Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2792

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
C06/281HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil over de eenzijdige opzegging door werkgever van arbeidsovereenkomst (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 126
RvdW 2008, 235
JWB 2008/92
JAR 2008/77
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/281HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 7 december 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Eiseres],

advocaat mr. P. Garretsen

tegen:

[Verweerder]

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. De partijen worden hierna worden aangeduid als [eiseres] resp. [verweerder].

1.2. Het geschil in onderhavige zaak betreft de vraag of de arbeidsovereenkomst door werkgever [eiseres] met instemming van werknemer [verweerder] dan wel eenzijdig is opgezegd. Anders dan de kantonrechter was het hof van oordeel dat ([verweerder] redelijkerwijs mocht aannemen dat) [eiseres] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 13 september 2002 eenzijdig met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.

1.3. De (motiverings-)klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Vragen, die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen (in de zin van art. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(1)

2.1. [Verweerder] is vanaf 4 mei 1992 bij [eiseres] in dienst als torenkraanmachinist. Hij verdient daarmee bruto € 487,50 per week, exclusief de vakantierechten van netto € 112,99 per week. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO voor Bouwbedrijf van toepassing.

2.2. Op 16 september 2002 heeft [eiseres] in een brief aan [verweerder] geschreven(2):

'Naar aanleiding van ons mondeling onderhoud van 13 september jl. bevestigen wij hierbij dat wij u weer in dienst nemen, uiteraard onder dezelfde loonafspraken als voorheen, wanneer nieuwe werken worden gegund c.q. opgestart. Het opstarten van nieuwe werken zal zijn over 4 tot circa 6 weken. Deze nieuwe werken zullen een looptijd hebben van 6 maanden.

U die reeds in dienst is geweest zal altijd als eerste worden gevraagd voordat volledig nieuwe werknemers of onderaannemers van metselwerk worden gevraagd. Indien het recht op ww-uitkering aan u zal worden geweigerd nemen wij deze kosten voor onze rekening. Dat u geen uitkering zult ontvangen lijkt ons onwaarschijnlijk.'

2.3. Bij brief van 6 november 2002 heeft [verweerder] geprotesteerd tegen het hem op 13 september 2002 gegeven ontslag op staande voet.

2.4. [Eiseres] heeft aan [verweerder] loon betaald tot en met 7 oktober 2002.

3. Procesverloop

3.1. Bij dagvaarding van 6 februari 2003 vorderde [verweerder] een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 13 september 2002 door opzegging is geëindigd en om dan [eiseres] te veroordelen primair tot betaling aan [verweerder] van 70% van het laatstverdiende loon alsmede 70% van de vakantierechten te rekenen vanaf 7 oktober 2002 gedurende de periode dat [verweerder] recht zou hebben gehad op een WW-uitkering (indien deze niet geweigerd zou zijn door de UWV Bouwnijverheid), te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair vorderde [verweerder] dat [eiseres] aan hem zal betalen een gefixeerde schadevergoeding over de periode van 7 oktober 2002 tot en met 31 januari 2003: een bedrag van bruto € 8.293,45 en netto € 1.920,83, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. Hieraan heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat [eiseres] volgens [verweerder] op 13 september 2002 de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en hem voor een WW-uitkering heeft verwezen naar het CWI. Nadat [verweerder] van het CWI had vernomen dat hij vrijwel zeker geen uitkering zou krijgen, is hij op zoek gegaan naar ander werk. In week 39 heeft hij samen met ene [betrokkene 1] (een collega van [verweerder]) [eiseres] bezocht en daarbij heeft hij aan [eiseres] meegedeeld dat de kans bestond dat hij op 7 oktober 2002 ander werk zou hebben. [Eiseres] heeft daaruit ten onrechte de conclusie getrokken dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigde op 7 oktober 2002. Op 26 september 2002 heeft [verweerder] aan [eiseres] laten weten dat de betrekking waarop hij zicht had niet doorging.

