Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC2161

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2008
Datum publicatie
18-01-2008
Zaaknummer
R07/113HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC2161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging van definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het laten ontstaan van nieuwe schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 23
RvdW 2008, 107
JWB 2008/29
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R07/113HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 14 nov. 2007

conclusie inzake

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Ten aanzien van thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft de rechtbank Utrecht bij vonnis van 20 september 2005 de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

2. Nadat de bewindvoerder had verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] te beëindigen en de rechter-commissaris overeenkomstig dit verzoek had geadviseerd, heeft de rechtbank bij vonnis van 2 april 2007 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, zulks onder meer omdat [verzoeker] ondanks vijf schriftelijke aanwijzingen van de bewindvoerder bij herhaling nieuwe schulden heeft laten ontstaan tot een bedrag van Euro 2.685,77 en omdat [verzoeker] van de gemeente Utrecht ontvangen bijzondere bijstand voor tegemoetkoming herinrichtingskosten voor een ander doel heeft gebruikt, te weten - althans naar zijn zeggen - voor de kosten van de ziekenhuisopname van zijn echtgenote te Marokko, waardoor de mogelijkheid bestaat dat deze bijstand wordt teruggevorderd.

3. [Verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij arrest van 4 juni 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 3.5):

"Het hof is van oordeel dat [verzoeker] een ernstig verwijt moet worden gemaakt van het feit dat hij bijzondere bijstand voor herinrichtingskosten heeft aangevraagd en dat hij deze bijstand vervolgens voor andere doeleinden heeft gebruikt dan voor de herinrichting van zijn woning, waardoor de gemeente, zoals thans in hoger beroep is komen vast te staan, deze bijstand van [verzoeker] heeft teruggevorderd en hierdoor een nieuwe schuld is ontstaan van Euro 1.010,-. Aan het vorenstaande doet - zonder meer - niet af de (overigens niet bewezen of zelfs maar aannemelijk (gemaakte; toevoeging A-G)) verklaring van [verzoeker] dat hij de bijzondere bijstand daadwerkelijk heeft aangewend voor de kosten van een ziekenhuisopname van zijn in Marokko wonende echtgenote. Tevens moet [verzoeker] een ernstig verwijt worden gemaakt van het feit dat hij ondanks vijf schriftelijke aanwijzingen van de bewindvoerder bij herhaling nieuwe schulden heeft laten ontstaan tot een bedrag van thans nog ruim Euro 2.500,-. Naar het oordeel van het hof dient de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] reeds op deze gronden tussentijds te worden beëindigd."

4. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 351 jo. art. 342 lid 3 Fw) in cassatie gekomen met verscheidene klachten.

5. De eerste klacht (cassatierekest onder 2.2) keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] een ernstig verwijt moet worden gemaakt van het feit dat hij bijzondere bijstand voor herinrichtingskosten heeft aangevraagd en dat hij deze bijstand vervolgens voor andere doeleinden heeft gebruikt dan voor de herinrichting van zijn woning, waardoor de gemeente deze bijstand van [verzoeker] heeft teruggevorderd en hierdoor een nieuwe schuld is ontstaan van Euro 1.010,-. De klacht houdt in dat (het hof heeft miskend dat) het terugvorderingsbesluit van de gemeente Utrecht niet onherroepelijk is, nu daartegen een bezwaarschrift kon worden ingediend.

6. De klacht faalt. In feitelijke instantie is niet aangevoerd (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] tegen het terugvorderingsbesluit van de gemeente een bezwaarschrift heeft ingediend of van plan was zulks te doen. Bij deze stand van zaken was het hof niet gehouden om zich ambtshalve te begeven in speculaties over de vraag tot welke gevolgen het mogelijk indienen van een bezwaarschrift zou kunnen leiden en was het hof vrij zijn beslissing mede te gronden op de vaststelling de gemeente de bijstand van [verzoeker] heeft teruggevorderd en dat hierdoor een nieuwe schuld is ontstaan. Voor zover in dit verband in het cassatierekest nog wordt gesteld dat [verzoeker] ter zake met de gemeente een inlossing in (maandelijkse) termijnen is overeengekomen, is mij niet duidelijk geworden in welk opzicht deze stelling steun kan bieden aan de klacht. In ieder geval blijkt uit de gedingstukken niet dat de stelling reeds in feitelijke instantie naar voren is gebracht, zodat de stelling, die onderzoek van feitelijke aard vergt, een ontoelaatbaar novum in cassatie oplevert.

7. De tweede klacht (cassatierekest onder 2.3) is kennelijk gericht tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] zijn verklaring dat hij de bijzondere bijstand daadwerkelijk heeft aangewend voor de kosten van een ziekenhuisopname van zijn in Marokko wonende echtgenote, niet heeft bewezen of zelfs maar aannemelijk heeft gemaakt. De klacht houdt in dat is aangeboden de betalingsbewijzen alsnog in te zenden en dat de bewindvoerder daarop niet meer is teruggekomen en strekt dus kennelijk ten betoge dat het hof op grond hiervan als vaststaand had moeten aannemen dat [verzoeker] de bijzondere bijstand daadwerkelijk heeft aangewend voor de kosten van een ziekenhuisopname van zijn in Marokko wonende echtgenote.

