Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3766

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
00642/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3766
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 348 Sv. Onderzoek dubbele strafbaarheid. HR gaat om. Geklaagd wordt dat het Hof heeft verzuimd te doen blijken van een ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid van het OM i.v.m. een in België gepleegd feit. Het volgende wordt vooropgesteld. Ex art. 348 Sv behoort de rechter onderzoek te doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het OM en het bestaan van redenen voor schorsing der vervolging. Uit het vonnis of arrest behoeft echter slechts dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien a) o.g.v. art. 349.1 Sv 1 van de genoemde beslissingen wordt uitgesproken, b) in strijd met een door of namens verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349.1 Sv niet wordt toegepast, c) de beslissing afwijkt van een door het OM u.o.s. m.b.t een onderwerp a.b.i. art. 348 Sv, d) uit de stukken het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat sprake is van 1 van de 4 genoemde omstandigheden en niet een daarmee overeenstemmende beslissing wordt gegeven. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen t.a.v. de voorwaarde van art. 5 Sr inz. de ontvankelijkheid van het OM. Anders dan in vroegere jurisprudentie (bijv. HR LJN ZD0859) is geoordeeld, behoeft de rechter die die voorwaarde inz. de dubbele strafbaarheid vervuld acht, in zijn uitspraak niet blijk te geven van zijn dienaangaande ambtshalve verrichte onderzoek. Dat lijdt alleen uitzondering in het hiervoor onder sub d bedoelde geval. Uit e.e.a. volgt dat de aan de klacht ten grondslag liggende opvatting niet langer als juist wordt aanvaard en dat het middel in zoverre niet tot cassatie kan leiden. De HR tekent hierbij nog aan dat zich bij de stukken waarvan blijkens het pv ttz in appel de korte inhoud is medegedeeld, een verzoekschrift tot overneming van strafvervolging bevindt, inhoudende o.m. dat de feiten i.c. strafbaar zijn gesteld in art. 496 van het Belgisch Strafwetboek. Voorst steunt de klacht dat ‘s Hofs oordeel dat aan de voorwaarde van art. 5.1. 2o Sr is voldaan onjuist is op de opvatting dat het aan verdachte tenlastegelegde ook naar Belgisch recht strafbaar gesteld moet zijn als ‘flessentrekkerij’. Die opvatting is echter onjuist. Art. 5.1.2º Sr stelt weliswaar de eis dat op het aan verdachte verweten feit door de wet van het land waar het werd begaan, straf is gesteld, doch niet dat het feit door die wet op dezelfde wijze als naar NL recht strafbaar is gesteld (vgl. HR LJN AQ8470).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 208
JOL 2008, 366
NJ 2008, 482
RvdW 2008, 510
NJB 2008, 1140

Conclusie

Griffienr. 00642/07

Mr Wortel

Zitting:11 december 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens (feit 1)

"medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" (feit 2 primair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het feit opdracht heeft gegeven althans feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" (feit 2 subsidiair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" (feit 3) "als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon baten niet verantwoorden en goederen aan de boedel onttrekken" en ((feit 4 subsidiair) "een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker hebben mrs G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. Het eerste middel keert zich tegen de verwerping van het verweer dat het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

4. Dat verweer is in de bestreden uitspraak als volgt verworpen:

"A2

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 24 mei 2000, zijnde het tijdstip waarop verdachte werd aangehouden voor verhoor.

Het hof stelt vast dat de eerste rechter eerst 54 maanden later, te weten op 13 oktober 2004, vonnis heeft gewezen.

Het hof overweegt dat de op redelijkheid te beoordelen termijn aldus in eerste aanleg met ruim dertig maanden is overschreden en dat verdachte's recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele opstelling van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Het hof merkt in dit verband op dat de vertraging mede te wijten is geweest aan een getuigenverhoor op verzoek van de verdediging in het buitenland, doch anderzijds deze vertraging te wijten is geweest aan lange perioden van inactiviteit van de justitiële autoriteiten.

