Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2791

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
C06/299HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil tussen perceeleigenaar en zijn rechtsvoorganger met oliemaatschappij over diens aanspraak op (kostenvergoeding voor) bodemsanering uit hoofde van eerdere saneringsovereenkomst (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 127
RvdW 2008, 236
JWB 2008/77
JM 2008/53 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/299HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 14 december 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Esso Nederland B.V.

Het cassatiemiddel heeft betrekking op de vraag of eiser aan zijn stelplicht heeft voldaan met betrekking tot een aanspraak op bodemsanering die eiser stelde te ontlenen aan, onder meer, een met zijn rechtsvoorganger gesloten overeenkomst.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Een zekere [betrokkene 2] heeft vanaf 1965 tot 1982 een tankstation geëxploiteerd op het aan hem toen in eigendom toebehorende perceel aan de [a-straat 1] te [plaats]. De tankinstallatie, waaronder twee ondergrondse tanks, was geleverd door Aral Nederland N.V. (hierna kortweg: Aral), de rechtsvoorgangster van Mobil Oil B.V., die weer de rechtsvoorgangster is van Esso Nederland B.V., de huidige verweerster in cassatie. Aral leverde tevens brandstof aan het tankstation.

1.1.2. In 1983 heeft [betrokkene 2] het perceel verkocht en geleverd aan [betrokkene 1]. In verband hiermee is tussen [betrokkene 1] en Aral overeengekomen dat Aral, tegen betaling van f 8.500,-, de twee ondergrondse tanks zal uitgraven en verwijderen of, naar keuze van Aral, zal volstorten met zand of ander materiaal. Aral heeft daarop de ondergrondse tanks geleegd, schoongemaakt en met schuim gevuld.

1.1.3. In 1993 heeft [betrokkene 1] het perceel verkocht en geleverd aan [eiser], de huidige eiser tot cassatie.

1.1.4. In 1997 is uit een verkennend bodemonderzoek gebleken dat sprake was van bodem- en grondwaterverontreiniging met minerale olie. In 1998 is een nader bodemonderzoek gedaan met als conclusie dat de bodem ter plaatse van de voormalige tanks ernstig is verontreinigd met brandstofcomponenten en dat de oorzaak van die vervuiling kan worden gerelateerd aan de aanwezigheid van ondergrondse brandstoftanks en het voormalige pompeiland.

1.2. Op 25 februari 2002 heeft [eiser] zowel [betrokkene 1] als Mobil Oil B.V. (als rechtsopvolgster van Aral) gedagvaard voor de rechtbank te Alkmaar. Na wijziging van eis heeft [eiser], kort weergegeven, gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [betrokkene 1] en Mobil Oil B.V., ieder voor zich dan wel tezamen, gehouden zijn het perceel te (doen) saneren en hiertoe alle noodzakelijke handelingen te verrichten, waaronder het onderzoek naar de omvang van de verontreiniging, het opstellen van een saneringsplan en het uitvoeren van de sanering. [Eiser] heeft voorts gevorderd dat aan [betrokkene 1] en aan Mobil Oil B.V. zal worden bevolen de hiervoor omschreven sanering uit te voeren binnen een jaar na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft [eiser] vergoeding gevorderd van de door hem gemaakte onderzoekskosten, € 5.422,63 exclusief wettelijke rente, alsmede vergoeding van overige schade, op te maken bij staat. De vordering tegen [betrokkene 1], gebaseerd op wanprestatie, behoeft thans geen bespreking. De vordering tegen Mobil Oil B.V. was gegrond op de stellingen dat Aral de verontreiniging heeft veroorzaakt, dat Aral voorafgaand aan de overdracht van het perceel door [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] heeft toegezegd dat zij alle materialen zou verwijderen en dat Aral jegens toekomstige eigenaren, waaronder [eiser], onrechtmatig heeft gehandeld door de tanks niet voldoende onklaar te maken en het terrein niet voldoende te saneren(2).

1.3. [Betrokkene 1] en Mobil Oil B.V. hebben verweer gevoerd. [betrokkene 1] heeft bij conclusie van 18 april 2002 verzocht Mobil Oil B.V. in vrijwaring te mogen roepen(3). Bij vonnis van 19 november 2003 in de hoofdzaak heeft de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen [betrokkene 1](4). De rechtbank heeft de vordering van [eiser] tegen Mobil Oil B.V. afgewezen. Zij overwoog dat Aral geen eigenaar van de brandstoftanks was, noch exploitant van het tankstation. Het enkele feit dat er (mogelijk) een verband is tussen de aanwezigheid van de tanks en de geconstateerde verontreiniging brengt volgens de rechtbank nog niet mee dat Aral aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van de verontreiniging (rov. 5.20 Rb). De rechtbank besprak vervolgens het argument(5) dat Aral onzorgvuldig te werk is gegaan bij de uitvoering van het overeengekomen onklaar maken van de ondergrondse tanks:

"Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overeenkomst van 1983, mede gelet op de overeengekomen vergoeding, niet meer worden afgeleid dan dat Aral ten behoeve van de verkoop van het perceel door exploitant [betrokkene 2] op zich had genomen de door haar aangeleverde tankinstallatie te verwijderen c.q. buiten gebruik te stellen. Uit de overeenkomst valt geen verplichting tot sanering van de bodem en het grondwater af te leiden. Bij gebreke aan een verplichting tot opruimen kan [eiser] dan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat Aral de verontreiniging niet goed heeft opgeruimd. Bovendien heeft Aral zich slechts jegens [betrokkene 1] verbonden. [Eiser] kan derhalve aan deze overeenkomst met [betrokkene 1] geen rechten ontlenen." (rov. 5.21 Rb)

1.4. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Hij heeft geen grief gericht tegen de afwijzing van zijn vordering tegen [betrokkene 1]. Met betrekking tot de vordering tegen Mobil Oil B.V., inmiddels opgevolgd door Esso Nederland B.V., heeft [eiser] in zijn eerste grief gesteld dat Aral eigenaar van de tanks was en uit dien hoofde aansprakelijk. In zijn tweede grief heeft [eiser] als grondslag van de vordering aangegeven: enerzijds een onrechtmatige daad van Aral jegens [eiser], anderzijds - en dat was nieuw - de stelling dat [betrokkene 1] zijn contractuele vorderingsrechten jegens Aral heeft overgedragen aan [eiser].

1.5. Bij arrest van 6 juli 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen. Met betrekking tot de tweede grief overwoog het hof:

"Ook op deze grond is de vordering van [eiser] niet toewijsbaar. Voorzover [eiser] met grief II beoogt op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de overeenkomst tussen Aral en [betrokkene 1] van 31 maart 1983 niet meer kan worden afgeleid dan dat Aral, tegen betaling van f 8.500,00 op zich had genomen de tankinstallatie te verwijderen of buiten gebruik te stellen, faalt de grief. [Eiser] heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kunnen volgen dat, in weerwil van de inhoud van de brief van Aral van 31 januari 1983, Aral jegens [betrokkene 1] tevens de verplichting op zich zou hebben genomen een bodemonderzoek te doen en het perceel zonodig te saneren. Gelet op het feit dat Aral ten tijde van de exploitatie van het tankstation geen eigenaar was van de tanks en evenmin kan worden aangemerkt als exploitant van het tankstation, kan in beginsel niet worden aangenomen dat Aral jegens [betrokkene 1] onzorgvuldig heeft gehandeld door geen bodemonderzoek te doen en geen sanering uit te voeren. [Eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot het oordeel dat Aral jegens [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld." (rov. 3.11)

1.6. Namens [eiser] is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Esso heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten, met re- en dupliek.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft overwogen en beslist dat Aral niet de verplichting op zich heeft genomen een bodemonderzoek te (doen) verrichten en het terrein te (doen) saneren. Deze algemene klacht is toegelicht in de alinea's 7 - 16 van de cassatiedagvaarding.

2.2. In de alinea's 8 - 12 van de cassatiedagvaarding wordt gewezen op een passage in de memorie van grieven, waarin [eiser] verwijst naar een gedeelte uit de conclusie van [betrokkene 1] d.d. 18 april 2002 en verzoekt het aldaar gestelde te beschouwen als ingelast in de memorie van grieven. Het middel benadrukt dat een verwijzing naar andere processtukken is toegestaan, mits voor de rechter en voor de wederpartij in het geding duidelijk is wat als grondslag voor de vordering ter beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd en waarop de wederpartij haar verweer moet afstemmen. De klacht in alinea 12 houdt in dat de grondslag voldoende duidelijk was en dat deze rechtsregel door het hof is miskend, dan wel de toepassing van deze regel door het hof onbegrijpelijk is.

2.3. Op zich is juist dat in een memorie van grieven de gronden van het hoger beroep kunnen bestaan uit een herhaling van een in eerste aanleg ingenomen standpunt of, zoals in dit geval, een verwijzing naar een door een derde in het geding ingenomen stelling, mits in de omstandigheden van het geval voor de wederpartij en voor de appelrechter voldoende kenbaar is op welke grond(en) de appellant vernietiging van de bestreden uitspraak wenst(6). Evenwel valt niet in te zien dat - en waarom - het hof deze rechtsregel hier zou hebben miskend. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat de verwijzing in de memorie van grieven naar het gedingstuk van [betrokkene 1] ongeoorloofd zou zijn. Het hof heeft evenmin overwogen dat voor het hof of voor de wederpartij onduidelijk zou zijn wat de gronden van het hoger beroep waren. De desbetreffende stelling van [eiser] is in rov. 3.10 adequaat samengevat. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.

