Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2252

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
R07/071HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Gerechtelijke vaststelling vaderschap, erkenning door man van minderjarig kind al naar Duits recht, gevolgen voor toewijsbaarheid verzoek (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2008-03-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 212
RvdW 2008, 336
JWB 2008/138

Conclusie

Rek.nr. R07/071HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 11 jan. 2008

conclusie inzake

Mr. I.J. Pieters in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [kind]

tegen

1. [De vrouw]

2. [De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Inzet is de vraag of het verzoek kan worden toegewezen nu het betrekking heeft op een kind dat reeds in Duitsland naar Duits recht is erkend door de man met betrekking tot wie de vaststelling van het vaderschap wordt verzocht.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) [kind], hierna: het kind, is op [geboortedatum] 2002 geboren te [geboorteplaats], Duitsland, als dochter van thans verweerster in cassatie sub 1, hierna: de moeder.

(ii) Verweerder in cassatie sub 2, hierna: de man, heeft het kind op 15 augustus 2002 te Keulen, Duitsland, erkend.

(iii) Op 2 april 2003 is door de rechtbank Amsterdam tussen de man en zijn toenmalige echtgenote, [betrokkene 1], de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 17 april 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iv) De man en de moeder zijn op 11 februari 2004 te Niederkassel, Duitsland, met elkaar gehuwd.

(v) Het kind kwam ten tijde van de bestreden beschikking van het hof niet voor in het gezagsregister van de sector kanton van de rechtbank Amsterdam.

(vi) De moeder heeft de Kazachstaanse nationaliteit. De man heeft zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Het kind heeft - in ieder geval - de Kazachstaanse nationaliteit.

3. De moeder heeft op 1 april 2005 bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man met betrekking tot het kind.

4. De rechtbank Amsterdam heeft zich bij beschikking van 20 april 2005 onbevoegd verklaard van het verzoekschrift kennis te nemen en de zaak verwezen naar de rechtbank 's-Gravenhage.

5. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2005 thans verzoeker tot cassatie benoemd tot bijzonder curator over het kind.

6. Nadat mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 13 februari 2006 het verzoek afgewezen.

7. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer het volgende:

"Nu het kind haar gewone verblijfplaats in Duitsland heeft, is ingevolge het bepaalde in artikel 6 van de Wet conflictenrecht afstamming Duits recht op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van toepassing.

Ingevolge het bepaalde in ยง 1600d onder 1 van het Burgerliches Gesetzbuch is gerechtelijke vaststelling van het vaderschap naar Duits recht niet mogelijk, indien het kind reeds is erkend. Beoordeeld dient mitsdien te worden of de erkenning van het kind door de man in Nederland kan worden erkend."

Na een toetsing aan de criteria die gelden voor de erkenning in Nederland van een in het buitenland ontstane afstammingsbetrekking, waaronder de openbare orde-toets, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de erkenning door de man naar Duits recht voor erkenning binnen de Nederlandse rechtssfeer vatbaar is. De rechtbank heeft hieraan de conclusie verbonden dat, nu gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een kind dat reeds is erkend naar Duits recht niet mogelijk is, het verzoek van de moeder niet kan worden toegewezen.

7. De moeder is van de beschikking van 13 februari 2006 van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij verzocht het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder toe te wijzen. De bijzonder curator heeft zich bij het verzoek van de moeder aangesloten.

8. Bij beschikking van 10 januari 2007 heeft het hof overwogen dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft geoordeeld, dit oordeel en de gronden waarop het berust daarom overgenomen en tot het zijne gemaakt, en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

9. De bijzonder curator is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. Bij - binnen de cassatietermijn ingediend - aanvullend cassatieverzoekschrift heeft de bijzonder curator als productie een afschrift van een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 28 maart 2007 overgelegd. De moeder en de man hebben geen verweerschrift in cassatie ingediend.

10. Het middel keert zich in beide onderdelen tegen het oordeel van het hof dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld zoals zij heeft geoordeeld en tegen de beslissing van het hof om dit oordeel en de gronden waarop het berust over te nemen en tot het zijne te maken.

11. Volgens onderdeel 1 van het middel geeft het oordeel en de beslissing van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dat oordeel en die beslissing zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

12. Het onderdeel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het voldoet niet aan de ingevolge art. 426a lid 2 Rv aan een cassatiemiddel te stellen eisen. De rechtsklacht geeft niet aan waarom door het oordeel of de beslissing van het hof het recht is geschonden, terwijl de motiveringsklacht niet met de vereiste bepaaldheid en precisie aangeeft waarom het oordeel of de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn in het licht van hetgeen de moeder en de bijzonder curator in hoger beroep naar voren hebben gebracht inzake de belangen van het kind. Voor zover het onderdeel voorts het hof verwijt te hebben verzuimd aan te geven op welke wijze het de belangen van het kind, mede voortvloeiend uit art. 3 IVRK en art. 8 EVRM, heeft beoordeeld en gewogen, mist het feitelijke grondslag. Immers, de rechtbank heeft in haar beschikking aangegeven dat en waarom art. 3 IVRK niet kan leiden tot een andere beslissing op het verzoek, welk oordeel het hof tot het zijne heeft gemaakt, terwijl het hof in r.o. 6 van zijn beschikking heeft aangegeven dat en waarom afwijzing van het verzoek geen strijd oplevert met art. 8 EVRM.

13. Voor zover het onderdeel aldus moet worden begrepen dat het hof wordt verweten ten onrechte het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap niet te hebben toegewezen in het licht van het gestelde belang van het kind bij verkrijging van de Nederlandse nationaliteit op grond van art. 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), mist het onderdeel in ieder geval belang. Uit de HR 26 januari 2007, NJ 2007, 73, volgt dat een postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van het verwekkerschap met het oog op de toepassing van art. 4 RWN gelijkgesteld kan worden met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.

14. Onderdeel 2 van het middel berust kennelijk op het uitgangspunt dat de erkenning in Duitsland door de man van het kind in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend wegens strijd met de openbare orde, en verbindt aan dit uitgangspunt de conclusie dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijkerwijze, het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap heeft afgewezen.

15. Het onderdeel faalt omdat het uitgangspunt waarop het berust feitelijke grondslag mist. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat de erkenning van het kind door de man naar Duits recht voor erkenning binnen de Nederlandse rechtssfeer vatbaar is. Uit de gedingstukken blijkt niet (het cassatieverzoekschrift noemt ook geen vindplaatsen) dat de bijzonder curator (of de moeder) in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank heeft bestreden. Het hof heeft zich derhalve terecht gebonden geacht aan dit oordeel van de rechtbank en was bevoegd noch gehouden zich te begeven in de vraag of de Duitse erkenning in Nederland als rechtsgeldig kan worden erkend en daarover een zelfstandig oordeel te vormen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,