Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3744

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2008
Datum publicatie
11-07-2019
Zaaknummer
01952/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3744
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen drievoudige moord in Helmond in 2003 i.h.k.v. ripdeal n.a.v. eerdere mislukte drugsdeal (art. 289 Sr), waarvoor verdachte is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. 1. Redengevendheid van verklaring van in Duitsland gedetineerde persoon (A), die van andere gedetineerde (B) informatie over feiten te horen heeft gekregen. 2. Denaturering van verklaring van A. 3. Verweer dat verklaringen medeverdachte en getuige op elkaar zijn afgestemd en niet betrouwbaar zijn. 4. Motivering van “motief”. 5. Begrijpelijkheid van ’s Hofs overweging over overeenkomst die is gesloten om 3 personen te vermoorden. 6. Had Hof oordeel dat B zijn informatie moet hebben gekregen van iemand die bij onderhandeling en moorden aanwezig was nader moeten motiveren? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met ECLI:NL:HR:2008:BC3741.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01952/07

Mr Machielse

Zitting 8 januari 2008

Conclusie inzake:

[verdachte] (1)

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - op 12 december 2006 voor "Medeplegen van moord, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voor de niet aan het oordeel van het hof onderworpen feiten heeft het hof bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste en tweede middel richten zich tegen bewijsmiddel 22. Dit is een de auditu verklaring van [betrokkene 1] , die in de gevangenis van [betrokkene 2] heeft gehoord over de afrekeningen. In de toelichtingen wordt betoogd dat de inhoud van dit bewijsmiddel niet te rijmen is met 's hofs overwegingen ten aanzien van het tijdstip waarop de voorbedachte raad gestalte heeft gekregen. [betrokkene 1] heeft volgens zijn verklaring van [betrokkene 2] gehoord dat tevoren, reeds in Duitsland, al de opdracht aan medeverdachte [medeverdachte 1] was gegeven de leveranciers van de XTC-pillen te vermoorden.

Voorts zou deze verklaring van [betrokkene 1] gedenatureerd zijn, doordat het hof een gedeelte van zijn verklaring niet heeft opgenomen. Uit de oorspronkelijke verklaring van [betrokkene 1] zou blijken dat de familie [betrokkene 2] van meet af aan [medeverdachte 1] de opdracht zou hebben gegeven de leveranciers te doden. Dat strookt dan niet met 's hofs oordeel dat pas in Nederland een nieuw plan ontstond om de leveranciers te doden. Was dat gedeelte wel opgenomen, dan zou deze verklaring strijdig zijn met de achterliggende motivering van de bewezenverklaring, zo begrijp ik het tweede middel. Dit zou 's hofs arrest onbegrijpelijk maken, althans onvoldoende gemotiveerd. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezen verklaard, dat:

"hij op 26 februari 2003 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, kogels in de hoofden en lichamen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en in het hoofd van die [slachtoffer 3] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn overleden."

3.3. Als bewijsmiddelen heeft het hof gebezigd:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen van politie Brabant Zuid-Oost, technische recherche, nr. PL2213/03-517904, pagina 2-19 (dossiermap 5), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:

Op 26 februari 2003 hebben wij, verbalisanten en technisch rechercheur, een forensisch technisch onderzoek ingesteld in en om het perceel [a-straat 1] te Helmond, naar aanleiding van de melding dat in deze woning een geweldsmisdrijf had plaatsgevonden.

Op de bank zagen wij drie personen liggen welke dood waren. De drie lijken vertoonden schotwonden. Het middelste slachtoffer lag ruggelings en de beide slachtoffers die op de hoek van de bank gezeten waren, lagen zijlings onderuit geschoven op het zitgedeelte van de bank.

Gelet op:

- de stand van de respectievelijke lichamen,

- de plaats van de in- en uitschotopeningen,

- de richting van de daarbij behorende schotkanalen,

- de resultaten van een uitgelijnde schotkanaal,

- de schotverwondingen aan de handen van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ,

- het aantreffen van de 9 hulzen en kogelpunten,

- de plaats van het aantreffen van deze hulzen en kogels,

wordt door ons, verbalisanten, gesteld dat:

- de slachtoffers door vuurwapengeweld om het leven zijn gekomen,

- de slachtoffers tijdens het feit op de bank zaten,

- de schutter daarbij waarschijnlijk recht voor het slachtoffer [slachtoffer 3] gestaan moet hebben,

- dit slachtoffer waarschijnlijk als eerste beschoten is,

- de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vervolgens beschoten werden,

- deze slachtoffers nog een fractie tijd hebben gehad om zich met de handen impulsief te verweren en daarbij door de vingers beschoten werden,

- zij zich nog hebben afgewend,

- de slachtoffers van zeer dichtbij beschoten zijn met een schotsafstand van ten hoogste enkele tientallen centimeters, doch waarschijnlijk van veel dichterbij,

- de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een schot achter in het hoofd c.q. de nek gekregen hebben, terwijl zij al in de aangetroffen positie lagen,

- de dood onmiddellijk of nagenoeg onmiddellijk moet zijn ingetreden bij alle drie de slachtoffers.

2. Een -alleen in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen tot bewijs gebruikt- geschrift, zijnde een akte van overlijden d.d. 5 maart 2003, pagina 223 (deel 1 van dossiermap 01), voorzover dit inhoudt:

Overledene

Geslachtsnaam: [slachtoffer 3]

Voornamen: [slachtoffer 3]

Dag van overlijden: 26 februari 2003

Plaats van overlijden: Helmond

3. Een -alleen in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen tot bewijs gebruikt- geschrift, zijnde een uittreksel uit een overlijdensakte d.d. 5 maart 2003, pagina 229 (deel 1 van dossiermap 01), voorzover dit inhoudt:

Overledene

Geslachtsnaam: [slachtoffer 1]

Voornamen: [slachtoffer 1]

Dag van overlijden: 26 februari 2003

Plaats van overlijden: Helmond

4. Een -alleen in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen tot bewijs gebruikt- geschrift, zijnde een uittreksel uit een overlijdensakte, d.d. 5 maart 2003, pagina 232 (deel 1 van dossiermap 01), voorzover dit inhoudt:

Overledene

Geslachtsnaam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Dag van overlijden: 26 februari 2003

Plaats van overlijden: Helmond

5. Een sectierapport, in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 februari 2003 door [betrokkene 3] , patholoog, pagina 22 (dossiermap 5), welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit inhoudt:

Naam: [slachtoffer 3]

Bij sectie waren er aan het lichaam twee doorschoten te herkennen met daarbij behorende schotkanalen. Het eerste verliep van midden aan het voorhoofd vrijwel recht naar achter en benedenwaarts. Er was daarbij destructie van onder andere de hersenstam en de kleine hersenen. Deze letsels hebben de dood tot gevolg gehad.

Er was nog een tweede schotkanaal welke verliep vanaf het rechteroog naar rechts zijwaarts via de aangezichtsschedel en het rechter rotsbeen. Er was daarbij perforatie van een groot bloedvat met veel ingeademd bloed in de luchtwegen. Door de massale hoeveelheid bloed kunnen ook verstikkingsverschijnselen zijn opgetreden. Deze letsels hebben dan ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het overlijden.

Conclusie: [slachtoffer 3] is overleden aan twee schotletsels.

