Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC3346

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
R07/092HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC3346
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Ontzegging van omgangs- en informatieregeling aan niet met gezag belaste ouder (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 258
RvdW 2008, 392
JWB 2008/157

Conclusie

R07/092HR

mr. Keus

Parket, 1 februari 2008

Conclusie inzake:

[De vader]

(hierna: de vader)

verzoeker tot cassatie

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant

(hierna: de stichting)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om de ontzegging van een omgangs- en informatieregeling aan een niet met het gezag belaste ouder. In cassatie spitst het debat zich toe op de vraag of de beslissing die het hof over het door de vader gevraagde herstel van het contact tussen hem en zijn dochter heeft gegeven, voldoende is gefundeerd, en op het belang van de vader bij zijn verzoek met betrekking tot het aan hem (door)sturen van recente foto's van zijn dochter.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Uit het huwelijk van de vader met [de moeder], de moeder, is op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] de thans nog minderjarige [dochter] (hierna: [de dochter]) geboren.

1.2 Bij beschikking van de rechtbank Breda van 29 december 1997 zijn de ouders ontzet uit het gezag en is de stichting benoemd tot voogdes over [de dochter]. [De dochter] verblijft sinds 10 augustus 1998 bij de huidige pleegouders.

1.3 Bij verzoekschrift van 6 april 2006 heeft de vader de rechtbank Breda verzocht een omgangsregeling tussen hem en [de dochter], zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, vast te stellen, te bepalen dat de stichting de vader inzage geeft in alle stukken (onderzoeken, rapportages, schoolrapporten etc.) aangaande [de dochter] en te bepalen dat de stichting viermaal per jaar een recente foto aan de vader doet toekomen, kosten rechtens.

1.4 Bij de mondelinge behandeling op 16 juni 2006 heeft de stichting verweer gevoerd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich bij het verweer van de stichting aangesloten. Tijdens de zitting is ook kennis gegeven van de inhoud van een brief van de pleegouders aan de rechtbank en de tijdens het minderjarigenverhoor door [de dochter] afgelegde verklaring, waarin [de dochter] heeft aangegeven voorlopig alleen brieven te willen schrijven en foto's te willen sturen.

1.5 Bij beschikking van 16 augustus 2006 heeft de rechtbank het verzoek van de vader afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de in art. 1:377a, lid 3, onder a, c en d BW vermelde gronden voor ontzegging van het recht op omgang. Volgens de rechtbank kan worden aangenomen dat omgang van [de dochter] met haar vader een ernstig nadeel voor haar geestelijke ontwikkeling zal opleveren. Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat [de dochter] bij haar verhoor expliciet heeft verklaard nog niet open te staan voor de door haar vader gewenste contacten en voorlopig eraan de voorkeur geeft haar vader (en moeder) via de stichting door middel van briefjes en foto's te informeren. Ten slotte heeft voor de rechtbank meegewogen dat [de dochter] volgens de stichting en de pleegouders het beste gedijt bij "het ritme van de dag" en daarom niet is gebaat bij grote afwijkende gebeurtenissen, waaronder begrepen het herstellen van het contact met haar vader. Ook om die reden heeft de rechtbank de door de vader verzochte omgang met zwaarwegende belangen van het kind in strijd geacht. De overige verzoeken van de vader zijn eveneens afgewezen, omdat de vader daarbij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende belang heeft. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat is gebleken dat de stichting de vader reeds over [de dochter] informeert door hem voogdijplannen te zenden en dat ook [de dochter] haar vader geregeld via de stichting informeert en foto's stuurt.

1.6 De vader heeft hoger beroep bij het hof 's-Hertogenbosch ingesteld.

1.7 De stichting heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd.

1.8 Bij beschikking van 8 februari 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en daartoe onder meer overwogen:

"4.6.1. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft overwogen dat het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling dient te worden afgewezen. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is duidelijk geworden dat contactherstel tussen [de dochter] en haar vader, zelfs door middel van telefonische contacten, op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van [de dochter]. De raad heeft ter zitting aangegeven dat de vader zijn betrokkenheid bij [de dochter] voldoende heeft laten blijken. [De dochter] dient eerst met therapie haar trauma te verwerken voordat enig contactherstel zal kunnen plaatsvinden. De vader kan ook op afstand een goede vader zijn. In haar schriftelijke reactie aan het hof heeft [de dochter] opnieuw verklaard dat zij geen contact met haar vader wil. Zij heeft aangegeven dat zij haar vader wel mist en dat zij misschien later contact wil.

