Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2207

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
R07/086HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8380
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Verzoek op de voet van art. 1:27 BW tot inschrijving van verbeterde geboorteakte; berusten van buitenlands vonnis op naar objectieve maatstaven betrouwbare gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 90
NJ 2009, 356 met annotatie van A.V.M. Struycken
JOL 2008, 421
RvdW 2008, 563
NJB 2008, 1277
JWB 2008/247
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R07/086HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 7 dec. 2007

conclusie inzake

Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek op grond van art. 1:27 BW. Het verzoek strekt ertoe dat de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt gelast over te gaan tot inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een Turkse geboorteakte waarin is verwerkt de uitspraak van een Turkse rechtbank waarbij het geboortejaar is gewijzigd.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Bij binnenkomst in Nederland van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], is verklaard dat [verweerder] op [geboortedatum] 1971 te Turkije is geboren.

(ii) [Verweerder] is op 7 december 1994 met het geboortejaar 1971 genaturaliseerd tot Nederlander.

(iii) In het paspoort van [verweerder] is 1971 opgenomen als geboortejaar.

(iv) [Verweerder] heeft op 8 oktober 1997 een op zijn naam gestelde geboorteakte met het geboortejaar 1971 getoond aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

(v) [Verweerder] is op 20 oktober 1997 te Amersfoort in het huwelijk getreden; in de huwelijksakte is 1971 opgenomen als zijn geboortejaar.

(vi) [Verweerder] staat dus sedert zijn vestiging in Nederland geregistreerd met het geboortejaar 1971.

(vii) [Verweerder] heeft op 18 oktober 2004 een Turkse, op zijn naam gestelde geboorteakte aangeboden ter inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, onder overlegging van een beschikking van de derde Arrondissementsrechtbank te Kayseri, Turkije, van 19 augustus 2004, waarbij het geboortejaar van [verweerder] is verbeterd van "1971" in "1969".

(vii) Thans verzoeker tot cassatie, hierna: de ambtenaar bs, heeft bij besluit van 5 november 2004 het verzoek afgewezen op grond van art. 1:18b lid 1 BW. De ambtenaar bs overwoog daartoe, kort gezegd, dat de uitspraak van de Turkse rechter onvoldoende zekerheid biedt over het geboortejaar, dat daarin niet wordt aangegeven op basis waarvan de getuigen hebben verklaard dat [verweerder] in 1969 is geboren, en dat het advies van de gezondheidsdienst van het Staatsziekenhuis te Kayseri waaruit zou blijken dat [verweerder] een leeftijd heeft tussen de 30 en 35 jaar een zeer globale leeftijdsindicatie betreft, waaruit op geen enkele wijze blijkt dat [verweerder] is geboren in 1969.

3. [Verweerder] heeft op 14 december 2004 bij de rechtbank 's-Gravenhage op de voet van art. 1:27 BW een verzoekschrift ingediend dat ertoe strekt dat de rechtbank zal bepalen dat de weigering van de ambtenaar bs ongegrond is en de ambtenaar bs zal gelasten de verbeterde geboorteakte in te schrijven in de registers van de burgerlijke staand.

4. De ambtenaar bs heeft schriftelijk gereageerd op het verzoekschrift. Hij heeft de rechtbank in overweging gegeven het verzoek af te wijzen, zulks omdat de uitspraak van de Turkse rechtbank niet is gebaseerd op - naar objectie maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens.

5. De officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage heeft schriftelijk geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

6. Nadat de zaak ter terechtzitting van de rechtbank mondeling was behandeld, heeft de rechtbank bij beschikking van 13 maart 2006 het verzoek van [verweerder] afgewezen.