6. Een sectierapport, in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 februari 2003 door [betrokkene 3] , patholoog, pagina 24-25 (dossiermap 5), welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit inhoudt:

Naam: [slachtoffer 1]

Bij sectie waren er aan het lichaam vier schotkanalen. De belangrijkste twee schotkanalen die zowel samen als apart het intreden van de dood konden verklaren, betroffen:

Ten eerste: Een doorschot door de borstkas van links zijwaarts naar rechtszijwaarts waarbij het hart en de beide longen waren geraakt. Er was daarbij veel bloed in de borstholtes en het hart was ernstig beschadigd.

Ten tweede: Een inschot aan het achterhoofd met een schotkanaal dwars door de kleine, grote en middenhersenen. Er was veel en ernstige weefselschade.

Het oppervlakkig huidletsel, schampschot, aan de strekzijde van de rechter middelvinger en rechter ringvinger kan samenhangen met een der inschotopeningen.

Conclusie: [slachtoffer 1] is overleden aan schotletsels.

7. Een sectierapport, in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 februari 2003 door [betrokkene 4] , arts en patholoog, pagina 26 (dossiermap 5), welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit inhoudt:

Naam: [slachtoffer 2]

Bij sectie zijn vier schotkanalen gebleken:

rechts voor het oor (inschot) naar de linkerwang juist onder/buiten de ooghoek (uitschot) met breuken van de schedelbeenderen en schedelbasis. Schotkanaal verlopend van rechts naar links, iets naar boven en naar voren.

Achter in de nek (waarschijnlijk inschot) met perforatie van weke delen, volledige klieving van de hersenstam, perforatie van de schedelbeenderen juist boven het achterhoofdsgat en perforatie van de mondholte op de grens van harde en zachte verhemelte.

Buitenzijde bovenarm rechts (inschot).

Schamping van de rechterpinknagel door de bovenzijde van de ringvinger rechts.

Voorlopige conclusie:

Bij sectie werden vier schotkanalen gezien, waarvan de meest ernstige 1 en 2 waren met o.a. volledige klieving van de hersenstam. Deze letsels zijn bij leven ontstaan en verklaren het overlijden volledig door verbloeding en hersenschade.

Het schot door de mondholte heeft geleid tot massale inademing van bloed, hetgeen bij het overlijden eveneens een rol zal hebben gespeeld.

8. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het ministerie van justitie, zaaksnummer 2003.02.27.005, in de wettelijke vorm op 6 mei 2003 opgemaakt door Ing. S.B.C.G. Chang, voor zover dit inhoudt:

Slachtoffer [slachtoffer 3] :

Op de twee gelaatsfolies waarmee de schotverwondingen aan het voorhoofd en het rechteroog van het slachtoffer zijn bemonsterd, zijn op loodhoudend materiaal wijzende verkleuringen en nitrocellulosekruitdeeltjes aangetroffen. In combinatie met de bevindingen van de patholoog zijn aanwijzingen verkregen op inschotverwondingen. Het sporenbeeld wijst op tenminste één schootsafstand tussen circa 25 en 100 centimeter.

Slachtoffer [slachtoffer 1] :

In het huiddeel uitgenomen vanaf het achterhoofd van het slachtoffer bevindt zich een verwonding.

Uit onderzoek zijn aanwijzingen verkregen op een vrijwel zekere inschotverwonding. Rond de inschotverwonding zijn sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand tussen circa 25 en 100 centimeter.

Op een gelaatsfolie waarmee twee schotverwondingen aan de linkerzijde van het gelaat van het slachtoffer zijn bemonsterd, zijn één op loodhoudend materiaal wijzende verkleuring en nitrocellulosekruideeltjes aangetroffen. In combinatie met de bevindingen van de patholoog zijn aanwijzingen verkregen op inschotverwondingen. Het sporenbeeld wijst op tenminste één schootsafstand tussen circa 25 en 100 centimeter.

Slachtoffer [slachtoffer 2] :

In het huiddeel uitgenomen vanaf achterzijde nek van het slachtoffer bevindt zich een verwonding. Uit onderzoek zijn aanwijzingen verkregen op een vrijwel zekere inschotverwonding. Rond de inschotverwonding zijn sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand tussen circa 25 en 100 centimeter.

Op de twee gelaatsfolies waarmee de schotverwonding ter hoogte van het rechteroor van het slachtoffer is bemonsterd, zijn nitrocellulosekruitdeeltjes aangetroffen. In combinatie met de bevindingen van de patholoog zijn aanwijzingen verkregen op een inschotverwonding. De aangetroffen sporen wijzen op een schootsafstand tussen circa 25 en 100 centimeter.

9. Een proces-verbaal van verhoor van politie Brabant Zuid-Oost, afd. VAW/Valkenswaard, d.d. 27 febrauri 2003, mutatienummer PL2217/03-517904, pag. 132 (dossiermap 4), in de wettelijke vorm opgemaakt, en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 5] :

Ik heb sinds 1994 een relatie met [slachtoffer 3] . Zijn roepnaam is [slachtoffer 3] .

10. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 14 april 2003, pagina 457-464 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte:

Op 8 juni 2002 ben ik in opdracht van de familie [naam] met EUR 50.000,-- naar Nederland naar [betrokkene 6] en zijn moeder gereden. Het geld was bestemd als aanbetaling voor een deal met 100 kilogram hasj die ik voor de familie [betrokkene 2] moest afwikkelen. [betrokkene 2] en zijn neef [betrokkene 7] hadden mij de EUR 50.000,-- overhandigd. In Nederland heb ik [betrokkene 6] , zijn moeder en een zekere [betrokkene 8] uit Helmond, aan wie ik het geld heb overhandigd, ontmoet. [betrokkene 8] had echter leveringsproblemen. Ik moest terug naar Berlijn omdat ik op 10 juni 2002 een rechtszitting had in een andere zaak. Ik was van plan om daarna terug te rijden naar Nederland maar daar kwam het niet meer van doordat ik in de rechtszaal werd gearresteerd. Tijdens mijn hechtenis vernam ik dat de familie [betrokkene 2] kennissen naar [betrokkene 6] had gestuurd om het geld of de hasj op te eisen. Daarbij waren problemen ontstaan want men wilde hun noch het geld noch de hasj geven omdat men de kennissen niet kende.

Op zaterdag 22 februari 2003 ben ik met [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) naar café Chalet (het hof begrijpt te Berlijn) gereden waar [betrokkene 9] en [betrokkene 7] al wachtten. [betrokkene 7] ging naar buiten en kwam na 5 minuten terug met [betrokkene 10] .

[betrokkene 10] verklaarde dat hij iemand kende die zou meerijden. Hij en [betrokkene 7] kwamen een tijdje later met [medeverdachte 1] terug. Vervolgens werd gezegd dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ) met [medeverdachte 2] en mij zou mee rijden om op het geld te passen.

11. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 5 maart 2003, pagina 308-343 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte:

Ik ben met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Nederland gereden. We zijn op zaterdag 22 februari 2003 omstreeks 22.00 uur vertrokken. 's Morgens om 8.00 uur reden we naar de grensovergang Venlo. Op de parkeerplaats voor Asten hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gewacht. Ik had in Gemert een ontmoeting met zakenrelaties. Ik ben er alleen naar toe gereden. Ik had een ontmoeting met twee Marokkanen, [betrokkene 6] en zijn moeder. Beiden verkopen ecstasytabletten in grote hoeveelheden. Ik vertelde hen dat ik klanten had die 200.000 pillen geleverd willen hebben. Ze beloofden zich hierom te bekommeren. Ik reed terug naar Asten naar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Die avond bezocht ik [betrokkene 6] en zijn moeder opnieuw en ik sprak daar met een man uit Rotterdam. Hij wilde echter voor één ecstasytablet 68 cent hebben.