4.6.2. Met betrekking tot de overige verzoeken van de vader overweegt het hof dat gebleken is dat de stichting aan de vader de plannen van aanpak verstrekt. In deze stukken is een samenvatting opgenomen van de uitkomst van het psychologisch onderzoek dat bij [de dochter] is afgenomen. Niet is gebleken dat deze samenvatting op wezenlijke onderdelen onvolledig of onjuist is. Voorts is niet gebleken van andere onderzoeksrapportages die over [de dochter] zijn opgemaakt. Nu de vader sinds de ontzetting uit de ouderlijke macht niet langer met het gezag over [de dochter] is belast, kan de stichting niet worden gehouden alle informatie met betrekking tot [de dochter] aan de vader te doen toekomen dan wel hem daarin inzage te geven. Naar het oordeel van het hof heeft de stichting de vader afdoende informatie verstrekt. Ter zitting hebben de pleegouders verklaard dat zij schoolfoto's, persoonlijke foto's en brieven met informatie over [de dochter] aan de stichting toesturen. Nu gebleken is dat de stichting kennelijk ook van oordeel is dat deze aan de vader dienen toe te komen, gaat het hof ervan uit dat dit ook gebeurt. Gelet op het vorenstaande heeft de vader naar het oordeel van het hof geen belang bij zijn verzoeken betreffende de inzage in stukken en het verkrijgen van foto's van [de dochter]."

1.9 De vader heeft tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld. De stichting heeft verweer gevoerd en verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het cassatierekest omvat een tweetal cassatiemiddelen.

2.2 Middel 1 betoogt dat rechtbank en hof niet op basis van de voorliggende stukken tot het oordeel konden komen dat aan één of meer van de in art. 1:377a lid 3 BW genoemde gronden voor ontzegging van het recht op omgang was voldaan. Rechtbank en hof zouden zich volgens de vader te gemakkelijk aan de standpunten van de betrokken instanties hebben geconformeerd, zonder zich van de resultaten van de naar de situatie van [de dochter] verrichte onderzoeken te vergewissen (onderdeel 1.1). In dat verband klaagt onderdeel 1.2 dat de rechtbank over geen andere inhoudelijke stukken beschikte dan een enkel plan van aanpak en dat onduidelijk is op welke stukken de Raad voor de Kinderbescherming het door hem ten overstaan van de rechtbank ingenomen standpunt heeft doen steunen. Onderdeel 1.3 klaagt dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht achtte, gelet op de zware motiveringseisen die gelden indien een ouder het recht op omgang met zijn kind wordt ontzegd. De onderdelen 1.4 en 1.5 herinneren aan opmerkingen en vragen van de vader, in het bijzonder in zijn inleidende verzoekschrift, waarop niet zou zijn geantwoord en waarover niet zou zijn gerapporteerd. Onderdeel 1.6 betoogt, dat het wenselijker zou zijn geweest indien de stichting nadere informatie zou hebben verstrekt over de huidige therapieën en over de door de vader aan de orde gestelde kwesties, en wijst erop dat bij de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof niemand van de stichting aanwezig was. Onderdeel 1.7 stelt de volgens de vader tekortschietende informatieverstrekking door de stichting aan de orde en betoogt dat de vader, sedert het contact tussen hem en zijn dochter werd verbroken, geen enkele rol in haar opvoeding en verzorging heeft kunnen spelen. Onderdeel 1.8 stelt ter discussie dat niet of nauwelijks met [de dochter] over haar biologische ouders wordt gesproken en dat de stichting volgens de vader geen daarop gerichte initiatieven zou ontplooien; volgens de vader kan een loyaliteitsconflict [de dochter] beletten bij haar pleegouders naar haar biologische ouders te informeren en moet ook haar ter zitting afgelegde verklaring tegen die achtergrond worden uitgelegd. Onderdeel 1.9 klaagt dat het hof niet zelf kritisch naar de zaak heeft gekeken door alle informatie te beoordelen en niet is ingegaan op de bezwaarlijk als irrelevant te bestempelen vragen en stellingen van de vader in diens verzoekschrift. Het onderdeel klaagt in het bijzonder over het in rov. 4.6.2 neergelegde oordeel dat niet is gebleken dat de in die rechtsoverweging bedoelde samenvatting van het bij [de dochter] afgenomen psychologisch onderzoek onvolledig of onjuist zou zijn. Volgens het onderdeel is het zeer moeilijk te geloven dat er slechts één onderzoek zou zijn verricht, terwijl het hof zich voorts bij gebreke van relevante rapportages bezwaarlijk van de juistheid van de bedoelde samenvatting kon vergewissen. Onderdeel 1.10 vat samen dat op al deze gronden de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.