3.3. [Eiseres] voerde gemotiveerd verweer.

3.4. Ter comparitie d.d. 17 juni 2003 is o.a. de mogelijkheid van een compromis besproken. Partijen hebben toen nog een korte periode gekregen voor verdere onderhandelingen. Ter zitting van 27 juni 2003 is door de gemachtigde van [verweerder] meegedeeld dat geen regeling tot stand is gekomen.

3.5. Bij tussenvonnis van 25 juli 2003 oordeelde de kantonrechter (rov. 2) dat reeds kan worden geoordeeld dat de door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 13 september 2002 is geëindigd door opzegging (van de zijde van [eiseres]) niet zal worden gegeven. Volgens de kantonrechter is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat er toen sprake is geweest van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, al helemaal niet met onmiddellijke ingang, want vaststaat dat het loon is doorbetaald tot en met 7 oktober 2002.

3.6. Ten aanzien van de vraag of er sprake kan zijn van een vordering van [verweerder] op [eiseres] droeg de kantonrechter haar op bewijs te leveren van de feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat er voor haar na 7 oktober 2002 geen plicht meer bestond tot doorbetaling van het loon aan [verweerder], omdat de arbeidsovereenkomst toen (met wederzijds goedvinden) geëindigd was. De kantonrechter droeg [verweerder] op bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat hij vanaf 7 oktober aanspraak had op een werkloosheidsuitkering, doch dat die uitkering hem door de betreffende instantie is geweigerd onder vermelding van de reden van die weigering.

3.7. Op 9 december 2003 en 26 februari 2004 hebben er getuigenverhoren plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

3.8. In het eindvonnis van 18 maart 2005 oordeelde de kantonrechter dat [eiseres] is geslaagd in haar bewijsopdracht. De vorderingen van [verweerder] werden afgewezen.

3.9. Bij exploot van 8 juni 2005 is [verweerder] in hoger beroep gekomen tegen bovengenoemde vonnissen. Bij memorie van grieven heeft [verweerder], onder overlegging van producties, drie grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en tevens zijn eis gewijzigd. Hij heeft de door hem in eerste aanleg gevorderde verklaring voor recht ingetrokken. In hoger beroep diende zijn in eerste aanleg gevorderde subsidiaire betalingsvordering als primaire vordering, en zijn in eerste aanleg gevorderde primaire betalingsvordering als subsidiaire vordering te gelden.

3.10. [Eiseres] heeft de grieven bestreden.

3.11. Bij arrest van 11 april 2006 heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter vernietigd. Het hof veroordeelde [eiseres] om aan [verweerder] terzake van gefixeerde schadevergoeding over de periode van 7 oktober 2002 tot en met 31 januari 2003 een bedrag van € 8.293,45 bruto en een bedrag van € 1.920,83 netto te betalen en veroordeelde [eiseres] in de kosten van het geding in beide instanties.

3.12. [Eiseres] heeft tegen het arrest van het hof - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerder] is verstek verleend. [Eiseres] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot het geven van een schriftelijke toelichting.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. In cassatie is één middel ingediend dat bestaat uit zeven onderdelen.

4.2. In het bestreden arrest wordt alleen grief I beoordeeld. In rov. 5.16 oordeelde het hof - in cassatie niet bestreden - dat grieven II en III geen bespreking meer behoefden. Grief I luidde:

'De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 25 juli 2003 ten onrechte geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat er toen (13 september 2002, proc.) reeds sprake was van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst (...). En ook niet met inachtneming van een opzegtermijn (want dan zou niet tot 7 oktober 2002 zijn doorbetaald maar over een andere periode).'

