Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2331

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
02181/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat verdachte zo bewust en nauw met een ander of anderen heeft samengewerkt dat hij kan worden aangemerkt als iemand die zich “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” – dus als mededader – aan die diefstal heeft schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 81
JOL 2008, 61
RvdW 2008, 197
NJB 2008, 459
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02181/06

Mr. Vellinga

Zitting: 27 november 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte wegens "diefstal waarbij de schuldige zich het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard.

2. Namens de verdachte heeft mr. A.A.G. Balkenende, advocaat te Katwijk, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte het feit heeft medegepleegd.

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

"hij op een tijdstip in de periode van 31 mei 2005 tot en met 1 juni 2005 te Leiden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening uit een (bedrijfs)pand, gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een sleutelbos, toebehorende aan Stadstoezicht, zulks na het weg te nemen goed onder hun bereik te hebben gebracht door een raam van dat (bedrijfs)pand te forceren"

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik doe aangifte en ben daartoe gemachtigd. Ik ben werkzaam als applicatiebeheerder voor de sector stadstoezicht, die is gevestigd op de [a-straat 1] te Leiden. Dinsdag 31 mei 2005 is rond 21:30 of 22:00 uur het pand aan de [a-straat 1] te Leiden slotvast en schadevrij afgesloten. Toen ik vanmorgen 1 juni 2005 omstreeks 07:30 uur weer aankwam op de [a-straat 1] zag ik binnen in mijn kamer glas op de grond liggen. Tevens zag ik dat er een raam was afgedekt met een ander stuk glas. Ik zag vervolgens dat er vanuit de binnenkant van de deur, vanuit het slot, een bosje sleutels was weggenomen. Dit betreft een bosje van vier sleutels, voorzien van een geel label. (Opmerking verbalisant: ik toon de aangever een bosje sleutels, aangetroffen bij één van de verdachten). Het bosje sleutels dat u mij toont is de bos sleutels die zijn weggenomen vanuit de binnenkant van de deur, de sleutels waarover ik zojuist sprak.

b. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2006:

"Met betrekking tot de tenlastegelegde inbraak in een pand aan de [a-straat 1] in Leiden merk ik het volgende op. Ik ben daar geweest. Ik ben de poort ingelopen met [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] had een sleutelbos in zijn hand. Hij had zijn arm door het raam gestoken om de sleutelbos te pakken. Wat later zag ik de politie en ben ik hard weggelopen. [Medeverdachte 1] zei tegen mij dat hij de sleutels net had gepakt."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op woensdag 1 juni 2005 omstreeks 00:18 uur kregen wij van de centrale meldkamer de melding van een mogelijke inbraak op de [b-straat] te Leiden. Op woensdag 1 juni omstreeks 00:24 uur kwamen wij verbalisanten ter plaatse aan de voorzijde van de woning van de [b-straat 1]. Ik, verbalisant [verbalisant 1] zag dat zich vanaf de voorzijde van het perceel een poortje naar de achterzijde van de woning bevond. Ik ben dit poortje ingelopen. Aan het einde van deze poort bevond zich een andere poort naar links. Ik zag daar jongens rennen. Ik zag dat de jongens donker gekleed waren en een helm droegen. Ik haalde de achterste jongen in, pakte hem vast en deelde hem mede dat hij was aangehouden. Toen ik, verbalisant [verbalisant 1] de handboeien aansloeg zagen wij dat er uit de rechterhandpalm van de verdachte een bos sleutels viel. Deze is inbeslaggenomen. Ik verbalisant [verbalisant 2] zag de andere persoon met een helm op zijn hoofd achter de struiken liggen. Ik zei dat hij was aangehouden."

d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op woensdag 1 juni 2005 te 00:38 uur werd aangehouden bij de [b-straat] te Leiden: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats]."

e. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant:

"Op woensdag 6 juni 2005 (het hof begrijpt: 1 juni) heb ik in beslaggenomen een sleutelbos. De sleutelbos viel uit de handen van de verdachte [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding. De sleutelbos bevatte vier sleutels en had een geel label."

f. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Afgelopen nacht werd ik rond 23:00 uur gebeld door jongens. Ik ben naar hen toegegaan op een scooter. Ik droeg een zilverkleurige helm. Ik droeg een bruin pilotenjack met bontkraag en een donkerblauwe spijkerbroek. Ik was bij de jongens en ik liep de poort in. Ik had een helm op mijn hoofd."

g. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op woensdag 1 juni 2005 omstreeks 00:01 uur kwam ik bij mijn woning aan de [b-straat]. Ik zag een persoon staan in het poortje. Hij had een grijze helm op zijn hoofd en droeg donkere kleding. Ik zag dat hij zenuwachtig om zich heen keek. Kort hierna hoorde ik gebonk en gekraak."