7. De rechtbank heeft bij haar beslissing het volgende uitgangspunt gekozen.

"De rechtbank stelt voorop dat naar ongeschreven regels van Nederlands internationaal privaatrecht buitenlandse rechterlijke uitspraken in beginsel in Nederland worden erkend, indien zij na een behoorlijke procedure door een bevoegde rechter zijn gewezen. In dit geval gaat het om erkenning van de buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het geboortejaar van verzoeker is gewijzigd van "1971" in "1969". Mede gelet op het - van openbare orde zijnde - belang dat de gegevens die zijn opgenomen in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand juist en betrouwbaar zijn sluit de rechtbank zich aan bij het bepaalde in artikel 37 lid 2 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dat aan een buiten Nederland gedane rechterlijke uitspraak over de burgerlijke staat geen gegevens worden ontleend voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in zo'n uitspraak vermelde feiten. Volgens de Memorie van Toelichting bij dit artikel (kamerstukken II 1988/89, 21 123, nr. 3, blz. 45 en 46) moeten de gestelde nieuwe gegevens door een bevoegde (rechterlijke) instantie zijn vastgesteld en moet een behoorlijk onderzoek hebben plaatsgevonden. Met name moet aan de nodige processuele vereisten zijn voldaan. Zo moet blijken dat de buitenlandse rechterlijke uitspraak op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens is gebaseerd. Blijkt dit niet het geval te zijn, dan wordt erkenning geweigerd en blijft slechts over de beoordeling van de eventuele bewijskracht van de buitenlandse rechterlijke uitspraak."

Op basis van dit uitgangspunt is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de ambtenaar bs op goede gronden heeft geweigerd om tot inschrijving van de door [verweerder] aangeboden verbeterde geboorteakte over te gaan. Daartoe overwoog de rechtbank onder meer:

"Anders dan verzoeker ([verweerder]; A-G) is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen erkenning van het Turkse vonnis waarbij zijn geboortejaar is gewijzigd. De Turkse rechter heeft zijn beslissing gebaseerd op getuigenverklaringen en op een medisch rapport van de gezondheidsdienst van het staatsziekenhuis te Kayseri. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gegevens onvoldoende betrouwbaar zijn en, noch afzonderlijk noch in onderling verband beschouwd, naar objectieve maatstaven gemeten genoegzaam aantonen dat verzoeker in 1969 geboren is."

8. [Verweerder] is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Als (enige) grief voerde [verweerder] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van het Turkse vonnis waarbij het geboortejaar van [verweerder] is gewijzigd.

9. De ambtenaar bs heeft schriftelijk gereageerd op het beroepschrift. Hij heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

10. Het Openbaar Ministerie heeft schriftelijk geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank.

11. Nadat de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling was behandeld, heeft het hof bij beschikking van 24 januari 2007 de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, de ambtenaar bs gelast de Turkse geboorteakte van [verweerder] in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand, alsmede het geboortejaar van [verweerder] in de registers van de burgerlijke stand te wijzigen van 1971 in 1969.

12. Daartoe overwoog het hof onder meer:

"9. Thans heeft de man ([verweerder]; A-G) ter onderbouwing van zijn stelling ten aanzien van zijn geboortejaar een schriftelijke verklaring van zijn broers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overgelegd, alsmede een verklaring van de school welke de man heeft gevolgd. De verklaring van de school is - mede bezien het betoog van de man ten aanzien van het schoolsysteem in Turkije - naar het oordeel van het hof een ondersteuning van het vermoeden dat de man is geboren in 1969. Voorts is de verklaring van [betrokkene 1], zelf geboren op 1 april 1970, waarin deze zegt dat de man zijn oudere broer is en één jaar eerder naar school ging dan hij zelf, naar het oordeel van het hof eveneens een ondersteuning van het vermoeden van het werkelijke geboortejaar van de man. Mede bezien het feit dat de man zich al veel moeite heeft getroost zijn geboortejaar in de registers gewijzigd te krijgen, is naar het oordeel van het hof met het vorenstaande voldoende aannemelijk geworden dan het geboortejaar van de man 1969 is en niet 1971.

10. Voorts heeft de man ter zitting nog verklaard dat hij in het recente verleden door de politie is aangehouden en dat die in de in de identiteitspapieren van de man verschillende geboortedata constateerde, aangezien de man zowel over een Turks als een Nederlands paspoort beschikt. In het Turkse staat 1969 als geboortedatum en in het Nederlandse 1971.