De volgende dag belde ik [betrokkene 6] en hij zei dat hij iemand had gevonden die de pillen voor de stuksprijs van 45 cent zou aanbieden. Omstreeks 16.45 uur hadden we een ontmoeting met twee Marokkanen. We bespraken de modaliteiten van de drugsdeal en kwamen uiteindelijk 55 cent per ecstasypil overeen bij een totale hoeveelheid van 200.000 stuks. Eén van de Marokkanen belde met zijn broer [slachtoffer 3] . Aan deze [slachtoffer 3] bevestigt hij ons koopvoornemen. [slachtoffer 3] ging hiermee akkoord.

12. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 16 april 2003, pagina 493-509 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte:

Ik heb [slachtoffer 3] gebeld en we hebben een afspraak gemaakt. [medeverdachte 1] en ik hebben [slachtoffer 3] opgehaald en zijn toen naar een huis in Geldrop gereden. In de woning waren de Nederlanders. Mij werd verteld dat de ene [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) heette en de ander [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ). [slachtoffer 2] zei dat het maar 120.000 pillen waren. Hij zegde toe dat de levering de volgende dag, woensdag, echt compleet zou zijn. Hoewel we hadden afgesproken de deal op een benzinestation af te wikkelen, zei [slachtoffer 3] dat de deal daar in de woning moest worden afgewikkeld.

Woensdagochtend kreeg ik een telefoontje van [slachtoffer 3] . Hij zei dat de overdracht van de pillen pas om 21.00 uur kon plaatsvinden. Daarop ben ik alleen naar [betrokkene 6] gegaan.

Vlak voor 19.00 uur arriveerde ik op de parkeerplaats bij het station in Eindhoven waar ik met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] had afgesproken. Wij zijn samen bij MacDonalds wat gaan eten.

[medeverdachte 2] had ik opdracht gegeven om richting Utrecht te rijden en op een benzinestation langs de A2 te wachten. Het benzinestation bevindt zich ca 40 km van Eindhoven.

[medeverdachte 1] en ik zijn achter [slachtoffer 3] aan gereden. Uiteindelijk zijn we bij het huis in Helmond gearriveerd. [slachtoffer 2] deed open. [slachtoffer 3] zei dat er maar 80.000 pillen waren. Op mijn vraag waarom er nu ineens maar 80.000 pillen waren terwijl er de dag daarvoor nog 120.00 pillen waren, gaf [slachtoffer 3] geen antwoord. Men liet ons een zwarte sporttas zien waarin acht plastic zakken met een snelsluiting zaten.

Ik pakte de tas en ging naar de auto, waar ik de tas op de achterbank legde. [medeverdachte 1] arriveerde na mij bij de auto. Toen hij in de auto stapte rook ik het, het rook naar rook. Hij stapte in de auto en haalde een pistool uit zijn broeksband en gooide het onder de stoel. Hij zei tegen me dat hij de rekening voor mij had vereffend. Op de snelweg zei hij tegen me dat ik moest stoppen. Ik stopte op de vluchtstrook en [medeverdachte 1] gooide aan de passagierskant het wapen uit het raam.

13. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 7 maart 2003, pagina 387-394 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte:

Het is juist dat ik het vals geld in Nederland aan de leveranciers heb laten zien.

14. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 november 2006, voor zover deze -zakelijk weergegeven - inhoudt:

Met het valse geld zouden de pillen worden betaald. Dat was met mij zo afgesproken door de familie [naam] . Voordat we zaterdag zijn afgereisd dacht ik dat de familie [naam] mee zou gaan. Toen werd gezegd dat iemand anders mee zou gaan. Als er problemen zouden ontstaan zou hij dat ook regelen. Als ik pillen zou halen en het vals geld zou overhandigen en men kwam er achter dan zou [medeverdachte 1] de mensen onder bedwang houden.

Ik heb een keer [medeverdachte 2] gevraagd om uit de geldzak geld af te tellen.

[medeverdachte 1] had een wapen bij zich. Ik heb dat eenmaal gezien en van [medeverdachte 2] gehoord. Toen we in de woning waren heb ik gevraagd waarom we niet op parkeerplaats waren zoals afgesproken. Er werd gezegd dat ik die 80.000 pillen kon betalen en dat de rest van de pillen ongeveer een of twee uur later zouden komen. Ik heb toen gezegd dat ik niet akkoord ging omdat dat niet de afspraak was. Toen zag ik het wapen dat [medeverdachte 1] in zijn hand had. Hij zei dat die drie personen moesten gaan zitten. Ze hebben dat gedaan. Ik ben toen weggegaan met de tas. Ik ben naar de auto gelopen en heb de tas in de auto gedaan. Het duurde ongeveer anderhalve minuut en toen was [medeverdachte 1] ook buiten.

De betaling met vals geld had te maken met een eerder mislukte drugsdeal toen er 50.000 euro verloren is gegaan. Dat geld was van de familie [naam] .

15. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 17 april 2003, pagina 243-263 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik had op zaterdag 22 februari 2003 [betrokkene 10] ontmoet, die me vertelde dat er werk zou zijn waarmee men geld kon verdienen. We zijn hierna naar café Chalet (het hof begrijpt: te Berlijn) gereden voor een ontmoeting. Ik zag [verdachte] (het hof: verdachte), [medeverdachte 2] (het hof: [medeverdachte 2] ) en nog twee mij niet bekende personen. [betrokkene 10] had voor mij vertaald dat het om een rit naar Nederland zou gaan.

Op 25 februari 2003 kwam [verdachte] tussen 14.00 en 15.00 uur met een Arabier (het hof begrijpt: [slachtoffer 3] ). Van te voren had hij opgebeld. Daar ik [verdachte] niet heb verstaan, moest [medeverdachte 2] het gesprek voeren.

Via [medeverdachte 2] ben ik te weten gekomen dat [verdachte] zei dat [medeverdachte 2] geld moest voorbereiden. [medeverdachte 2] haalde de geldzak uit de kofferruimte en ging hiermee het hotel binnen en telde vermoedelijk een bepaalde som af. De afgetelde som gaf hij aan mij. Het ging om vals geld.

[verdachte] kwam met de Arabier naar de auto en verlangde het geld. Ik geloof dat ik [verdachte] het afgetelde geld gaf en hij liet het de Arabier zien. Terwijl de Arabier rechts achterin zat, bevond [verdachte] zich buiten de auto en liet de Arabier van daaruit het geld zien.

[verdachte] en ik zijn die avond naar het huis van de Nederlanders gereden. De woningbezitter (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) vroeg ons binnen. De Arabier heeft met de woningbezitter in het Nederlands gesproken. De Arabier heeft voor [verdachte] vertaald. Nadat ze met elkaar hebben gepraat haalde de woningbezitter twee emmers met drugs. Het ging om witte tabletten. Later kwam de lange Nederlander (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ). Hij haalde drie of vier emmers met pillen. Nadat wij de Arabier hadden afgezet vertelde [verdachte] mij dat de getoonde pillen te weinig waren.

