, en definitief is gaan 'zitten', verkeert hij in precies dezelfde positie als de rechter die ooit om een andere reden bij de zaak betrokken was. Bijvoorbeeld de faillissements R-C die vervolgens als voorzitter van de strafkamer de failliet wegens bankbreuk mag berechten, vgl HR NJ 1993, 58. Of de rechter die over een ontnemingsvordering mag oordelen terwijl hij in de onderliggende strafzaak al een veroordeling heeft uitgesproken, vgl HR NJ 1998, 90.

23. Na de definitieve overstap naar de zittende magistratuur moet, met andere woorden, onverkort worden uitgegaan van het hiervóór, onder 8, genoemde vermoeden, en vormt de voorheen bestaande verbinding met ex-collega's die uit hoofde van hun functie belang kunnen hebben bij een bepaalde afloop van de zaak geen reden meer om van die veronderstelling af te wijken, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden zouden voordoen die er op wijzen dat de betreffende rechter heeft toegelaten dat er buiten de zittingszaal, door anderen dan de procespartijen, invloed op zijn oordeelsvorming werd uitgeoefend.

24. Het middel faalt.

25. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat is verzuimd de in art. 359, tweede lid, Sv vereiste, afzonderlijk gemotiveerde, beslissing te geven op een verweer betreffende de betrouwbaarheid van de verklaringen van een getuige/mededader.

26. Het betreffende verweer hield in dat de verklaringen van deze getuige inhoudelijk inconsistent of onaannemelijk zijn, of onverenigbaar met ander bewijsmateriaal (andere verklaringen), de getuige bij verschillende gelegenheden verklaringen van telkens andere strekking heeft afgelegd, en er nog andere redenen zijn om aan de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van deze getuige te twijfelen.

Zo een verweer, dat niet raakt aan gebreken in de totstandkoming van het bewijsmiddel of aan de deskundige grondslag van de in het bewijsmiddel neergelegde waarnemingen, doch uitsluitend betrekking heeft op de waarachtigheid en overtuigende kracht van de in het bewijsmiddel vervatte verklaring, kan een genoegzame weerlegging vinden in de selectie van bewijsmiddelen zodat het geen afzonderlijk gemotiveerde verwerping behoeft.

Het middel faalt.

27. In het derde middel wordt er over geklaagd dat is verzuimd de in art. 359, tweede lid, Sv vereiste, afzonderlijk gemotiveerde, beslissing te geven op een door of namens verzoeker gegeven andere lezing van de uit de stukken blijkende feiten, waarbij is betoogd dat er in het vooronderzoek verklaringen zijn afgelegd die verzoeker een alibi verschaffen.

28. Ook dit verweer had uitsluitend betrekking op de waardering van de door diverse personen en bij verschillende gelegenheden afgelegde verklaringen, zodat het een genoegzame weerlegging kon vinden in de selectie van bewijsmiddelen en dus geen afzonderlijk gemotiveerde verwerping behoefde.

Het middel faalt

29. Het vierde middel klaagt over schending van de in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep doordat de gedingstukken te laat naar de Hoge Raad zijn toegezonden.

30. Aangezien het beroep is ingesteld op 15 mei 2006, terwijl de gedingstukken op 20 april 2007, derhalve ongeveer elf maanden later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen is de klacht terecht opgeworpen.

Strafvermindering zal het gevolg moeten zijn, doch om de opgelopen vertraging nog zo veel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

31. In elk geval het tweede en het derde middel lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, vermindering van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,