A3

Naar het oordeel van het hof kan het onder A2 geconstateerde verzuim in casu er evenwel niet toe leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard, nu het maatschappelijk belang dat is gediend met een strafvervolging van verdachte - bezien tegen de achtergrond van de aard en de ernst van het ten laste gelegde - ten deze moet prevaleren boven het persoonlijk belang van de verdachte dat aan de tegen hem ingestelde strafvervolging een einde komt.

Het hof verwerpt het verweer"

5. Aldus is het verweer op toereikende, niet-onbegrijpelijke gronden verworpen.

6. Met name is niet onbegrijpelijk het in 's Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat het verstrijken van vier en een half jaar tussen de aanvang van de op redelijkheid te beoordelen termijn en het voltooiën van de berechting in eerste aanleg geen zó extreme, aan justitiële nalatigheid te wijten, vertraging oplevert dat met strafvermindering niet meer zou kunnen worden volstaan.

Voorts ligt in 's Hofs overwegingen besloten dat, anders dan de raadsman heeft betoogd, de behandeling in hoger beroep geen overschrijding van de redelijke termijn te zien heeft gegeven. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en behoefde geen nadere toelichting, gelet op het door de raadsman genoemde tijdsverloop van achttien maanden.

Ten onrechte wordt in de toelichting op het middel uit HR NJ 2000, 721 afgeleid dat de rechter steeds moet laten zien dat het in acht nemen van de zogenaamde 'inzendtermijn' is gecontroleerd. Overigens blijkt uit de stukken van het geding dat er geen onnodige vertraging is opgetreden bij het doorsturen van de gedingstukken na het instellen van hoger beroep (die stukken zijn ongeveer zes en een halve maand na het instellen van hoger beroep bij het Hof binnengekomen).

7. In de toelichting op het middel ligt nog de klacht verscholen dat de mate waarin het Hof de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verminderd (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is, mede gelet op de in eerste aanleg opgelegde en de in hoger beroep gevoerde straf.

8. In de bestreden uitspraak is onder "Op te leggen straf" tamelijk uitvoerig uiteengezet waarom verzoeker ter zake van de bewezenverklaarde feiten een ernstig verwijt gemaakt moet worden. Deze opsomming van factoren die de ernst van het bewezenverklaarde en daarmee de zwaarte van de straf moeten bepalen heeft het Hof tot het oordeel gevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk geboden zou zijn geweest. Dat oordeel kan bepaald geen verbazing wekken, ook niet in het licht van de in eerste aanleg bepaalde straf van achttien maanden (met de overweging dat de Rechtbank zonder termijnoverschrijding drie jaar gepast had geleken), reeds omdat het onvoorwaardelijke deel van de in hoger beroep opgelegde straf (dat is, als ik mij niet verreken, zestien maanden) niet uitstijgt boven die in eerste aanleg bepaalde straf.

Om dezelfde reden noopte de strafeis in hoger beroep, eveneens achttien maanden, het Hof niet de strafoplegging nog weer nader te motiveren.

9. Het middel faalt.

10. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt dat het Hof heeft onderzocht of het Openbaar Ministerie in deze vervolging ontvankelijk is, voor zover het gaat om het onder 4 (subsidiair) tenlastegelegde feit, in verband met het bepaalde in art. 5, eerste lid, onder 2o, Sr en de in deze bepaling verlangde strafbaarheid in het land waarin het feit is begaan.

11. Als feit 4 subsidiair is, kort gezegd, bewezenverklaard dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan flessentrekkerij doordat hij, Nederlander, met gebruikmaking van de handelsnaam [A] BVBA bij vier gelegenheden, telkens op plaatsen in België, goederen heeft gekocht met het oogmerk die in bezit te krijgen zonder daarvoor te betalen.

12. In de bestreden uitspraak is art. 5 Sr opgenomen bij de bepalingen waarop de strafoplegging berust. In de bestreden uitspraak is niet met zoveel woorden aandacht gewijd aan de vraag of het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde handelen naar Belgisch recht strafbaar is.

13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de aangehechte pleitaantekeningen blijkt overigens evenmin dat de verdediging heeft betwist dat het onder 4 (primair en/of subsidiair) tenlastegelegde handelen naar Belgisch recht strafbaar is.