11. Gelet op de thans door de man aangedragen bewijsstukken, alsmede gelet op de onaanvaardbare situatie dat verschillende geboortejaren in beide paspoorten van de man staan vermeld, oordeelt het hof dat in dit specifieke geval het inleidende verzoek van de man alsnog dient te worden toegewezen. Hierbij merkt het hof nogmaals op dat het slechts om wijziging van het geboortejaar van de man gaat, en dat een belangrijk gegeven, te weten de geboortedatum van de man, [geboortedatum], vaststaat. Het hof acht wijziging van het geboortejaar in de registers van de burgerlijke stand onder deze specifieke omstandigheden niet in strijd is met de openbare orde."

13. De ambtenaar bs is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee, telkens uit verscheidene onderdelen opgebouwde klachten. [Verweerder] heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

14. Ik bespreek eerst klacht 2.

15. De klacht bestaat uit vijf onderdelen en keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat, gelet op de thans door [verweerder] aangedragen bewijsstukken, in dit specifieke geval wijziging van het geboortejaar in de registers van de burgerlijke stand niet in strijd is met de openbare orde.

16. Bij de beoordeling van klacht 2 dient vooropgesteld te worden dat het door de rechtbank gehanteerde, aan art. 37 lid 2 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) ontleende maatstaf bij de beoordeling van de vraag of de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen erkenning van de Turkse uitspraak waarbij het geboortejaar van [verweerder] is gewijzigd, in hoger beroep niet is bestreden. De door [verweerder] tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerde (enige) grief richtte zich immers niet tegen het door de rechtbank aangelegde maatstaf, maar tegen de uitkomst die de rechtbank met toepassing van die maatstaf in het onderhavige geval heeft bereikt. Het hof was derhalve gebonden aan de door de rechtbank gehanteerde maatstaf. Die maatstaf komt erop neer dat, mede gelet op het - van openbare orde zijnde - belang dat de gegevens die zijn opgenomen in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand juist en betrouwbaar zijn, erkenning van de Turkse uitspraak wegens strijd met de openbare orde moet worden geweigerd, indien niet is gebleken dat de uitspraak op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens is gebaseerd. Zie nader over deze maatstaf de conclusie A-G voor HR 13 juli 2001, R00/094 HR, LJN: ZC3650.

17. Het hof heeft zijn oordeel dat de uitspraak van de Turkse rechter gebaseerd is op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens, en dat erkenning daarvan (dus) niet in strijd is met de openbare orde, gegrond op de volgende feiten en omstandigheden.

18. In de eerste plaats heeft het hof vastgesteld - in r.o. 8 - dat de gronden voor de toewijzing van het verzoek in de Turkse uitspraak zijn (i) de stellingen van [verweerder] zelf, (ii) zijn inschrijving in het bevolkingsregister, (iii) een medische verklaring van de gezondheidsdienst van het Staatsziekenhuis te Kayseri (te Turkije), en (iv) de getuigenverklaringen van de broer en de zus van de man. Voorts heeft het hof vastgesteld - in r.o. 9 - dat [verweerder] ter onderbouwing van zijn stelling ten aanzien van zijn geboortejaar alsnog in hoger beroep heeft overgelegd (v) een schriftelijke verklaring van zijn broers [betrokkene 1] en [betrokkene 2], alsmede (vi) een verklaring van de school welke de man heeft gevolgd. Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen (vii) het feit dat de man zich al veel moeite heeft getroost zijn geboortejaar in de registers gewijzigd te krijgen (r.o. 9), (viii) de situatie dat verschillende geboortejaren in het Nederlandse en Turkse paspoort van [verweerder] staan vermeld, welke situatie naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar is (r.o. 11), en (ix) de omstandigheid dat het slechts om wijziging van het geboortejaar van [verweerder] gaat en dat een belangrijk gegeven, te weten de geboortedatum van [verweerder], [geboortedatum], vaststaat (r.o. 11).

19. De door het hof gevolgde gedachtegang begrijp ik aldus, dat al aangenomen dat - zoals de rechtbank heeft geoordeeld - de onder (i) t/m (iv) bedoelde gegevens waarop de Turkse rechter zijn uitspraak heeft gebaseerd - naar objectieve maatstaven gemeten - niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, zij wel een vermoeden vestigen dat [verweerder] is geboren in 1969 en dat de onder (v) en (vi) bedoelde, door [verweerder] thans in hoger beroep overgelegde verklaringen dit vermoeden ondersteunen. Erkenning van de Turkse uitspraak is daarom niet in strijd met de openbare orde, mede in aanmerking genomen de onder (vii) t/m (ix) bedoelde omstandigheden.

20. Ik keer terug naar klacht 2.

21. De onderdelen a en b van de klacht hebben betrekking op de door de ambtenaar bs in feitelijke instanties gestelde omstandigheid (onder meer in zijn schriftelijke reactie d.d. 31 januari 2005 op het inleidend verzoekschrift) dat [verweerder] reeds lang heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer onder de (gesteld) foutieve geboortedatum en dat [verweerder] van die (gestelde) fout reeds lang op de hoogte was. Onderdeel a verwijt het hof te hebben miskend dat die omstandigheid meebrengt dat het als strijdig met de openbare orde (rechtszekerheid) moet worden geacht dat het verzoek tot wijziging van de geboortedatum wordt ingewilligd. Onderdeel b klaagt dat het hof de bedoelde omstandigheid (ook) niet in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling van de vraag of aan de stelling van [verweerder] dat de oorspronkelijke geboortedatum onjuist is, geloof kan worden gehecht en dat het hof, door aan deze (essentiële) stelling van de ambtenaar bs zonder enige motivering voorbij te gaan, in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten.

22. Onderdeel a faalt m.i. Uit de gedingstukken blijkt niet (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen) dat de ambtenaar bs op grond van de bedoelde omstandigheid als verweer heeft gevoerd dat de openbare orde (rechtszekerheid) zich verzet tegen inwilliging van het verzoek van [verweerder]. De omstandigheid is (zo blijkt met name uit de voormelde schriftelijke reactie van de ambtenaar bs op het inleidend verzoekschrift) naar voren gebracht als een omstandigheid die van belang is bij de beoordeling van de vraag of aannemelijk is gemaakt dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is, doch niet als een omstandigheid die eraan in de weg staat dat [verweerder] thans nog een beroep kan doen op de onjuistheid van het geboortejaar waaronder hij tot dusverre heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer. Onderdeel a strandt derhalve op gebrek aan feitelijke grondslag.

23. Onderdeel b treft evenwel doel. De omstandigheid dat [verweerder] reeds lang heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer onder de (gesteld) foutieve geboortedatum en van die (gestelde) fout reeds lang op de hoogte was, is een omstandigheid die van belang kan zijn bij de beoordeling van de vraag of aan het standpunt van [verweerder] dat het eerder bij gelegenheid van zijn vestiging in Nederland, van zijn naturalisatie tot Nederlander en van het sluiten van zijn huwelijk geregistreerde geboortejaar onjuist is, geloof kan worden gehecht. Zie wat de rechtspraak op art. 37 lid 2 Wet GBA betreft bijv. ABRS 3 maart 2004, LJN: AO4789, r.o. 2.4; ABRS 23 juni 2004, LJN: AP3414, r.o. 2.4; ABRS 14 maart 2007, LJN: BA0627, r.o. 2.6.3; Hof 's-Hertogenbosch 13 augustus 2002, NJ 2003, 475, r.o. 4.5. Het hof had bij de beoordeling van de vraag of geloof kan worden gehecht aan de stelling van [verweerder] dat de oorspronkelijke geboortedatum onjuist is, derhalve niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, voorbij mogen gaan aan de bedoelde stelling van de ambtenaar bs.

24. Voor zover onderdeel c niet voortbouwt op klacht 1, klaagt het - kort gezegd - dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn beslissing onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd door op grond van de verklaringen van de broers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de verklaring van de school te oordelen dat is komen vast te staan dat het oorspronkelijk geboortejaar onjuist is.

25. Naar mijn oordeel treft het onderdeel, zo al niet in zijn rechtsklacht dan toch in zijn motiveringsklacht, doel.

26. Zoals eerder aangetekend, had het hof zich te houden aan de door de rechtbank geformuleerde, in hoger beroep niet bestreden maatstaf. Die maatstaf houdt in dat een fout in het geboortejaar niet wordt aangenomen (d.w.z. erkenning van de Turkse uitspraak wordt geweigerd) indien niet is gebleken dat de Turkse uitspraak op - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens is gebaseerd. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de school en de verklaring van [betrokkene 1] het vermoeden ondersteunen dat [verweerder] is geboren in 1969. Nu het hof, anders dan de rechtbank, zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de gegevens waarop de Turkse rechter zijn uitspraak heeft gebaseerd - naar objectieve maatstaven gemeten - als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, is het hof kennelijk van oordeel dat die vraag in het midden kan blijven omdat de door [verweerder] in hoger beroep overgelegde verklaringen in ieder geval aannemelijk maken dat het geboortejaar van [verweerder] 1969 is en niet 1971.

27. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de Turkse uitspraak voor erkenning in aanmerking komt, indien bewijsmateriaal wordt gepresenteerd dat het vermoeden ondersteunt dat het bij de uitspraak verbeterde geboortejaar juist is. Voorwaarde voor erkenning is dat de gegevens waarop de uitspraak is gebaseerd - naar objectieve maatstaven gemeten - als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Weliswaar kan de betrouwbaarheid van de gegevens waarop de uitspraak is gebaseerd worden bevestigd door aanvullend bewijsmateriaal, maar erkenning van de uitspraak kan niet enkel worden gegrond op externe gegevens, zonder dat is vastgesteld dat de gegevens waarop de Turkse rechter zijn uitspraak heeft gegrond - naar objectieve maatstaven gemeten - als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

28. Voor zover het hof is uitgegaan van de juiste maatstaf, is zijn oordeel niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het hof heeft zijn oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat het geboortejaar van [verweerder] 1969 is en niet 1971, gegrond op de verklaring van [betrokkene 1] en op de verklaring van de school. De verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat hij geboren is in 1970 en dat hij de jongste broer is van [verweerder] en dat [verweerder] eerder naar school ging dan hij. De verklaring van de school houdt in dat [verweerder] op 15 september 1975 is ingeschreven op die school voor het eerste jaar, dat hij de vijfjarige school heeft afgerond en zijn diploma heeft gehaald, en dat de datum van het diploma 15 juli 1980 is. Het oordeel van het hof dat deze verklaringen de conclusie rechtvaardigen dat voldoende aannemelijk is geworden dat het geboortejaar van [verweerder] 1969 is en niet 1971, is niet goed begrijpelijk. De verklaringen doen hooguit twijfel rijzen aan de juistheid van het geboortejaar 1971, maar kunnen bezwaarlijk, nu zij niets inhouden over feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat [verweerder] in 1969 is geboren, worden aangemerkt als - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbare gegevens. Bovendien valt niet in te zien dat het door het hof mede in aanmerking genomen feit dat de geboortedatum van de man, [geboortedatum], in ieder geval wel vaststaat, iets kan toevoegen aan de betrouwbaarheid van de gegevens omtrent het geboortejaar.

29. Onderdeel d klaagt in de eerste plaats dat onduidelijk is waarop het hof - in r.o. 9 - het vermoeden baseert dat de man in 1969 is geboren.

30. De klacht faalt. Het hof heeft dat vermoeden - gelet op de samenhang tussen r.o. 8 en r.o. 9 - kennelijk gebaseerd op het Turkse wijzigingsvonnis.

31. Het onderdeel klaagt in de tweede plaats dat, indien het hof dat vermoeden inderdaad heeft gebaseerd op het Turkse wijzigingsvonnis, dat rechtens onjuist is, "nu de openbare orde bij de wijziging van geboorteakte op basis van buitenlandse vonnissen is betrokken en het hof dus zelfstandig had dienen te toetsen of de openbare orde zich niet tegen toewijzing van het verzoek van [verweerder] verzet".

32. De klacht is mij niet geheel duidelijk geworden. Indien de klacht aldus moet worden begrepen dat het hof geen enkele betekenis aan het Turkse wijzigingsvonnis mocht toekennen, zolang het hof niet zelfstandig had getoetst of de openbare orde zich niet tegen erkenning van het vonnis verzet, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een buitenlands vonnis niet voldoet aan de vereisten voor erkenning, betekent niet dat aan het vonnis in Nederland geen enkele betekenis toekomt. De rechter is vrij aan het buitenlandse vonnis, ook al is het niet voor erkenning vatbaar, bewijs te ontlenen, niet alleen van het feit dat het vonnis is gewezen en van de proceshandelingen die ten overstaan van de buitenlandse rechter zijn verricht, maar ook van andere dan processuele feiten. Zie HR 23 januari 1976, NJ 1977, 123. Zie voorts J.P. Verheul, Erkenning en tenuitvoerlegging van vreemde vonnissen, 1989, blz. 2, en L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 8e dr. 2005, nr. 270. Het stond het hof derhalve vrij aan het Turkse vonnis een vermoeden omtrent de juistheid van het daarbij gewijzigde geboortejaar van [verweerder] te ontlenen, ook zonder dat was vastgesteld dat dat vonnis voor erkenning in Nederland vatbaar is.

33. De in de derde plaats door het onderdeel aangevoerde klacht is een motiveringsklacht. Voor zover deze motiveringsklacht voortborduurt op de - onjuiste - rechtsopvatting waarop de rechtsklacht berust, deelt zij het lot van de rechtsklacht. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat het hof heeft geoordeeld dat aan het Turkse wijzigingsvonnis "overtuigend bewijs" kan worden ontleend dat de oorspronkelijke geboortedatum van [verweerder] onjuist is, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft aan het Turkse wijzigingsvonnis niet meer dan een vermoeden omtrent de onjuistheid van het oorspronkelijke geboortejaar ontleend.

34. Onderdeel e is gericht tegen de (nadere) motivering die het hof heeft gegeven aan zijn oordeel dat op grond van de verklaringen van [betrokkene 1] en de verklaring van de school voldoende aannemelijk is geworden dat het geboortejaar van [verweerder] 1969 is en niet 1970 en acht deze (nadere) motivering rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het betreft de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden dat [verweerder] zich al veel moeite heeft getroost zijn geboortejaar in de registers gewijzigd te krijgen en de omstandigheid dat [verweerder] in zijn Turkse paspoort en zijn Nederlandse paspoort met een verschillend geboortejaar staat aangeduid en dat dit een onaanvaardbare situatie is.

35. De rechtsklacht faalt. Het oordeel van het hof betreft bewijswaardering en kan in cassatie op juistheid niet worden getoetst.

36. De motiveringsklacht treft evenwel doel. Niet in te zien valt dat de door het onderdeel bedoelde, door het hof in aanmerking genomen omstandigheden iets kunnen toevoegen aan de - naar objectieve maatstaven gemeten - betrouwbaarheid van de gegevens omtrent het gewijzigde geboortejaar van [verweerder].

37. Nu klacht 2 gedeeltelijk doel treft, kan de bestreden beschikking van het hof niet in stand blijven.

38. Klacht 1 behoeft geen behandeling. In de procedure na verwijzing zal de ambtenaar bs in de gelegenheid kunnen worden gesteld alsnog kennis te nemen van de inhoud van de door de klacht bedoelde stukken en zich daarover uit te laten.

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,