Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3391

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
R07/016HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen, art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F. (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 232
RvdW 2008, 366
JWB 2008/151

Conclusie

Zaaknr. R07/016HR

Mr. Huydecoper

Parket, 1 februari 2008

Conclusie inzake

1) [Verzoeker 1]

en

2) [Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) De beide verzoekers tot cassatie, [verzoeker] c.s., die echtgenoten zijn, zijn in 2005 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling van Titel III Fw(2).

Bij het thans in cassatie bestreden arrest van het hof te Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) werden twee vonnissen van de rechtbank Utrecht bekrachtigd, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van beide betrokkenen (voortijdig) werd beëindigd op de grond, kort gezegd, dat [verzoeker] c.s. de verplichtingen die uit hoofde van de schuldsaneringsregeling op hen rustten, niet naar behoren waren nagekomen.

De door het hof bekrachtigde beslissingen van de rechtbank, vermeld ik volledigheidshalve, volgden op beslissingen van de rechtbank van 9 januari 2006 waarbij een eerder verzoek (van de bewindvoerder) tot beëindiging van de schuldsanering was afgewezen. In die beslissingen werd vastgesteld dat [verzoeker] c.s. de op hen rustende verplichtingen weliswaar niet geheel waren nagekomen, maar werd overwogen dat hun in de gegeven omstandigheden een (laatste) kans moest worden gegeven om te bewijzen dat zij zich gedurende de resterende looptijd van de regeling aan hun verplichtingen konden houden.

2) In het thans in cassatie bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] c.s. in de sollicitatie- en informatieverplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien tekort waren geschoten en dat de van hen te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbrak, en heeft het hof in aanmerking genomen dat [verzoeker] c.s. door de vonnissen van 9 januari 2006 gewaarschuwd waren voor de mogelijke gevolgen van een dergelijk tekortschieten. Mede aan de hand van die overwegingen kwam het hof tot de al even vermelde bekrachtiging van de beslissingen van de rechtbank.

3) Namens [verzoeker] c.s. is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(3). Er wordt in cassatie geen verweer gevoerd.

Ontvankelijkheid

4) Ik breng dit onderwerp te berde omdat de Hoge Raad in het betrekkelijk recente verleden heeft bevestigd (zoals hij al ruimschoots eerder had aangegeven) dat het in beginsel niet vrijstaat om in verschillende zaken bij een en hetzelfde processtuk een rechtsmiddel in te stellen(4).

De onderhavige zaak is intussen in de eerste aanleg "begonnen" als twee zelfstandig gevoerde en beoordeelde gedingen, maar is al in de appelfase (nadat bij één appelrekest beroep was ingesteld) behandeld als betrof het een en dezelfde zaak, of twee verknochte en gevoegd behandelde zaken. Bovendien bestaat er tussen de zaken van de beide echtelieden ongetwijfeld een dusdanige mate van samenhang dat gezamenlijke behandeling in de rede ligt. Het lijkt mij daarom geheel "en règle" dat tegen het enkelvoudige arrest van het hof bij een enkelvoudig rekest cassatieberoep is ingesteld. Een ontvankelijkheidsbeletsel hoeft daarom - ik zou zelfs zeggen: mag daarom - niet (te) worden aangenomen.

Bespreking van de cassatiemiddelen

5) De voorgestelde middelen zijn uiterst beknopt geformuleerd. Men kan menen dat zij, althans voor een deel, niet voldoen aan de maatstaf die in art. 426a, tweede lid Rv tot uitdrukking komt.

Ik geef er de voorkeur aan dit punt te laten rusten, en de aangevoerde klachten inhoudelijk te bespreken voorzover zij voor een inhoudelijke bespreking aanknopingspunten bieden.

Ik vermeld, ongetwijfeld ten overvloede, dat de wettelijke regeling betreffende schuldsanering vrij ingrijpend is gewijzigd bij de wet van 24 mei 2007, S. 192. De nieuwe regeling is op 1 januari jl. in werking getreden(5). Daardoor is ook een aantal van de bepalingen die in de onderhavige zaak een rol spelen, gewijzigd. Bij gebreke van andersluidende bepalingen van overgangsrecht is echter aan te nemen dat de onderhavige zaak geheel naar de destijds geldende regels moet worden beoordeeld. De verwijzingen, in deze conclusie, naar relevante wetsbepalingen doelen dan ook steeds op de "oude" teksten daarvan.