4.3. Het hof oordeelde in rov. 5.2 dat het bij grief I gaat om de vraag of, zoals [verweerder] heeft gesteld en [eiseres] gemotiveerd heeft betwist, [eiseres] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 13 september 2002 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. In rov. 5.3 overwoog het hof dat beoordeeld dient te worden of de werknemer de verklaring of de gedraging van de werkgever die hij als opzegging heeft geduid, gelet op de omstandigheden van het geval redelijkerwijs als een opzegging mocht opvatten.(4) Het hof diende daartoe te beoordelen of [verweerder] de inhoud van de brief van 16 september 2002, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijkerwijs als een bevestiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 13 september 2002 door [eiseres] mocht opvatten (rov. 5.4).

4.4. Het hof overwoog vervolgens:

'5.5 Vast staat dat na eerdere aankondigingen in februari en maart 2002, [eiseres] op 12 september 2002 een bijeenkomst binnen haar bedrijf heeft georganiseerd voor het in Duitsland nog werkzame personeel. Tijdens die bijeenkomst is aan de desbetreffende personeelsleden medegedeeld dat [eiseres] zich vanwege (tijdelijk) gebrek aan werkopdrachten genoodzaakt zag de dienstverbanden (tijdelijk) te doen beëindigen. [Verweerder] was, evenals zijn collega [betrokkene 1], niet aanwezig tijdens de bijeenkomst op 12 september 2002. Met hen heeft op 13 september 2002 een gesprek plaatsgevonden.

5.6 Volgens [eiseres] heeft zij tijdens het gesprek op 13 september 2002 aan [verweerder] (en [betrokkene 1]) een voorstel gedaan dat er op neerkwam dat het dienstverband vanwege het ontbreken van werk tijdelijk werd beëindigd. Daarbij heeft zij voorgesteld dat [verweerder] (en [betrokkene 1]) een werkloosheidsuitkering zou(den) aanvragen, waarbij zij een garantie gaf om deze uitkering aan te vullen tot 100% van het salaris dan wel een volledige WW-uitkering zou uitbetalen in geval de uitkeringsinstantie een werkloosheidsuitkering zou weigeren. Indien [verweerder] (en [betrokkene 1]) het voorstel niet zou(den) aanvaarden, zou het dienstverband worden voortgezet. Op verzoek van [verweerder] (en [betrokkene 1]) heeft [eiseres] het op 13 september 2002 besproken voorstel schriftelijk bevestigd op 16 september 2002. [Verweerder] (en [betrokkene 1]) heeft (hebben) enkele dagen daarna te kennen gegeven niet met het in de brief van 16 september 2002 vermelde voorstel akkoord te willen gaan.

5.7. [Verweerder] heeft de hiervoor omschreven weergave van de bespreking tussen hem en [eiseres] op 13 september 2002 gemotiveerd betwist. Volgens [verweerder] is aan hem op 13 september 2002 (met onmiddellijke ingang) ontslag aangezegd door [eiseres]. Omdat [verweerder] te kennen gaf daarmee niet in te stemmen heeft [eiseres] aan hem de toezegging gedaan dat zij [verweerder] opnieuw in dienst zou nemen wanneer nieuwe opdrachten werden gegund. Deze toezegging is ook bevestigd in de brief van 16 september 2002 van [eiseres] aan hem. [Verweerder] heeft uitdrukkelijk ontkend dat hem een voorstel door [eiseres] is gedaan zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.6 omschreven, met uitzondering van de toezegging van [eiseres] om [verweerder] op termijn opnieuw in dienst te nemen. Een dergelijk voorstel blijkt ook niet uit de brief van 16 september 2002 van [eiseres] aan hem.'

4.5. De in het cassatiemiddel te onderscheiden motiveringsklachten zijn gericht tegen de op rov. 5.7 volgende rechtsoverwegingen van het bestreden arrest en ik bespreek ze achtereenvolgens. Ik behandel de klachten tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven rechtsoverwegingen, waartegen géén klachten zijn gericht.

Onderdeel I

4.6. Onderdeel 1 klaagt dat het hof in rov. 5.8 de betekenis van bepaalde zinsneden uit de brief van 16 september 2002 heeft miskend en uit de context heeft gehaald. Het hof heeft voorts niet voldoende gemotiveerd op grond waarvan uit hier bedoelde zinsneden de bevestiging van de gestelde opzegging van het dienstverband zou kunnen volgen.