[verdachte] wilde de Arabieren naar een hem bekende plaats laten komen om daar de overdracht af te wikkelen. Voor het geval dat het geld als vals geld zou worden herkend, moest ik het wapen trekken en de betrokken Arabieren in bedwang houden. Deze personen waren niet bereid om de goederen naar de genoemde plaats te brengen. Die wilden de deal in een woning afwikkelen. [verdachte] zei dat de deal niet in een woning zou kunnen plaatsvinden. Voor dit geval moest ik schieten. Het plan was om de aanwezige personen neer te schieten en te doden. Hiervoor bood hij me eerst EUR 5.000,-- aan. [verdachte] bood me vervolgens in meerdere stappen steeds meer geld tot EUR 25.000,-- aan. Toen we bij EUR 25.000,-- waren gekomen, gaven [verdachte] en ik, net zoals bij het sluiten van een contract elkaar de hand en [medeverdachte 2] sloeg deze ter bezegeling door. Het plan met het doodschieten van de aanwezige personen is naar mijn weten op 24 februari 2003 bedacht.

Op 26 februari 2003 deelde [verdachte] me mede dat er weer een ontmoeting in de woning was afgesproken. Hij bood me EUR 30.000,-- aan.

[verdachte] , de Arabier en ik zijn naar de woning in Helmond gereden. Ik heb in [verdachte] 's auto het wapen bij me genomen. Ik droeg het in mijn linker voorste broeksband. De Arabier had [verdachte] de tas met de pillen laten zien. Hierin zaten blijkbaar minder pillen dan verwacht.

Dat was een twistpunt tussen de Arabier en [verdachte] . [verdachte] zei trek het pistool en laad het halfautomatisch. Hij zou de tas pakken en naar buiten gaan. Ik deed wat [verdachte] mij vertelde, trok het wapen en liep een stuk de kamer in. Vervolgens richtte ik op de Arabier zodat [verdachte] de tas kon pakken. Ik zei tegen de Arabier dat hij op de bank moest gaan zitten. Hij ging op de bank zitten. Ik liep verder naar het midden van de kamer voor de bank en tegelijkertijd liep [verdachte] naar de tas, pakte deze en verliet de ruimte.

16. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 16 april 2003, pagina 229-235 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] :

[verdachte] maakte de hele tijd in Nederland afspraken met zijn zakenpartners. Problemen zijn voor het eerst opgedoken toen de zakenpartners vóór de afwikkeling van de transactie geld wilden zien. Dit was ook de reden waarom wij op 23 februari 2003 nog niet konden terugrijden. Omdat het voor [verdachte] duidelijk was dat het meegebrachte geld vervalst was, was hij zich er ook van bewust dat de transactie onmiddellijk zou mislukken als hij het vals geld zou laten zien. Om die reden heeft [verdachte] een nieuw plan bedacht.

Oorspronkelijk was gepland dat de leveranciers van de drugs deze naar een door [verdachte] te bepalen plaats moesten brengen. Daar wilde [verdachte] de drugs tot zich nemen en het meegebrachte vals geld laten zien. Voor het geval dat de leveranciers het vals geld zouden herkennen, moest ik de leveranciers met het pistool bedreigen. Het plan tot dusverre kon zo niet lukken, omdat de leveranciers weigerden de drugs naar een andere plaats te brengen.

Het nieuwe plan was dat ik de leveranciers moest doodschieten. Hiervoor bood [verdachte] me EUR 25.000,-- aan. Het aanbod lag niet direct bij EUR 25.000,--, maar eerst bij EUR 5.000,--, dan bij EUR 10.000,-- enzovoorts, tot ik tenslotte bij EUR 25.000,-- toezegde. Dat was op dinsdag 25 februari 2003. De volgende dag ben ik naar [verdachte] gegaan en heb hem medegedeeld dat ik het niet zou doen. Vervolgens bood hij me nog eens EUR 5.000,--. Hierna stemde ik in.

[medeverdachte 2] was aanwezig toen ik ermee instemde de persoon of personen dood te schieten. Hij had ter bevestiging onze handen doorgeslagen, die [verdachte] en ik elkaar bij de afspraak hadden gegeven.

17. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 22 april 2003, pagina 287-296 (dossiermap 2), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 1] :

[verdachte] en ik zijn samen met de Arabier naar de woning van de Nederlander gereden. Daar hebben we de woningbezitter met twee emmers met pillen ontmoet en vervolgens is er nog een derde persoon met drie of vier extra emmers met pillen gekomen. Op 25 februari 2003 zijn we zonder verder te handelen weer vertrokken.

Het ging om de personen die ik de dag erna heb doodgeschoten. Ik heb de drie in opdracht van [verdachte] voor EUR 30.000,-- doodgeschoten. Ik stond dicht bij de personen. Ze zaten alle drie op de bank.

18. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 4 maart 2003, pagina 19-27 (dossiermap 3), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 2] :

Ik heb [verdachte] in de gevangenis leren kennen, toen ik daar in hechtenis was. Zijn juiste naam luidt [verdachte] . Ik was met [verdachte] en een Rus of een Tsjetsjeen in Nederland. De Tsjetsjeen noemde zich [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] (het hof: de medeverdachte [medeverdachte 1] ). We hebben elkaar zaterdag (het hof begrijpt: 22 februari 2003) ontmoet. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn in de Ford voorop gereden en ik reed achter hen aan in de Golf. We reden naar Eindhoven. [verdachte] had me verteld dat er iets moest worden gesmokkeld. Achteraf kwam ik te weten dat het ecstasytabletten waren. Toen we al twee dagen in Nederland waren legde [verdachte] mij de handelwijze uit. Het was mijn taak om de ecstasytabletten te transporteren. [medeverdachte 1] had een pistool bij zich. Het was een zwart pistool. [medeverdachte 1] droeg het wapen de meeste tijd aan de linkerkant in de broeksband.

19. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 20 februari 2003 (het hof begrijpt 20 maart 2003), pagina 61-77 (dossiermap 3), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 2] :

[verdachte] heeft me op 22 februari 2003 opgebeld. We hebben elkaar 's avonds ontmoet. We zijn naar een kleine bar gelopen. In die bar ontmoetten we twee andere Turken die [verdachte] kende. Ze hebben met z'n drieën een tijdje zitten praten tot een van de Turken de bar verliet en terugkwam met een Rus. Alle vier bogen over de tafel om te praten. Na een tijdje verliet de Rus de bar en kwam terug met [medeverdachte 1] . [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in het Engels gesproken.

Waarover het ging heb ik niet verstaan maar ik heb de woorden "bescherming" en "bodyguard" opgevangen. [medeverdachte 1] ging met [verdachte] en mij mee. [verdachte] heeft me verteld dat we naar Nederland gingen.

Op zondag 23 februari 2003 waren we omstreeks 09.00 uur in Eindhoven. [verdachte] zei dat hij nog dingen te doen had en hij mensen moest ontmoeten. Op maandag 24 februari 2003 vertelde [verdachte] na het ontbijt dat hij nog mensen moest ontmoeten en dat het om "rondjes" ging. Toen werd mij duidelijk dat hij over ecstasypillen sprak. Vervolgens is hij alleen met de Ford vertrokken en [medeverdachte 1] en ik hebben samen in Eindhoven gewacht. [verdachte] kwam pas omstreeks 19.00/20.00 uur naar ons terug. We zijn naar Asten gereden en zijn daar naar een hotel gegaan. In dit hotel overnachtte ik met [medeverdachte 1] in één kamer. Toen ik met [medeverdachte 1] op de kamer was heeft hij een wapen tevoorschijn gehaald en onder zijn hoofdkussen geschoven. Later in de auto heb ik gezien dat hij het wapen los in de broek had gestoken en aan de linkerkant droeg.