6) Het eerste middel beoogt, naar ik begrijp, te klagen dat het hof ten onrechte het bestaan van een "sollicitatieplicht" aan de kant van [verzoeker] c.s. heeft aangenomen, althans dat het hof nader had moeten aangeven op welke rechtsgrond die plicht zou berusten en wat de omvang daarvan was.

Het eerste lid van deze klacht is ondeugdelijk omdat algemeen wordt aangenomen dat een sollicitatieplicht deel uitmaakt van de verplichtingen die uit de schuldsanering voortvloeien, en waarnaar art. 350, derde lid onder c Fw (de bepaling die het hof hier heeft toegepast) verwijst(6). (Vanzelfsprekend geldt een sollicitatieverplichting overigens alleen voorzover de betrokkene niet al voltijds doende is met zinvolle bezigheden die een redelijk rendement opleveren.)

7) Dat dit algemeen wordt aangenomen is ook in uitgesproken mate voor de hand liggend: het gaat er, bij de schuldsaneringsregeling, per saldo om dat de schuldenaar gedurende de looptijd van de regeling zich "tot het uiterste" (binnen de perken van het redelijke, zoals ik met de aanhalingstekens beoog aan te geven) inspant om betaling van zijn schulden te bewerkstelligen. Dat een schuldenaar gedurende de looptijd van de regeling deze inspanning opbrengt en zich bovendien bestedingen die het "vrijgestelde" bestedingsplafond(7) te boven gaan ontzegt, vormt de belangrijkste rechtvaardiging voor de "schone lei" die art. 358 Fw aan het eind van een met succes voltooide schuldsanering in het vooruitzicht stelt(8). Een sollicitatieplicht vormt een logisch, om niet te zeggen: onvermijdelijk uitvloeisel van de inspanningsverplichting waar de schuldsaneringsregeling mede toe strekt.

8) Het middel klaagt er, op dit thema, nog over dat een niet nauwkeurig omlijnde verplichting aanleiding kan geven tot uiteenlopende beoordeling (wat de klacht nogal gechargeerd typeert als "willekeur").

Het is op zichzelf natuurlijk juist dat bij "vage normen" altijd een zekere "spreiding" in de toepassing dreigt. Niet voor niets wordt de vage norm wel bestreden omdat die aan de rechtszekerheid onvoldoende recht zou doen.

Maar wat daar ook van zij: het recht kent nu eenmaal vele normen waarvan de grens niet precies valt aan te geven. De marge van onzekerheid die daaraan inherent is, ontslaat de rechter allicht niet van de plicht om dergelijke normen toe te passen waar die toepasselijk zijn.

9) Voorzover het middel beoogt te bestrijden dat er zoiets als een sollicitatieplicht (voor de schuldenaar in een schuldsanering) bestaat of dat die hier aan de orde mocht komen, mist het dus steun in het recht.

Voor het overige faalt het, omdat de rechter niet verplicht is aan te geven welke rechtsbronnen aan een door hem toegepaste regel ten grondslag liggen, of wat de exacte begrenzing van de werkingssfeer van de toegepaste regel is. Hij - de rechter - moet zijn beslissingen op geldende rechtsregels baseren, maar hij hoeft niet telkens uiteen te zetten waar die regels steun vinden of wat hun bereik precies is (uiteraard: tenzij het een geschil betreft waarin het bereik (de afbakening) van de regel nu juist ter discussie staat). Voor zulk onderzoek hebben wij, om het zo eens te zeggen, de rechtswetenschap. De rechter mág daar het zijne aan bijdragen, maar hij is daar natuurlijk niet - laat staan: in ieder voorkomend geval - toe verplicht.

10) Het tweede middel gaat uit van de veronderstelling dat het hof het oordeel van de bewindvoerder over de niet-nakoming van de sollicitatieplicht e.a. tot richtsnoer zou hebben genomen, in plaats van zijn eigen oordeel over de hem voorgelegde vragen te geven. Er is echter niets dat erop wijst dat het hof dit zou hebben gedaan. De rov. 3.2 en 3.3 van het bestreden arrest stellen, wat mij betreft, buiten twijfel dat het hof zelfstandig de gegevens waarover het de beschikking had, heeft beoordeeld. Ik ben bereid aan te nemen dat het hof daarbij aan de inlichtingen van de bewindvoerder het nodige gewicht heeft toegekend. Gezien de positie van de bewindvoerder in een schuldsanering (ik verwijs weer naar art. 316, eerste lid onder a Fw), ligt enigszins voor de hand dat diens bevindingen als - uiterst - relevante informatie worden beoordeeld.