8. De klacht kan geen doel treffen. Het hof heeft immers geoordeeld dat ook indien [verzoeker] de bijzondere bijstand daadwerkelijk heeft aangewend voor de kosten van een ziekenhuisopname van zijn in Marokko wonende echtgenote, dit niet eraan afdoet dat aan [verzoeker] een ernstig verwijt moet worden gemaakt van het feit dat hij bijzondere bijstand voor herinrichtingskosten heeft aangevraagd en dat hij deze bijstand vervolgens voor andere doeleinden heeft gebruikt dan voor de herinrichting van zijn woning, waardoor de gemeente deze bijstand van [verzoeker] heeft teruggevorderd en hierdoor een nieuwe schuld is ontstaan. De klacht strandt derhalve reeds op gebrek aan belang.

9. De derde klacht (cassatierekest onder 2.4) verwijt het hof, naar ik begrijp, niet te hebben gereageerd op de betwisting door [verzoeker] dat hij nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

10. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit r.o. 3.5 blijkt dat het hof op die betwisting heeft gereageerd en die betwisting kennelijk niet doeltreffend heeft geoordeeld. Voor zover de klacht voorts nog wil betogen dat het hof ook niet heeft gereageerd op de stelling van [verzoeker] dat het hier schulden betreft "die niet in enig verband tot de wettelijke schuldsanering zijn betrokken", kan de klacht evenmin doel treffen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat [verzoeker] een stelling van deze strekking in feitelijke instantie heeft aangevoerd (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen), zodat de klacht ook in dit opzicht feitelijke grondslag mist. De vraag wat verstaan moet worden onder schulden "die niet in enig verband tot de wettelijke schuldsanering zijn betrokken", kan blijven rusten.

11. De vierde klacht (cassatierekest onder 2.5) komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat het bedrag dat [verzoeker] aan nieuwe schulden heeft ontstaan nog ruim Euro 2.500,- bedraagt.

12. Ook deze klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft overwogen - in r.o. 3.3 - dat de bewindvoerder in haar brief d.d. 4 mei 2007 heeft aangegeven dat het bedrag van de nieuwe schulden inmiddels is opgelopen tot een bedrag van Euro 3.224,18. Daartoe behoren een bedrag van Euro 350,40 als schuld aan Eneco en een bedrag van Euro 866,53 als schuld aan SBWU (maatschappelijk werk). Voorts heeft het hof overwogen - in r.o. 3.4 - dat [verzoeker] heeft betwist dat hij aan Eneco iets verschuldigd is en heeft aangetoond dat de schuld aan SBWU nog slechts Euro 573,58 bedraagt. Kennelijk heeft het hof met hetgeen [verzoeker] in reactie op de opstelling van de bewindvoerder naar voren heeft gebracht met betrekking tot de Eneco-schuld en de SBWU-schuld rekening gehouden en is dan, niet onbegrijpelijk, uitgekomen op een bedrag van nog ruim Euro 2.500,- aan nieuwe schulden: Euro 3.224,18 minus Euro 350,40 (Eneco) en minus Euro 292,95 (SBWU; het verschil tussen Euro 866,53 en Euro 573,58) is Euro 2.580,83, derhalve ruim Euro 2.500,-.

13. De vijfde klacht (cassatierekest onder 2.6) strekt, naar ik begrijp, ten betoge dat het hof in zijn oordeelsvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de "sfeer van onmin" waarin het verloop van de schuldsaneringsregeling na de benoeming van de huidige bewindvoerder zou zijn terechtgekomen.

14. De klacht faalt. Uit de gedingstukken blijkt niet (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] een stelling als hier bedoeld in feitelijke instantie heeft aangevoerd. Derhalve valt het hof niet te verwijten met de gestelde "sfeer van onmin" in zijn oordeelsvorming geen rekening te hebben gehouden.

15. De zesde klacht (cassatierekest onder 2.7), die erop neerkomt dat uit eerder aangevoerde klachten volgt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de beëindigingsbeslissing niet in stand kan blijven, bouwt voort op de eerder aangevoerde klachten en zal het lot daarvan moeten delen.

16. De zevende klacht (cassatierekest onder 2.8) berust met haar stelling dat het hof alternatieven (voor het tussentijds beëindigen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling) had behoren te onderzoeken, op een opvatting die geen steun vindt in het recht. Tussentijdse beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling kan geschieden indien de schuldenaar bovenmatige schulden doet of laat ontstaan (art. 350 lid 3, aanhef en onder d, Fw). Het hof heeft vastgesteld dat van deze grond voor tussentijdse beëindiging in dit geval sprake is en dat [verzoeker] van het laten ontstaan van de nieuwe schulden in de gegeven omstandigheden een ernstig verwijt moet worden gemaakt. Bij deze stand van zaken was het hof bevoegd de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen, ook zonder alternatieven te onderzoeken. Daarbij teken ik aan dat uit de gedingstukken niet blijkt (het cassatierekest noemt ook geen vindplaatsen) dat door [verzoeker] om een alternatief is verzocht.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,