Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2333

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
19-02-2008
Zaaknummer
02760/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2333
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 51 Sv. Aangenomen moet worden dat de na het vonnis in EA en het instellen van hoger beroep ingezonden brieven van de rm, gericht aan de Rb, zich bij de stukken van het geding gevoegd zijn en naar het Hof zijn verzonden, zodat het Hof t.t.v. de behandeling van de zaak kennis heeft kunnen dragen van deze brieven. De 1e brief is een stelbrief, de 2e brief een verzoek om een kopie van het vonnis. Noch uit mededelingen gesteld op het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep, noch uit enig ander aan de HR gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding aan de rm is gezonden. Blijkens het pv van de ttz. in HB is aldaar noch verdachte noch diens rm verschenen. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een rm in EA als zodanig behoort te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een rm. Uit de brieven blijkt dat verdachte was voorzien van rechtsbijstand, zodat het ernstige vermoeden rijst dat t.a.v. de dagvaarding in HB het voorschrift vervat in art. 51 Sv niet is nageleefd. HR herhaalt verder HR LJN BC0838.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 131
JOL 2008, 143
RvdW 2008, 277
NJB 2008, 623
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02760/06

Mr. Vellinga

Zitting: 27 november 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van € 900,00, subsidiair 18 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het bepaalde in art. 51 Sv is geschonden omdat geen afschrift van de appeldagvaarding aan verdachtes raadsman is gezonden.

4. De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de Politierechter van de Rechtbank te Middelburg op 20 februari 2001 (parketnr. 12/006270-00). Op 22 februari 2001 stelde mr. F.J.I. van den Branden, advocaat te Terneuzen, namens de verdachte hoger beroep in tegen dit vonnis. De dagvaarding in hoger beroep kon op het GBA-adres van de verdachte niet worden uitgereikt omdat aldaar niemand werd aangetroffen. Toen de dagvaarding ook niet werd opgehaald op het in het bericht van aankomst vermelde adres, is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier en heeft deze de dagvaarding bij brief gezonden naar verdachtes GBA-adres. Uit de stukken valt niet op te maken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan een raadsman is verstrekt. Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2002 verscheen noch verdachte noch een raadsman. Vervolgens heeft het Hof de zaak bij verstek behandeld. Op 17 januari 2002 wees het Hof bovengenoemd arrest.

5. In de toelichting op het middel wordt ten betoge dat zich namens de verdachte in hoger beroep een raadsman had gesteld een beroep gedaan op een brief die verdachtes toenmalige raadsman had gezonden aan de strafgriffie van de Rechtbank. Deze brief, blijkens een daarop gesteld stempel binnengekomen bij de Rechtbank op 28 februari 2001, luidt:

Datum: 27 februari 2001

Ons kenmerk: 17516

Parketnr. : 12/006270-00

Zitting: 20 februari 2001 te 11.00 uur

Edelachtbare heer/vrouwe

Bij deze stel ik mij als raadsman van [verdachte], die is opgeroepen voor bovengenoemde terechtzitting.

Ik verzoek U vriendelijk i.v.m. het adviseren van cliënt over het doorzettend van hoger beroep, afschriften te zenden van het dossier.

Hoogachtend,

(w.g. R.W. Van Voorst Vader)

Volgens de toelichting op het middel kon met deze stelbrief, hoewel ten onrechte gezonden aan de Rechtbank, slechts zijn bedoeld dat mr. Van Voorst Vader zich voor de verdachte stelde in hoger beroep. Daartoe wordt erop gewezen dat de stelbrief werd verzonden na het veroordelend vonnis van de Politierechter en nadat hoger beroep was ingesteld terwijl voorts in de brief tot uitdrukking wordt gebracht dat verdachtes raadsman de verdachte adviseerde in verband met het doorzetten van het hoger beroep.

6. Bij de stukken die door de griffier van het Hof op de voet van art. 434 lid 1 Sv aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich vorengenoemde brief. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat ook het Hof ten tijde van de berechting in hoger beroep over deze brief beschikte.

7. In HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 werd overwogen:

"3.2.2. Ingevolge art. 39, eerste lid, Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier. De regeling van art. 39 Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend."