Het staat de rechter vrij om, bij de vorming van het van hem gevraagde oordeel, het gewicht te bepalen dat aan voorgelegd bewijsmateriaal en verstrekte inlichtingen toekomt (beter gezegd: dat is een van de centrale onderdelen van het rechterlijke werk). Dat heeft het hof hier klaarblijkelijk gedaan. Daar is niets op aan te merken.

11) Het derde middel neemt tot uitgangspunt dat het hof voor de vraag of aan de sollicitatieplicht is voldaan uitsluitend schriftelijk bewijs zou (hebben) willen toelaten. Ook voor dit uitgangspunt lijkt mij geen deugdelijke grondslag aanwezig. Ik stel voorop dat men als het gaat om het aantonen van sollicitaties, licht - of: als eerste - aan schriftelijk bewijs denkt. Het hoeft dan overigens niet alleen om (kopieën van) sollicitatiebrieven te gaan - ook deze in het middel geuite premisse lijkt mij onjuist. De uitnodiging voor een (sollicitatie)gesprek vindt bijvoorbeeld ook vaak schriftelijk plaats, en ook van een afwijzing ontvangt men meestal schriftelijk bericht. Bovendien kan men de betrokkenen - ook achteraf - vragen om schriftelijk te bevestigen dat men gesolliciteerd heeft. Vandaar dat de beoordelaar zo gemakkelijk aan schriftelijk documentatiemateriaal denkt. Maar als van de kant van [verzoeker] c.s. ander bewijs zou zijn "ingebracht" zou het hof dat ongetwijfeld in zijn beoordeling hebben betrokken. Ik denk dat alleen al een gespecificeerde opgave van de sollicitaties die er zouden hebben plaatsgehad (met aanduiding van "waar en wanneer") het nodige gewicht in de schaal had kunnen leggen. Omgekeerd: dat over de sollicitaties die er zouden hebben plaatsgehad geen enkele concrete mededeling is gedaan (zoals men uit het dossier kan opmaken), zal vermoedelijk niet hebben nagelaten het oordeel van het hof (in het nadeel van [verzoeker] c.s.) te beïnvloeden.

Ik onthoud mij van (nog) verdere bespiegelingen: de klacht van dit middel vindt geen steun in 's hofs overwegingen, en faalt al daarom.

12) Onder het hoofd "overige middelen" wordt vervolgens geklaagd over de betekenis die het hof aan (het niet nakomen van) de inlichtingenplicht heeft toegekend.

De klacht begint met de hypothese dat het hof met "inlichtingenplicht" hetzelfde zou hebben bedoeld als met "sollicitatieplicht". Ook voor deze hypothese ontbreekt, denk ik, deugdelijke grond: het (niet erg omvangrijke) dossier laat zien dat de bewindvoerder gespecificeerde klachten had ingebracht over het feit dat [verzoeker] c.s. informatie waarnaar door de bewindvoerder (bij herhaling) zou zijn gevraagd, niet (of zeer onvolledig) hadden verstrekt. Dat wij dan een andere verplichting voor ons hebben dan de sollicitatieplicht behoeft, denk ik, geen nadere toelichting; en het is kennelijk deze andere verplichting die het hof hier voor ogen heeft.

13) Uitgaand van de alternatieve hypothese dat inderdaad twee verschillende verplichtingen zijn bedoeld, verwijst het "overige" middel naar de klacht van het eerste middel. Ik kan op mijn beurt verwijzen naar wat ik daarover gezegd heb: ook voor de inlichtingenplicht geldt, dat die algemeen wordt gerekend tot de verplichtingen van de schuldenaar in het kader van een schuldsanering. Ook hier dringt zich enigszins op dat zo'n verplichting bestaat, en ook waar die toe strekt. De wet gaat er immers - in het al herhaaldelijk aangehaalde art. 316, eerste lid onder a Fw - van uit dat de bewindvoerder toezicht houdt op de nakoming, door de schuldenaar, van diens verplichtingen. Een eerste vereiste om dat te kunnen doen, is dat de bewindvoerder over de omstandigheden en gesties van de schuldenaar wordt ingelicht; en de schuldenaar zelf is de eerst aangewezene om deze inlichtingen te verstrekken. Dan is het aannemen van een "inlichtingenplicht", zoal niet onontkoombaar, dan toch erg voor de hand liggend(9).

