Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2802

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
28-03-2008
Zaaknummer
C07/006HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2802
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bewijskracht vernietigd strafvonnis (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-28
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 161, geldigheid: 2008-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 244
RvdW 2008, 372
JWB 2008/147

Conclusie

C07/006HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 25 januari 2008 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

In deze zaak wordt met diverse klachten opgekomen tegen een bewijsoordeel.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. Eiser tot cassatie heeft op 4 maart 1993 aangifte gedaan van ontucht, jegens hem op 24/25 februari 1993 gepleegd door zijn voormalige muziekdocent, thans gedaagde in cassatie (hierna kortweg: gedaagde). Eiser was toen 15 jaar oud.

1.1.2. Gedaagde is naar aanleiding hiervan strafrechtelijk vervolgd. Hij is bij vonnis van 17 december 1997 door de rechtbank te 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het plegen van ontucht met eiser.

1.1.3. Het strafvonnis is bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 december 1998 vernietigd. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ter zake van hetgeen aan gedaagde was telastegelegd met betrekking tot de jegens eiser gepleegde feiten, op de grond dat die zaak is geëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging van 16 september 1993.

1.2. Bij inleidende dagvaarding van 11 oktober 2002 heeft eiser een vordering tegen gedaagde ingesteld ter verkrijging van een vergoeding voor de schade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van de door gedaagde jegens hem gepleegde ontucht. De vordering beloopt in hoofdsom € 4.808,13 voor materiële schade en € 10.000,- voor immateriële schade.

1.3. Gedaagde heeft diverse verweren aangevoerd. In cassatie is slechts van belang de betwisting dat de gestelde ontucht heeft plaatsgevonden.

1.4. In haar tussenvonnis van 7 januari 2004 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch overwogen dat het bewijs voor de stelling van eiser, dat gedaagde hem seksueel heeft misbruikt, niet enkel is geleverd door het strafvonnis van 17 december 1997 waarbij gedaagde is veroordeeld. Dat vonnis is immers vernietigd, waardoor het als (zelfstandig) bewijsmiddel verloren is gegaan; art. 161 Rv is niet van toepassing. De rechtbank heeft eiser, overeenkomstig zijn bewijsaanbod, toegelaten tot levering van het bewijs van zijn stelling dat gedaagde hem seksueel heeft misbruikt.

1.5. Na getuigenverhoor is de rechtbank in haar vonnis van 30 juni 2004 tot de slotsom gekomen dat, gelet op het ontbreken van sterk steunbewijs en op de ontkennende verklaring van gedaagde als getuige in contra-enquete, het bewijs van het seksueel misbruik niet is geleverd. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

1.6. Eiser heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Gedaagde heeft incidenteel beroep ingesteld (tegen de verwerping van een verweer, dat in cassatie niet langer aan de orde is). Bij arrest van 26 september 2006 (LJN: AY9259) heeft het hof de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.

1.7. Namens eiser is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Tegen gedaagde is in cassatie verstek verleend. Eiser heeft zijn beroep schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 4.7. Het klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het strafvonnis van 17 december 1997, ook al is het in hoger beroep vernietigd, toch nog als bewijsmiddel in deze civiele procedure kan dienen. Weliswaar komt aan het vernietigde strafvonnis niet de bewijskracht van art. 161 Rv toe, maar dit neemt volgens het middelonderdeel niet weg dat het vonnis een geschrift is waaraan de burgerlijke rechter vrije bewijskracht kan toekennen (art. 152 lid 2 Rv). Eiser acht in dit verband van belang dat de strafrechter in hoger beroep niet een ander inhoudelijk bewijsoordeel heeft gegeven dan de rechtbank. Het hof is immers niet verder gekomen dan een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

2.2. Het hof heeft vastgesteld dat het vonnis van 17 december 1997 in hoger beroep is vernietigd. Het hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat het vonnis van 17 december 1997 niet meer bestaat, zodat aan de inhoud ervan geen argumenten ontleend kunnen worden, ook niet in een civiele procedure. De grond voor de vernietiging is volgens het hof niet relevant, wel het gegeven van de vernietiging.

2.3. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing van de rechtbank in de strafzaak is vernietigd. Het feit dat de rechtbank in de strafzaak de telastegelegde ontucht ooit bewezen heeft verklaard is slechts een historisch feit, waaraan geen enkele argumentatieve waarde meer toekomt: de beslissing zelf is immers ongedaan gemaakt. De gronden waarop die beslissing berustte zijn daarom niet langer relevant, evenmin als de reden van de vernietiging.