14. Bij de stukken bevinden zich documenten betreffende een verzoek tot overname van een in België aangevangen strafvervolging. Uit die stukken, met name aangiften van in België gevestigde bedrijven, blijkt dat dit verzoek tot overname van de strafvervolging betrekking heeft op de gedragingen die als feit 4 (primair en subsidiair) zijn tenlastegelegd.

Tot deze stukken behoort een brief gedateerd 30 oktober 2001, gericht tot de behandelend magistraat bij het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen. In deze brief is namens de officier van justitie te Breda opgemerkt dat in het overgedragen dossier wordt gesproken over bedriegerij, strafbaar gesteld bij art. 496 Strafwetboek, maar dat de officier van justitie voornemens is deze feiten te vervolgen als "flessentrekkerij", en de vraag voorgelegd of de feiten naar Belgisch recht ook in die vorm strafbaar zouden zijn.

Verder is bij deze stukken een brief te vinden, eveneens gedateerd 30 oktober 2001, waarin de Procureur des Konings D. Jordens deze vraag aldus heeft beantwoord dat het Nederlandse Openbaar Ministerie zich niet gebonden dient te achten aan de kwalificatie van de ter vervolging overgedragen feiten door de Belgische autoriteiten, en dat het in Nederland als "flessentrekkerij" bekende misdrijf naar Belgische recht slechts in enkele gevallen (die zich hierdoor kenmerken dat de benadeelde geen redelijke mogelijkheid heeft de solvabiliteit van zijn wederpartij te onderzoeken) het wanbedrijf van "afzetterij" oplevert.

15. Bij de beoordeling van dit middel zal uitgangspunt moeten zijn dat het Hof van de zojuist bedoelde stukken kennis heeft genomen.

Daarom zal er ook van uit gegaan kunnen worden dat het Hof aan de hand van deze stukken, waaronder de ter fine van strafvervolging overgedragen stukken van het parket van de Procureur des Konings te Antwerpen, heeft vastgesteld dat het onder 4 tenlastegelegde handelen naar Belgisch recht strafbaar is als het wanbedrijf strafbaar gesteld in art. 496 Strafwetboek, welke bepaling luidt, voor zover hier van belang:

"Hij die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich (...) roerende goederen (...) doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruikmaken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, (...) of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van lichtgelovigheid, wordt gestraft met (...)"

16. 's Hofs kennelijk oordeel dat het als feit 4 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verzoeker naar Belgisch recht het in art. 496 Strafwetboek strafbaar gestelde wanbedrijf oplevert zodat de Nederlandse strafwet ingevolge het bepaalde in art. 5, eerste lid onder 2o Sr toepasselijk is, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daaraan doet niet af dat deze Belgische strafbaarstelling van het hier toegepaste art. 326a Sr in zoverre verschilt, dat de Belgische delictsomschrijving niet het bestanddeel kent dat van het kopen van de goederen "een beroep of gewoonte" is gemaakt.

17. De omstandigheid dat uit de bestreden uitspraak niet met zoveel woorden blijkt dat het Hof is nagegaan of het onder 4 (primair en subsidiair) tenlastegelegde handelen, telkens begaan op plaatsen in België, naar Belgisch recht strafbaar is behoeft niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te voeren omdat niet blijkt dat in feitelijke aanleg door of namens verzoeker het tegendeel is beweerd, en de juistheid van 's Hofs kennelijk oordeel aanstonds kan worden vastgesteld.

18. Het middel faalt.

19. Het derde middel klaagt er over dat de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de gedingstukken te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.

20. Aangezien het beroep is ingesteld op 10 mei 2006, terwijl de stukken van het geding op 5 maart 2007, derhalve bijna tien maanden later, bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de klacht terecht opgeworpen. Strafvermindering zal het gevolg moeten zijn doch om de opgelopen vertraging nog zoveel mogelijk te verminderen wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.

21. In ieder geval het eerste middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, vermindering van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn voor behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,