14) Dat de rechter zou moeten aangeven op welke bronnen hij een aan zijn oordeel ten grondslag gelegde rechtsplicht baseert, of precies zou moeten aangeven hoe ver die rechtsplicht reikt, is bij de bespreking van het eerste middel al onderzocht (met voor de verzoekers tot cassatie negatieve uitkomst).

15) Onder het kopje "ten overvloede" wordt gewezen op twee (nadere) door de bewindvoerder ingebrachte verwijten. Ik meen echter (en ik geloof dat de steller van het middel dat ook meent) dat het hof deze verwijten buiten beschouwing heeft gelaten, en heeft geoordeeld dat wat er overigens was komen vast te staan al voldoende grond voor de gegeven beslissing opleverde. Dat zo zijnde, hoeft wat hier "ten overvloede" wordt aangevoerd niet te worden onderzocht.

16) In de bij de middelen gegeven toelichting lees ik nog de klacht dat men van een schuldenaar die geconfronteerd wordt met maatschappelijke omstandigheden zoals die daar worden geëtaleerd, niet mag verlangen dat die veelvuldig - vier maal per maand - schriftelijk solliciteert(10).

Hier geldt opnieuw dat ik geen aanwijzingen heb aangetroffen dat het hof inderdaad een zo zware eis ten aanzien van [verzoeker] c.s. zou hebben gehanteerd. De vraag of die eis zou mogen worden gehanteerd komt dus niet aan de orde.

Voor het overige geldt dat de toelichting een reeks argumenten die feitelijke waardering vergen(11), aan het hier geformuleerde bezwaar ten grondslag legt. Ook daarom zou dit argument niet voor beoordeling in cassatie in aanmerking komen.

17) Ik ben niet gestuit op vragen die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording zouden behoeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan de in de eerste aanleg op 27 november 2006 gewezen vonnissen, p. 1. Hoewel in het in cassatie bestreden arrest niet expliciet wordt vermeld dat ook in appel van de door de rechtbank vastgestelde feiten wordt uitgegaan, ligt bepaald in de rede dat het hof dat wel heeft bedoeld.

2 Dat is gebeurd bij vonnissen van de rechtbank Utrecht van 5 april 2005.

3 Het arrest van het hof is van 18 januari 2007. Het cassatierekest is op 26 januari 2007 ingekomen, en dus binnen de termijn van acht dagen die de art. 351 en 342, derde lid Fw voorschrijven.

4 HR 23 december 2005, NJ 2007, 162 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.

5 KB van 18 juni 2007, S. 222.

6 De wet verwijst overigens op andere plaatsen ook naar deze verplichtingen, zie bijvoorbeeld art. 316, eerste lid onder a en art. 354, eerste en derde lid Fw.

7 Zie art. 295, tweede en derde lid Fw.

8 Zie over de strekking van de regeling bijvoorbeeld de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1992 - 1993,

22 969, nr. 3, par. 9 en 10; Noordam, Schuldsanering en goede trouw, diss. 2007, nrs. 215 - 217; Polak - Wessels, Insolventierecht Deel IX, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, nrs. 9006 en 9421.

9 Zie over (het belang van) de informatieverplichting bijvoorbeeld HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572, rov. 3.2.1 - 3.4.2 en HR 4 november 2005, NJ 2006, 135, rov. 3.3; Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, nr. 5.1.4.

10 In de beslissingen van de eerste aanleg wordt de sollicitatieplicht met verwijzing naar deze maatstaf (van gemiddeld vier schriftelijke sollicitaties per maand) nader aangeduid. Die maatstaf - ik zou eerder zeggen: vuistregel - is klaarblijkelijk ontleend aan de richtlijnen die de Recofa (overlegplatform van rechters-commissaris in faillissementszaken) over het beheer in schuldsaneringen heeft opgesteld en gepubliceerd.

11 En waarvan sommige, voorzover ik heb kunnen nagaan, in de feitelijke instanties niet waren aangevoerd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de in alinea's 12 en 14 van de toelichting genoemde argumenten. Ik vermeld volledigheidshalve dat het middel (de toelichting) niet aangeeft waar de daar aangehaalde stellingen in de stukken zouden zijn "ingebracht".