2.4. De akte waarin het vonnis van 17 december 1997 is neergelegd is blijven bestaan: de vernietiging van een vonnis in hoger beroep houdt niet in dat het vonnis letterlijk in de papiervernietiger verdwijnt. Die akte kan worden gebruikt als een secundaire bron voor zover daarin andere gegevens dan de vernietigde beslissing van de rechtbank zijn vermeld, bijv. voor zover het vonnis een weergave bevat van de aangifte of van getuigenverklaringen die in de strafzaak zijn afgelegd. De argumentatieve waarde zit dan in de inhoud van die verklaringen, niet in de beslissing van de rechtbank in de strafzaak. In zoverre komt aan de akte vrije bewijskracht toe, net zoals vrije bewijskracht toekomt aan bijvoorbeeld het proces-verbaal van een politieambtenaar, waarin deze weergeeft wat iemand aan hem heeft verklaard. Het hof heeft dit niet miskend. In rov. 4.7 behandelt het hof immers de stelling van eiser dat aan de - in hoger beroep vernietigde - beslissing van de rechtbank in de strafzaak argumentatieve waarde toekomt.

2.5. In de cassatiedagvaarding en in de s.t. verwijst eiser naar HR 20 juni 2003, NJ 2003, 487. In dat arrest werd beslist dat een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Nederlandse strafrechter waarbij bewezen is verklaard dat iemand een feit heeft begaan, vrije bewijskracht heeft. Anders dan het middel betoogt, is er geen goede grond om die beslissing door te trekken naar een situatie als de onderhavige, waarin het desbetreffende strafvonnis in hoger beroep is vernietigd. Zolang een strafvonnis nog geen kracht van gewijsde heeft gekregen, bestaat het vonnis en maakt de beslissing deel uit het van rechtsverkeer. Zodra een vonnis in hoger beroep of cassatie is vernietigd en de beslissing tot vernietiging onherroepelijk is geworden, is de beslissing van de eerste rechter ongedaan gemaakt. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

2.6. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.8, voor zover het hof in deze overweging voortbouwt op het in onderdeel 1 aangevallen oordeel. De klacht kan worden verworpen om dezelfde reden als hierboven genoemd.

2.7. Onderdeel 3.a is gericht tegen het bewijsoordeel in rov. 4.11 - 4.13(2). Voor zover de klacht voortbouwt op onderdeel 1, faalt zij op dezelfde gronden. Voor het overige klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van de beslissing dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd: met name zou zonder nadere motivering niet zijn in te zien waarom de verklaring van de jeugdreclasseringswerker in samenhang met de overige verklaringen en de aangifte van eiser niet als voldoende zou moeten worden aangemerkt. Het middelonderdeel bevat daarnaast een rechtsklacht. Voor zover het hof in zijn bewijsoordeel heeft betrokken dat de getuigen hun verklaringen aan de mededelingen van eiser hebben ontleend, geeft dit volgens eiser blijk van een onjuiste rechtsopvatting(3).

2.8. Het middel stelt - terecht - voorop dat de waardering van de bewijsmiddelen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Wel geldt, ook voor een bewijsbeslissing, het algemene minimumvereiste dat een rechterlijke beslissing ten minste zodanig behoort te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken(4).

2.9. De rechtbank, die in haar eindvonnis een betrekkelijk uitgebreide motivering van haar bewijsoordeel gaf, heeft geconstateerd dat er geen getuigen zijn geweest van hetgeen tussen eiser en gedaagde is voorgevallen in de avond van 24 februari 1993 en de nacht daarop. Vast staat slechts dat eiser toen in het huis van gedaagde heeft geslapen. Al hetgeen de getuigen (de moeder en de zus van eiser alsmede de jeugdreclasseringsmedewerker [betrokkene]) hierover hebben verklaard, hebben zij van eiser gehoord.

2.10. In zaken betreffende seksueel misbruik, waarin de beschuldigde gemotiveerd ontkent, is dikwijls een probleem dat bij de gestelde handelingen geen andere personen tegenwoordig zijn geweest dan de beweerde dader en het slachtoffer. De toedeling van de bewijslast is in wezen beslissend. In een geval als het onderhavige, waarin technisch bewijs (sporen e.d.) ontbreekt en geen van de getuigen ter plaatse aanwezig was, laat staan de door eiser gestelde handelingen heeft waargenomen, kan worden gezocht naar indirect bewijs. Zo kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van verklaringen van getuigen die de beweerde dader iets over de feiten hebben horen zeggen. Ook kan gebruik worden gemaakt van innerlijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van de beweerde dader of van de omstandigheden waaronder de dader of het slachtoffer werd aangetroffen, die weliswaar op zichzelf nog geen bewijs leveren, maar samen met de verklaring van het slachtoffer als partijgetuige wel tot het bewijs kunnen bijdragen. Op aanvullend bewijsmateriaal van dit type is in de onderhavige zaak geen beroep gedaan.

