Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3557

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
00832/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3557
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR verbetert ambtshalve de beslissing m.b.t. het noemen van de naam van de b.p., de vordering van de b.p. en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, zodat betaling van verdachte aan de Staat de andere betalingsverplichting doet vervallen en vice versa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 203
RvdW 2008, 348

Conclusie

Mr Wortel

Griffienr. 00832/07

Zitting:11 december 2007

Conclusie inzake:

[verdachte 3]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, waarbij verzoeker wegens (1 primair) "medeplegen van moord", (2) (voor zover het feit is begaan tot 17 maart 2003) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en (voor zover het feit is begaan na 17 maart 2003) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met bijkomende beslissingen, met name ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.

Voorts heeft het Hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd. Daarbij is bepaald dat verzoeker van zijn betalingsverplichtingen jegens de benadeelde partij zal zijn bevrijd voor zover mededaders het bedrag zullen hebben voldaan.

1.a Mede gelet op de einduitspraken in de twee na te noemen samenhangende cassatieberoepen dient de bestreden uitspraak in twee opzichten verbeterd te worden gelezen:

a) In het dictum is de naam van de benadeelde partij weggevallen. "Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, , te betalen een bedrag van € 6.194,90 (...)" dient te worden gelezen als: "Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 6.194,90 (...)".

b) In het dictum dient vóór "Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat" te worden ingevoegd: "Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."

2. Namens verzoeker heeft mr C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

In samenhangende zaken met griffienummers 00830/07 en 00831/07 concludeer ik heden eveneens.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het verzoek een getuige te horen bij tussenarrest is afgewezen op grond van het bepaalde in art. 418, tweede lid, Sv, terwijl de betreffende getuige nimmer door de rechter-commissaris of ter terechtzitting in eerste aanleg is gehoord. De klacht betreft zekere [betrokkene 1].

4. Bij de stukken die op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich een proces-verbaal betreffende het verhoor van deze [betrokkene 1] door de rechter-commissaris in de Rechtbank te Utrecht op 16 maart 2005, als getuige in de zaak tegen verzoeker en in tegenwoordigheid van verzoekers toenmalige raadsman.

Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5. Ook het tweede middel komt op tegen de op art. 418, tweede lid, Sv gegronde afwijzing van het verzoek getuigen te horen in het op 11 oktober 2006 gewezen tussenarrest, doch thans ten aanzien van de hiervoor reeds genoemde getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Betoogd wordt dat die beslissing ten aanzien van deze getuigen onbegrijpelijk is in verband met de redenen die de verdediging voor een nieuw verhoor heeft aangevoerd.

6. Volgens de toelichting op het middel heeft de verdediging bij haar verzoek om oproeping van deze twee personen gewezen op hetgeen de drie verdachten inmiddels, en anders dan bij de berechting in eerste aanleg, waren gaan verklaren.

7. In de betreffende tussenuitspraak heeft het Hof - niet onbegrijpelijk - vooropgesteld dat het enkele feit dat de verdachte bij de behandeling in hoger beroep een andersluidende verklaring had afgelegd nog niet meebrengt dat nader onderzoek noodzakelijk was.

Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat hetgeen verzoeker bij de behandeling in hoger beroep heeft verklaard (waarmee hij zijn in eerste aanleg verkozen proceshouding wijzigde) geen zodanig nieuw licht kan werpen op de verklaringen die de twee getuigen reeds in een eerder stadium hadden afgelegd dat een nieuw verhoor van die getuigen noodzakelijk is. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor, hetgeen eveneens geldt voor de door de verdediging genoemde noodzaak de twee verzochte getuigen te confronteren met hetgeen twee andere getuigen hebben verklaard, aangezien laatstbedoelde verklaringen klaarblijkelijk ook in het vooronderzoek zijn afgelegd, zodat niet zonder meer duidelijk is waarom de verdediging [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet reeds bij gelegenheid van hun vorige verhoor had kunnen confronteren met hetgeen de andere getuigen hadden verklaard.

Het middel faalt.