2.4. Het hof heeft de stellingen van [eiser], met inbegrip van zijn verwijzing naar de stellingen van [betrokkene 1] in de conclusie van 18 april 2002, onvoldoende concreet geacht om de door [eiser] gewenste gevolgtrekking te maken. Ter toelichting van zijn grief heeft [eiser] gesteld(7): "Aral heeft niet goed gesaneerd, er is immers sprake van bodemverontreiniging", gevolgd door een verwijzing naar hetgeen [betrokkene 1] in de conclusie van 18 april 2002 onder 4 - 8 had gesteld en een bewijsaanbod. Omdat, in de redenering van het hof, onvoldoende door [eiser] was gesteld, kwam het hof niet toe aan het bewijsaanbod.

2.5. In alinea 13 van de cassatiedagvaarding geeft [eiser] een parafrasering van zijn stellingen in hoger beroep, met inbegrip van de ingelaste stellingen. Ik loop deze puntsgewijs na:

- "Aral had toegezegd, dat zij al haar materialen zou doen verwijderen en wel zodanig, dat er niet meer sprake zou zijn van bodemverontreiniging van het perceel, dat [betrokkene 1] van [betrokkene 2] kocht". De toezegging van Aral dat zij al haar materialen zou verwijderen(8), was volgens de stelling van [betrokkene 1] vervat in de bij die conclusie overgelegde brief van Aral van 31 januari 1983. Het hof heeft die brief uitdrukkelijk in zijn overwegingen betrokken ("in weerwil van ..."), maar op een andere wijze geïnterpreteerd dan [eiser] doet.

- "Aral nam de verplichting op zich om namens [betrokkene 2] het perceel geschikt te maken voor het gebruik als groentezaak annex woonhuis". Dit heeft [betrokkene 1] inderdaad gesteld. Het hof heeft deze stelling niet toereikend bevonden om de door [eiser] gewenste gevolgtrekking te maken.

- Voorts werd in de door [eiser] overgenomen stellingen van [betrokkene 1] gewezen op het verschil in kennisniveau ([betrokkene 1] kon de gevolgen van bodemverontreiniging niet overzien; Aral daarentegen had te gelden als een ter zake deskundige partij).

- Aan de hand hiervan maakte [betrokkene 1] in de door [eiser] overgenomen stellingname de gevolgtrekking dat de overeenkomst aan de hand van het Haviltex-criterium zodanig moet worden uitgelegd dat Aral ervoor diende te zorgen dat [betrokkene 1] een schone bodem geleverd zou krijgen.

2.6. Het hof heeft de gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende concreet geacht om de door [eiser] gewenste gevolgtrekking te maken. Dat oordeel berust op een waardering van de feiten, welke is voorbehouden aan het hof. De juistheid van dat feitelijk oordeel kan niet worden onderzocht in cassatie. Het oordeel is omkleed met redenen die de beslissing kunnen dragen en voldoende inzicht bieden in 's hofs gedachtegang. Daarbij valt op te merken dat de redenering van het hof in belangrijke mate overeenkomt met die van de rechtbank: [eiser] wist dat zijn stellingen in eerste aanleg reeds ontoereikend waren geacht. Het hof heeft bovendien zijn beslissing toegelicht met een verwijzing naar de brief van 31 januari 1983 ("in weerwil van"). De door [eiser] overgenomen stellingen van [betrokkene 1] hielden voorts in dat Aral "als vervuiler en eigenaar van het pompstation" ook zonder contractuele verplichting de rechtsplicht had om de grond te (doen) reinigen. Het standpunt dat Aral eigenaar van de tanks en exploitant van het tankstation was, is door het hof uitdrukkelijk onder ogen gezien en verworpen.

2.7. In alinea 14 klaagt het middel dat het hof zich ten onrechte niet heeft uitgesproken over de vraag of [betrokkene 1] zijn aanspraken jegens Aral heeft gecedeerd aan [eiser]. Kennelijk voor het geval dat het hof van een negatief antwoord op deze vraag is uitgegaan, voegt het middel de klacht toe dat het hof heeft miskend dat aan de hand van uitleg van de akte moet worden vastgesteld wat er gecedeerd is. Hieraan is nog een subsidiaire motiveringsklacht toegevoegd.