2.11. Aan het eind van de jaren '80 en in het begin van de jaren '90 is in zedenzaken wel gebruik gemaakt van rapportage van deskundigen die - hetzij als behandelaar van het slachtoffer, hetzij als daartoe benoemde deskundige - een oordeel gaven over de mate van betrouwbaarheid van verklaringen van een slachtoffer. Een dergelijk geval was aan de orde in de zaak van HR 17 november 1995, NJ 1996, 666 m.nt. JdB, waarin een vrouwelijk slachtoffer een vordering had ingesteld op grond van gestelde incest. De feitenrechter had de vordering afgewezen en daarbij overwogen dat de deskundige (psychotherapeut) en de behandelaars hun wetenschap enkel ontleenden aan wat hun door de vrouw zelf is medegedeeld en dat ook het overige bewijsmateriaal louter berustte op uitlatingen van de vrouw zelve. De Hoge Raad vernietigde die beslissing omdat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gedachtegang. Met name behoort, aldus de Hoge Raad, niet te worden uitgesloten dat een deskundigenbericht waarin de mededelingen van een partij aan een onderzoek worden onderworpen - onder meer door deze mededelingen in verband te brengen met aan de deskundige bekende, in dergelijke gevallen optredende psychische verschijnselen en met hetgeen hem ter zake van dergelijke gevallen uit hoofde van de deskundigheid die hij op zijn vakgebied heeft, bekend is - te zamen met de verklaring van de betrokken partij als getuige voldoende bewijs van de gestelde feiten oplevert. Evenmin behoort te worden uitgesloten dat verklaringen van deskundige behandelaars tot een zodanig bewijs kunnen bijdragen. Opmerking verdient echter dat de waardering van dergelijk bewijs door de rechter zal dienen te geschieden met een bijzondere, op de delicate aard van dit materiaal afgestemde behoedzaamheid.

2.12. Op behoedzaamheid bij het gebruik van dit type bewijsmateriaal is ook aangedrongen door deskundigen, die vanuit een niet-juridische discipline in twijfel trokken of het mogelijk is op een wetenschappelijk verantwoorde wijze uitspraken te doen over de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen(5). De discussie in de strafrechtspleging heeft zich toegespitst op mogelijkheden om de betrouwbaarheid van herkenningen (persoonsidentificatie) te toetsen, respectievelijk om de betrouwbaarheid te toetsen van de verklaringen van kinderen die - beweerd - slachtoffer van zedenmisdrijven zijn(6).

2.13. Wat daarvan zij, in de onderhavige zaak is deze vraag niet aan de orde omdat geen deskundigenbericht is ingewonnen. In eerste aanleg is als argument aangevoerd dat de jeugdreclasseringswerker, die eiser als hulpverlener bijstond en die als getuige is gehoord, heeft verklaard dat het verhaal van eiser op hem een authentieke en geloofwaardige indruk maakte. De rechtbank heeft omtrent dit argument overwogen dat de betrokken getuige geen specifieke deskundigheid bezit in het beoordelen van de al dan niet waarheidsgetrouwheid van verklaringen van kinderen die beweren seksueel te zijn misbruikt (rov. 2.6 Rb).

2.14. Het hof heeft acht geslagen op de getuigenverklaringen, waaronder die van de jeugdreclasseringswerker; zie rov. 4.11. Het hof is van oordeel dat - naast de verklaring van eiser als partijgetuige - het verlangde bewijs niet in voldoende mate is te vinden in de verklaringen van de overige getuigen, met name niet het bewijs met betrekking tot het gestelde seksueel misbruik zelf. Nader bewijs is in hoger beroep niet aangeboden. Deze motivering geeft voldoende inzicht in 's hofs gedachtegang om de bewijsbeslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De verklaring van de jeugdreclasseringswerker(7) behelst dat eiser aan hem de naam van gedaagde heeft verteld, die een docent van eiser was geweest. Eiser heeft volgens de getuige "dingen verteld die er op neer kwamen dat [gedaagde] in diens woning seksueel misbruik heeft gemaakt van [eiser]". Wat zich precies heeft afgespeeld kon deze getuige naar zijn zeggen niet vertellen: volgens de getuige "is [eiser] daarbij niet in details getreden. Hij heeft wel verteld over de plaats van het delict en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden. Er hebben handelingen op het intieme vlak plaatsgevonden maar voor een deel was hij daarvan onbewust. Over exacte feiten heb ik niet doorgevraagd, het was te belastend voor hem. Hij klapte dan dicht."