2.3 Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop ervan uit te gaan dat de daarin vervatte klachten, ook voor zover zij op de beschikking van de rechtbank lijken te zijn toegespitst, uitsluitend tegen de beschikking van het hof zijn gericht. Het door de vader ingestelde beroep in cassatie kan immers slechts de bestreden beschikking van het hof en niet ook (rechtstreeks) de daarbij bekrachtigde beschikking van de rechtbank betreffen. Voorts stel ik voorop dat het middel kennelijk is gericht tegen rov. 4.6.1, waarin het hof, evenals de rechtbank, heeft geoordeeld dat de in art. 1:377a lid 3 BW vervatte gronden voor ontzegging van het recht op omgang zich in dit stadium tegen herstel van het contact tussen [de dochter] en haar vader verzetten.

2.4 Het hof heeft in rov. 4.6.1 geoordeeld dat herstel van het contact tussen [de dochter] en haar vader, zelfs door middel van telefonische contacten, op dit moment met zwaarwegende belangen van [de dochter] in strijd is. Dit oordeel steunt blijkens rov. 4.6.1 op de overgelegde stukken en op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Het middel mist feitelijke grondslag, voor zover het steunt op de veronderstelling dat het hof zijn oordeel uitsluitend op de voorliggende stukken heeft gebaseerd (onderdeel 1.1). Daarmee miskent het middel immers dat het bestreden oordeel mede steunt op hetgeen ter terechtzitting van 4 januari 2007 is besproken.

2.5 Waar het middel betoogt dat het hof, gelet op het verweer van de vader en diens vragen en opmerkingen, zich niet uitsluitend op de stellingen van de stichting, de Raad voor de Kinderbescherming en de pleegouders had mogen baseren, maar (minst genomen) zich zelf van de resultaten van de naar de situatie van [de dochter] verrichte onderzoeken op de hoogte had moeten stellen (onderdelen 1.1-1.6, 1.9), beoogt het kennelijk te klagen dat het hof niet zonder nader onderzoek had mogen oordelen dat zwaarwegende belangen van [de dochter] zich tegen contactherstel verzetten.

2.6 Blijkens art. 1:377a BW moet bij de beoordeling van een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling uitgangspunt zijn dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar hebben. Omgang kan aan die ouder slechts worden ontzegd op één of meer van de in 1:377a lid 3 BW vermelde gronden. Daarom gaat het bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige niet om de vraag of omgang met de betrokken ouder in het belang van het kind is, maar om de vraag of zij wegens strijd met zwaarwegende belangen van het kind ongewenst is(3). Art. 1:377a BW legt de bewijslast dat een omgangsregeling in verband met zwaarwegende belangen van het kind niet gewenst is, op degene die het op het vaststellen van een dergelijke regeling gerichte verzoek weerspreekt(4).

2.7 De stichting heeft zich, zowel ter zitting van de rechtbank als bij verweerschrift in hoger beroep, gemotiveerd tegen toewijzing van de verzoeken van de vader verzet en daarbij onder meer verwezen naar het door de vader bij diens inleidende verzoek overgelegde "Vervolg plan van aanpak voogdij" van 10 juni 2005, waarin uitvoerig verslag wordt gedaan, onder meer van de bevindingen van vóór de plaatsing van [de dochter] in het pleeggezin uitgevoerd ambulant psychologisch/pedagogisch onderzoek, van alle ontwikkelingen sedertdien, ook met betrekking tot de toegepaste therapie, en van psychologisch onderzoek dat in december 2003 is uitgevoerd. Ter zitting van de rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming de visie van de stichting uitdrukkelijk onderschreven.

Tegenover het verweer van de stichting heeft de vader, met een beroep op een handboek over ontwikkelingspsychologie van kinderen van R. Kohnstamm, zich op het standpunt gesteld dat een kind zich in de eerste levensjaren hecht en dat het daarom niet aan hechting tussen [de dochter] en haar ouders kan ontbreken. Voorts heeft de vader zich op het standpunt gesteld dat, eveneens volgens Kohnstamm, kinderen gedurende de eerste drie levensjaren geen herinneringen hebben, zodat [de dochter] mogelijk niet door de gebeurtenissen rond de dood van haar zusje is getraumatiseerd(5). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in de algemene inzichten van Kohnstamm onvoldoende grond gezien het gemotiveerde en gedocumenteerde, mede op daadwerkelijk psychologisch onderzoek van [de dochter] gebaseerde verweer van de stichting te passeren of aan een nader onderzoek te onderwerpen.