Op dinsdag 25 februari 2003 zijn we naar Eindhoven gereden. [verdachte] zei dat hij iets moest afhandelen. [medeverdachte 1] en ik hebben in de Golf gewacht. Hij kwam terug met drie andere personen. Ik ben met [medeverdachte 1] door de stad gelopen en zijn naar het hotel gereden.

Vraag: toen u buiten hebt rondgelopen, had [medeverdachte 1] toen zijn wapen bij zich?

Nee, ik geloof dat hij het wapen in de auto had gelaten. Hij heeft het wapen op de achterbank tussen de twee zittingen geklemd en mijn krant, die ik heb gekocht, er over heen gelegd.

Op 26 februari 2003 zei [verdachte] dat hij nog een keer weg moest. [medeverdachte 1] en ik hebben gewacht. Laat in de middag kwam [verdachte] weer terug. Hij zei dat [medeverdachte 1] en ik om 19.00 uur op de stationsparkeerplaats in Eindhoven moesten verschijnen. [verdachte] is nog een keer weggereden om mensen te ontmoeten. Toen we daar aankwamen was [verdachte] er al. [medeverdachte 1] nam zijn pistool uit de verstopplaats tussen de achterzittingen, schoof het in zijn broeksband en ging naar [verdachte] . [verdachte] zei tegen me dat ik de autosnelweg naar Härtgebosch (het hof begrijpt: 's-Hertogenbosch) moest oprijden en daar bij het tweede tankstation moest wachten. Daar moest ik vanaf 21.00 uur drie uur op ze wachten. Ik wist dat [verdachte] en [medeverdachte 1] een ontmoeting zouden hebben.

Toen [verdachte] en [medeverdachte 1] naar het tankstation kwamen had ik het gevoel dat ze erg opgewonden waren. [verdachte] reed als de bliksem het tankstation op en zei dat ik moest instappen en heel snel achter hem aan moest rijden. We reden richting Amsterdam en stopten bij een hotel.

(Heeft u het wapen van [medeverdachte 1] aangeraakt?)

Toen [medeverdachte 1] het wapen in het hotel onder zijn hoofdkussen legde en naar de badkamer ging heb ik het wapen onder het kussen vandaan gehaald om te kijken of het om een echt wapen ging. Ik heb het magazijn eruit gehaald en toen gezien dat het met scherpe patronen was gevuld. Ik kan dit beoordelen omdat ik in het Duitse leger was.

Op zaterdag 1 maart 2003 had ik een ontmoeting met [verdachte] . Hij vertelde mij wat er in Nederland gebeurd was. hij vertelde me dat hij met [medeverdachte 1] in een woning was. Daar waren drie personen en ik geloof dat daar de deal moest worden afgewikkeld. [verdachte] zei dat [medeverdachte 1] op de drie personen heeft geschoten. [verdachte] deed nog het geluid voor, dat hierbij ontstond. Hij zei dat het "paf, paf, paf" deed. Ik vermoed dat [medeverdachte 1] ervoor betaald werd om te schieten want hij en [verdachte] hebben in Nederland herhaaldelijk over geldbedragen gesproken. Ik heb iets over "twentyfive" gehoord.

20. Een Nederlandse vertaling van een in Duitsland in het Duits afgenomen proces-verbaal van verhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 17 april 2003, pagina 113-133 (dossiermap 3), in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 2] :

Op dinsdag 25 februari 2003 zijn we naar Eindhoven gereden. [verdachte] nam na het ontbijt afscheid en zei dat hij zijn mensen moest ontmoeten. Omstreeks 17.00-18.00 uur kwam hij in het gezelschap van iemand anders terug. Ik moest een stukje naar voren rijden zodat [verdachte] de kofferruimte kon openmaken. Die andere persoon ging op de achterbank zitten en [verdachte] overhandigde hem een biljet van 100 euro.

Die andere persoon controleerde het biljet en gaf het aan [verdachte] terug. Toen reden [verdachte] en de man weer weg.

[verdachte] belde na een tijdje [medeverdachte 1] op diens mobieltje. Na het telefoontje gaf [medeverdachte 1] mij te kennen dat ik het geld uit de kofferruimte moest halen. Toen ik weer in de auto zat ging het mobieltje van [medeverdachte 1] opnieuw over, waarna hij de telefoon aan mij gaf. Het was [verdachte] , die tegen me zei dat ik uit de zak 65.000 of 69.000 euro moest aftellen en los in een andere zak moest doen. Ik ben vervolgens met de zak met geld hotel "Holiday Inn" ingegaan en heb daar op het toilet het verlangde geld afgeteld. Bij het tellen van het geld had ik het vermoeden dat er met het geld iets niet in orde zou kunnen zijn. De biljetten waren niet voorzien van een veiligheidsstrip en van sommige biljetten was de rand zwart. Ik deed het afgetelde geld in een van de twee zakken en het resterende geld in de andere zak. Het ging om biljetten van 100 en 500 euro. De zak met het afgetelde geld gaf ik aan [medeverdachte 1] , de andere zak legde ik weer onder de afdekking van het reservewiel. Ik zei tegen [medeverdachte 1] dat het wel eens vals geld zou kunnen zijn.

Op woensdag (het hof begrijpt 26 februari 2003) kwamen [verdachte] en [medeverdachte 1] omstreeks 23.00-23.30 aan op de parkeerplaats waar ik op hen wachtte. Ze reden zeer jachtig. [verdachte] zei tegen me: "rij achter me aan". We zijn richting Amsterdam gereden en na ongeveer een uur arriveerden we bij een hotel.

(U hebt verklaard dat er meermaals over geld is gesproken. Kunt u hier een nadere verklaring over afleggen?)

Het gesprek over "twentyfive" vond op dinsdagavond plaats.

( [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] en hij elkaar na het sluiten van de "deal" de hand hebben gereikt en dat u deze handslag met een gebaar hebt bezegeld. U hebt beide handen symbolisch uit elkaar geslagen. Klopt dat?)

Ja, dat klopt. Dat is net zoiets als het sluiten van een pact. [verdachte] heeft me gevraagd de handen uit elkaar te slaan. Ik heb het toen gedaan.

21. Een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van een in het kader van een rogatoire commissie in Duitsland in het Duits afgenomen getuigenverhoor door Graetz, rechter bij het Amtsgericht te Berlijn, in het bijzijn van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Hertogenbosch en mr. Laeyendecker, raadsvrouw van verdachte, d.d. 5 september 2005, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 1] en [verdachte] waren met de Ford weggereden (het hof begrijpt: op dinsdag 25 februari 2003). Het afgetelde geld en het pistool had [medeverdachte 1] bij zich. Al na een uur kwamen ze terug. [verdachte] zei dat de deal pas de volgende avond zou zijn. Wij zijn toen in de buurt van het tankstation naar een fastfoodrestaurant gegaan en hebben daar met ons drieën gegeten. Ik had [verdachte] apart genomen en hem gevraagd of mijn vermoeden wat betreft het geld klopte, namelijk of het vals was. Het antwoord van [verdachte] luidde nagenoeg letterlijk: "das sei ja die Verarsche" (dat is immers de verneukerij). Ik ging daarna even van beiden weg, kwam weer terug en ving nog iets op van "twentyfivethousand". Beiden gaven elkaar toen een hand en ik moest daar doorheen slaan. Dat deed ik.

22. Een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van een in Duitsland in het Duits afgenomen getuigenverhoor van de Duitse politie in Berlijn d.d. 10 maart 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 1] :

Sinds ongeveer drie maanden zit ik met [betrokkene 2] vast in een dubbele cel. In de loop van de tijd heeft mij vervolgens het een en ander verteld. [betrokkene 2] vertelde me dat hij 50.000,- euro aan een Turk had gegeven om daarmee in Nederland 100 kilogram drugs te kopen. Dit geld was van [betrokkene 2] en [betrokkene 9] . Het geld was de Turk in Nederland afhandig gemaakt en hij kreeg geen hasj. Later is de Turk door [betrokkene 2] en [betrokkene 9] opnieuw naar Nederland gestuurd. Hij is niet alleen gegaan maar heeft een Duitser en een Rus of een Tsjetsjeen meegenomen. De Turk moest ecstasypillen kopen. Daarvoor had hij vals geld gekregen waarvoor [betrokkene 9] had gezorgd. Daarmee moest de Turk de pillen betalen. De Tsjetsjeen is om een specifieke reden meegereden. Hij moest de Nederlandse leveranciers doden. De Turk had de taak de drugsdeal uit te voeren. [betrokkene 2] heeft me verteld dat de Turk vooraf wist dat de Nederlanders zouden worden gedood. Hij moest de Tsjetsjeen naar de leveranciers leiden. [betrokkene 2] vertelde me dat Tsjetsjeen voor deze moord 30.000,-- euro is beloofd.

23. Een Nederlandse vertaling van een proces-verbaal van een in het kader van een rogatoire commissie in Duitsland in het Duits afgenomen getuigenverhoor door Staupe, rechter bij het kantongerecht te Berlijn, in het bijzijn van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Hertogenbosch en mr. Moszkowicz, raadsman van verdachte, d.d. 22 juli 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van [betrokkene 1] :

[betrokkene 2] heeft mij over de moord verteld. Hij heeft gezegd dat de Turk en de Tsjetsjeen naar Nederland zijn gegaan. Zij moesten daar pillen halen. De Turk had in Nederland contact met drie personen. De Tsjetsjeen heeft hen alle drie doodgeschoten. Ik heb begrepen dat aan de Tsjetsjeen 30.000 euro was geboden omdat hij die mensen moest doodschieten. Ik begreep dat de Tsjetsjeen 30.000 euro van de Turk kreeg. [betrokkene 2] heeft gezegd dat de Turk de Tsjetsjeen 30.000 euro heeft geboden.

24. Een Nederlandse vertaling van een in het Duits opgemaakt technisch rapport, van het Instituut Politietechnisch Onderzoek, d.d. 19 juni 2003, gekenmerkt LKA 4116, in de wettelijke vorm opgemaakt en welk deel uitmaakt van het dossier gekenmerkt PL2213/03-001609, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt:

Gerechtelijk vooronderzoek wegens drievoudige moord in Nederland.

Bij onderzoek van de plaats van het misdrijf in Nederland zijn 9 hulzen vastgesteld en aan het bureau overhandigd. Uit onderzoek bij de federale recherche bleek dat de onderzochte munitie die bij het misdrijf is gebruikt vermoedelijk vanuit een wapen is afgevuurd. Bij de hulzen worden twee verschillende soorten vastgesteld, 7 x GECO en 2 x S&B. Op de monsterdragers van de grijze donzen jas van verdachte [medeverdachte 1] zijn kruitspecifieke deeltjes aangetoond, welke zowel overeenstemt met het referentiekruit uit de hulzen S&B als met het referentiekruit uit de hulzen GECO."

3.4. Het hof heeft voorts in het arrest opgenomen en overwogen:

"B.1.

In de kern steunt het oordeel van het hof dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] , de verklaringen van de getuige [medeverdachte 2] , alsmede op de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] .

Uit deze bewijsmiddelen, in onderling verband bezien, leidt het hof het volgende af.

Op zaterdag 22 februari 2003 zijn verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in twee auto's naar Nederland gereden voor het uitvoeren van een zogenaamde ripdeal, dit naar aanleiding van een eerder mislukte drugsdeal in juni 2002. Het oorspronkelijke plan was om XTC-pillen te kopen en te betalen met vals geld. Verdachte had voor dat doel valse eurobankbiljetten meegenomen. [medeverdachte 2] zou als koerier de XTC-pillen naar Duitsland brengen. Ingeval de Nederlandse leveranciers het valse geld zouden herkennen, zou [medeverdachte 1] hen met een pistool bedreigen.

In Nederland aangekomen heeft verdachte diverse contacten met verschillende personen gehad om de deal rond te krijgen. Het was aanvankelijk de bedoeling dat de overdracht van de XTC-pillen in de open lucht zou plaatsvinden. Dit laatste vond geen instemming.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in Duitsland tegenover de politie verklaard dat verdachte op 24 februari 2003 een nieuw plan had uitgedacht, omdat de Nederlandse leveranciers de verdovende middelen niet naar een door verdachte te bepalen plaats wilden brengen. [medeverdachte 1] moest daarom de Nederlandse leveranciers doden en hij kreeg daarvoor door verdachte geld geboden. Over de prijs is onder meer op 25 februari 2003 onderhandeld (pag. 230, ordner 2). Verdachte bood eerst een bedrag van EUR 5.000,--, daarna EUR 10.000,-- en uiteindelijk lag het bod op EUR 25.000,--. De volgende ochtend heeft verdachte nog EUR 5.000,-- extra geboden, met welk bod [medeverdachte 1] uiteindelijk heeft ingestemd. [medeverdachte 1] heeft tevens verklaard dat [medeverdachte 2] bij de onderhandelingen aanwezig was. Hij, [medeverdachte 1] , en verdachte hebben elkaar, net als bij het sluiten van een contract, de hand gegeven en [medeverdachte 2] heeft deze handdruk ter bezegeling doorgeslagen.

Deze verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] vindt naar het oordeel van het hof steun in de verklaring van [medeverdachte 2] waarin deze stelt dat verdachte en [medeverdachte 1] in Nederland herhaaldelijk over geldbedragen hebben gesproken en dat hij een gesprek heeft gehoord over "twentyfive" (pag. 77, ordner 3). Ter gelegenheid van een later verhoor verklaart [medeverdachte 2] dat dat gesprek op 25 februari 2003 heeft plaatsgevonden (pag. 131, ordner 3). Verder heeft [medeverdachte 2] verklaard iets te hebben opgevangen over "twentyfivethousand" en dat verdachte en [medeverdachte 1] elkaar de hand hebben geschud en dat hij die handdruk heeft doorgeslagen (verhoor te Duitsland in het bijzijn van een Nederlandse rechter-commissaris en de raadsvrouw van verdachte d.d. 5 september 2005).

B.2.

Anders dan de verdediging acht het hof niet aannemelijk dat de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn verklaringen heeft afgestemd op die van de getuige [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] in opdracht of onder druk van derden zijn verklaringen heeft afgelegd. De (bekennende) verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van [medeverdachte 2] zijn naar het oordeel van het hof op dit punt dermate concreet en authentiek dat het hof deze verklaringen betrouwbaar acht. Ook overigens is uit het dossier onvoldoende gebleken dat enige druk op deze getuige is uitgeoefend om anders dan naar waarheid te verklaren. Het hof acht deze verklaringen aldus geloofwaardig.

B.3.

Voorts vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] steun in de verklaringen van [betrokkene 1] , zoals hij die op 10 maart 2004 tegenover de politie in Berlijn en op 22 juli 2004 in het bijzijn van een Nederlandse rechter-commissaris en de toenmalige raadsman van verdachte heeft afgelegd. [betrokkene 1] heeft in de gevangenis van [betrokkene 2] vernomen dat de Rus (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) is meegegaan naar Nederland en dat hij de Nederlanders moest vermoorden. De Turk (het hof begrijpt: verdachte) zou hiervan op de hoogte zijn. [medeverdachte 1] zou daarvoor van de Turk een bedrag van EUR 30.000,-- ontvangen. De Turk had hem EUR 30.000,-- geboden.

Het hof hecht ook betekenis aan deze verklaringen van de getuige [betrokkene 1] . Hoewel [betrokkene 1] niet uit eigen wetenschap verklaart, is de van [betrokkene 2] ontvangen informatie dermate concreet, dat het hof het ervoor houdt dat deze informatie afkomstig moet zijn van één van de personen die bij de onderhandelingen en de moorden aanwezig is geweest.

C.

Gelet op het vorenstaande is het hof de overtuiging toegedaan dat verdachte van te voren bekend was met het feit dat [medeverdachte 1] op 26 februari 2003 de personen die aanwezig zouden zijn in de woning [a-straat 1] te Helmond, zou gaan doden. Er is sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, waarbij verdachte een belangrijke rol heeft gespeeld door met de medeverdachte -al dan niet in opdracht van een ander of anderen- te onderhandelen over de prijs die hij voor de moorden zou ontvangen. Reeds uit het gegeven dat tussen 24 en 26 februari 2003 afspraken zijn gemaakt over de moorden, leidt het hof af dat sprake is geweest van een periode van kalm beraad en rustig overleg voor er door de medeverdachte [medeverdachte 1] uitvoering is gegeven aan de eerder met verdachte gemaakte afspraken.

De overige verweren van de verdediging behoeven naar het oordeel van het hof geen verdere bespreking."

3.5. Voor zover de steller van het middel betoogt dat er een discrepantie zit tussen de bewijsmiddelen, in die zin dat de medeverdachte zelf verklaart dat naar zijn weten het plan om te doden op 24 februari 2003 is gesmeed, maar [betrokkene 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dit al in Duitsland als opdracht heeft meegekregen, stel ik voorop dat dit niet zozeer relevant is voor de aangenomen voorbedachte raad van verdachte. Waar het om gaat is dát verdachte wist dat er drie personen van het leven zouden worden beroofd. Dat blijkt, zo stelt het hof vast, reeds uit zijn onderhandelingen over de prijs die verdachte aan [medeverdachte 1] moet betalen. Maar ook als men de verklaring van [betrokkene 1] leest is het duidelijk dat verdachte tevoren op de hoogte was van de moordplannen. Hoe men het ook draait of keert, voorbedachte raad is er altijd.

Voldoende voor voorbedachte raad is dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Daaraan doet niet af dat die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan.(2) Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad kan immers het verstrijken van enkele minuten al voldoende zijn. Het hof houdt het er op dat "reeds" uit het gegeven dat tussen 24 en 26 februari 2003 (dus in Nederland) afspraken zijn gemaakt over de beloning, de voorbedachte raad kan volgen. Het hof sluit daar naar mijn idee niet uit dat al eerder, in Duitsland, is besloten de leveranciers te doden. Voor zover de steller van het middel het doet voorkomen dat het hof heeft vastgesteld dat het plan om de leveranciers te doden moet zijn gesmeed tussen 24 en 26 februari 2003 faalt het, door het woordje "reeds", bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Van een tegenstrijdigheid of denatureren is hier dan ook geen sprake. De verklaring van [betrokkene 1] heeft geen andere strekking gekregen in de weergave van de zakelijke inhoud van zijn verklaring dan hij volgens zijn volledige verklaring daaraan heeft willen geven. Het staat het hof vrij om delen van een verklaring, die het hof niet redengevend acht voor de bewezenverklaring, weg te laten. Dat weglaten mag er niet toe leiden dat de verklaring een andere voorstelling van zaken geeft dan de aflegger van die verklaring daarmee heeft bedoeld te zeggen. De strekking van zijn verklaring moet gelijk blijven.(3) Die strekking houdt immers in dat er van tevoren plannen zijn gesmeed om drie personen te liquideren en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

Het tweede middel behelst nog de zelfstandige klacht dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende zijn om de bewezenverklaring te kunnen dragen. Deze klacht ketst reeds af nu er met het gewraakte bewijsmiddel 22 in mijn ogen niets mis is. Ik bestrijd overigens dat zonder (de) bewijsmiddel(en) 22 (en 23) er onvoldoende bewijs voorhanden is: met name de verklaringen van [medeverdachte 1] doen de verdachte de das om. Hij verklaart klip en klaar dat hij in opdracht van verdachte de drie personen moest doden. Het enkele feit dat [medeverdachte 2] niet wist waar verdachte en [medeverdachte 1] over spraken toen hij een geldbedrag hoorde noemen doet hieraan niet af.

Het eerste en tweede middel falen.

Omdat in het vierde middel bewijsmiddel 22 ook een rol speelt, zal ik middel 4 nu eerst behandelen.

4.1. Het vierde middel richt zich tegen andere "essentiële punten" waarop door het hof onvoldoende is gereageerd. In de toelichting wordt vervolgens geklaagd over het motief zoals dat door het hof is afgeleid. Dit zou onvoldoende steun vinden in de bewijsmiddelen. Het hof heeft als motief aangeduid de omstandigheid dat de leveranciers, in afwijking van verdachtes wens, de deal toch in een huis wilden afwikkelen. In de bewijsmiddelen 10, 14 en 22 komt een eventueel ander motief aan het licht: een mislukte drugsdeal in 2002.

4.2. Deelnemers aan een misdrijf kunnen ieder andere motieven hebben. In de onderhavige zaak lijkt het alsof [betrokkene 2] een ander motief heeft gehad dan verdachte. Vraag is wel waarom dat motief dan in de bewijsconstructie van deze verdachte naar voren moet komen. Dit vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het feit dat het hof een stuk voorgeschiedenis in de bewijsconstructie heeft opgenomen en de bewijsmiddelen 10, 14 en 22 daar in zoverre steun steun aan bieden.

Voor een bewezenverklaring is het vaststellen van een motief in beginsel niet relevant. Het kunnen aanduiden van een motief kan in de opsporingsfase houvast bieden en kan in de berechtingsfase van belang zijn voor de overtuiging en de op te leggen straf. Alleen als het hof zijn overtuiging onder meer baseert op een motief, dan zullen de feiten en omstandigheden waaruit dit motief kan worden afgeleid, in de bewijsmiddelen terug moeten komen, of moet daarvan de vindplaats en de bron in het dossier worden aangeduid. Dan is het motief immers redengevend geweest voor de bewezenverklaring.(4) In casu heeft het hof uit de bewijsmiddelen een motief afgeleid. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] geeft het motief voor de drievoudige moord, bewijsmiddel 15: de deal kon niet op de voorwaarden die verdachte stelde worden afgedaan, waarna het besluit werd genomen de leveranciers dan maar te doden. Dat dit motief in casu dan in meerdere bewijsmiddelen terug moet zijn te vinden, vindt geen steun in het recht. En dat dit motief voor een buitenstaander vreemd overkomt staat evenmin aan de bewezenverklaring in de weg.

Ook hier geldt overigens dat, wat er ook zij van een eventueel verschil in motief bij verschillende personen, dit de bewezenverklaring en 's hofs oordeel dat in casu sprake is geweest van een drievoudige moord niet aantast, noch onbegrijpelijk maakt.

4.3. Voor zover een beroep gedaan wordt op het standpunt van de advocaat-generaal bij het hof met betrekking tot het motief, geldt dat in de regel verdachte zich niet kan beklagen over een afwijking van dat standpunt door het hof(5), terwijl bovendien in casu niet eens gezegd kan worden dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv.

Het vierde middel faalt.

Wat wel en niet in de bewijsconstructie moet zijn opgenomen, speelt ook een rol in het zesde middel. Dat bespreek ik nu eerst, om erna het derde en vijfde middel nog te bespreken.

5.1. Het zesde middel richt zich tegen 's hofs conclusie dat [betrokkene 2] zijn informatie moet hebben gekregen van iemand die bij de onderhandeling en de moorden aanwezig moet zijn geweest. Vervolgens elimineert de steller van het middel verdachte en trekt de conclusie dat de informatie aan [betrokkene 2] gegeven moet zijn geweest door medeverdachte [medeverdachte 1] . Volgens de steller van het middel moet dat dan vervolgens uit de bewijsmiddelen blijken.

5.2. Dat dit uit de bewijsmiddelen moet blijken - overigens wordt niet ingegaan op [medeverdachte 2] -, kan niet op enig wettelijk voorschrift worden gegrond. Het hof heeft met de overweging kennelijk alleen willen illustreren dat de informatie die [betrokkene 1] heeft gekregen past in de feitelijke gang van zaken zoals door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is geschetst en dat de informatie betrouwbaar is omdat de informatie [betrokkene 1] over weinig schijven heeft bereikt, of, anders gezegd: er zit tussen de plegers van de moorden en de toehoorder [betrokkene 1] zo weinig schakels dat de informatie waarschijnlijk nog aan weinig vervorming bloot heeft gestaan.

Het zesde middel faalt.

Dit gezegd hebbende, is meteen het lot van het derde middel bezegeld.

6.1. Het derde middel houdt immers in dat de verwerping van het verweer dat de medeverdachte hun verklaringen onderling hebben afgestemd, onvoldoende is gemotiveerd. Voorts zou het verweer dat [medeverdachte 2] zijn verklaring onder druk heeft afgelegd, onvoldoende gemotiveerd zijn verworpen. De steller van het middel wijst, net zoals zij bij het hof heeft gedaan, op feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat de verklaringen niet betrouwbaar zijn.

6.2. Het hof heeft in B.2 als volgt op het verweer gereageerd:

"Anders dan de verdediging acht het hof niet aannemelijk dat de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn verklaringen heeft afgestemd op die van de getuige [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] in opdracht of onder druk van derden zijn verklaringen heeft afgelegd. De (bekennende) verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van [medeverdachte 2] zijn naar het oordeel van het hof op dit punt dermate concreet en authentiek dat het hof deze verklaringen betrouwbaar acht. Ook overigens is uit het dossier onvoldoende gebleken dat enige druk op deze getuige (AM: [medeverdachte 2] ) is uitgeoefend om anders dan naar waarheid te verklaren. Het hof acht deze verklaringen aldus geloofwaardig."

6.3. Vooropgesteld moet worden dat de selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is overgelaten. Op feitelijkheden die niet door het hof zijn vastgesteld kan geen beroep worden gedaan in cassatie. Op stukken die niet door het hof zijn besproken, dan wel na de behandeling tot stand zijn gekomen (de vertaling van een "spiekbriefje"), kan de Hoge Raad ook geen acht slaan. Het hof heeft niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als betrouwbaar heeft aangemerkt: zij vinden steun in elkaar, terwijl de verklaringen van [medeverdachte 1] ook nog worden gesteund door de verklaringen van [betrokkene 1] .

Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel gaat in op 's hofs overweging dat er op 25 februari 2003 een overeenkomst is gesloten, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat er de dag erna pas écht overeenstemming is bereikt, toen [medeverdachte 1] een aanvullende EUR 5.000,- werd geboden.

7.2. Het enkele feit dat er de dag erna nog EUR 5.000,- nodig was om [medeverdachte 1] over de streep te trekken, maakt 's hofs overwegingen, erop neerkomende dat [medeverdachte 1] werd betaald om drie personen te vermoorden, niet onbegrijpelijk. [medeverdachte 2] was erbij toen er over geld werd gesproken tussen verdachte en [medeverdachte 1] , bewijsmiddelen 15, 19 en 21. Hij heeft daaruit de conclusie getrokken dat [medeverdachte 1] betaald werd. Het hof doet dat ook en kan dat ook doen, temeer omdat [medeverdachte 1] dat zelf ook verklaart (bewijsmiddel 15). Er wordt door de verdediging, noch door de steller van het middel een geloofwaardig alternatief geboden dat 's hofs oordeel dat van tevoren is onderhandeld over de prijs voor het doden van de drie slachtoffers onbegrijpelijk zou maken, of dat de prijsafspraken ergens anders op sloegen dan op de voorgenomen liquidaties. Dat er dus in totaal EUR 30.000,- is uitgetrokken en beloofd aan [medeverdachte 1] wordt ook weer ondersteund door de verklaringen van [betrokkene 1] , bewijsmiddelen 22 en 23.

Het middel faalt.

8. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Een grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] , nr. 01951/07, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605, rov. 3.5; HR 11 juni 2002, LJN AE1743, rov. 3.3; HR 22 februari 2005, LJN AR5714, rov. 4.3 (Deventer moordzaak); HR 4 april 2006, LJN AU9428, rov. 3.5.

3 HR 4 januari 2000, NJ 2000, 225, rov. 3.5. Als ik het goed zie, dan wijst de steller van het middel op de volgende, door mij gecursiveerde onderdelen van [betrokkene 1] verklaring:

"(...) De Tsjetsjeen is om een heel specifieke reden meegereden. Hij moest de Nederlandse leveranciers doden. Hoewel het aanvankelijk de bedoeling was hen met het valse geld te betalen, had de Tsjetsjeen van het begin af aan de opdracht hen vervolgens van kant te maken. De reden hiervoor was dat zij de [naam] 's eerder de 50.000,- euro afhandig hadden gemaakt. En die laten zich niets afhandig maken! (...) (vraag:) Wie heeft hiervoor de opdracht aan de Tsjetsjeen gegeven? Dat heeft [betrokkene 2] niet zo expliciet vermeld. [betrokkene 2] en [betrokkene 9] zijn echter vermoedelijk de belangrijkste leden van de familie [betrokkene 2] . [betrokkene 9] heeft zich misschien naar buiten toe wat meer invloed want hij zou zich ook bezighouden met het afpersen van protectiegelden. Zoals [betrokkene 2] het met (lees: me, AM) heeft verteld, ga ik er van uit dat beiden opdracht hebben gegeven de leveranciers te doden. [betrokkene 2] heeft me echter letterlijk verteld dat [betrokkene 9] voor het pistool heeft gezorgd en het voor dit specifieke doel aan de Tsjetsjeen heeft gegeven. De Turk had de taak de drugsdeal uit te voeren. [betrokkene 2] heeft me verteld dat de Turk vooraf wist dat de Nederlanders zouden worden gedood. Hij moest de Tsjetsjeen naar de leveranciers leiden. [betrokkene 2] vertelde me dat Tsjetsjeen voor deze moord 30.000,-- euro is beloofd."

4 HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 m.nt. J.R; HR 23 oktober 2007, LJN BA5851.

5 HR 3 oktober 2006, LJN AX5479.