2.15. De bestreden overwegingen geven m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt, valt aan het aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 17 november 1995 niet een norm te ontlenen die inhoudt dat het hof niet in zijn bewijsoordeel zou mogen betrekken dat de gehoorde getuigen hun verklaringen over het gebeurde hebben ontleend aan mededelingen van eiser.

2.16. In het algemeen moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat een slachtoffer van seksueel misbruik, als gevolg van het toegebrachte psychische letsel of als gevolg van schaamte, niet of niet goed in staat is de gebeurtenissen onder woorden te brengen. Maar zelfs wanneer met die omstandigheid rekening wordt gehouden, heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat omtrent de gestelde en betwiste feiten te weinig is komen vaststaan om het bewijs geleverd te achten. Het bewijsoordeel moet worden gelezen tegen de achtergrond van de gedingstukken, in het bijzonder de getuigenverklaringen, de beoordeling daarvan in het eindvonnis van de rechtbank en de inhoud van de daartegen gerichte grieven. Het bewijsoordeel behoefde tegen die achtergrond geen nadere uitwerking om begrijpelijk te zijn.

2.17. Onderdeel 3.b klaagt dat, indien het hof van oordeel is dat de verklaring van eiser in het strafdossier moet worden aangemerkt als verklaring van een partijgetuige, waaraan ingevolge art. 164 lid 2 Rv slechts beperkte bewijskracht kan worden toegekend, dat oordeel onjuist is. Het hof had aan die verklaring, afgelegd in het kader van het vooronderzoek in de strafzaak, bewijs kunnen ontlenen zonder te zijn gebonden aan de beperkingen van art. 164 lid 2 Rv.

2.18. Op zich is juist dat, wanneer het hof gebruik maakt van een verklaring, die is afgelegd in het vooronderzoek in de strafzaak en is neergelegd in een document in het strafdossier dat als bewijsmiddel in de civiele zaak is overgelegd, het hof niet is gebonden aan de beperkingen van art. 164 lid 2 Rv(8). De klacht mist evenwel feitelijke grondslag. Het hof heeft niet overwogen dat het bewijs zou zijn geleverd, ware het niet dat aan de verklaring van eiser in het vooronderzoek in de strafzaak krachtens art. 164 lid 2 Rv slechts beperkte bewijskracht toekomt. Het hof heeft overwogen dat de aangifte van eiser slechts in beperkte mate tot het bewijs kan bijdragen omdat deze van eiser zelf afkomstig is. Tegenover elkaar stonden: het standpunt van eiser, bevestigd door hemzelf als getuige en door hemzelf in zijn aangifte bij de politie, en het standpunt van gedaagde, die volgens het hof "stellig en gedetailleerd het gestelde seksueel misbruik heeft ontkend". Dit duidt op een inhoudelijk oordeel, waarbij het hof uitlegt waarom het aan de verklaring van eiser niet zoveel bewijswaarde toekent dat deze verklaring opweegt tegen de ontkenning van gedaagde. Het hof heeft blijkbaar vergeefs gezocht naar steunbewijs. Ook onderdeel 3 leidt om deze redenen niet tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest.

2 De bewijslastverdeling is in cassatie niet bestreden (vgl. blz. 5 van de cassatiedagvaarding, waar verwezen wordt naar HR 17 december 1993, NJ 1994, 193).

3 Het middelonderdeel doet een beroep op HR 17 november 1995, NJ 1996, 666 m.nt. JdB, hierna te bespreken.

4 Vaste rechtspraak; zie Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 120. De regel dat het bewijsoordeel is voorbehouden aan de feitenrechter volgt onder meer uit HR 14 december 2001, NJ 2002, 73 en HR 9 februari 2007, NJ 2007, 105, rov. 3.4.1. Zie voor een geval waarin de bewijsmotivering niet aan het minimumvereiste voldeed: HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7.

5 Zeer uitgesproken: H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Dubieuze zaken, 1992, i.h.b. hoofdstuk 16 (Getuige-deskundigen over getuigen). Men denke ook aan de discussies over de bruikbaarheid van de zgn. leugendetector. Er is in bepaalde takken van wetenschap wel getracht tot een omschrijving van criteria te komen (Criteria Based Content Analysis); zie daarover: E. Rassin, Bewijsproblematiek in misbruikzaken, Justitiële Verkenningen 2000/6, blz. 90 - 100.

6 In de strafrechtspraak geldt als leading case het zgn. Poppenspel-arrest: HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 m.nt 't H, waarin de Hoge Raad formuleerde welke vragen aan de deskundige moeten worden gesteld indien de betrouwbaarheid van het voor het bewijs gebruikte deskundigenoordeel gemotiveerd wordt betwist.

7 Zie het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 mei 2004.

8 HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468, rov. 4.5.3.