4.7. In rov. 5.8 overwoog het hof:

'Naar het oordeel van het hof zijn de in de brief van 16 september 2002 van [eiseres] aan [verweerder] gebezigde bewoordingen, in het bijzonder "bevestigen wij dat wij u weer in dienst nemen onder dezelfde loonafspraken als voorheen" en "U die reeds in dienst is geweest zal altijd als eerste worden gevraagd voordat volledig nieuwe werknemers (...) worden gevraagd", duidelijk. Deze zinsneden bevestigen de opzegging van het dienstverband door [eiseres] op 13 september 2002.'

4.8. Het hof heeft m.i. de betekenis van deze zinsneden niet miskend of uit de context gehaald, gezien hetgeen het hof heeft overwogen in de aan rov. 5.8 voorafgaande rov. 5.2 t/m 5.5. In ieder geval blijkt uit deze rechtsoverwegingen voldoende duidelijk en begrijpelijk - hetgeen in cassatie de toets is bij een feitelijk oordeel als het onderhavige - waarom het hof van oordeel is dat de bedoelde zinsneden uit de brief van 16 september 2002 de opzegging van het dienstverband op 13 september 2002 bevestigen. De klacht in onderdeel I mist dus feitelijke grondslag en faalt.

Onderdeel II

4.9. Onderdeel II klaagt dat het hof de context waarin de brief van 16 september 2002 werd geschreven, waarbij het slechts om een voorstel zou gaan, volledig heeft miskend. De overwegingen van het hof in rov. 5.9 ter zake zijn dan ook onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.

4.10. In rov. 5.9 overwoog het hof:

'Voorts is in de brief van 16 september 2002 niet vermeld dat sprake was van een voorstel van [eiseres] aan [verweerder] dat al dan niet door [verweerder] kon worden aanvaard. [Eiseres] heeft in punt 19 van haar memorie van antwoord ook erkend dat de brief van 16 september 2002 niet expliciet een dergelijk voorstel bevat. Ook ontbreekt in deze brief de - voor deze zaak relevante - bevestiging door [eiseres] dat wanneer [verweerder] "het voorstel" van [eiseres] niet zou aanvaarden, hij bij [eiseres] in dienst zou blijven. Ten slotte is in deze brief niet de door [eiseres] gestelde toezegging opgenomen, te weten dat zij een eventuele WW-uitkering zou aanvullen tot 100 % van het salaris.'

4.11. Het hof beoordeelde de inhoud van de brief van 16 september 2002 en overwoog (na in rov. 5.8 te zijn ingegaan op wat wél in die brief was vermeld) in rov. 5.9 wat er niet in de brief vermeld staat, maar er wel in zou moeten staan om redelijkerwijs niet als een bevestiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te worden opgevat door [verweerder]. Ook deze rechtsoverweging dient te worden gelezen in het licht van de rov. 5.2 t/m 5.5. Tegen deze achtergrond is ook rov. 5.9 voldoende duidelijk en begrijpelijk. Ook de klacht in onderdeel II is ongegrond.

Onderdeel III

4.12. Onderdeel III klaagt dat het hof in rov. 5.10 ten onrechte heeft overwogen dat sprake was van beëindiging van het dienstverband. Deze conclusie wordt door het hof nergens concreet onderbouwd en gemotiveerd.

4.13. Rov. 5.10 dient te worden gelezen tegen de achtergrond van de rov. 5.2 t/m 5.5 alsmede de zojuist geciteerde rov. 5.8 en 5.9. Daarin is naar mijn mening reeds voldoende motivering te vinden voor het door onderdeel III aangevochten oordeel dat sprake was van beëindiging van het dienstverband. Voor het overige richt het onderdeel geen onderbouwde klacht tegen 's hofs oordeel in rov. 5.10 dat het hof 'van belang [acht] dat gesteld noch gebleken is dat het de bedoeling van [eiseres] was [verweerder] op een andere wijze te behandelen dan het personeel dat aanwezig was tijdens de bijeenkomst van 12 september 2002, aan wie eveneens ontslag was aangezegd'. De klacht in onderdeel III faalt dus ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Onderdeel IV

4.14. Onderdeel IV klaagt dat door het hof in rov. 5.11 een onjuiste verwijzing wordt gegeven naar punt 13 van de MvG 'nu de punten 13 in de MvG op heel iets anders zien'. De motivering van het hof in deze is derhalve onjuist c.q. foutief.

4.15. In de eerste zin van rov. 5.11 overwoog het hof:

'[Verweerder] heeft in punt 13 van zijn memorie van grieven gesteld dat hij (en [betrokkene 1]) zich na 13 september 2002 bijna dagelijks bij [eiseres] hebben vervoegd om daarmee te demonstreren dat zij niet akkoord gingen met het aan hen gegeven ontslag.'

4.16. Het hof geeft in rov. 5.11 inderdaad een onjuiste verwijzing omdat de punten 13 in de MvG over iets anders gaan. Hetgeen het hof overwoog in rov. 5.11 wordt door [verweerder] in de MvG evenwel aangevoerd in punt 4 onder het kopje 'De feiten', en wel als volgt(5):

'[Verweerder] en zijn collega [betrokkene 1] hebben zich vanaf 13 september 2002 bijna dagelijks bij [eiseres] vervoegd om daarmee te demonstreren dat zij niet akkoord gingen met het hun gegeven ontslag.'

Klaarblijkelijk heeft het hof hier dus punt 4 onder de weergave van de feiten in de MvG bedoeld.

4.17. Aangezien de klacht in onderdeel IV het oordeel van het hof in rov. 5.11 niet betwist maar enkel de foutieve verwijzing, blijft de inhoud van rov. 5.11 in cassatie onbestreden. Voorts heeft [verweerder] het door het hof bedoelde punt wel gesteld en kon het hof dus oordelen zoals het heeft gedaan. Ook is deze door [verweerder] aangevoerde stelling niet door [eiseres] bestreden. De klacht in onderdeel IV faalt daarom bij gebrek aan belang.

4.18. Ten overvloede merk ik op dat hier sprake is van een kennelijke schrijffout die zich voor eenvoudig herstel leende.(6) Een klacht in het cassatiemiddel is niet het juiste middel om een kennelijke schrijffout aan te vechten. [Eiseres] had daartoe op de voet van art. 31 lid 1 Rv een verzoek kunnen indienen bij het hof tot redressering van de foutieve verwijzing naar punt 13 in de juiste verwijzing naar punt 4 onder 'De feiten' in de MvG.(7) Daarmee stuit de klacht m.i. ook af op art. 399 Rv.

Onderdeel V

4.19. Onderdeel V klaagt dat het hof in rov. 5.13 de vaststaande feiten miskent en dat daarom de motivering onjuist is. Uit het vaststaande feit dat [eiseres] tot 7 oktober 2002 loon heeft doorbetaald, zou voortvloeien dat er op 13 september 2002 geen ontslag heeft plaats gehad.

4.20. In rov. 5.13 overwoog het hof:

'Behoudens bijzondere omstandigheden die gesteld noch gebleken zijn is het enkele feit dat [eiseres] aan [verweerder] loon heeft betaald in de periode van 13 september 2002 tot 7 oktober 2002 (op laatstgenoemde datum is volgens [eiseres] het dienstverband tussen partijen met wederzijds goedvinden geëindigd) onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat geen opzegging door [eiseres] op 13 september 2002 heeft plaatsgevonden, althans dat de arbeidsovereenkomst met instemming van [verweerder] na deze datum is blijven voortduren.'

4.21. Het onderdeel betoogt naar de kern dat het hof uit het enkele feit dat er in onderhavige zaak loon is doorbetaald in de periode van 13 september 2002 tot 7 oktober 2002, had moeten afleiden dat aan [verweerder] geen ontslag op staande voet gegeven is dan wel dat het dienstverband onregelmatig werd beëindigd. Dat betoog faalt. Het enkele feit van doorbetaling van loon kan andere oorzaken hebben, zoals het niet tijdig wijzigen van betalingsinstructies aan de bank, of: het niet in de liquiditeitskou laten staan van de ontslagen werknemer, zolang die nog niet daadwerkelijk werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft. 's Hofs overweging houdt kennelijk en begrijpelijk rekening met zodanige omstandigheden. De overweging is dus begrijpelijk, te meer nu het hof ruimte gelaten heeft voor het stellen of blijken van bijzondere omstandigheden die, in samenhang met de doorbetaling, grond zouden geven aan te nemen dat geen opzegging op 13 september 2002 heeft plaatsgevonden. Tegen 's hofs oordeel dat van een zodanig stellen of blijken geen sprake was, richt zich geen klacht.

Onderdeel VI

4.22. Onderdeel VI klaagt over de motivering van het hof in rov. 5.14, die onjuist en onbegrijpelijk zou zijn. De klacht bouwt voort op de klacht uit onderdeel V en zal het lot van die klacht moeten delen. De loondoorbetaling tot 7 oktober 2002 heeft het hof in rov. 5.13 beoordeeld waartegen de falende klacht in onderdeel V is gericht. De omstandigheid dat [verweerder]s collega [betrokkene 1] al dan niet in dienst is gebleven van [eiseres] doet hier niet terzake en het hof kon dit dus buiten beschouwing laten. Het hof oordeelde zodoende voldoende duidelijk en begrijpelijk dat, gelet op de in het arrest geschetste feiten en omstandigheden, [verweerder] redelijkerwijs mocht aannemen dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 13 september 2002 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd. Ook deze klacht is dus ongegrond.

Onderdeel VII

4.23. Onderdeel VII klaagt dat het hof in rov. 5.15 ten onrechte heeft overwogen dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op 13 september 2002 zonder inachtneming van de voor [verweerder] geldende opzegtermijn heeft opgezegd en derhalve jegens [verweerder] schadeplichtig zou zijn op grond van art. 7:677 en art. 7:680 BW. De vordering van [verweerder] is derhalve ten onrechte toegewezen.

4.24. Het onderdeel bouwt geheel voort op de voorgaande onderdelen, en moet het lot daarvan delen.

4.25. Uit 's hofs oordeel dat [eiseres] de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, kan worden afgeleid dat [eiseres] geen opzegtermijn in acht heeft genomen. Wanneer geen opzegtermijn in acht is genomen is de 'opzegger' schadeplichtig wegens onregelmatigheid van de opzegging op grond van art. 7:677 BW. Het hof overwoog zodoende op juiste gronden in rov. 5.15 dat [eiseres] schadeplichtig is en wees de vordering van [verweerder] terecht toe, evenals de gefixeerde schadevergoeding op grond van art. 7:680 lid 1 BW.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan het (tussen)vonnis van de rechtbank Arnhem (sector kanton, locatie Nijmegen) van 25 juli 2003 onder het kopje 'De vaststaande feiten'; het hof verwijst daarnaar in rov. 4 van het in zoverre niet bestreden arrest. Zie evenwel nog de volgende voetnoot.

2 Ontleend aan prod. 1 bij de inleidende dagvaarding van 6 februari 2003.

3 Het arrest dateert van 11 april 2006; de cassatiedagvaarding (faxdagvaarding) is op 11 juli 2006 uitgebracht.

4 Het hof verwijst in rov. 5.3 naar HR 10 juni 2005, NJ 2005, 395.

5 Ik lees een dergelijke stelling overigens ook onder grief II, punt 2 en onder grief III, punt 8.

6 Vgl. ook HR 29 april 1994, NJ 1994, 497, rov. 3.4.

7 Zie ook Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht (2002), p. 174-176.