2.8 Voor zover het middel berust op twijfel van de vader over de juistheid van de in het vervolgplan vervatte weergave van de resultaten van het bij [de dochter] afgenomen psychologisch onderzoek en over het ontbreken van verdere rapportages over [de dochter] (onderdeel 1.9), geldt dat die enkele twijfel het in rov. 4.6.2 vervatte oordeel van het hof dienaangaande ("Niet is gebleken dat deze samenvatting op wezenlijke onderdelen onvolledig of onjuist is. Voorts is niet gebleken van andere onderzoeksrapportages die over [de dochter] zijn opgemaakt.") niet onbegrijpelijk maakt. Zonder concrete aanwijzingen voor de onjuistheid of onvolledigheid van die weergave en/of voor het voorhanden zijn van andere rapportages dan die waarop de stichting en de Raad voor de Kinderbescherming zich hebben gebaseerd, was het hof niet tot een nader onderzoek van de door de stichting en de Raad voor de Kinderbescherming betrokken standpunten gehouden. Dat geldt ook voor zover het middel het oog zou hebben gehad op een door het hof ambtshalve te gelasten, nader deskundigenonderzoek. In beginsel is het aan het inzicht van de feitenrechter overgelaten of hij al dan niet aan nadere deskundige voorlichting behoefte heeft(6).

2.9 De klacht van het middel dat het hof geen aandacht aan de stellingen van de vader heeft geschonken (onderdeel 1.9), mist ten slotte feitelijke grondslag. Zo heeft één van de raadsheren tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om een toelichting op de stelling dat [de dochter] mogelijk geen herinnering aan de traumatische gebeurtenissen rond de dood van haar zusje zou hebben. Die stelling is vervolgens uitvoerig besproken. Daarbij kwam onder meer aan de orde dat in de huidige therapie wordt onderzocht of en in hoeverre [de dochter] herinneringen aan de gebeurtenissen rond de dood van haar zusje heeft bewaard en hebben de pleegouders omstandigheden genoemd waaruit zij afleiden dat [de dochter] die herinneringen wel heeft (zie proces-verbaal van de zitting van 4 januari 2007, p. 3/4).

2.10 Het eerste middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

2.11 Middel 2 klaagt blijkens onderdeel 2.1 over de navolgende passage in r.o.v. 4.6.2:

"Ter zitting hebben de pleegouders verklaard dat zij schoolfoto's, persoonlijke foto's en brieven met informatie over [de dochter] aan de stichting toesturen. Nu gebleken is dat de stichting kennelijk ook van oordeel is dat deze aan de vader dienen toe te komen, gaat het hof ervan uit dat dit ook gebeurt. Gelet op het vorenstaande heeft de vader naar het oordeel van het hof geen belang bij zijn verzoeken betreffende de inzage in stukken en het verkrijgen van foto's van [de dochter]."

2.12 Het middel strekt in de eerste plaats ten betoge dat, waar de vader heeft gesteld dat hij jarenlang geen brieven en foto's ontving en de stichting en de pleegouders elkaar op dit punt hebben tegengesproken, het hof zijn hiervoor geciteerde beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd (onderdelen 2.2 en 2.3). In de tweede plaats klaagt het middel dat het geciteerde oordeel onbegrijpelijk is, omdat uit het verweerschrift van de stichting geenszins blijkt dat zij van oordeel zou zijn dat de bedoelde stukken en foto's aan de vader moeten worden toegezonden en dit standpunt evenmin kan blijken uit hetgeen ter zitting is besproken, nu de stichting daar niet is verschenen (onderdeel 2.4). Onderdeel 2.5 voegt aan beide klachten nog toe dat de vader, zelfs als hem wel foto's worden gezonden, erbij belang heeft dat een en ander wordt vastgelegd, omdat niet van de stemming van de pleegouders of de stichting afhankelijk mag zijn of hij recht heeft op foto's.

2.13 De eerste klacht, in verband waarmee het middel overigens geen vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties vermeldt, kan niet tot cassatie leiden.

Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, impliceert de bestreden overweging niet een oordeel over de vraag of en zo ja, door wie en in welke frequentie, in het verleden voor de ouders bestemde brieven en foto's aan de vader werden (door)gezonden. Het hof heeft slechts geconstateerd dat bij de gegeven stand van zaken de pleegouders voor de ouders van [de dochter] bestemde brieven en foto's aan de stichting sturen en dat kennelijk ook de stichting van oordeel is dat deze aan de vader toekomen. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de desbetreffende brieven en foto's de vader van [de dochter] ook zonder rechterlijke interventie daadwerkelijk zullen bereiken, nadat eventuele misverstanden daarover tussen de stichting en de pleegouders zijn opgehelderd. In verband met dit laatste kan nog worden gewezen op p. 3 van het proces-verbaal van de zitting van 4 januari 2007, waaruit blijkt dat de voorzitter de pleegouders in overweging heeft gegeven de kwestie van het doorsturen van foto's en briefjes met de voogdes te bespreken.

2.14 In verband met de tweede klacht, die is gericht tegen het oordeel van het hof dat is gebleken dat ook de stichting zich op het standpunt stelt dat de desbetreffende stukken aan de vader dienen toe te komen, vermeldt het middel geen vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties waaruit blijkt dat de stichting een met dat oordeel tegenstrijdig standpunt heeft ingenomen. Overigens kan een dergelijk standpunt ook niet in die stukken worden gelezen. In haar verweerschrift in hoger beroep onder 4 heeft de stichting juist gesteld dat "[de dochter] (...) er voorlopig de voorkeur aan (geeft) om haar vader en moeder via de Stichting te informeren middels briefjes en foto's", zonder daarbij aan te tekenen niet bereid te zijn daaraan mee te werken. Mijns inziens kon het hof daaruit afleiden dat ook naar de opvatting van de stichting de bedoelde foto's en briefjes aan de vader toekomen. Daaraan doet niet af dat blijkens de stukken sprake is geweest van een zekere terughoudendheid van de stichting, in het bijzonder met betrekking tot recente foto's van [de dochter], nadat zich (in juni 2005) een incident had voorgedaan waarbij twee onbekende vrouwen hadden getracht [de dochter] van school te halen (verweerschrift in hoger beroep, p. 3 onder 3): alhoewel de pleegouders naar aanleiding van dat incident aanvankelijk hadden besloten de ouders alleen nog maar pasfoto's, gemaakt door de schoolfotograaf, te zenden, hebben de pleegouders in september 2006 voor de ouders van [de dochter] een cd-rom gemaakt met foto's van de zomervakantie 2006 en het ponykamp van [de dochter] (verweerschrift in hoger beroep, p. 3 onder 3).

2.15 Naar mijn mening is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de vader geen belang heeft bij zijn verzoek, ertoe strekkende dat wordt bepaald dat de stichting de vader viermaal per jaar een recente foto van [de dochter] zendt. Het hof, dat overigens in het midden heeft gelaten of de vader daadwerkelijk op een vaste en periodieke toezending van recente foto's van [de dochter] aanspraak kan maken, heeft mijns inziens kunnen aannemen dat de stichting en de pleegouders de vader niet op onredelijke gronden foto's van [de dochter] zullen onthouden.

2.16 Ten overvloede wijs ik nog op rov. 4.6.2, p. 4, onderaan, waar het hof in cassatie onbestreden heeft geoordeeld dat de stichting niet kan worden gehouden alle informatie met betrekking tot [de dochter] aan de vader te doen toekomen of hem daarin inzage te geven en dat zij de vader afdoende informatie heeft verstrekt. Om die reden zou de stichting, ook als de klachten van het middel gegrond zijn, jegens de vader niet zijn gehouden tot het verstrekken van méér informatie dan zij bij de gegeven stand van zaken al aan de vader doet toekomen.

2.17 Uit het voorgaande volgt dat ook het tweede middel niet tot cassatie kan leiden.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie rov. 4.1 van de bestreden beschikking.

2 Het op 7 mei 2007 gedateerde cassatierekest is op diezelfde datum bij de civiele griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3 HR 8 december 2000, NJ 2001, 648, m.nt. JdB, rov. 3.5.

4 Zie de conclusie van A-G Moltmaker voor de in voetnoot 3 genoemde beschikking, onder 3.1.2, met verwijzing naar Asser-De Boer (1998), nr. 1010.

5 Verzoekschrift van 6 april 2006, onder 15 en 17; beroepschrift van 16 november 2006, p. 1/2.

6 Vgl. HR 29 april 2005, NJ 2007, 153, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.1. Zie voorts HR 8 oktober 2004, NJ 2006, 478, m.nt. Jac. Hijma, rov. 3.9; HR 6 december 2002, NJ 2003, 63, rov. 3.5; HR 14 december 2001, NJ 2002, 73, rov. 3.3.3; HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597, m.nt. HER, rov. 5.1; HR 8 april 1994, NJ 1994, 550, rov. 3.5.