Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3763

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
07/10929
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3763
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. Kwalificatie bewezenverklaarde feit. HR verwijst naar conclusie van de wnd. AG. Die conclusie houdt (o.m.) in dat het oordeel van de Rb dat hetgeen de buitenlandse rechter als bewezen feit kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, naar NL recht oplevert overtreding van art. 2 A Ow, onjuist noch onbegrijpelijk is nu het is gebaseerd op een aan de feitenrechter voorbehouden en geenszins onbegrijpelijke uitleg van het vonnis van het Crown Court te Liverpool, daarop neerkomende dat volgens het vonnis (ook) sprake was van de feitelijke invoer van heroïne in Groot-Brittannië m.b.v. een door veroordeelde bestuurde vrachtwagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 225
RvdW 2008, 378

Conclusie

Nr. 07/10929

Mr. Bleichrodt

Zitting 8 januari 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De Rechtbank te Groningen heeft bij vonnis van 6 juni 2007 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Crown Court te Liverpool (Groot-Brittanië) van 17 februari 2004, waarbij [veroordeelde] is veroordeeld tot vijftien jaren gevangenisstraf. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van negen jaren gevangenisstraf. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de veroordeelde in Groot-Brittannië ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid is beroofd geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Mr. S. Boersma, advocaat te Rotterdam, heeft namens de veroordeelde beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1 Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen door de Britse rechter bewezen is geacht naar Nederlands recht gekwalificeerd dient te worden als het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 10, vijfde lid, van de Opiumwet en dat de Rechtbank een verweer dat naar Nederlands recht sprake was van overtreding van art. 11a Opiumwet en/of art. 140 Sr ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.(1)

3.2 Ter terechtzitting van de Rechtbank heeft de raadsvrouw een verweer gevoerd, kort gezegd daarop neerkomende dat de veroordeelde is veroordeeld wegens "conspiracy to import diamorphine (heroïne) wat naar Nederlands recht oplevert overtreding van art. 11a Opiumwet: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in - onder meer - art. 10, vijfde lid, van de Opiumwet. Van het strafmaximum van laatstbedoeld delict zou dan ook gelet op art. 31 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) moeten worden uitgegaan.

3.3 De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen en beslist:

"De rechtbank dient op grond van artikel 31 WOTS de straf op te leggen, die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank dient het ten laste van veroordeelde naar het Britse recht bewezenverklaarde naar Nederlands recht te worden gekwalificeerd als:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft een verweer gevoerd ertoe strekkende dat gelet op het feit dat de in Groot-Brittannië uitgesproken bewezenverklaring ziet op het tenlastegelegde 'Conspiracy to contravene section 170 of the Customs and Excise Management act 1979', het bewezenverklaarde naar Nederlands recht overtreding van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, dan wel van artikel 11a van de Opiumwet zou moeten opleveren, nu de term 'Conspiracy' volgens de raadsvrouw bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan dat dit naar Nederlands recht samenspanning oplevert.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer dat er overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de WOTS, sprake dient te zijn van dubbele strafbaarheid van de gedraging die in de veroordelende staat tot de veroordeling heeft geleid. Bij bet bepalen of het feit naar Nederlands recht eveneens strafbaar is, spelen verschillen in juridische kwalificatie geen rol.

Wel is van belang dat wordt vastgesteld dat de bewuste gedraging ook naar Nederlands recht alle bestanddelen van een delictsomschrijving vervult. Er dient derhalve naar het feitencomplex te worden gekeken en niet naar de in de veroordelende staat gebezigde kwalificatie.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat uit het vonnis van de Crown Court te Liverpool d.d. 17 februari 2004 blijkt dat de Britse rechter is uitgegaan van de volgende feiten.

Veroordeelde heeft zich op 14 april 2004 schuldig gemaakt aan de invoer in Groot-Brittannië van heroïne. Veroordeelde was daarbij de chauffeur van een wachtwagen met behulp waarvan de drugs werden geïmporteerd. Voorts heeft veroordeelde een tweetal handvuurwapens en munitie ingevoerd.

Uit het stuk 'Circumstances of offences and conviction' blijkt - voor wat de feiten betreft - dat veroordeelde is aangehouden in een vrachtwagen waarbij in een reserveband 35 kilogram heroïne was verpakt. Bovendien zijn een tweetal handvuurwapens aangetroffen, alsmede 50 stuks munitie.

Uitgaande van deze feiten wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de bestanddelen van de delictsomschrijvingen genoemd in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 11a van de Opiumwet. Immers, voor een bewezenverklaring van een van beide artikelen is vereist dat blijkt van enige duurzaamheid van de gedragingen en van een gestructureerd samenwerkingsverband. Daarvan blijkt de rechtbank in het onderhavige geval niet. Naar het oordeel van de rechtbank levert het geschetste feitencomplex naar Nederlands recht de eerder genoemde kwalificaties op."

3.4.1 Het zich bij de stukken bevindende indictment in deze zaak houdt niet alleen in (als count 1) de in de toelichting op het middel genoemde "conspiracy", maar als count 6 tevens:

" Statement of Offence

Being knowingly concerned in the fraudulent evasion of a prohibition on the importation of goods, contrary to section 170 (2) b of the Customs and Excise Management Act 1979.

Particulars of offence

[Veroordeelde], [betrokkene 1] and [betrokkene 2], on the 14 th day of april 2003, in relation to an Class A drug controlled drug, namely 34,55 kilograms of diamorphine, was knowingly concerned in the fraudulent evasion of the prohibition on importation imposed bij section 3(1) of the Misuse of Drugs Act 1971."

De aanklacht hield dus, naast de "conspiracy", tevens in dat de veroordeelde zich op 14 april 2003 samen met anderen aan de feitelijke invoer van heroïne had schuldig gemaakt.

3.4.2 Een aan dit indictment gehecht stuk houdt in dat, voor zover ten aanzien van de onderdelen van het indictment geen "guilty plea" was gevolgd, de jury een schuldigverklaring heeft uitgesproken.

3.4.3 De Sentencing remarks van het Crown Court te Liverpool houden, behalve wat in de toelichting op het middel is geciteerd, tevens in dat wordt gerefereerd aan "this crime of importing drugs" en verder ten aanzien van veroordeelde in het bijzonder dat de handel tussen landen berust op het vertrouwen in personen die vrachtvoertuigen van het ene land naar het andere besturen, alsmede dat veroordeelde zijn vertrouwenspositie als vrachtwagenchauffeur heeft misbruikt.

3.4.4 Verder bevindt zich bij de stukken een Post Sentence Case summary prepared by DC N. Roberts van 26.04.04, naar welk stuk de Rechtbank mede heeft verwezen. De status van dit stuk en de functie en bevoegdheid van de auteur is mij overigens niet duidelijk.(2) Het kan verder, gelet op het navolgende, echter buiten beschouwing blijven.

3.5 In het licht van wat onder 3.4.1 tot en met 3.4.3 is opgemerkt, geeft het oordeel van de Rechtbank dat hetgeen de buitenlandse rechter als bewezen feit kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, naar Nederlands recht oplevert overtreding van art. 2 onder A van de Opiumwet, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het is immers gebaseerd op de aan de feitenrechter voorbehouden en geenszins onbegrijpelijke uitleg van het vonnis van het Crown Court te Liverpool van 17 februari 2004, daarop neerkomende dat volgens dat vonnis (ook) sprake was van feitelijke invoer van heroïne in Groot-Britannië op 14 april 2003, met behulp van een door de veroordeelde bestuurde vrachtwagen.(3)

3.6 De klacht over de verwerping van het verweer dat de bewezen geachte feiten naar Nederlands recht overtreding van art. 11a Opiumwet opleveren, kan mijns inziens al daarom niet tot cassatie leiden, omdat de veroordeelde daarbij geen belang heeft. Immers de omstandigheid dat, zoals gesteld, sprake was van bedoeld misdrijf, doet op zichzelf niet af aan het oordeel dat de feiten waarop de veroordeling kennelijk was gebaseerd (ook) overtreding van art. 2 onder A Opiumwet opleveren. Het beroep dat in het verweer en in het middel wordt gedaan op HR 20 juni 2006, LJN AW 6731, gaat niet op, omdat in die zaak - naast de "conspiracy"- nu juist niet was gebleken van het daadwerkelijk medeplegen van de invoer van verdovende middelen. Overigens geeft het oordeel van de Rechtbank, dat art. 11a Opiumwet niet toepasselijk is, naar mijn oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

3.7 Voor de goede orde merk ik nog op dat de tekst van de inleidende vordering van de officier van justitie waarop in de toelichting een beroep wordt gedaan - wat daarvan verder ook zij - niet bepalend is. Het gaat om de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd(4), niet om de door de officier van justitie gegeven omschrijving daarvan in relatie tot de kwalificatie naar Engels recht.

3.8 Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

4. Gronden waarop het bestreden vonnis ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Buiten beschouwing blijft het bezit van twee vuurwapens en munitie waarvoor de veroordeelde door de Engelse rechter tevens is veroordeeld.

2 Het toepasselijke verdrag (VGOP) stelt niet, zoals uitleveringsverdragen, de eis dat het verzoek vergezeld gaat van een uiteenzetting van de feiten, hier dus de bewezenverklaarde feiten. Een jury heeft geoordeeld over de schuld (ten aanzien van count 1 was blijkbaar "not guilty" gepleit op de grond dat veroordeelde dacht dat het om cannabis ging, doch veroordeelde is wel schuldig geacht). Een bewezenverklaring in Nederlandse trant is dan uiteraard niet beschikbaar.

3 Dat voor dit feit geen "separate penalty" is opgelegd is niet relevant.

4 Zie art. 28, derde lid, WOTS en vgl. ook HR 23 augustus 2005, LJN AT7122.