8. Zou het Hof de brief op de in de toelichting op het middel aangevoerde gronden als een stelbrief voor de procedure in hoger beroep hebben gezien, dan zou ik dat oordeel niet onbegrijpelijk hebben geacht. Maar ook de kennelijke opvatting van het Hof dat uit de onderhavige brief niet volgt dat de raadsman zich voor de verdachte in de procedure in hoger beroep heeft gesteld, acht ik niet onbegrijpelijk.(1) Het stellen voor een zitting die al geweest is, lijkt een slag in de lucht. Voor adviseren over het doorzetten van hoger beroep is niet vereist dat de raadsman zich stelt, terwijl stellen zinloos is als het hoger beroep niet wordt doorgezet en dus heel wel kan worden verondersteld dat de uitkomst van het aangekondigde beraad bepaalt of verdachtes raadsman zich in hoger beroep stelt of niet. Een verzoek om inlichtingen, zoals vervat in de onderhavige brief, behoeft niet te worden opgevat als mededeling van de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig.(2) Daar komt nog bij dat de brief niet is gezonden aan de griffier van het Hof maar aan de Rechtbank dus niet aan de griffier van het college waarbij de raadsman als zodanig zou willen optreden.

9. De omstandigheid dat mr. Van Voorst Vader bij brief van 29 maart 2001 "als raadsman van [verdachte]" aan de Rechtbank toezending van het vonnis van de Politierechter verzoekt maakt het voorgaande niet anders.(3) Hij kan zich immers heel wel afficheren als raadsman van de verdachte zonder dat hij zich gesteld heeft. In zekere zin ligt de brief van verdachtes raadsman in het verlengde van het optreden van een raadsman als degene die namens de verdachte appel instelt. Zoals in HR 19 december 2000, NJ 2001, 161 is bepaald betekent het instellen van hoger beroep niet dat de raadsman zich heeft gesteld.

10. Blijft nog de vraag of deze warrige, voor meerderlei uitleg vatbare, als stelbrief onjuist geadresseerde brief het Hof noopte tot nader onderzoek naar de vraag of zich namens de verdachte een raadsman had gesteld of niet. Ik neig er naar deze vraag ontkennend te beantwoorden. Het Hof mocht ervan uitgaan dat een raadsman zo hij zich wilde stellen, dit min of meer ondubbelzinnig tot uitdrukking bracht. Natuurlijk kan er best eens iets misgaan en zou een rechter daar ook in moeten voorzien, maar deze brief is te gebrekkig - warrig, voor meerderlei uitleg vatbaar, als stelbrief onjuist geadresseerd - om de rechter te noodzaken een onderzoek te doen naar de vraag of zich namens de verdachte de raadsman, van wie de brief afkomstig was, heeft willen stellen. Het Hof heeft mogen veronderstellen dat als de verdachte het hoger beroep inderdaad had willen doorzetten, hij zich voor justitie bereikbaar had gehouden(4) en/of dat verdachtes raadsman zich tot het Hof zou hebben gewend wanneer zijn cliënt het hoger beroep inderdaad met zijn bijstand had willen doorzetten. Gelet op het bepaalde in art. 39 Sv mag er toch wel van worden uitgegaan dat verdachtes raadsman zoveel inzicht in de werking van het strafproces had dat hij in dat geval met het oog op de belangen van zijn cliënt(5) het Hof van de door hem beoogde bijstand op de hoogte zou stellen.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn is geschonden door het tijdsverloop tussen het arrest van het Hof en de betekening van de mededeling uitspraak aan de verdachte in persoon op 10 augustus 2006.

13. In zijn arrest van HR 3 oktober 2000, LJN AA7309 NJ 2000, 721, m. nt. JdH overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de redelijke termijn in een geval waarin de verstekmededeling aan de verdachte dient te worden betekend zoals ingevolge art. 366 Sv in het onderhavige geval:

3.19. Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.

Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:

a. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend

1. hetzij aan de verdachte in persoon,

2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.

In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.

b. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, en indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv.

14. Van rechtsgeldige betekening van de verstekmededeling binnen 1 jaar na uitspraak blijkt uit het dossier niet. De verstekmededeling is pas op 12 april 2005 rechtsgeldig betekend nadat daartoe op 31 juli 2002 en 24 maart 2005 pogingen zijn ondernomen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden.

15. Het middel slaagt.

16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Anders HR 25 februari 2003, LJN AF3097, maar toen ging het om een aan de strafgriffie van het Hof gerichte brief waarin de raadsman aankondigde een toevoeging te zullen vragen om de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ter zijde te kunnen staan.

2 HR 18 februari 1997, NJ 1997, 516:

3 Zie wederom HR 18 februari 1997, NJ 1997, 516: een verzoek om inlichtingen behoeft niet te worden opgevat als mededeling van de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig.

4 Zie voor het belang van verdachtes proceshouding voor de vraag of hij beoogde dat de raadsman die zich voor de verdachte had gesteld, hem zou bijstaan HR 18 februari 1997, NJ 1997, 517, m. nt. Sch

5 Aldus E.Ph.R Sutorius, Handboek strafzaken, Kluwer, Deventer, 1.3.4.