2.8. Over deze klachten kan ik kort zijn: zij missen feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.10 uitdrukkelijk onder ogen gezien dat [eiser] als grondslag van zijn vordering mede heeft aangevoerd dat hij als gevolg van de cessie is getreden in de rechten die [betrokkene 1] jegens Aral kon doen gelden. Op die basis, dus uitgaand van de gestelde cessie, heeft het hof in rov. 3.11 onderzocht welke verplichtingen Aral jegens [betrokkene 1] op zich heeft genomen.

2.9. In de alinea's 15 en 16, kort samengevat, klaagt het middel dat het hof het Haviltex-criterium(9) heeft miskend, indien het hof zijn oordeel over de gecedeerde contractuele verplichtingen van Aral jegens [betrokkene 1] uitsluitend heeft gebaseerd op de tekst van de brief van 31 januari 1983. Subsidiair zijn twee motiveringsklachten toegevoegd.

2.10. Het bestreden arrest biedt m.i. geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het hof het Haviltex-criterium heeft miskend. Integendeel, het hof heeft overeenkomstig dit criterium gezocht of er feiten en omstandigheden vaststaan dan wel gesteld zijn, die kunnen bijdragen tot de door [eiser] beoogde gevolgtrekking dat Aral contractueel verplicht was om het terrein te (doen) onderzoeken op mogelijke bodemverontreiniging en te (doen) saneren. Die vraag is door het hof ontkennend beantwoord. Dat het hof in rov. 3.11 naar de brief van 31 januari 1983 verwijst, betekent niet dat het hof van oordeel is dat, bij een geschil over de uitleg van de overeenkomst tussen Aral en [betrokkene 1], een taalkundige uitleg van die brief belangrijker zou zijn dan de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de brief mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof heeft met deze verwijzing willen aangeven waarom het niet vanzelf spreekt dat Aral zich jegens [betrokkene 1] heeft verplicht om het terrein te (doen) onderzoeken op mogelijke bodemverontreiniging en te (doen) saneren. Dat in de brief sprake is van "al onze materialen (doen) verwijderen, waarbij het ons vrij staat te beslissen of wij de 2 ondergrondse tanks van 6.000 liter zullen uitgraven en verwijderen, danwel ze in de grond laten en ze onbruikbaar zullen maken door volstorting met zand of ander materiaal", geeft in de redenering van het hof aan waarom de door [eiser] gestelde verplichting tot saneren niet uit die brief blijkt. Daarom was het voor [eiser] nodig andere feiten en omstandigheden aan te voeren, waaruit de beoogde gevolgtrekking wel kon worden gemaakt.

2.11. Ook de motiveringsklachten in alinea 16 falen. Op zich was mogelijk geweest dat het hof nader was ingegaan op de (in alinea 2.5 hiervoor samengevatte) subargumenten, die [eiser] had aangevoerd ter onderbouwing van de essentiële stelling dat Aral jegens [betrokkene 1] de verplichting op zich had genomen om het terrein te (doen) saneren. Nodig was dat niet. In de verwerping van deze essentiële stelling ligt besloten dat ook deze subargumenten het hof niet hebben overtuigd. De wettelijke motiveringseisen gaan niet zo ver dat het hof op elk van deze subargumenten afzonderlijk had moeten ingaan. De slotsom is dat het beroep kan worden verworpen.

2.12. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 2 en rov. 3.1.1 - 3.1.3 van het bestreden arrest.

2 Inl. dagvaarding onder 2 en onder 6. Zie voor de kwestie of aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens toekomstige eigenaren mogelijk is - in dit cassatieberoep niet aan de orde - onder meer: HR 4 maart 2005, NJ 2005, 445 m.nt. CJHB; HR 24 maart 2006, NJ 2007, 377 m.nt. CJHB.

3 Dat verzoek is toegestaan bij incidenteel vonnis van 8 augustus 2002.

4 Heel kort samengevat: omdat [eiser] na de ontdekking van de bodemverontreiniging in 1997/98 tot november 2001 heeft gewacht alvorens [betrokkene 1] als verkoper aan te spreken (art. 7:23 BW/art. 6:89 BW).

5 Zie ook: CvR in eerste aanleg onder 27.

6 HR 21 december 1990, NJ 1992, 96 m.nt. HJS; zie voor meer voorbeelden: H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 169. Het betreft hier een meer algemene regel, voortvloeiend uit de eisen van een behoorlijke rechtspleging; zie bijv. HR 7 december 1990, NJ 1991, 216; HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4.

7 MvG, punt 12, blz. 8 onderaan.

8 In de conclusie van 18 april 2002 (zie nr. 4) staat daar niet bij: "en wel zodanig, dat er niet meer sprake zou zijn van bodemverontreiniging van het perceel". [Betrokkene 1] leidde dit af uit het doel van de overeenkomst, namelijk dat hij van [betrokkene 2] een perceel kreeg zonder dat sprake zou zijn van bodemverontreiniging.

9 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB.