Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2203

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
R07/064HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 92
RvdW 2008, 206
JWB 2008/74
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: R07/064HR

Mr. Timmerman

Parket 3 december 2007

conclusie inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1.1 De navolgende feiten zijn vastgesteld:

Bij verzoekschrift van 15 november 2006(2) heeft verzoeker tot cassatie, verder te noemen "[verzoeker]", aan de rechtbank te Almelo verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringregeling uit te spreken. [Verzoeker] is een alleenstaande gescheiden man met een totale schuldenlast van € 90.750,16, bestaande uit onder meer

- een schuld aan [betrokkene 1] van € 9.481,35;

- een schuld aan Fortis ASR van € 33.497,09;

- een schuld aan Visa Card/International Card Services van € 5.445,27;

- een schuld aan het LBIO van € 2.159,16;

- een schuld aan ABN-Amro van € 15.362;

- een schuld aan De Rustende Jager van € 2.062,49 (huwelijksfeest 2003),

- een schuld aan zijn voormalige schoonouders [betrokkene 2] van € 4.602,23, en

- schulden aan het CJIB van in totaal € 1.319,39.

[Verzoeker] ontving een inkomen uit dienstbetrekking van € 2.469,- bruto per maand en is werkzaam bij Groot Batelaar als sociotherapeut.

1.2 Ter terechtzitting heeft [verzoeker] over het ontstaan van de schuldenlast verklaard dat een groot deel daarvan zijn oorzaak vond in de omstandigheid dat hij samen met zijn voormalige echtgenote "als God in Frankrijk heeft geleefd". [Verzoeker] heeft geleende gelden besteed aan de verbouwing van een woning, de aanleg van een tuin, vakanties en schilderijen. De schuld aan [betrokkene 1] is het gevolg van ontslag van [verzoeker] door [betrokkene 1]. [Verzoeker] had zonder toestemming op kosten van [betrokkene 1] getankt met zijn auto voor een bedrag van € 274,-. Hij is daarna op staande voet ontslagen. Hierdoor diende hij ook een door [betrokkene 1] bekostigde studie terug te betalen. [Verzoeker] is in verband hiermee strafrechtelijk vervolgd waardoor een deel van de schuld aan het CJIB is ontstaan.

1.3 De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van art. 288 lid 2 aanhef en onder b Fw. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een substantieel deel van zijn schuldenlast niet te goeder trouw is geweest. Twee schulden uit de omvangrijke schuldenlast vormen naar het oordeel van de rechtbank het voornaamste struikelblok:

- de schuld aan het CJIB: verkeersovertredingen zijn per definitie niet te goeder trouw ontstaan en behoeven daarom geen nadere toelichting;

- de schuld aan [betrokkene 1]: ook deze is verwijtbaar ontstaan. [Verzoeker] had zich moeten realiseren dat verduistering in dienstbetrekking - zeker in verband met de bestaande aflossingsverplichtingen- forse negatieve gevolgen zouden kunnen hebben. Het ontslag en het moeten terugbetalen van een door [betrokkene 1] bekostigde studie moeten voor [verzoeker zijn] rekening en risico blijven. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat leven als God in Frankrijk -terwijl de financiën dit niet toelaten- evenzeer verwijtbaar is en aan toelating tot de schuldsanering in de weg staat. Dat [verzoeker] thans weer werk heeft gevonden en een substantieel inkomen heeft, maakt dit, gelet op de (recente) ontstaanswijze van de schulden, niet anders.

1.4 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen en heeft in zijn beroepschrift van 16 januari 2007 aangevoerd dat:

- de schulden aan het CJIB -naast de boete van € 300,- die hem is opgelegd in verband met de tankpasfraude- slechts vier overtredingen bevatten, waarvan er ten minste één is begaan door zijn voormalig echtgenote. De overige drie beslaan een tijdsbestek van twee jaar, zodat volgens [verzoeker] op grond hiervan niet kan worden gezegd dat hij zich weinig aan regels gelegen laat liggen. Verder heeft het overgrote deel van de vordering van het CJIB betrekking op kosten die de deurwaarder heeft gemaakt. Volgens [verzoeker] moet er nog € 100,- betaald worden met betrekking tot de opgelegde boete in verband met de kwestie [betrokkene 1] en is voor de verkeersovertredingen een betalingsregeling getroffen van € 100,- per maand;

- de schuld aan [betrokkene 1] in verband met terug te betalen studiekosten niet dient te worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan dan wel onbetaald gebleven. Deze schuld is niet ontstaan door het ontslag, maar hierdoor alleen direct opeisbaar geworden;

- hij al voor het ontslag in de situatie was komen te verkeren dat hij buiten staat was geraakt zijn schulden te voldoen. Volgens [verzoeker] kan niet worden gezegd dat hij als gevolg van zijn ontslag zijn financiële verplichtingen niet meer kon nakomen;

- hij in een noodsituatie verkeerde toen hij gebruik maakte van de tankpas van [betrokkene 1], hetgeen z.i. een rol dient te spelen bij de mate van verwijtbaarheid. [Verzoeker] heeft er niet voor gekozen zijn werk te verzuimen en heeft de tankpas gebruikt in de hoop een regeling te kunnen treffen;

- hij met de woorden "leven als God in Frankrijk" slechts heeft willen aanduiden dat hij een hogere financiële last op zijn schouders heeft genomen dan achteraf verantwoord blijkt te zijn geweest. Er is geen sprake geweest van verkwisting of ongebreidelde kooplust. De meeste schulden hangen in feite samen met de aankoop en het opknappen van een woning en het verlies dat na verkoop van die woning is ontstaan. De voormalig echtgenote van [verzoeker] -die mede aansprakelijk is voor het grootste deel van de schulden- is op 19 december 2006 wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toegelaten;

- hij de grip op zijn financiële huishouding kortstondig heeft verloren na de aankoop van en verhuizing naar een eigen woning, omdat de kosten daarvan onvoldoende in de gaten zijn gehouden. [Verzoeker] heeft gesteld daarvoor nimmer schulden te hebben gehad.

1.5 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bij arrest van 19 maart 2007 bekrachtigd. Het hof heeft, evenals de rechtbank, geoordeeld dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van een substantieel deel van zijn schuldenlast niet te goeder trouw is geweest. Met name de schuld aan [betrokkene 1] is ontstaan doordat hij verwijtbaar op staande voet is ontslagen vanwege fraude in dienstbetrekking. Dit heeft eveneens geleid tot een strafrechtelijke boete van € 300,-, die onbetaald is gelaten. Ook dit moet [verzoeker] volgens het hof worden verweten evenals de overige schulden aan het CJIB die naar hun aard als niet te goeder trouw zijn aan te merken. Verder is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat er in ieder geval gedurende een langere periode sprake is geweest van aanmerkelijke overbesteding. Volgens het hof is daaraan na het kopen van de woning geen einde gekomen. Er is nog weer geld geleend bij Fortis ASR voor onder meer het aanleggen van een tuin. Ook is er een credit card gebruikt voor het aanschaffen van schilderijen en een weekenduitstapje. Ook zijn in die periode kosten gemaakt voor een huwelijksfeest, waarvoor blijkbaar is geleend bij de ouders van zijn voormalig partner. Het feest bij de Rustende Jager is onbetaald gebleven. De schoonouders en de fotograaf zijn ook niet voldaan. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen. Dat de voormalig partner van [verzoeker] wel is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling maakt het oordeel van het hof niet anders, met name omdat niet aannemelijk is dat zij eveneens een verwijtbare schuld aan een voormalig werkgever heeft.

1.6 [Verzoeker] heeft tijdig(3) en regelmatig een cassatieverzoekschrift ingediend.

Inleiding

2.1 Voordat ik de middelen inhoudelijk behandel schets ik het toetsingskader in cassatie.

2.2 Toetsingskader

Artikel 288 lid 2 aanhef en onder b Fw. luidt als volgt:

"1. (...)

2. Het verzoek kan (cursivering van mij, LT) worden afgewezen:

a. (...)

b. Indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. (...)"

De facultatieve weigeringsgrond van artikel 288 lid 2 aanhef en onder b F. heeft mede als doel misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan. Bij zijn beslissing kan de rechter alle relevante omstandigheden betrekken: bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schulden en de mate waarin de schuldenaar ervan een verwijt kan worden gemaakt dat die schulden zijn ontstaan of geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, het tijdstip waarop en de frequentie waarin de schulden zijn gemaakt, het betalingsgedrag van de schuldenaar nadien, pogingen zijn schulden te doen verminderen en zijn inspanningen de schulden te voldoen(4). Dat een schuldenaar zich niet aan de gedragsnorm heeft gehouden kan op veel manieren tot uiting komen waarvan twee veel voorkomende varianten zijn het met opzet benadelen van crediteuren of verhaalsbelangen alsmede het blijk geven van vergaande zorgeloosheid ten aanzien hiervan (er bij wijze van spreken in financieel opzicht maar op los leven(5)). Zowel blijken van kwaadwilligheid als van vergaande nonchalance kunnen steun geven aan het oordeel dat aan de maatstaf van de goede trouw niet is voldaan.

2.3 Het antwoord op de vraag of het niet te goeder trouw laten ontstaan van slechts één enkele schuld voldoende is voor afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is -bevestigend- beantwoord in HR 13 juni 2003, NJ 2003, 520, rechtsoverweging 3.2. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip "schulden" in artikel 288 lid 2 onder b Fw. moet worden verstaan als "één of meer schulden". De Hoge Raad overwoog in hetzelfde arrest (in rov. 3.3, tweede alinea) dat de wet niet bepaalde schulden kent bij het ontstaan of onbetaald laten waarvan de schuldenaar steeds geacht moet worden te goeder trouw te zijn geweest of die, alhoewel de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld, principieel buiten het bereik van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b F. vallen. De ratio van de regeling dwingt er evenmin toe zulke, aan de werking van artikel 288 lid 2 onder b Fw. onttrokken, schulden te aanvaarden.

2.4 De omstandigheid dat de schuldenaar bij het ontstaan van de schulden niet te goeder trouw is geweest, op grond van art. 288 lid 2, onder b, Fw., staat niet op zichzelf aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Het betreft een facultatieve afwijzingsgrond. De rechter dient te beoordelen of die omstandigheid, bezien in het licht van alle overige omstandigheden van het geval, waaronder het ontstaan en het beloop van de overige schulden, een grond kan opleveren het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen(6). Een oordeel van de Hoge Raad in deze lijn is te lezen in Hoge Raad 12 mei 2000, NJ 2000, 567 (m.nt. PvS). De conclusie van A-G Strikwerda voor dit arrest zet dit duidelijk uiteen:

"7. (...) Doel van het opnemen van deze gedragsmaatstaf in de wet is niet om de moraliteit van een debiteur af te straffen, maar om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling wordt toegepast op een debiteur van wie, gezien zijn verleden, betwijfeld moet worden of hij in staat is bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen behoorlijk na te komen.

8. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat de afwijzingsgrond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, F. niet imperatief, maar facultatief is geformuleerd en dat de rechter, blijkens de wetgeschiedenis (...) alle relevante omstandigheden van het geval mag betrekken. Immers, de omstandigheid dat de schuldenaar in het verleden (...) een scheve schaats heeft gereden kan een aanwijzing dat de schuldenaar ook thans nog steeds niet in staat is zich ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te gedragen, maar dat behoeft niet. Uit de omstandigheden van het geval kan blijken dat de in het verleden begane fout een incident is geweest en dat de schuldenaar er inmiddels blijk van heeft gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en te kunnen gedragen. De ratio van de afwijzingsgrond van art. 288, lid 2 aanhef en onder b, F. valt dan weg.

9. Hiermee is in lijn de aanbeveling van de Werkgroep Faillissementsrecht van de NVvR (Recofa) dat ook een verzoeker, die zich heeft schuldig gemaakt aan bijv. bijstandsfraude, niettemin tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegelaten, indien zekere tijd - als uitgangspunt vijf jaar - is verstreken na ontdekking van dit misdrijf (...)(7).

10. In het licht van de strekking van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, F., zou ik menen dat, indien de verzoeker, die ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest, feiten en omstandigheden stelt die erop kunnen wijzen dat fouten uit het verleden niet kunnen gelden als een aanwijzing dat de verzoeker niet in staat is bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen naar behoren na te komen, de rechter die feiten en omstandigheden moet onderzoeken en bij de toetsing van de afwijzingsgrond (...) moet betrekken".(8)

2.5 De rechter dient zijn oordeel dat een schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en daarom toepassing van de schuldsaneringsregeling niet kan worden uitgesproken, voldoende te motiveren, in het bijzonder wanneer concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd dat de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling zou moeten worden toegelaten(9). Uit hetgeen hiervoor is besproken blijkt dat in bepaalde gevallen, ondanks het feit dat de schuldenaar niet te goeder trouw is geweest, hij niettemin tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten(10). Dit is een uitzondering waarop de schuldenaar zich gemotiveerd dient te beroepen door feiten en omstandigheden te stellen die het beroep hierop staven.

2.6 De Wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (29 942) is inmiddels gepubliceerd in het Staatsblad(11). Bij Koninklijk Besluit van 18 juni 2007 is bepaald dat deze nieuwe wet in werking treedt op 1 januari 2008(12). De leden 1 en 2 van art. 288 van deze Wet luiden:

"1. Het verzoek, bedoeld in art. 284, eerste lid, wordt slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is:

a. dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

b. dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest; en

c. dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

2. Het verzoek wordt evenwel afgewezen:

a. indien de schuldsanering reeds op de schuldenaar van toepassing is;

b. indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet;

c. indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen; of

d. indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder a of b op grond van artikel 350, derde lid, onder d, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen."

Er zal een nieuw lid 3 aan het artikel worden toegevoegd (de huidige leden drie en vier worden vernummerd tot de leden vier en vijf) dat luidt:

"3. Het verzoek kan in afwijking van het eerste lid, onder b, en het tweede lid, onder c, worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen."

De huidige facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw. is in de nieuwe Wet omgezet in een imperatieve weigeringsgrond in die zin dat een schuldenaar pas tot de schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten indien aannemelijk is dat hij gedurende vijf jaar ten aanzien van het ontstaan van de schulden en van het onbetaald blijven ervan te goeder trouw is geweest. Is sprake van een schuld die voortspruit uit een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf, dan kan de schuldsanering niet worden uitgesproken. Op grond van het bij de Tweede nota van wijzigingen d.d. 20 oktober 2006 ingevoegde nieuwe lid 3 kan de rechter van deze imperatieve weigeringsgronden afwijken en zo de werking van het per 1 januari as. geldende artikel 288 lid 1 onder b en lid 2 onder c Fw. verzachten(13).

2.7 In dit nieuwe systeem is meer dan in het huidige systeem de leidende gedachte dat de schuldenaar moet aantonen dat hij aan de voorwaarden voor schuldsanering voldoet, in plaats van dat schuldsanering een recht is dat alleen in bijzondere gevallen aan een schuldenaar mag worden onthouden(14). Nu de nieuwe wettelijke regeling nog niet in werking is getreden maar wel is vastgesteld is het de vraag in hoeverre hierop geanticipeerd kan worden. A-G Verkade bracht dit al ter sprake in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2007 (NJ 2007, 242; LJN nr.: BA 0903) en kwam in die procedure, waarin het met name ging over het niet nakomen van de initiële informatieverplichting van de schuldenaar, tot een afwijzing hiervan. Ik sluit mij hierbij aan.

Behandeling van de cassatiemiddelen

3.1 De cassatiedagvaarding bevat twee cassatiemiddelen. Het eerste middel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 van het bestreden arrest en klaagt over een onjuist oordeel althans een onbegrijpelijke motivering van het arrest waar het hof spreekt over een verwijtbaar ontstane schuld aan [betrokkene 1]. Het middel klaagt dat de studieschuld niet is ontstaan door het ontslag op staande voet maar hierdoor slechts opeisbaar is geworden. Het middel klaagt verder dat het ontslag tevens heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging waarop een geldboete is gevolgd die anders dan het hof zou hebben geoordeeld is betaald. Vervolgens klaagt het middel dat de overige CJIB-schulden verkeersovertredingen betreffen, waaromtrent volgens het middel de gedachte bestaat deze te decriminaliseren. Ten slotte klaagt het middel dat in het oordeel van het hof met betrekking tot de aanmerkelijke overbesteding van [verzoeker] niet is betrokken dat de man destijds was gehuwd. Het middel betoogt dat de schulden gemeenschappelijke schulden zijn en zijn aangegaan op grond van de gezamenlijke verdiencapaciteit van beide voormalige echtgenoten. Het middel klaagt erover dat er in het bestreden arrest geen rechtsoverweging is gewijd aan het toerekenen van de schulden alsmede dat de omstandigheid dat de voormalig echtgenote wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten tot een extra overweging zou nopen. Het tweede middel is gericht tegen dezelfde rechtsoverwegingen van het bestreden arrest en klaagt over het ontbreken van een "fair balance" en spreekt over het bestaan van bijzondere omstandigheden: het middel vermeldt dat de ex-echtgenote van [verzoeker] wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten alsmede dat [verzoeker] thans wederom een vaste werkkring heeft. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte deze bijzondere omstandigheden niet heeft meegewogen.

3.2 De middelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. De klacht met betrekking tot de schuld aan [betrokkene 1] is een herhaling van de in hoger beroep opgeworpen grief(15). Naar aanleiding hiervan is tijdens de mondelinge behandeling op 12 maart 2007 door het hof om uitleg aan [verzoeker] gevraagd. Het proces-verbaal vermeldt hierover:

"(...) Aan [betrokkene 1] zou ik mijn studiekosten voor mijn opleiding als sociotherapeut niet hebben hoeven terugbetalen als ik was gebleven. Na het afronden van die studie zou ik -in ieder geval- nog vijf jaar als werknemer aan [betrokkene 1] verbonden blijven. Ik heb mijn ontslag niet aangevochten (...)"

Het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.4 dat de schuld aan [betrokkene 1] is ontstaan doordat hij verwijtbaar op staande voet is ontslagen vanwege fraude in dienstbetrekking is na deze verklaring van [verzoeker] geenszins onbegrijpelijk te noemen.

3.3 De klacht met betrekking tot de betaling van de geldboete die is gerelateerd aan de strafrechtelijke vervolging na het ontslag op staande voet van [verzoeker] van feitelijke aard. Voor een behandeling van dergelijke klachten is in cassatie geen plaats.

3.4 De overige CJIB-schulden betreffen verkeersovertredingen, waaromtrent volgens het middel "de gedachte bestaat deze te decriminaliseren". Het middelonderdeel werkt de klacht niet -verder- uit maar verwijst naar een passage in de literatuur. Voor zover de klacht al voldoet aan de eisen die op grond van artikel 407 lid 2 Rv. aan een cassatiemiddel plegen te worden gesteld, heb ik in de genoemde passage geen aanknopingspunten gelezen die ten gunste van [verzoeker] kunnen worden uitgelegd. De desbetreffende passage waarnaar wordt verwezen begint met de woorden:

"Evident is dat schulden veroorzaakt door strafrechtelijke boetes niet te goeder trouw zijn ontstaan. In het strafrecht geldt immers het beginsel "geen straf zonder schuld/verwijtbaarheid". (...)(16)"

Bij de parlementaire behandeling van wetsontwerp 29 941 is dit type schulden eveneens uitgebreid ter sprake gekomen. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik hierboven bij de algemene inleiding op de klachten met betrekking tot zogenaamde CJIB-schulden heb besproken. De -eveneens bestreden- rechtsoverwegingen van het hof met betrekking tot de studieschuld aan [betrokkene 1] tezamen met de rechtsoverweging met betrekking tot de overbesteding kunnen het eindoordeel van het hof n.m.m. dragen.

3.5 Ten slotte wordt er in het eerste cassatiemiddel over geklaagd dat de schulden die door het hof in aanmerking zijn genomen in het kader van de overbesteding afkomstig zijn uit een boedelscheiding na echtscheiding alsmede dat de ex-echtgenote van [verzoeker] wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten.

3.6 In zijn arrest van 4 juni 2004, NJ 2004, 638 (m.nt. PvS) is door de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat tussen echtgenoten enigerlei gemeenschap van goederen bestaat niet meebrengt dat de afwijzing van het verzoek tot schuldsanering van de ene echtgenoot tevens dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de andere(17). Ten aanzien van ieder van de echtgenoten dient individueel te worden bezien of voldoende aanleiding bestaat de schuldsaneringsregeling toe te passen.

3.7 Deze klacht gaat niet op. Het hof heeft in rechtoverweging 3.5 (zie de laatste zin) een begrijpelijke gedachtengang gevolgd. Immers, een belangrijke pijler onder het oordeel van het hof vormt de schuld van [verzoeker] aan zijn voormalige werkgever [betrokkene 1], ten aanzien waarvan het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de voormalige echtgenote van [verzoeker] eveneens een dergelijke verwijtbare schuld aan haar voormalig werkgever heeft (gehad). Ook deze klacht dient m.i. te falen.

3.8 In het tweede middel wordt het eerste cassatiemiddel geplaatst in het kader van bijzondere omstandigheden. De klacht houdt in dat het hof niet zou hebben meegewogen dat de ex-echtgenote van [verzoeker] is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alsmede dat [verzoeker] op dit moment een vaste werkkring heeft. Nu het hof uitdrukkelijk in rechtsoverweging 3.5 de eerste omstandigheid betrekt en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling door het hof op 12 maart 2007 blijkt dat de huidige werkkring van [verzoeker] uitdrukkelijk is besproken (zie p-v, blz. 2, eerste alinea) dient ook dit middel te falen. Immers, het hof heeft deze omstandigheden op een rij gezet en geoordeeld dat onvoldoende is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan [verzoeker] zijn verzoek desondanks zou dienen te worden toegewezen. Kennelijk is het hof van oordeel geweest dat hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd niet kan worden gekwalificeerd als -voldoende uitgewerkte- relevante bijzondere omstandigheid. Dit oordeel is n.m.m. noch onjuist noch onbegrijpelijk.

4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het vonnis van de rechtbank d.d. 9 januari 2007 en het bestreden arrest d.d. 19 maart 2007, rov. 3.

2 Het verzoekschrift is op 17 november 2006 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

3 Art. 292 lid 4 F. (cassatietermijn van acht dagen): het bestreden arrest is gewezen op 19 maart 2007, terwijl het cassatieverzoekschrift op 26 maart 2007 op de civiele griffie van de Hoge Raad is ontvangen.

4 Zie Kamerstukken II 1993-1994, 22 969, nr. 6, blz. 19 e.v.; HR 24 december 2004, NJ 2005, 129; Zie ook Polak/Wessels, Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, 1999, blz. 39 ev.; B. Wessels, T&C Faillissementswet, 2004, art. 288 lid 2, aantek. 7.

5 Kamer II, 1993-'94, 22 969, nr. 6, blz. 21.

6 HR 20 april 2007, NJ 2007, 242 (LJN nr. BA0903), rov. 3.4.

7 Onder verwijzing naar de Aanbevelingen tot de toepassing van de wet schuldsanering natuurlijke personen, april 1998, Werkgroep Faillissementsrecht van de NVvR (Recofa), par. 3.2; Polak-Wessels, a.w., blz. 39 en 40; N.J. Polak (bew. door M. Pannevis), Faillisssementsrecht, 2005, blz. 315. Voorzichtiger: R.J. Verschoof, Schuldsanering voor natuurlijke personen, 1998, blz. 29.

8 Van Schilfgaarde wijst in zijn noot onder het arrest erop dat de Hoge Raad zijn oordeel op dit punt voorzichtiger heeft geformuleerd, zie noot, punt 4, laatste zin.

9 Zie HR 24 december 2004, NJ 2005, 129, rov. 3.4; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, rov. 3.2; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, rov. 3.2.1, m.nt. PvS.

10 Zie ook bijvoorbeeld HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 m.nt. PvS.

11 Stb. 2007, 192.

12 In Stb. 2007, 222.

13 In de parlementaire geschiedenis wordt door de Minister van Justitie gesproken over het toevoegen van een hardheidsclausule, zie Handelingen Kamer I, 29 942, 22 mei 2007, blz. 30-957, li-kolom, tweede al.

14 Kamer II, 2004/'05, 29942, nr. 3, blz. 19.

15 Zie beroepschrift d.d. 16 januari 2007, nr. 9(, blz. 3).

16 A.R. van der Winkel en J.M. Marsman, Schuldsanering natuurlijke personen (praktijkboek insolventierecht), 2006, par. 1.6.3., blz. 26.

17 Zie aangehaald arrest, rov. 3.4.