6. Het middel stelt de vraag aan de orde of uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat van een zo nauwe en bewuste, op de bewezenverklaarde gekwalificeerde diefstal van de sleutelbos gerichte samenwerking van de verdachte met [medeverdachte 1] sprake was, dat van medeplegen door de verdachte van de bewezenverklaarde gekwalificeerde diefstal van de sleutelbos kan worden gesproken.(1)

7. De bewijsmiddelen houden voor zover te dien aanzien van belang in dat de verdachte na een telefoontje van jongens op zijn scooter naar een pand aan de [a-straat 1] te Leiden is gegaan, dat hij zich daar bij die jongens heeft gevoegd, dat hij vervolgens met [medeverdachte 1] de poort in is gelopen, dat [medeverdachte 1] een sleutelbos in zijn hand had en tegen de verdachte zei dat hij die sleutels net had gepakt (bewijsm. b en f), dat de verdachte en [medeverdachte 1] op de vlucht zijn geslagen toen de politie daar verscheen en dat de verdachte met zijn helm op door de politie in de struiken werd aangetroffen (bewijsm. c en d).

8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte de sleutelbos samen met [medeverdachte 1] heeft weggenomen, dat hij daarbij aanwezig is geweest(2) en/of dat er tussen de verdachte en [medeverdachte 1] is gesproken over wegnemen van de sleutelbos en/of inbreken in het pand. De mededeling van [medeverdachte 1] aan de verdachte dat hij de sleutels net had gepakt wijst er eerder op dat de verdachte bij het wegnemen van de sleutels niet betrokken was. Ook de zinsnede in de verklaring van de verdachte "Hij had zijn arm door het raam gestoken om de sleutelbos te pakken" doet, zeker wanneer deze wordt gelezen in verband met de hiervoor genoemde mededeling, eerder vermoeden dat [medeverdachte 1] aan de verdachte heeft verteld hoe hij aan die sleutelbos kwam dan dat deze inhoudt de verklaring van de verdachte dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] de sleutelbos pakte en hij dus in zoverre bij het stelen van de sleutelbos betrokken zou zijn geweest(3)

9. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat verdachte de politie vreesde, zijn helm ophad en donkere kleding droeg, kennelijk om herkenning/betrapping te voorkomen, maar daarmee is nog niet gezegd dat hij bij de diefstal van de sleutelbos betrokken was. Uit het tijdstip waarop hij door "jongens" werd gebeld, plm. 23.00 uur, en het tijdstip van de melding van de inbraak, de volgende dag om 00.18 uur en het tijdstip waarop [medeverdachte 1] en hij door de politie werden aangehouden, eveneens de volgende dag 00.38 uur, kan worden afgeleid dat de verdachte ter plaatse was toen de inbraak werd gepleegd, maar dat hij bij de inbraak betrokken was volgt daaruit niet. Dat volgt ook niet uit de verklaring van [getuige 1]. Deze heeft om 00.01 uur een persoon in het poortje zien staan die zenuwachtig om zich heen keek, een grijze helm ophad en donkere kleding aan had, maar wie die persoon is geweest wordt uit de gebezigde bewijsmiddelen niet duidelijk: Zowel [medeverdachte 1] als de verdachte hadden bij aanhouding een helm op en waren donker gekleed terwijl niet duidelijk is of de door [getuige 1] gesignaleerde persoon daar nog stond toen [getuige 1] gebonk en gekraak hoorde. Nu zou kunnen worden geredeneerd dat de verdachte een zilverkleurige helm op had die kennelijk door [getuige 1] als grijs is gezien maar wil een dergelijke redenering zonder meer uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dan zullen deze ook moeten inhouden welke kleur de helm van [medeverdachte 1] had. Dat laatste is niet het geval.

10. Hoe het Hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van verdachtes medeplegen van diefstal met braak van de sleutelbos is gekomen wordt bij gebreke van nadere redengeving dus niet duidelijk. Bij gebreke van die nadere redengeving kan het bewezenverklaarde medeplegen daarom niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.

11. Het middel slaagt.

12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 O.a. HR 30 mei 2006, NJ 2006, 315.

2 Dat was anders in HR 12 april 2005, NJ 2005, 577 (medeplegen van doodslag), waarin evenals in het onderhavige geval niet kwam vast te staan dat de verdachte enige uitvoeringshandeling had verricht.

3 Eveneens anders dan in HR 12 april 2005, NJ 2005, 577