8. Het derde middel klaagt over de verwerping van het verweer dat 'moord' niet bewezen kan worden verklaard omdat er geen sprake is geweest van een bezinningsmoment tussen het opvatten van het voornemen en het lossen van de dodelijke schoten, als bedoeld in, onder (veel) meer, HR NJ 2000, 605.

Het vierde middel klaagt erover dat ten onrechte is bewezenverklaard dat verzoeker het feit tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.

9. Het oordeel dat verzoeker heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, en dus met de in art. 289 Sr bedoelde 'voorbedachte raad' is in de bestreden uitspraak als volgt toegelicht:

"Het staat vast dat [verdachte 2] de voor het slachtoffer fatale schoten heeft gelost. Met [slachtoffer] bestond al langere tijd een conflict over diens activiteiten als drugsdealer in IJsselstein en het is aannemelijk dat verdachte en zijn medeverdachten het incident op de Clinkhoeff hebben willen aangrijpen om [slachtoffer] ondubbelzinnig duidelijk te maken dat zij geen inmenging in hun territorium duldden. [Verdachte 3] heeft al ter plaatse uitgesproken daarbij het gebruik van een pistool niet te schuwen en uit diens prompte telefonische melding aan verdachte, die op zijn beurt onmiddellijk [slachtoffer] belde en [verdachte 1] erbij betrok, blijkt genoegzaam de urgentie van het conflict voor alle betrokkenen. [Verdachte 2] en [verdachte 1] hebben zich beiden voorzien van een pistool en zijn met [verdachte 3] en in gezelschap van [medeverdachte], die hun getal versterkte, onverwijld gewapend en in meerderheid de confrontatie met [slachtoffer] aangegaan. Hieruit volgt dat verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf hun vertrek naar de tramhalte "Eiteren" de gelegenheid hadden om zich te beraden over en rekenschap te geven van de betekenis van en de gevolgen van het gebruik van vuurwapens bij die op handen zijn confrontatie.

Ook nadat [verdachte 2] een eerste schot had gelost hebben [verdachte 1] en [verdachte 3] zich niet gedistantieerd van het gebruik van een vuurwapen. Na dat eerste door [verdachte 2] afgevuurde schot heeft ook [verdachte 1] zijn wapen getrokken. Ook acht het hof - zoals gezegd - aannemelijk dat [verdachte 3] even later tegen [verdachte 2] heeft gezegd ook [betrokkene 4] "te schieten". Verdachten hebben zich vervolgens gezamenlijk uit de voeten gemaakt zonder zich verder om het slachtoffer te bekommeren en zijn rechtstreeks naar een of meer schuiladressen in Rotterdam gereden.

Dit een ander geeft blijk van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking dat sprake is van medeplegen van moord op [slachtoffer]."

10. Blijkens de op beide middelen gegeven toelichtingen worden deze overwegingen bestreden op grond van een andere waardering van de feiten. Daarmee begeven de middelen zich op het aan de feitenrechter voorbehouden domein.

Mede gelet op de zojuist aangehaalde overwegingen is de bewezenverklaring naar behoren gemotiveerd voor zover zij inhoudt dat verzoeker het feit als medepleger heeft begaan, en ook voor zover zij inhoudt dat verzoeker heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Het verweer dat zodanige 'voorbedachte raad' niet bewezen kan worden is op niet-onbegrijpelijke grond verworpen.

De middelen falen.

11. Het vijfde middel komt op tegen de beslissing op het verweer dat een zekere [betrokkene 4] een onbetrouwbare getuige is zodat diens verklaringen niet aan het bewijs mogen meewerken.

12. De bewijsoverwegingen in de bestreden uitspraak (p. 17) houden in dat het Hof de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van deze getuige als betrouwbaar heeft aangemerkt omdat die verklaring consistent en gedetailleerd is, bevestiging vindt in de verklaring van een andere getuige, en ook wordt ondersteund door de bevindingen van de technische recherche.

13. Dit oordeel wordt in de toelichting op het middel bestreden met een andere waardering van de feiten. Daarmee begeeft het middel zich op het aan de feitenrechter voorbehouden domein, zodat het faalt.

14. Naar mijn oordeel lenen alle middelen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

15. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak verbeterd zal lezen als hiervóór, onder 1.a, vermeld, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,